Zoekresultaten 8701-8750 van de 48384 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:115 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4083

    Ongegronde klacht tegen huisarts. Klager, die de klacht namens zichzelf en niet namens zijn moeder indient, verwijt de huisarts dat zij gegevens die zij op professionele wijze, als huisarts van de moeder, heeft verkregen, onterecht met andere familieleden van klager en nabije contacten heeft gedeeld. Hierdoor is het vertrouwen dat de familieleden in klager hadden wat betreft de zorg voor hun moeder afgenomen. Door het sturen van haar e-mail naar onder meer de familie van klager, is klager van mening dat de huisarts zijn positie behoorlijk heeft ondermijnd. Met de huisarts is het college van oordeel dat het beter was geweest als de huisarts eerst met klager contact zou hebben opgenomen om te vragen hoe het gesprek met de moeder (over het mogelijk instellen van mentorschap) wat hem betreft was verlopen, voordat zij haar e-mail naar klager en anderen verstuurde. Dat zij dat niet heeft gedaan is niet netjes, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Voorts had de huisarts beter eerst, voordat zij haar e-mail verstuurde, bij klager kunnen navragen naar wie hij eerder zijn e-mail met de aanhef “beste allemaal” had verstuurd. Dat zij dat heeft nagelaten is echter evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:53 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 23-157/DB/ZWB

    Advocaat heeft er op moeten kunnen en mogen vertrouwen dat met de uitspraak van de raad van 23 mei 2022 aan de tuchtzaak, die klaagster jegens de advocaat aanhangig had gemaakt, een einde was gekomen. Klaagster miskent hiermee dat in eerdere tuchtrechtprocedures bij herhaling door de tuchtrechter is vastgesteld dat er geen sprake is van door verweerster gepleegd bedrog. Nadat over een kwestie door de tuchtrechter onherroepelijk is geoordeeld, kan deze kwestie niet steeds weer opnieuw aan de tuchtrechter worden voorgelegd. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze is naar het oordeel van de voorzitter misbruik van recht. Klaagster moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerster door de deken respectievelijk de raad buiten behandeling zal worden gesteld.Klacht kennelijk niet-ontvankelijk

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:116 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/5003

    Gegronde klacht tegen een huisarts. Een minderjarige bezocht de HAP in verband met buikklachten. De huisarts heeft hem naar huis gestuurd. De volgende dag bezocht de minderjarige opnieuw de HAP, waarna hij meteen werd verwezen naar de SEH. Kort daarna is zijn rechterzaadbal operatief verwijderd. De minderjarige en zijn vader verwijten de huisarts dat hij 1) niet adequaat heeft gereageerd op de anamnestische gegevens van een vergroot en gevoelig scrotum – aangevuld met de informatie van de vader en de minderjarige - en een afwijkende uitslag van het urineonderzoek en 2) dat hij niet volgens de NHG Farmacotherapeutische Richtlijn ‘Acute epididymitis’ heeft gehandeld door geen acht te slaan op de pijn en roodheid van de rechterzijde van het scrotum. De huisarts heeft de klacht niet bestreden. De huisarts heeft veel spijt van het missen van de diagnose torsio testis. Het college is van oordeel dat de huisarts verder onderzoek had moeten doen. De minderjarige had weliswaar geen last van (zichtbare) afwijkingen aan zijn scrotum of van acute pijn, maar gezien zijn overige klachten (buikpijn en een gevoelige rechtertestikel) en zijn leeftijd had de huisarts moeten overleggen met en verwijzen naar een uroloog, zoals voorgeschreven in genoemde richtlijn, in geval van twijfel over de diagnose. Door dat na te laten heeft de huisarts niet de zorg betracht die van hem mocht worden verwacht. Het college verklaart de klacht gegrond. Gelet onder meer op het feit dat de huisarts lering heeft getrokken uit deze zaak, heeft gereflecteerd op zijn handelen en spijt heeft betuigd, is het college van oordeel dat met een waarschuwing kan worden volstaan. Het college heeft voorts het verzoek van klagers van kostenveroordeling toegewezen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:52 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 23-180/DB/RO

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij deels kennelijk ongegrond: verweerder valt niets te verwijten en de omstandigheid dat verweerder lid is van de raad van discipline Den Haag staat het optreden van verweerder in een tuchtrechtprocedure bij een andere raad van discipline niet in de weg. De klachten betreffende de maatschap, gezagsverhouding en rechtspersoonlijkheid zijn niet alleen onbegrijpelijk maar missen ook relevantie ten aanzien van de gedragingen van verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij in de tuchtrechtprocedures en zijn dus kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TACAKN:2023:35 Accountantskamer Zwolle 22/1789 Wtra AK

    Klacht over niet integer handelen is ongegrond. Betrokkene heeft bemiddeld in een arbeidsgeschil tussen de universiteit en klager. Hij heeft daarin een civielrechtelijk standpunt ingenomen, waarvan hem geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:14 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/3990

    Ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. De moeder van klaagster (hierna: patiënte) is na een val opgenomen in het ziekenhuis en daarna gedurende de opname in een pension overleden. Klaagster, een van de vier dochters van patiënte, vindt dat de verpleegkundige zorg in het pension ver onder de maat was omdat de lage saturatie telkens op zijn beloop werd gelaten en er geen actie werd ondernomen. Het college is van oordeel dat de verpleegkundige (tijdens haar dienst) adequaat heeft gehandeld. Er was geen reden om onmiddellijk tot actie over te gaan, zoals klaagster stelt. De verpleegkundige heeft, onder verwijzing naar het medisch dossier, gezegd dat zij en haar collega-verpleegkundige patiënte die dag veelvuldig hebben gemonitord, samen met een derde verpleegkundige. Er zijn diverse metingen van de saturatiewaarden gedaan en er is contact opgenomen met de (waarnemend) huisarts. Haar instructies (de volgende dag contact op te nemen met de eigen huisarts, en bij benauwdheid contact met de HAP) zijn opgevolgd. Dat sprake is geweest van een inadequate dossiervoering is niet gebleken. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:15 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/3989

    Ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. De moeder van klaagster (hierna: patiënte) is na een val opgenomen in het ziekenhuis en daarna gedurende de opname in een pension overleden. Klaagster, een van de vier dochters van patiënte, vindt dat de verpleegkundige zorg in het pension ver onder de maat was omdat de lage saturatie telkens op zijn beloop werd gelaten en er geen actie werd ondernomen. Het college is van oordeel dat de verpleegkundige (tijdens haar dienst) adequate zorg heeft verleend en is gebleven binnen de grenzen van wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verpleegkundige mag worden verwacht. De verpleegkundige heeft, onder verwijzing naar het medisch dossier, gezegd dat zij en haar collega-verpleegkundige patiënte die dag veelvuldig hebben gemonitord, samen met een derde verpleegkundige. Er zijn diverse metingen van de saturatiewaarden gedaan en er is contact opgenomen met de (waarnemend) huisarts. Haar instructies (de volgende dag contact op te nemen met de eigen huisarts, en bij benauwdheid contact met de HAP) zijn opgevolgd. Dat sprake is geweest van een inadequate dossiervoering is niet gebleken. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht in al haar onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:87 Raad van Discipline Amsterdam 22-845/A/A

    Ongegrond verzet. De klacht is op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de vervaltermijn. Herhalingen van het handelen van verweerder waarover klager te laat heeft geklaagd (uitlatingen van verweerder) kunnen leiden tot tijdigheid van de klacht.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:92 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 23-016/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht van een advocaat over een andere advocaat kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:81 Raad van Discipline Amsterdam 22-886/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat. Klaagster verwijt verweerder in klachtonderdeel a) dat verweerder de zaak niet op toevoeging heeft behandeld, zoals wel was afgesproken. In klachtonderdeel b) verwijt klaagster verweerder dat door hem geen declaratie is ingediend. De raad is van oordeel dat beide klachtonderdelen ongegrond zijn. Het getuigt niet van zorgvuldigheid om eerst een toezegging te doen dat om een toevoeging wordt gevraagd, en hiertoe vervolgens niet over te gaan, maar hiermee is de grens van klachtwaardig handelen nog niet overschreden, ook al omdat verweerder de gevolgen zelf snel heeft hersteld. Verweerder heeft overtuigend uitgelegd dat sprake is geweest van een fout. Het in rekening gebrachte bedrag is aan verweerder gecrediteerd en klaagster heeft dan ook geen nadeel ondervonden van het door verweerder niet aanvragen van de toevoeging. Ook blijkt uit het voorgaande dat verweerder de declaratie aan klaagster heeft gestuurd en dat klaagster deze declaratie ook heeft ontvangen. In klachtonderdeel c) verwijt klaagster verweerder dat hij het dossier toen er onvrede was over de behandeling, zelf heeft gesloten en er verder niet meer met klaagster over heeft gesproken. De raad is van oordeel dat klachtonderdeel c) ook ongegrond is. Verweerder heeft voldoende duidelijk gemaakt wat het plan van aanpak behelsde. Verweerder heeft daarbij meteen aangegeven dat het inwinnen van advies van een medisch adviseur essentieel was voor de procedure. Op dit punt ontstond echter verschil van inzicht tussen klaagster en verweerder. Verweerder heeft hierop per brief aan klaagster aangegeven dat hij zich terugtrok en hij heeft in deze brief ook een uitleg aan klaagster gegeven over de door klaagster te volgen stappen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:109 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4574

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundig specialist. Klaagster was vrijwillig opgenomen in een kliniek. De opname werd na enkele dagen omgezet via een inbewaringstelling naar een verplichte opname. Klaagster verwijt de verpleegkundig specialist onder andere dat hij geen behandelplan en/of behandeldoelen heeft opgesteld in de tijd dat zij in de kliniek verbleef en dat hij onjuiste en onveilige zorg heeft verleend. Het college stelt vast dat het verblijf van klaagster in de kliniek relatief kort was en het karakter van een gastplaatsing had, totdat er plaats zou zijn in een geschiktere kliniek. Het komt het college niet onlogisch voor dat in een dergelijk korte periode (nog) geen volledig behandelplan wordt opgesteld, maar slechts behandeldoelen worden benoemd en opgevolgd. Verder overweegt het college dat het invoelbaar is dat klaagster haar verblijf op de acute-opname-afdeling als onveilig heeft ervaren. De aard van en de situatie op de afdeling zijn omstandigheden waar de verpleegkundig specialist echter geen invloed op heeft, net zomin als op de bezetting in en de wachtlijst voor een andere afdeling of kliniek. Naar het oordeel van het college heeft de verpleegkundig specialist verder voldoende duidelijk gemaakt dat hij oog had voor de door klaagster ervaren onveiligheid. Er is niet gebleken wat de verpleegkundig specialist anders had moeten doen om klaagster een veiliger gevoel te geven op het moment dat er geen plaats was op een andere afdeling. Klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:88 Raad van Discipline Amsterdam 22-462/A/NH

    Ongegrond verzet

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:93 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-983/AL/NN

    Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De raad heeft geoordeeld dat verweerder de belangen van klaagsters op ontoelaatbare wijze heeft geschaad en daarmee de kernwaarde integriteit heeft geschonden. De raad neemt dat verweerder bijzonder kwalijk. In het voordeel van verweerder houdt de raad er rekening mee dat hij zijn onjuiste handelen heeft erkend en (uiteindelijk) ook heeft hersteld. Ten slotte wordt er rekening mee gehouden dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. De raad acht rekening houdend met alle omstandigheden het opleggen van een berisping passend en geboden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:82 Raad van Discipline Amsterdam 22-887/A/A

    Verzetzaak. Klaagster stelt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door zelf grote vertragingen te veroorzaken. Klaagster stelt tevens dat verweerder expliciet heeft geweigerd voldoende informatie aan klager te verstrekken over de door hem behandelde zaken. Ook stelt klaagster dat verweerder achteraf een urendeclaratie in het geding heeft gebracht waar klager niets van weet. De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:110 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4632

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster was vrijwillig opgenomen in een kliniek. De opname werd na enkele dagen omgezet via een inbewaringstelling naar een verplichte opname. Klaagster verwijt de verpleegkundige onder andere dat zij geen behandelplan en/of behandeldoelen heeft opgesteld in de tijd dat zij in de kliniek verbleef en dat zij onjuiste en onveilige zorg heeft verleend. Het college overweegt dat de verantwoordelijkheid van het behandelplan en de behandeldoelen niet bij de verpleegkundige lag, en dat haar op dit punt dan ook niets te verwijten valt. Verder overweegt het college dat het invoelbaar is dat klaagster haar verblijf op de acute-opname-afdeling als onveilig heeft ervaren. Naar de aard van de afdeling worden hier (verwarde) cliënten in crisistoestand opgenomen, waardoor er op een dergelijke afdeling doorgaans veel rumoer is. De aard van en de situatie op de afdeling zijn omstandigheden waar de verpleegkundige echter geen invloed op heeft, net zomin als op de bezetting in en de wachtlijst voor een andere afdeling of kliniek. Er is niet gebleken wat de verpleegkundige anders had moeten doen om klaagster een veiliger gevoel te geven op het moment dat er geen plaats was op een andere afdeling. Klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:94 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-582/AL/NN

    Raadsbeslissing. De raad heeft geoordeeld dat verweerder te lang heeft gewacht met het opmaken en het versturen van een conceptdagvaarding aan zijn cliënt. Ook heeft hij zijn cliënt onvoldoende geïnformeerd over hoe de procedure zou verlopen en heeft hij de bijbehorende proces- en financiële risico’s onvoldoende onder de aandacht van zijn cliënt gebracht. Verweerder heeft hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. In het nadeel van verweerder houdt de raad er rekening mee dat verweerder al meermaals door de tuchtrechter is veroordeeld. Gelet op alle feiten en omstandigheden is de raad van oordeel dat de oplegging van een berisping passend en geboden is. De raad is van oordeel dat verweerder voor de beperkte dienstverlening (en in het bijzonder het feit dat klager de conceptdagvaarding niet van verweerder heeft ontvangen) een aanzienlijk bedrag bij klager in rekening gebracht. Gelet daarop zal aan verweerder ook een voorwaardelijke geldboete van € 2.000,- worden opgelegd, met als bijzondere voorwaarde dat verweerder een bedrag van € 1.000,- aan klager betaalt. Indien verweerder dat bedrag niet, of niet tijdig, aan klager heeft betaald, dan zal verweerder alsnog de geldboete moeten betalen. De raad gaat ervan uit dat verweerder het zover niet laat komen en zijn verantwoordelijkheid richting klager neemt.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:83 Raad van Discipline Amsterdam 22-934/A/A

    Raadsbeslissing; Gedeeltelijk gegronde klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtzaak. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in strijd met gedragsregel 5 onvoldoende te trachten via de minnelijke weg tot een oplossing te komen met klager en diens advocaat. Daarnaast heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in strijd met gedragsregel 6 lid 1 en 2 een onvoldoende doelmatige behandeling van de zaak na te streven (lid 1) en door klager niet van zijn voornemen hem te dagvaarden op de hoogte te stellen en hem in dat verband om zijn verhinderdata te vragen (lid 2). Verweerders opstelling strookt niet met hetgeen een behoorlijk handelend advocaat betaamt, temeer niet nu het een familiezaak betreft. Nu verweerder evenwel een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft en niet is gebleken dat verweerder welbewust klager heeft willen benadelen, acht de raad de maatregel van een waarschuwing met kostenveroordeling passend en geboden.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:111 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4701

    Gegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klager zat gedetineerd in een penitentiaire inrichting. Klager kreeg in het kader van zijn medische behandeling contact met de (sociaal psychiatrisch) verpleegkundige. De verpleegkundige is in deze periode een relatie aangegaan met de toenmalig vriendin van klager. Klager verwijt de verpleegkundige dat hij vertrouwelijke informatie heeft gebruikt en/of het beroepsgeheim heeft geschonden en dat hij geen melding heeft gemaakt – niet aan klager en ook niet binnen de PI – van het contact met de vriendin en de relatie. Het college stelt dat het contact tussen de verpleegkundige en (ex-)vriendin van klager niet vanuit professionele overwegingen kan worden gerechtvaardigd. De verpleegkundige heeft daarmee zijn eigen professionele grenzen ernstig overschreden. Daarbij had de verpleegkundige open moeten zijn over de relatie met de (ex-)vriendin van klager en heeft hij niet aan de vereiste en gebruikelijke professionele normen voldaan. Klacht gegrond. Berisping.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:95 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-399/AL/MN 22-434/AL/MN

    Essentie in 22-399 en 22-434 samen: Verweerster T is namens klager onder meer een procedure gestart tegen de (rechtsopvolger van de) vroegere werkgever van klager. Daarbij is de werkgever aansprakelijk gesteld voor de door klager geleden schade wegens onjuiste nakoming van een vaststellingsovereenkomst. Verweerster T heeft klager in 2 instanties bijgestaan. Verweerster B heeft als advocaat van klager een beperkte rol gehad. Zij heeft voor verweerster T alleen waargenomen tijdens een comparitie van partijen. Daarnaast is verweerster B beklaagd als klachtenfunctionaris. Dat verweersters de door klager genoemde e-mails niet hebben gelezen en ook verder van klager verkregen relevante informatie hebben genegeerd, is de raad uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken. Gelet ook op de met klager gevoerde gesprekken en correspondentie van verweerster T over de te volgen strategie in hoger beroep, is de raad van oordeel dat verweerster T de belangen van klager op zorgvuldige en deskundige wijze heeft behartigd op basis van de voor de zaak relevante informatie en de juiste wettelijke grondslag. Niet is komen vast te staan dat een specifieke getuigenverklaring van de wederpartij inhoudelijk niet klopte. Evenmin is de raad gebleken dat daaronder een vervalste handtekening heeft gestaan. De klachten tegen verweersters als advocaat worden ongegrond verklaard. Ook de klachten tegen verweerster B als klachtenfunctionaris worden ongegrond verklaard. Dat zij een gesprek met klager anders heeft weergegeven of feiten heeft verdraaid, kan de raad niet vaststellen. Uit de stukken is de raad gebleken dat verweerster B na zorgvuldig onderzoek binnen redelijke termijn op zijn klacht heeft gereageerd op basis van de haar bekende stukken. Dat klager zich daarin niet kon vinden, maakt nog niet dat verweerster B daarvan tuchtrechtelijk een verwijt treft. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:84 Raad van Discipline Amsterdam 22-949/A/NH

    Raadsbeslissing; Ongegronde klacht over de voormalig eigen advocaat. Van belangenverstrengeling (gedragsregel 15) is de raad niet gebleken. Tussen klager en verweerster is niet in geschil dat klager de voormalig cliënt was van verweerster en dat zij daarna voor de ex-partner van klager, tegen klager heeft opgetreden. Aangezien klager uitdrukkelijk betwist dat hij verweerster hiervoor toestemming heeft gegeven als bedoeld in gedragsregel 15 lid 4 is het verweerster alleen toegestaan ex-partner in een procedure tegen klager bij te staan, indien is voldaan aan de voorwaarden van gedragsregel 15 lid 3. Aan de eerste voorwaarde is voldaan: De zaak waarin verweerster klager heeft bijgestaan betreft een andere zaak dan waarin zij de ex-partner daarna heeft bijgestaan. Het feit dat beide procedures gaan over een omgangsregeling, doet hier niet aan af nu het niet dezelfde moeders betreft en evenmin dezelfde kinderen. Aan de tweede voorwaarde is voldaan: Verweerster heeft uitdrukkelijk betwist dat zij beschikt over vertrouwelijke informatie met betrekking tot klager en klager heeft niet onderbouwd over welke vertrouwelijke informatie verweerster dan zou beschikken. Ook aan de derde voorwaarde is voldaan: Op zichzelf is denkbaar dat er redelijke bezwaren aanwezig zijn tegen het optreden van verweerster voor de ex-partner, maar klager heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke redelijke bezwaren hij heeft tegen dat optreden van verweerster voor de ex-partner. Het enkele feit dat hij het onprettig en niet netjes vindt dat verweerster voor de ex-partner optreedt, kan niet gelden als dergelijk redelijk bezwaar hiertegen. Van verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:89 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 23-036/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat wederpartij in alle onderdelen kennelijk ongegrond. De voorzitter kan onder meer niet vaststellen dat verweerster de rechter belangrijke informatie is onthouden.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:112 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4807

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster had een afspraak voor een consult (controles) voor haar beide zonen en een vaccinatie van haar oudste zoon. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij tijdens het consult de oudste zoon van klaagster ruw heeft mishandeld waardoor hij een trauma heeft opgelopen en dat zij tijdens het consult de jongste zoon van klaagster heeft geduwd en uitgescholden op het moment van vaccinatie van de oudste zoon van klaagster. Het college stelt vast dat de lezingen van klaagster en de verpleegkundige over de gebeurtenissen tijdens en na het consult uiteenlopen. Omdat niet kan worden vastgesteld hoe het consult in de spreekkamer precies is verlopen, kan het college ook niet vaststellen dat de verpleegkundige klachtwaardig heeft gehandeld en/of zich niet aan haar Beroepscode en aan de richtlijn inzake Uitvoering RVP heeft gehouden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van de verpleegkundige. Wel is het voor het vormen van een oordeel over de vraag of een bepaalde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, van belang dat eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster en het woord van de verpleegkundige evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Dit betekent dat de klacht in beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond is.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:96 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 23-129/AL/MN

    5e klacht van klager tegen dezelfde verweerder wordt op grond van het ne bis in idem-beginsel (artikel 47b Advocatenwet) door de voorzitter kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft de voorzitter overwogen dat sprake is van misbruik van klachtrecht. Gelijksoortige toekomstige klachten van klager tegen verweerder behoeven door de deken en de raad niet meer in behandeling te worden genomen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:85 Raad van Discipline Amsterdam 22-952/A/A

    Raadsbeslissing; klacht over de (voormalig) eigen advocaat is deels niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks eigen belang. Het enkele feit dat verweerder (of zijn kantoorgenoot) in het verleden klager heeft bijgestaan in een procedure over de omgangsregeling met de zoon en verweerder (of diens kantoorgenoten) nadien de werkgever van de zoon heeft (hebben) bijgestaan in een tweetal procedures tegen de zoon raakt klager niet rechtstreeks in zijn belang. Voor het overige is de klacht ongegrond. van een situatie waarin toepassing moet worden gegeven aan gedragsregel 15 (belangenverstrengeling) is geen sprake. Het feit dat verweerder klager in het verleden heeft bijgestaan in (onder meer) de kwestie rondom de omgangsregeling met de zoon, maakt niet dat verweerders kantoorgenoten jaren later niet de werkgever van de zoon konden bijstaan in een tweetal procedures tegen de zoon. Nu de zoon nooit cliënt is geweest van verweerder of diens kantoor, is van belangenverstrengeling van verweerder (jegens klager) geen sprake.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:79 Raad van Discipline Amsterdam 23-186/A/NH

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familierechtzaak. Klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Klager verwijt verweerder in klachtonderdeel a) dat verweerder tegenover de rechtbank onjuistheden over hem heeft verkondigd en zich onheus over hem heeft uitgelaten. De voorzitter is van oordeel dat verweerder de grenzen van het tuchtrechtelijk verwijtbare heeft opgezocht, maar dat door hem geen tuchtrechtelijke norm is overtreden. Verweerder heeft hiertoe genoegzaam aangevoerd dat hij zijn uitlatingen heeft gedaan in overleg met zijn cliënte. Daar komt bij dat onwelgevallige uitlatingen van een wederpartij niet zonder meer ontoelaatbaar zijn, maar dat daarvan pas sprake is als uitlatingen bijvoorbeeld apert onjuist zijn of in redelijkheid geen bijdrage kunnen leveren aan het debat. Hiervan is naar het oordeel van de voorzitter geen sprake. In klachtonderdeel b) verwijt klager verweerder dat hij het verzoekschrift van zijn cliënte op het adres van de voormalig echtelijke woning heeft laten betekenen terwijl verweerder wist dat klager daar niet meer woonde. De voorzitter is van oordeel dat geen sprake is van door verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Niet is gebleken dat verweerder ten tijde van het betekenen van het verzoekschrift wist op welk adres klager op dat moment verbleef. Ook was het verzoekschrift door verweerder in kopie aan de advocaat van klager betekend. In klachtonderdeel c) verwijt klager verweerder dat hij de vrouw zou hebben geadviseerd om de bezittingen van klager te verkopen. Verweerder heeft dit verwijt van klager betwist en er is geen verdere onderbouwing ten aanzien van dit klachtonderdeel door klager gegeven.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:90 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 23-013/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. Verweerder heeft abusievelijk correspondentie met klager ook ondertekend met 'klachtenfunctionaris', maar is naar het oordeel van de voorzitter als advocaat van de wederpartij van klager opgetreden. Dat verweerder met de gewraakte uitlatingen in zijn brief feitelijke onwaarheden heeft verkondigd of met de daarin door hem gebruikte bewoordingen de grenzen van het betamelijke heeft overschreden, kan de voorzitter niet vaststellen. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:113 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4612

    Ongegronde klacht tegen een psychotherapeut (tevens GZ-psycholoog). Verweerster was samen met een andere psychotherapeut/GZ-psycholoog bestuurder en aandeelhouder van een expertisecentrum GGZ. Er is bij de IGJ gemeld dat de medebestuurster een persoonlijke relatie was aangegaan met een cliënt, zijnde klager. Verweerster heeft stukken uit het dossier van klager aan een onderzoekscommissie en daarna aan de IGJ zelf verstrekt. Klager heeft om vernietiging van zijn dossier verzocht, maar dat verzoek wees verweerster af. Klager meent dat verweerster zonder zijn toestemming kennis heeft genomen van zijn dossier, ten onrechte stukken heeft verstrekt aan de onderzoekscommissie en de IGJ en zijn dossier had moeten vernietigen na zijn verzoek daartoe. Het college is van oordeel dat de inzage van verweerster in klagers dossier rechtmatig en ook proportioneel is geweest. Verder is het college van oordeel dat er een reden was om af te zien van vernietiging van het dossier van klager, omdat verweerster een aanmerkelijk belang heeft bij het bewaren van klagers gegevens. Al voordat klager zijn verzoek tot vernietiging van zijn dossier had ingediend, waren er concrete vermoedens dat klager een juridische procedure zou starten. Wat betreft het verstrekken van de stukken, is het college van oordeel dat dit noodzakelijk was voor de beoordeling van de klacht bij eerst de onderzoekscommissie en daarna bij de IGJ. Nu verweerster ook alleen de relevante delen heeft verstrekt, acht het college het verstrekken van de genoemde stukken ook proportioneel. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:86 Raad van Discipline Amsterdam 22-756/A/NH

    Ongegrond verzet

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:91 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-995/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. Ne bis in idem-beginsel. De voorzitter verklaart de klacht kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:114 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4722

    Ongegronde klacht tegen een GZ-psycholoog (tevens psychotherapeut). Verweerster was samen met een andere psychotherapeut/GZ-psycholoog bestuurder en aandeelhouder van een expertisecentrum GGZ. Er is bij de IGJ gemeld dat de medebestuurster een persoonlijke relatie was aangegaan met een cliënt, zijnde klager. Verweerster heeft stukken uit het dossier van klager aan een onderzoekscommissie en daarna aan de IGJ zelf verstrekt. Klager heeft om vernietiging van zijn dossier verzocht, maar dat verzoek wees verweerster af. Klager meent dat verweerster zonder zijn toestemming kennis heeft genomen van zijn dossier, ten onrechte stukken heeft verstrekt aan de onderzoekscommissie en de IGJ en zijn dossier had moeten vernietigen na zijn verzoek daartoe. Het college is van oordeel dat de inzage van verweerster in klagers dossier rechtmatig en ook proportioneel is geweest. Verder is het college van oordeel dat er een reden was om af te zien van vernietiging van het dossier van klager, omdat verweerster een aanmerkelijk belang heeft bij het bewaren van klagers gegevens. Al voordat klager zijn verzoek tot vernietiging van zijn dossier had ingediend, waren er concrete vermoedens dat klager een juridische procedure zou starten. Wat betreft het verstrekken van de stukken, is het college van oordeel dat dit noodzakelijk was voor de beoordeling van de klacht bij eerst de onderzoekscommissie en daarna bij de IGJ. Nu verweerster ook alleen de relevante delen heeft verstrekt, acht het college het verstrekken van de genoemde stukken ook proportioneel. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:80 Raad van Discipline Amsterdam 23-174/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Klaagster heeft zich op 23 november 2022 met een klacht over het optreden van verweerder in 2017 tot de deken gewend, zodat de klacht op grond van artikel 46g niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het verstrijken van de verjaringstermijn. Feiten of omstandigheden op grond waarvan klaagster niet eerder bij de deken een klacht kon indienen, zijn de voorzitter niet gebleken.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4494

    Klacht tegen een arts, werkzaam op een SEH-afdeling van een ziekenhuis. De klacht is ingediend door een inmiddels overleden patiënte en – na haar overlijden – voortgezet door een door haar aangewezen persoon (klaagster). Klaagster verwijt de arts - kort samengevat – dat zij patiënte na een mislukte suïcidepoging medisch heeft behandeld. Patiënte was gevonden door een vriendin na het slikken van een grote hoeveelheid medicatie en per ambulance naar het ziekenhuis overgebracht. Hier werd patiënte behandeld, ondanks dat zij onder andere een schriftelijk behandelverbod en afscheidsbrieven had achtergelaten. Patiënte is uiteindelijk ontslagen uit het ziekenhuis en is op een later moment tijdens deze procedure overleden door middel van euthanasie. Klaagster is van mening dat met name door het behandelverbod voldoende duidelijk was dat patiënte niet behandeld wilde worden. Het college is van oordeel dat de arts – alles overziend - niet verwijtbaar heeft gehandeld. Er was geen medisch dossier van patiënte beschikbaar toen zij werd opgenomen en het behandelverbod was niet eenvoudig te duiden. Daarnaast was de behandeling al in gang gezet in de ambulance en kun je niet zomaar een ingezette behandeling stoppen. De klacht is kennelijk ongegrond. Zie ook zaaknummers Z2022/4495, Z2022/4496 en Z2022/4497.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:101 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4495

    Klacht tegen een internist-intensivist, werkzaam op de IC van een ziekenhuis. De klacht is ingediend door een inmiddels overleden patiënte en – na haar overlijden - voortgezet door een door haar aangewezen persoon (klaagster). Klaagster verwijt de internist-intensivist - kort samengevat – dat zij patiënte na een mislukte suïcidepoging medisch heeft behandeld. Patiënte was gevonden door een vriendin na het slikken van een grote hoeveelheid medicatie en per ambulance naar het ziekenhuis overgebracht. Hier werd patiënte behandeld, ondanks dat zij onder andere een schriftelijk behandelverbod en afscheidsbrieven had achtergelaten. Patiënte is uiteindelijk ontslagen uit het ziekenhuis en is op een later moment tijdens deze procedure overleden door middel van euthanasie. Klaagster is van mening dat met name door het behandelverbod voldoende duidelijk was dat patiënte niet behandeld wilde worden. Het college is van oordeel dat de internist-intensivist – alles overziend - niet verwijtbaar heeft gehandeld. Er was geen medisch dossier van patiënte beschikbaar toen zij werd opgenomen en het behandelverbod was niet eenvoudig te duiden. Daarnaast was de behandeling al in gang gezet in de ambulance en kun je niet zomaar een ingezette behandeling stoppen. De klacht is kennelijk ongegrond. Zie ook zaaknummers Z2022/4494, Z2022/4496 en Z2022/4497.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:102 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4496

    Klacht tegen een psychiater, werkzaam in een ziekenhuis. De klacht is ingediend door een inmiddels overleden patiënte en – na haar overlijden - voortgezet door een door haar aangewezen persoon (klaagster). Klaagster verwijt de psychiater - kort samengevat – dat patiënte na een mislukte suïcidepoging medisch is behandeld. Patiënte was gevonden door een vriendin na het slikken van een grote hoeveelheid medicatie en per ambulance naar het ziekenhuis overgebracht. Hier werd patiënte behandeld, ondanks dat zij onder andere een schriftelijk behandelverbod en afscheidsbrieven had achtergelaten. De psychiater was geconsulteerd om het behandelverbod te duiden. Haar advies was nadere informatie inwinnen om een beter beeld van de hele situatie te verkrijgen. Patiënte is uiteindelijk ontslagen uit het ziekenhuis en is op een later moment tijdens deze procedure overleden door middel van euthanasie. Klaagster is van mening dat met name door het behandelverbod voldoende duidelijk was dat patiënte niet behandeld wilde worden. Het college is van oordeel dat de psychiater – alles overziend - niet verwijtbaar heeft gehandeld. Er was geen medisch dossier van patiënte beschikbaar toen zij werd opgenomen en het behandelverbod was niet eenvoudig te duiden. Daarnaast was de behandeling al in gang gezet in de ambulance en kun je niet zomaar een ingezette behandeling stoppen. De klacht is kennelijk ongegrond. Zie ook zaaknummers Z2022/4494, Z2022/4495 en Z2022/4497.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:74 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1322 en C2022/1323

    Klacht tegen sociaal-psychiatrisch verpleegkundige. De verpleegkundige is op verzoek van de wijkagent aanwezig geweest bij (een poging tot) het voeren van twee stopgesprekken door de politie met klager naar aanleiding van beweerdelijk grensoverschrijdend gedrag van klager jegens een aantal zorgverleners. Klager was niet bereid het gesprek aan te gaan. Klager verwijt de verpleegkundige dat a) hij klager zonder uitnodiging heeft bezocht en illegaal en absoluut ongewenst aanwezig was, b) hij klager heeft belemmerd in zijn vrijheid, zowel in de kelderbox als bij zijn voordeur en c) hij exorbitant veel verbaal geweld heeft gebruikt. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel a. deels gegrond, aan de verpleegkundige de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege, maar ziet geen aanleiding om aan de verpleegkundige een maatregel op te leggen en laat de waarschuwing vervallen.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:103 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4497

    Klacht tegen een arts, werkzaam in een ziekenhuis. De klacht is ingediend door een inmiddels overleden patiënte en – na haar overlijden - voortgezet door een door haar aangewezen persoon (klaagster). Klaagster verwijt de arts - kort samengevat – dat patiënte na een mislukte suïcidepoging medisch is behandeld. Patiënte was gevonden door een vriendin na het slikken van een grote hoeveelheid medicatie en per ambulance naar het ziekenhuis overgebracht. Hier werd patiënte behandeld, ondanks dat zij onder andere een schriftelijk behandelverbod en afscheidsbrieven had achtergelaten. De arts had de documenten aangetroffen en doorgenomen en had een psychiater en een jurist geconsulteerd om het behandelverbod te duiden en advies te geven over hoe te handelen. Het advies was nadere informatie inwinnen om een beter beeld van de hele situatie te verkrijgen. Patiënte is uiteindelijk ontslagen uit het ziekenhuis en is op een later moment tijdens deze procedure overleden door middel van euthanasie. Klaagster is van mening dat met name door het behandelverbod voldoende duidelijk was dat patiënte niet behandeld wilde worden. Het college is van oordeel dat de arts – alles overziend - niet verwijtbaar heeft gehandeld. Er was geen medisch dossier van patiënte beschikbaar toen zij werd opgenomen en het behandelverbod was niet eenvoudig te duiden. Daarnaast was de behandeling al in gang gezet in de ambulance en kun je niet zomaar een ingezette behandeling stoppen. De klacht is kennelijk ongegrond. Zie ook zaaknummers Z2022/4494, Z2022/4495 en Z2022/4496.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:75 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1432

    Klacht tegen een orthopedisch chirurg. Klaagster is in december 2017 thuis van de trap gevallen en heeft daarbij haar rechterschouder bezeerd. Uit een röntgenfoto van dezelfde dag bleek dat geen sprake was van ontwrichting of van een factuur. Twee weken later heeft de orthopedisch chirurg klaagster onderzocht. Er was daartoe een afspraak gemaakt op het spreekuur van de orthopedisch chirurg in het ziekenhuis waar hij toen werkte als arts in opleiding tot orthopedisch chirurg. Direct na zijn onderzoek heeft de orthopedisch chirurg overlegd met zijn supervisor. Samen hebben zij besloten tot conservatief beleid en tot het maken van een MRI-scan met contrast, indien de klachten na een aantal weken niet verbeterden. Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij geen dan wel onvoldoende onderzoek heeft gedaan en niet de tijd heeft genomen voor een behoorlijk consult, dat hij ten onrechte een conservatieve behandeling is gestart en geen pijnmedicatie heeft voorgeschreven, dat hij klaagster niet actief heeft betrokken bij de besluitvorming, en dat hij onvoldoende verslag heeft gedaan/onvoldoende aantekeningen heeft gemaakt; een terugkoppeling naar de huisarts ontbreekt evenals de verwijzing naar de fysiotherapeut. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:99 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4661

    Klacht tegen huisarts. Beklaagde heeft in haar hoedanigheid van waarnemend huisarts de situatie van klaagsters partner (hierna: patiënt) beoordeeld. Klaagster en patiënt hebben telefonisch contact gehad met de assistente van de praktijk van de huisarts, vanwege onder meer pijnklachten van patiënt bij de ademhaling. De huisarts was akkoord met het door de assistente voorgestelde advies om, op basis van de klachten, eerst een Covid-19 test bij de GGD te laten doen, voordat patiënt een afspraak kon krijgen. Nog diezelfde dag is patiënt overleden aan een longembolie. De klacht heeft betrekking op het handelen van beklaagde (als medisch verantwoordelijke) voorafgaand aan het overlijden van patiënt en op de wijze waarop zij klaagster na het overlijden van patiënt heeft benaderd. Het college verklaart de klacht ongegrond. Naar het oordeel van het college mocht beklaagde in redelijkheid afgaan op de triage van de doktersassistente. Het college acht het begrijpelijk dat de huisarts een al dan niet Covid-19 gerelateerde luchtweginfectie bovenaan in de differentiaal diagnose had staan. De inschatting na de triage was dat geen sprake was van een urgente situatie. Dat maakt dat volgens de op dat moment geldende richtlijnen – waar er sprake was van klachten die zouden kunnen passen bij Covid – een Covid-test bij de GGD om corona uit te sluiten een voorwaarde was voor het bezoeken van het reguliere spreekuur van de huisarts. Thuistesten werden op dat moment nog onvoldoende betrouwbaar geacht. Wat betreft het benaderen van klaagster na het overlijden van patiënt, stelt het college vast dat beklaagde van de intensivist het telefoonnummer van klaagster heeft ontvangen naar aanleiding van haar verzoek om contact te mogen opnemen. Het lijkt erop dat dit berust op een misverstand. Dit kan beklaagde niet worden verweten.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:76 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1571

    Klacht tegen internist-nefroloog. Klagers zijn de nabestaanden van hun (schoon)moeder (patiënte) die enkele dagen na een niertransplantatie is overleden. Klagers verwijten de internist dat hij a) naar aanleiding van de informatie van zijn collega over miscommunicatie met het AKC over laboratoriumwaarden had moeten achterhalen wat de waarden van patiënte waren, b) te laat en inadequaat heeft gereageerd op de informatie van de radioloog dat mogelijk sprake was van renaal vene trombose en/of acute tubulus necrose en c) heeft nagelaten de familie (tijdig) in te lichten over de ernst van de situatie. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel a. deels gegrond, legt aan de internist de maatregel van waarschuwing op en verklaart de klacht voor het overige ongegrond. Het Regionaal Tuchtcollege oordeelt de keuze van de internist om bij een verhoogde kaliumwaarde niet meteen te behandelen verdedigbaar gelet op de risicoafweging die de internist heeft gemaakt. Het valt de internist wel te verwijten dat hij daarna de te hoge uitslag van de kaliumwaarde niet heeft gezien. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt zowel het principaal beroep als het incidenteel beroep. In de door de internist aangevoerde gronden ziet het Centraal Tuchtcollege geen reden om de maatregel van waarschuwing te laten vervallen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:46 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-926/DB/ZWB

    Klacht over advocaat van de wederpartij in familiezaak. Verweerster heeft met het verweerschrift d.d. 25 augustus 2021 de conclusie van antwoord d.d. 3 oktober 2019, waarvan productie 5 deel uitmaakte, wederom in het geding gebracht. Hierdoor heeft verweerster zich onnodig grievend uitgelaten en niet gewaakt voor onnodige polarisatie. Het handelen waarover klager in de onderhavige klachtzaak klaagt betreft het optreden van verweerster in de uithuisplaatsingsprocedure, meer specifiek de inhoud van het verweerschrift d.d. 25 augustus 2021, en derhalve ander handelen, dan het handelen waarover de raad heeft geoordeeld in de beslissing d.d. 17 januari 2022. Het door verweerster genoemde ne bis in idem beginsel, zoals vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, staat dan ook niet aan de tuchtrechtelijke beoordeling van het optreden van verweerster in de uithuisplaatsingsprocedure in de weg. In zoverre gegrond. De raad heeft bij beslissing d.d. 17 januari 2022 voor het overleggen van productie 5 als bijlage bij de conclusie van antwoord d.d. 3 oktober 2019 reeds aan verweerster een waarschuwing opgelegd. Indien in die klachtprocedure, ook het in de onderhavige klachtprocedure gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijt aan de raad ter beoordeling was voorgelegd – wat goed mogelijk was nu dit feit ruim voor dat oordeel van de raad is gepleegd - zou dit in die klachtprocedure naar alle waarschijnlijkheid niet tot oplegging van een zwaardere maatregel hebben geleid. Om die reden ziet de raad in dezen af van het opleggen van een maatregel.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:70 Raad van Discipline 's-Gravenhage 23-098/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat kennelijk ongegrond. Klager is niet eens met de aanpak van verweerder. Dat maakt niet dat sprake is van klachtwaardig handelen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:47 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-146/DB/OB

    Verzet. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:71 Raad van Discipline 's-Gravenhage 23-099/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in alle onderdelen kennelijk ongegrond, grotendeels omdat de verwijten feitelijke grondslag missen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:48 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-939/DB/OB

    Handelen in strijd met de kernwaarden onafhankelijkheid en deskundigheid. Advocaat heeft zonder opdracht en instemming van klaagster, mede namens klaagster, een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag bij de rechtbank ingediend. De advocaat heeft bovendien begroting van niet opeisbare vordering van klaagster verzocht. Verweerder heeft niet alleen onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld, maar ook ten opzichte van de rechterlijk macht. Indien een advocaat stelt namens een procespartij op te treden, moet de rechter daarop kunnen vertrouwen. Gelet op de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen legt de raad de maatregel berisping op.Omdat tussen de en advocaat klaagster geen advocaat/cliënt relatie tot stand is gekomen, kan klaagster geen beroep doen op de voor advocaten geldende gedragsregels. Terzake komt klaagster geen klachtrecht toe. Klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, berisping.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:49 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-912/DB/LI

    Omdat de raad niet kan vaststellen dat (een gedeelte van) de klacht is ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop klager heeft kennis genomen van het handelen of nalaten van verweerder acht de raad de klacht geheel ontvankelijk.Advocaat heeft gedurende meerdere jaren steeds nagelaten om opdrachten van zijn cliënt schriftelijk te bevestigingen en hem te wijzen op de kansen en risico’s in zijn zaken. Advocaat heeft twee zaken ca 14 maanden laten liggen en in een zaak een beroepstermijn laten verlopen.Het staat een advocaat vrij om aangifte te doen tegen een cliënt en hem daarvoor op voorhand te waarschuwen.Klacht (gedeeltelijk) gegrond. Berisping

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4444

    Ongegronde klacht tegen een uroloog. Klager, die vlak voor de zitting is overleden, was sinds 2012 onder behandeling bij de uroloog voor een prostaatcarcinoom. Aanvankelijk is er gekozen voor een afwachtend beleid met regelmatige controles. In 2018 steeg de PSA waarde van klager. Klager is vanaf dat moment ontevreden over de behandeling door de uroloog. Klager kreeg van de uroloog het advies de prostaat operatief te laten verwijderen of radiotherapie (uitwendige bestraling met fotonen) te ondergaan. Klager wilde geen operatie, hormoontherapie of fotonentherapie ondergaan. Hij stond wel open voor protonenbestraling. Protonenbestraling voor deze indicatie is in Nederland niet mogelijk. De uroloog heeft klager in januari 2020 verwezen naar de afdeling orthopedie om te beoordelen of het nemen van een biopt van een laesie in het linkerdijbeen, mogelijk een metastase van het prostaatcarcinoom, noodzakelijk was. Klager is daar verder behandelend door de orthopedisch chirurg. In maart 2021 werd duidelijk dat bij klager sprake was van botmetastasen in het linkerdijbeen. Klager verwijt de uroloog dat hij niet heeft meegewerkt aan het verwezenlijken van protonenbehandeling, dat hij de PSA-waarde als hoofdcriterium is blijven gebruiken en geen biopt of nader onderzoek heeft verricht na de uitslag van de botscan, klager zonder zijn instemming is uitgeschreven bij de afdeling urologie, hij klager foutieve informatie heeft verstrekt door ‘groen licht’ te geven voor de protonenbehandeling in Praag, aanbevelingen heeft genegeerd en de groei van de afwijking op de scans als criterium nam voor de vaststelling van eventuele metastasen zonder daarbij het effect van de medicatie in acht te nemen. De uroloog heeft de klacht bestreden. Ontvankelijkheid: het college heeft op grond van artikel 65d lid 5 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en de uitdrukkelijke toestemming van de gemachtigden van klager, de uroloog en zijn gemachtigde, de klacht in het kader van het algemeen belang voortgezet met de mantelzorgers van klager en niet de IGJ als klagende partij. Het college overweegt dat het handelen van de uroloog moet worden beoordeeld naar het moment waarop dit plaatsvond en op basis van informatie die de uroloog op dat moment bekend was of kon zijn Het college is van oordeel dat de uroloog adequate behandeladviezen aan klager heeft gegeven, klager wilde de geadviseerde behandelingen echter niet ondergaan vanwege de te verwachten bijwerkingen. De uroloog heeft klager groen licht gegeven voor de protonenbehandeling in Praag nadat de conclusie over de aard van de afwijking (beeld niet passend bij metastasen, meest passend bij fibreuze dysplasie) was getrokken in een multidisciplinair overleg met de nucleair geneeskundige en de skeletradioloog. Voor de uitgebreide beoordeling van de klachtonderdelen zie punt 6.3 t/m 6.16 van de beslissing. Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:50 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-687/DB/ZWB

    Klacht betreft optreden van de advocaat tegen "een gelieerde cliënt" van een naar zijn kantoor ‘overgestapte’ kantoorgenoot. Indien een advocaat een cliënt bij zijn overstap meeneemt naar een nieuw samenwerkingsverband, is er aanleiding om Gedragsregels 15 ook toe te passen indien deze advocaat met zijn cliënt en een derde heeft afgesproken voor geen van hen op te treden in een zaak die de distributieovereenkomst, die hij heeft opgesteld voor beiden, tot onderwerp heeft. Immers het gevolg van de overstap en het meenemen van de cliënt is, dat de aan de advocaat verstrekte vertrouwelijke gegevens van de “gelieerde cliënt” binnen het samenwerkingsverband bekend (kunnen) raken en dan is niet uit te sluiten dat die gegevens binnen dat samenwerkingsverband worden gedeeld met anderen.Klacht gegrond, berisping

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:68 Raad van Discipline 's-Gravenhage 23-095/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over door verweerder genomen executiemaatregelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:44 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-839/DB/OB

    Klacht over eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening deels gegrond. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij bij de behandeling van klagers zaak onvoldoende voortvarendheid heeft betracht en onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd over de voortgang van de zaak en zaken die de voortgang belemmerden. Op grond van de aard en ernst van het gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijt acht de raad een waarschuwing in dezen een passende maatregel.

  • ECLI:NL:TGDKG:2022:181 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/707292 DW RK 21/416

    De gerechtsdeurwaarder heeft, zonder controle van de machtiging van de opdrachtgever, opgetreden voor klager in een gerechtelijke procedure, zonder daartoe strekkende opdracht. De gerechtsdeurwaarder heeft klager daarbij niet voldoende geinformeerd over het kostenverschil bij overgang van het incassotraject naar een gerechtelijk traject. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder in strijd met regelgeving, griffierecht voorgeschoten. Maatregel: boete. *****UITSPRAAK IN HOGER BEROEP: 6 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1322, [Het hof:- vernietigt de bestreden beslissing, met uitzondering van de kostenveroordeling;en, opnieuw beslissende:- verklaart de klachtonderdelen b, c en d gegrond;- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;- verklaart de klachtonderdelen a, e en f ongegrond;- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige. ]*****