We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

Zoekresultaten 1031-1040 van de 47966 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:60 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8875

    Tenuitvoerlegging voorwaardelijke maatregel: De beroepsbeoefenaar, arts, heeft de bijzondere voorwaarden die het CTG deze beroepsbeoefenaar eerder had opgelegd, niet nageleefd. De beroepsbeoefenaar heeft - hoewel hij al niet meer in het BIG-register ingeschreven stond als bedrijfsarts, maar als arts - onduidelijkheid hierover laten bestaan. Ook heeft hij onder andere onduidelijkheid laten bestaan over het werken onder supervisie en de IGJ niet tijdig en onvoldoende geïnformeerd. De IGJ heeft het college verzocht om een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel. De beroepsbeoefenaar erkent dat hij de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd en vraagt een tweede kans.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:80 Hof van Discipline 's Gravenhage 250125

    Het hof stelt voorop dat artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet een vervaltermijn van openbare orde bevat, die ambtshalve door de tuchtrechter wordt toegepast.Voor het indienen van een klacht geldt een vervaltermijn van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. De vraag moet worden beantwoord op welk moment de vervaltermijn is aangevangen. Het hof stelt vast dat de datum van ontvangst van de klacht door de deken buiten de klachttermijn ligt en dat de klacht te laat is ingediend.Het hof ziet geen aanleiding om op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet uit te gaan van een verlenging van de klachttermijn omdat klaagster pas op een later moment dan het einde van de driejaarstermijn bekend is geworden met de onjuistheid van het handelen van de verweerster. De klacht is niet tijdig ingediend en daarom niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke behandeling komt het hof niet toe.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:81 Hof van Discipline 's Gravenhage 240375

    Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familierechterlijk geschil. Klager verwijt verweerster dat zij zich onnodig grievend over hem heeft uitgelaten. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard, ook het hof komt tot de conclusie dat verweerster de grenzen van het betamelijke in deze familierechtelijke kwestie niet heeft overschreden. Vanwege haar partijdige positie als advocaat van de ex-echtgenote van klager stond het verweerster vrij om in het familierechtelijke geschil het onderzoeksrapport Onmacht in het hoger beroep over te leggen nu zij daarbij voldoende heeft toegelicht dat het doel van het rapport was om het namens haar cliënte ingenomen standpunt over ouderverstoting te onderbouwen. Het hof acht van belang dat verweerster heeft uiteengezet welke overeenkomsten haar cliënte ziet tussen de in het onderzoeksrapport vermelde situatie en de familierechtelijke kwestie over de kinderen van partijen, dat zij heeft toegelicht wat uit dat rapport relevant was voor de zaak van haar cliënte en dat haar cliënte daarmee op geen enkele manier wilde insinueren dat klager ook zoiets zou kunnen doen of dat het leven van de kinderen in gevaar is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:82 Hof van Discipline 's Gravenhage 240196

    Klacht over de advocaat van de wederpartij. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad dat verweerder zich in een krantenartikel onnodig grievend heeft uitgelaten over klager, die op dat moment een publieke functie bekleedde, zonder dat dit enig redelijk doel diende en waarmee de belangen van klager onnodig zijn geschaad. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. Hoewel het beroep van klager tegen een ander klachtonderdeel slaagt, legt ook het hof de maatregel van berisping op. Het laakbare gedrag van verweerder acht het hof daartoe zelfstandig dragend.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:83 Hof van Discipline 's Gravenhage 250189

    De klacht gaat over een advocaat in zijn hoedanigheid van deken. In tegenstelling tot de raad acht het hof een uitlating die verweerder over een gedraging van klager heeft gedaan in een artikel over klager in een regionale krant tuchtrechtelijk verwijtbaar. Omdat dit oordeel dient als signaalfunctie betreffende de omgang door advocaten in hoedanigheid van deken met de pers en andere vormen van sociale media heeft het hof de klacht gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:84 Hof van Discipline 's Gravenhage 250190

    De klacht van klager gaat over de advocaat van de wederpartij. Met betrekking tot het onderdeel dat verweerder in strijd met het toepasselijke procesreglement niet tegelijkertijd een afschrift van zijn bericht aan de rechtbank aan klager heeft gestuurd, acht het hof deze omissie van verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klager had de cliënt van verweerder zonder opvragen van verhinderdata gedagvaard waarop verweerder de rechtbank daarop heeft geattendeerd en om een nieuwe datum heeft verzocht. Niet is gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad doordat hij het betreffende bericht een dag later ontving van de rechtbank. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:58 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8382

    Kennelijk ongegronde klacht van de werkgever van een medewerkster tegen verweerder, bedrijfsarts. Verweerder heeft de medewerkster begeleid bij haar ziekteverzuim en haar vervolgens arbeidsgeschikt bevonden. Klager verwijt verweerder dat verweerder de medewerkster arbeidsgeschikt heeft bevonden ondanks de afspraak tussen klager en verweerder dat de medewerkster arbeidsongeschikt zou zijn. Deze afspraak is niet gebleken en de organisatorische problemen van klager zijn geen onderdeel van de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van de medewerkster. Ook verwijt klager verweerder een belangenverstrengeling vanwege een aandelentransactie tussen de arbodienst waarvoor verweerder werkzaam is en de verzuimverzekering van klager. Deze belangenverstrengeling is niet gebleken.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:59 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7808

    Deels gegronde klacht van werkneemster over verweerder. Verweerder, arbo-arts, heeft klaagster begeleid na de ziekmelding van klaagster. Klaagster verwijt verweerder dat hij de COPD-klachten van klaagster niet serieus heeft genomen, geen medische informatie heeft opgevraagd bij de huisarts van klaagster en geen verslagen of adviezen van fysieke consulten heeft opgesteld, ook niet na verzoek daartoe. Verweerder adviseerde klaagster re-integratie terwijl hij klaagster niet had gezien en klaagster aangaf daartoe niet in staat te zijn. Ook verwijt klaagster dat verweerder geen mediation heeft geadviseerd en niet heeft gereageerd op het verzoek om een second opinion.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:79 Hof van Discipline 's Gravenhage 260064

    Klacht tegen deken niet wordt verwezen. De voorzitter van het hof is van oordeel dat klager met de onderhavige zaak opnieuw op een oneigenlijke manier het klachtrecht inzet. Het patroon is dat zodra een door klager gevoerde tuchtprocedure niet de door hem gewenste uitkomst heeft, hij een klacht indient over de deken die het onderzoek naar de betreffende klacht heeft gedaan. Zoals klager zeer goed weet omdat hem dat al een en andermaal is duidelijk gemaakt, is de geëigende weg om onvrede over de uitkomst van een dekenonderzoek aan de orde te stellen, het voorleggen van de onderzochte klacht aan de Raad van Discipline. Klager kiest er, door het verschuldigde griffierecht niet te betalen, echter voor om die weg niet te bewandelen. Hierdoor maakt klager misbruik van zijn klachtrecht in de zin van de Advocatenwet. Aan dit handelen van klager moet paal en perk worden gesteld. Klager moet zich realiseren dat aan elke procedure eens een einde komt.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:43 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-857/DB/LI

    Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening. Klager verwijt verweerder dat hij diverse beroepsfouten heeft gemaakt bij de behandeling van klagers zaak. Klager heeft reeds eerder geklaagd over verweerders optreden. Klager heeft in de eerdere klachtzaak aan verweerder verweten dat hij “in de twaalf zaken die hij voor klager heeft behandeld meerdere beroepsfouten heeft gemaakt”. De raad heeft deze klacht bij beslissing van 24 april 2023 gegrond verklaard en ter zake aan verweerder een berisping opgelegd. Het Hof van Discipline heeft deze beslissing bekrachtigd bij beslissing van 5 april 2024, zodat de beslissing van de raad op die datum onherroepelijk is geworden. Nu de tuchtrechter al onherroepelijk heeft geoordeeld over de aan verweerder verweten beroepsfouten, kan op grond van het “ne bis in idem-beginsel”, zoals vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, niet nogmaals over die beroepsfouten worden geklaagd. De raad zal klachtonderdeel 1 sub a dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Over de klacht (k.o. 1 sub b) dat verweerder heeft geprobeerd deze beroepsfouten te verbloemen, heeft de tuchtrechter nog niet onherroepelijk geoordeeld, zodat dit klachtonderdeel wel ontvankelijk is. Dit klachtonderdeel mist echter feitelijke grondslag en is daarom ongegrond. Verweerder heeft wel tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij (k.o. 2) de door klager in oktober 2024 opgevraagde dossiers pas in maart 2025 aan klager heeft afgegeven. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij gedurende de rechtsbijstandsverlening aan klager steeds afschriften van alle stukken aan klager heeft gestuurd. Naar het oordeel van de raad is derhalve niet gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad doordat verweerder de dossiers pas op 7 maart 2025 heeft afgegeven. Om die reden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met oplegging van een waarschuwing.