Zoekresultaten 8501-8550 van de 48384 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:51 Hof van Discipline 's Gravenhage 220308

    Artikel 13 beklag. het hof is van oordeel dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan de door klager gewenste procedure – het dagvaarden van de KvK om zijn inschrijving als bestuurder te bewerkstelligen – een redelijke kans van slagen heeft. De rechtbank heeft de vordering van klager tegen de KvK om hem als bestuurder in te schrijven in het handelsregister afgewezen. Omdat geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis, is het vonnis onherroepelijk geworden. Anders dan klager stelt is er naar het oordeel van het hof in deze beklagzaak geen sprake van een andere vordering dan waarover reeds door de civiele rechter is beslist. Beklag ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:116 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4397

    Klacht tegen arts-assistent interne geneeskunde kennelijk ongegrond. De klacht gaat over de behandeling van klaagsters moeder, die op 79-jarige leeftijd is overleden in het ziekenhuis waar de arts-assistent werkzaam is. Verweerster was bij de behandeling van patiënte betrokken. Klaagster verwijt verweerster dat zij patiënte heeft willen blootstellen aan infectiegevaar door haar (wederom) te plaatsen op een afdeling waar op dat moment de VRE-bacterie heerste. Daarnaast verwijt zij verweerster zware nalatigheid op verschillende momenten in de zorg voor patiënte.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:52 Hof van Discipline 's Gravenhage 220316

    Artikel 13 beklag. Klager heeft geen belang meer bij zijn beklag nu de termijn om hoger beroep in te stellen inmiddels is verstreken en niet gebleken is dat een advocaat voor klager pro forma beroep (op nader aan te voeren gronden) heeft ingesteld. Reeds daarom is het beklag van klager ongegrond. Ten overvloede is overwogen dat de deken terecht heeft kunnen concluderen dat het hoger beroep geen redelijke kans van slagen heeft, indien klager wel op tijd was geweest met zijn aanwijzingsverzoek.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:110 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4202

    Klacht tegen arts. Klager heeft in 2021 zijn huisarts aansprakelijk gesteld voor het tekortschieten in zijn zorgverlening ten opzichte van klager. De huisarts zou een diagnose bij klager hebben gemist, waardoor klager uiteindelijk een spoedoperatie moest ondergaan. De aansprakelijkheid van de huisarts is door diens verzekeraar afgewezen. Deze afwijzing is conform het advies van de arts, die als medisch adviseur een rapportage heeft uitgebracht in deze zaak. Klager is het op diverse punten niet eens met de inhoud van de rapportage, de wijze van onderzoek en de conclusie in de rapportage. Het college is van oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt de arts hiervoor een berisping op.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:117 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4398

    Klacht tegen internist kennelijk ongegrond. De klacht gaat over de behandeling van klaagsters moeder, die op 79-jarige leeftijd is overleden in het ziekenhuis waar de internist werkzaam is. Zij was bij de behandeling van patiënte betrokken. Klaagster verwijt verweerster zware nalatigheid op verschillende momenten in de zorg voor patiënte.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4581

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een physician assistant in haar hoedanigheid als seksuoloog. De klacht is in alle onderdelen ontvankelijk, omdat hier sprake is van een vermenging van beide functies, die doorwerkt in alle consulten en contacten die er tussen klager en de physician assistant zijn geweest. De hoedanigheden bij deze contacten zijn niet los te koppelen. Wat betreft de klacht oordeelt het college dat er geen grensoverschrijdende vragen door de physician assistant zijn gesteld. Het voorschrijven van de erectiepillen is zorgvuldig geweest. Er is niet gebleken van een onjuist opgevolgd advies van de uroloog. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:111 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4123

    Klacht tegen huisarts. Klager wendde zich in 2021 verschillende malen met lichamelijke klachten tot de huisarts. De huisarts deed onderzoek en schreef antibiotica voor. Klager is van mening dat de huisarts destijds de diagnose endocarditis heeft gemist. Ook was er volgens klager geen sprake van ‘informed consent’ wat betreft het beleid van de huisarts. Daarnaast heeft de huisarts achteraf onwaarheden verklaard in het kader van een aansprakelijkheidsstelling en heeft hij onjuistheden in het medisch dossier geplaatst. Het college is van oordeel dat de meeste verwijten ongegrond zijn. Alleen het verwijt over het verklaren van onwaarheden in een verklaring is terecht. Daarvoor krijgt de huisarts een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:118 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4399

    Klacht tegen internist kennelijk ongegrond. De klacht gaat over de behandeling van klaagsters moeder, die op 79-jarige leeftijd is overleden in het ziekenhuis waar de internist werkzaam is. Hij was bij de behandeling van patiënte betrokken. Klaagster verwijt verweerder zware nalatigheid op verschillende momenten in de zorg voor patiënte.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3976

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager verwijt de psychiater a) manipulatie, b) het ten onterechte toedienen van gedwongen medicatie en c) verplichte opname waardoor klager zijn vrijheid is ontnomen. De psychiater heeft toegelicht dat is overgegaan tot verplichte medicatie, omdat klager niet wilde meewerken aan het vrijwillig innemen van medicatie en hij een toenemend psychotisch beeld liet zien. Naar het oordeel van het college is het toedienen van antipsychotica als verplichte zorg proportioneel, subsidiair en doelmatig geweest. De psychiater heeft toegelicht dat klager meerdere keren is gemotiveerd tot het vrijwillig innemen van antipsychotica en dat is uitgelegd dat de medicatie bij verslechtering verplicht kon worden toegediend. Hieruit blijkt naar oordeel van het college niet dat er sprake is geweest van manipulatie. Ten slotte was de opname van klager, gelet op het psychiatrisch beeld en de agressie-incidenten, proportioneel. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/5005

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager verwijt de psychiater dat zij een onjuiste (‘bewust een valselijke’) medische verklaring over hem heeft afgegeven. Gezien de informatie uit het medisch dossier van klager acht het college het verdedigbaar dat de psychiater, op basis van haar klinische bevindingen, de eerder gestelde diagnose schizofrenie heeft overgenomen. De psychiater heeft in de medische verklaring vermeld dat er sprake is van ernstig nadeel en dat dit nadeel bestaat uit maatschappelijke teloorgang en het met hinderlijk gedrag oproepen van agressie van een ander. Naar het oordeel van het college heeft de psychiater dit op goede gronden kunnen concluderen en heeft zij dit in de medische verklaring ook voldoende onderbouwd. Het college is verder van oordeel dat de psychiater op zorgvuldige wijze heeft geoordeeld dat klager niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:44 Hof van Discipline 's Gravenhage 220047

    klacht tegen eigen advocaat in strafzaak. belangen niet goed behartigd (niet op rechten gewezen) en niet goed met klager gecommuniceerd (niet teruggebeld terwijl klaagster met niemand contact mocht hebben). RvD: onvoldoende zorg verleend, waarschuwing. Verweerster komt in beroep.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:137 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/5047

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager is van mening dat de psychater op basis van ‘kul redenaties’ de diagnose psychose heeft gesteld. In het zorgplan heeft de psychiater als diagnose vermeld ‘schizofrenie en in het verleden stoornis in cocaïnegebruik’. Naar het oordeel van het college is deze diagnose voldoende onderbouwd. Verder heeft de heeft de psychiater haar bevindingen in het zorgplan voldoende onderbouwd. Ook de aanvraag van de zorgmachtiging is op goede gronden gedaan. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:45 Hof van Discipline 's Gravenhage 220029

    Bekrachtiging beslissing Raad van Discipline. Klacht tegen verweerster gegrond verklaard, zonder oplegging van een maatregel. Net als de Raad is het hof is van oordeel dat ten tijde van de toezending van de brief met producties door verweerster aan de rechtbank de feitelijke behandeling van de zaak was gesloten. Dit volgt uit het proces-verbaal van de zitting, waarin de behandeling van de zaak weliswaar werd aangehouden, maar enkel om partijen nog in de gelegenheid te stellen om tot een schikking te komen. Het was verweerster daarom niet toegestaan om zonder toestemming van klager haar brief met producties naar de rechtbank te sturen. Verweerster heeft hiermee gehandeld in strijd met art. 46 Adv. wet.

  • ECLI:NL:TACAKN:2023:36 Accountantskamer Zwolle 22/1752 Wtra AK

    Klager verwijt betrokkene dat zij zich als bestuurslid van de NBA vanaf 2019 schuldig heeft gemaakt aan wanbestuur. Zo heeft betrokkene meegewerkt aan de totstandkoming van meerdere bestuursbesluiten die in strijd met de wet en het recht zijn en er niet voor gezorgd dat regelgeving is nageleefd. Klager is ontvankelijk in zijn klacht, maar de klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:138 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4853

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg. De orthopedisch chirurg heeft naar het oordeel van het college de richtlijnen van de American Medical Association en de leidraad van de Nederlandse Orthopedische Vereniging correct toegepast. Verder is de orthopedisch chirurg niet buiten zijn deskundigheid getreden. Het is niet ongebruikelijk dat de aan een deskundige aangeleverde medische informatie in verband met een expertiserapport ook andere informatie bevat dan alleen de medische gegevens die op zijn vakgebied liggen. De beschrijving en de conclusie van de orthopedisch chirurg voldoen naar het oordeel van het college aan de eisen waaraan de rapportage dient te voldoen. De bevindingen van de orthopedisch chirurg zijn voor het college goed te volgen en voldoende onderbouwd. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:46 Hof van Discipline 's Gravenhage 220019

    Bekrachtiging beslissing Raad van Discipline. Met de in hoger beroep (nogmaals) gegeven uitleg door verweerder staat ook voor het hof vast dat van dubbele betaling (klachtonderdeel 1) geen sprake is. Ten aanzien van klachtonderdeel 2 is aan verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd vanwege tekortschietende communicatie over de door hem toegepaste verrekening, niet omdat hij klaagster financieel zou hebben benadeeld.

  • ECLI:NL:TACAKN:2023:37 Accountantskamer Zwolle 22/1901 Wtra AK

    Betrokkene heeft de aan hem verleende samenstellingsopdrachten 2019/2020 nog altijd niet voltooid. Betrokkene heeft vaak langdurig niet gereageerd op vragen die hem gesteld zijn in verband met de door hem te verrichten werkzaamheden en heeft toezeggingen gedaan die hij niet is nagekomen. Betrokkene is niet voldoende voortvarend te werk gegaan bij het samenstellen van de jaarrekeningen over het verlengde boekjaar 2019/2020 van klaagsters. Ook was sprake van een patroon van niet tijdig en inhoudelijk reageren op vragen die hem over zijn werkzaamheden gesteld zijn. De klacht is gegrond. Betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en van professionaliteit. Aan betrokkene wordt de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving in de registers voor de duur van één maand opgelegd.

  • ECLI:NL:TACAKN:2023:38 Accountantskamer Zwolle 22/1906 Wtra AK

    Aan klager is een aandeel in een vennootschap met een statutaire blokkeringsregeling gelegateerd. Hij heeft de vennootschap medegedeeld dat hij dit aandeel wil aanbieden. Hij meent dat betrokkene de waarde van de aandelen op basis van onjuiste grondslagen heeft bepaald en dat hij deze waarde bovendien te laag heeft bepaald. De klacht is ongegrond. Anders dan klager meent, was de procedure voor de bepaling van de waarde van een aandeel bij aanbieding niet aan de orde en betrokkene heeft in het kader daarvan dus ook niet de waarde van het aandeel bepaald. De in de jaarrekening vermelde en aan klager medegedeelde waarde is door het bestuur bepaald. Betrokkene heeft alleen een berekening aangeleverd. Niet aannemelijk is gemaakt dat de door betrokkene uitgevoerde berekening materieel onjuist of anderszins onvolledig is.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:103 Raad van Discipline Amsterdam 23-272/A/A

    Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de dienstverlening van de eigen advocaat. Verder geldt dat hoewel klager eerder een klacht over verweerster heeft ingediend met in de kern dezelfde soort verwijten over hetzelfde feitencomplex er geen sprake is van ne bis in idem. Klager heeft zijn eerdere klacht over verweerster binnen twee maanden weer ingetrokken, waardoor niet alleen de tuchtrechter nog geen oordeel over de klacht had gegeven, maar ook de deken nog geen dekenvisie over de klacht had gegeven en verweerster nog geen verweer tegen de klacht had gevoerd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 220072 220073

    Klaagster ontvankelijk in haar beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de raad van klachtonderdeel i), nu het verzet van klaagster tegen de voorzittersbeslissing op dit klachtonderdeel gegrond is verklaard. Het hof is van oordeel dat de gronden die namens klaagster zijn aangevoerd ten aanzien van de overige klachtonderdelen onvoldoende reden vormen om het appelverbod te doorbreken. Van een ondeugdelijke voorzittersbeslissing is het hof niet gebleken, noch dat sprake zou zijn van een door de gemachtigde van klaagster genoemde ‘geldigheidstermijn’ van 30 dagen. Dat klager het niet met de beslissing van de raad eens is, en dat de raad vermeend zou zijn tekortgeschoten in de motivering van de beslissing en in de feiten- en klachtomschrijving, betekent niet dat daarmee fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Voor zover het beroep is gericht tegen de beoordeling door de raad van klachtonderdeel i), ten aanzien waarvan het verzet wel gegrond is verklaard en de klacht ongegrond, overweegt het hof dat het onderzoek in hoger beroep ten aanzien van dit klachtonderdeel niet heeft geleid tot andere beschouwingen en gevolgstrekkingen dan die van de raad op 31 januari 2022, waarmee het hof zich verenigt. De beslissing van de raad wordt op dit onderdeel bekrachtigd.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:68 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-979/DB/LI

    Raadsbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening onvoldoende onderbouwd. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:69 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-811/DB/OB

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2023:102 Raad van Discipline Amsterdam 23-256/A/A

    Voorzittersbeslissing; Kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij. Verweerster heeft bij haar bijstand aan de voormalig advocaat van klager in een klachtprocedure de grenzen van haar vrijheid als advocaat van de wederpartij niet overschreden.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:65 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-987/DB/OB

    Raadsbeslissing. Klacht tegen verweerster in haar hoedanigheid van mediator in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TGDKG:2023:24 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/712321 DW RK 22/8 MdV/SM

    De gegronde klachtonderdelen, in onderlinge samenhang bezien, leveren de volgende verwijten op. De gerechtsdeurwaarder heeft zonder rekening te houden met het belang van klager en de wens van de opdrachtgever buitenproportioneel beslag gelegd. In het exploot van 26 november 2020 zijn de executiekosten opgelopen tot € 1.464,34, waar de oorspronkelijke hoofdsom € 95,00 was. De bij klager gewekte indruk dat deze beslagen voor eigen gewin zijn gelegd, is niet geheel onbegrijpelijk. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder er blijk van gegeven onvoldoende op de hoogte te zijn van de voor de beroepsgroep relevante jurisprudentie en wet- en regelgeving, die hem had kunnen beletten disproportioneel beslagen te leggen, of daarover onjuiste stellingen in te nemen. Ook heeft de kamer moeten constateren dat de gerechtsdeurwaarder op ten minste drie separate momenten gedemonstreerd heeft (tegenover klager, en ook in klachtprocedure) zijn administratie niet te kunnen overzien. Dit heeft er onder meer toe geleid dat de gerechtsdeurwaarder relevante stukken niet meer kan produceren, en een uitermate verwarrende verklaring heeft verstrekt over de inleidende dagvaarding. Naar het oordeel van de kamer geeft de gerechtsdeurwaarder blijk van een onjuiste rechtsopvatting waar het gaat om de (excessieve) hoeveelheid aan gelegde beslagen en de betekening van de daaruit voortvloeiende exploten. Nu het leggen van beslag, het betekenen van stukken maar ook het voeren van een deugdelijke administratie behoren tot de kernwerkzaamheden van een gerechtsdeurwaarder, rekent de kamer deze onjuiste rechtsopvatting de gerechtsdeurwaarder zwaar aan. De kamer ziet daarom aanleiding tot het opleggen van zowel een berisping als een boete van € 3.000,-

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:91 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1161

    Klacht tegen arts werkzaam bij Bureau Rijbewijskeuringen. Klager werd verdacht van rijden onder invloed. De beklaagde arts heeft klager onderzocht onder supervisie van de keurende psychiater (eveneens aangeklaagd: C2021/1162). De conclusie van het rapport was dat klager niet rijbevoegd was met als gevolg dat zijn rijbewijs door het CBR ongeldig is verklaard. Klager heeft vervolgens een tuchtklacht ingediend tegen de arts en de psychiater. Het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege hebben de klacht destijds ongegrond verklaard. Klager is daarnaast in bezwaar gegaan bij het CBR en uiteindelijk in hoger beroep gegaan bij de bestuursrechter (ABRvS). De ABRvS heeft het hoger beroep gegrond verklaard, zodat het CBR een nieuw besluit op bezwaar moest nemen over de (on)geldigheid van het rijbewijs. Het CBR heeft hiervoor nieuwe informatie gevraagd. De keurend psychiater heeft deze informatie verstrekt in een brief die de arts mede heeft ondertekend. Mede op basis van deze informatie heeft het CBR het rijbewijs van klager wederom ongeldig verklaard. De nieuwe tuchtklacht van klager gaat over hetgeen de arts in de brief heeft verklaard. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht, voor zover gericht tegen de (inhoud van de) brief, ongegrond verklaard en klager voor het overige i.v.m. ne bis in idem niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:66 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-984/DB/OB

    Raadsbeslissing. Klacht tegen advocaat van de wederpartij in familiezaak deels gegrond. Verweerster heeft de grenzen van de haar toekomende vrijheid overschreden vanwege het overleggen van de verklaringen van de psycholoog. In deze verklaringen laat de psycholoog zich fors negatief uit over klaagster. Verweerster heeft naar voren gebracht dat zij de verklaringen wilde overleggen om inzichtelijk te maken dat zijdens haar cliënt sprake was geweest van een hulpverleningstraject. Dat doel had verweerster echter ook op een andere wijze kunnen bereiken. Door de producties in deze vorm in het geding te brengen en daar in haar verweerschrift nadrukkelijk en onvoorwaardelijk naar te verwijzen, heeft verweerster zich onnodig grievend over klaagster uitgelaten en met name ook niet gewaakt voor onnodige polarisatie tussen klaagster en verweersters cliënt. In appel heeft verweerster bij het beroepschrift het volledige procesdossier uit de eerste aanleg, waaronder de als productie bij het verweerschrift ingediende verklaringen van de psycholoog, overgelegd, terwijl zij op dat moment op de hoogte was van de inhoud van de beslissing van het Medisch Tuchtcollege d.d. 10 februari 2020, van het bezwaar van (de advocaat van) klaagster tegen het overleggen van de verklaringen van de psycholoog en van de beslissing van de rechtbank om deze verklaringen buiten beschouwing te laten. Onder die omstandigheden stond het verweerster niet vrij om het volledige procesdossier uit eerste aanleg te overleggen, zonder de bewuste verklaringen in te trekken, te nuanceren of toe te lichten. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:111 Raad van Discipline 's-Gravenhage 23-230/DH/RO

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij die echtscheidingsbeschikking niet heeft ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Klager werd bijgestaan door eigen advocaat. Beide advocaten hadden de echtscheidingsbeschikking kunnen laten inschrijven, maar geen van beiden heeft dat gedaan. Er bestaat geen wettelijke regel op grond waarvan advocaten verplicht zijn om de echtscheidingsbeschikking in te laten schrijven als zij namens een cliënt een echtscheidingsprocedure zijn gestart. Nu klager in deze zaak niet klaagt over zijn eigen advocaat en uit het klachtdossier ook niet blijkt dat verweerster destijds met de advocaat van klager heeft afgesproken dat zij de inschrijving van de beschikking zou regelen, is de klacht kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGDKG:2023:25 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/711476 DW RK 21/575 MdV/SM

    Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder – onder meer – dat hij zich niet heeft ingespannen de kinderalimentatie vordering te innen, nadat de schuldenaar is vertrokken naar het buitenland. De kamer overweegt dat de gerechtsdeurwaarder voldoende heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht. Maar de gerechtsdeurwaarder is geen opsporingsinstantie en is evenmin bevoegd buiten Nederland. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:92 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1162

    Klacht tegen psychiater werkzaam bij Bureau Rijbewijskeuringen. Klager werd verdacht van rijden onder invloed. Een arts (eveneens aangeklaagd: C2021/1161) heeft klager onderzocht onder supervisie van de beklaagde keurend psychiater. De conclusie van het rapport was dat klager niet rijbevoegd was met als gevolg dat zijn rijbewijs door het CBR ongeldig is verklaard. Klager heeft vervolgens een tuchtklacht ingediend tegen de arts en de psychiater. Het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege hebben de klacht destijds ongegrond verklaard. Klager is daarnaast in bezwaar gegaan bij het CBR en uiteindelijk in hoger beroep gegaan bij de bestuursrechter (ABRvS). De ABRvS heeft het hoger beroep gegrond verklaard, zodat het CBR een nieuw besluit op bezwaar moest nemen over de (on)geldigheid van het rijbewijs. Het CBR heeft hiervoor nieuwe informatie gevraagd. De psychiater heeft deze informatie verstrekt in een brief die de arts mede heeft ondertekend. Mede op basis van deze informatie heeft het CBR het rijbewijs van klager wederom ongeldig verklaard. De nieuwe tuchtklacht van klager gaat over hetgeen de psychiater in de brief heeft verklaard. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht, voor zover gericht tegen de (inhoud van de) brief, ongegrond verklaard en klager voor het overige i.v.m. ne bis in idem niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:67 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-985/DB/OB

    Tussenbeslissing. Ambtshalve aanvulling van de klacht en terugverwijzing naar de deken voor onderzoek naar de aanvulling van de klacht.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:112 Raad van Discipline 's-Gravenhage 23-238/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat wederpartij kennelijk niet-ontvankelijk vanwege ontbreken rechtstreeks belang.

  • ECLI:NL:TGDKG:2023:21 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/727928 / DW RK 23/7 MdV/SM

    Beslissing op verzet. Klagers beklagen zich er over dat de gerechtsdeurwaarder het bewijs dat Nederland geen grondwet heeft negeert en dat er geen sprake is van een rechtsgeldig vonnis. Overwogen is dat op gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het vonnis aan klagers te betekenen. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet tegen die beslissing dient ongegrond te worden verklaard.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:63 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 23-261/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. De klacht heeft betrekking op de inhoud van de dagvaarding die verweerster heeft opgesteld en op 2 augustus 2019 heeft doen betekenen. Klager heeft zich op 13 december 2022, derhalve na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Omdat de termijn is verstreken zal de voorzitter de klacht niet-ontvankelijk verklaren.

  • ECLI:NL:TGDKG:2023:22 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/708563 / DW RK 21/468 MdV/SM

    Klager beklaagt zich onder meer over de wijze van betekenen. Het exploot is betekend op de in artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze door achterlating van het exploot in een gesloten envelop op het adres van klager. De door klager aangevoerde gronden geven geen aanleiding de motivering van de beslissing aan te passen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:64 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 23-263/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond omdat niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem toekomende vrijheid heeft overschreden.

  • ECLI:NL:TGDKG:2023:23 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/727495 / DW RK 22/478 MdV/SM

    Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich er samengevat over dat hij telefonisch onder druk wordt gezet terwijl de gerechtsdeurwaarder weet dat de vordering niet deugt. Nu klager zijn stellingen niet heeft onderbouwd kan tuchtrechtelijk laakbaar handelen niet worden vastgesteld. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard. In het licht van de verklaring van klager daartoe houdt de kamer klager voor dat Indien opnieuw een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder wordt ingediend, met betrekking tot de punten die reeds aan de orde zijn gekomen in de onderhavige klacht, alsmede in de klacht met zaaknummer C/13/695627 DW RK 21/3, zal de klacht van klager niet-ontvankelijk worden verklaard.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:129 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 23-212/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. Niet-ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen. Naast een bindend advies van de Geschillencommissie Advocatuur heeft de tuchtrechter een eigen bevoegdheid om te oordelen over het optreden van een advocaat. De uitzonderingsregel van artikel 46g lid 3 sub b Aw is hier niet van toepassing. Verweerster had de vrijheid om zelf te bepalen of zij klager opnieuw als cliënt wilde bijstaan, ook na het verzoek van klager om dat te doen. Verweerster heeft dit niet willen doen na de eerdere vertrouwensbreuk met klager. Tuchtrechtelijk kan haar daarvan geen verwijt worden gemaakt. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/5126

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een GZ-psycholoog. Klagers zijn de ouders van een destijds 16-jarige zoon die onder behandeling was bij een kliniek voor jongeren met een combinatie van psychische stoornissen en gedragsproblemen. De GZ-psycholoog was medebehandelaar van de zoon. Tijdens een behandelplanbespreking waarbij de zoon, klagers, een gemeenteambtenaar jeugd- en gezinshulp, de sociotherapeut/persoonlijk begeleider van de zoon, de regiebehandelaar en de GZ-psycholoog aanwezig waren, heeft de GZ-psycholoog naar voren gebracht dat er in de jeugd van de zoon sprake is geweest van verwaarlozing en mishandeling. Hierna escaleerde het gesprek. Klagers verwijten de GZ-psycholoog dat zij onrechtmatige beschuldigingen heeft geuit jegens klagers en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan laster. Tevens vormden de uitingen een ernstige breuk op hun privacy door de aanwezigheid van derden bij het gesprek en een ernstige aantasting van hen als persoon. De GZ-psycholoog heeft de klacht bestreden. Het college is van oordeel dat de woorden van de GZ-psycholoog niet gelukkig gekozen zijn, maar kunnen ook niet als onrechtmatige worden bestempeld, in de zin dat er sprake zou zijn van laster. Een andere woordkeuze had wellicht escalatie kunnen voorkomen> het handelen van de GZ-psycholoog valt echter wel binnen de tuchtrechtelijke normen nu zij tijdens dit gesprek ook als doel voor ogen had om het interactiepatroon tussen de zoon en klagers bespreekbaar te maken en daarmee te weken aan herstel van de relatie. De GZ-psycholoog heeft ook ingezien dat een vervolggesprek nodig was en zij heeft dat ook teruggekoppeld aan de instelling waarvoor zij werkte. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:59 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 23-034/DB/OB/D

    Raadsbeslissing. Dekenbezwaar. Vast staat dat verweerder heeft ingestemd met de betaling van enorm hoge geldbedragen in contanten, zonder de herkomst van die gelden te toetsen. Verweerder heeft de schijn gewekt dat hij de gelden in zijn hoedanigheid van advocaat heeft ontvangen. Tussen het in ontvangst nemen van de gelden en verweerders praktijkuitoefening bestaat een voldoende verband. De verweten gedragingen zijn daarmee vatbaar voor tuchtrechtelijke toetsing. Verweerder heeft zich schuldig heeft gemaakt aan handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt en daarmee heeft gehandeld in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet genoemde kernwaarden. De depot-storting door de heer JdB op verweerders derdengeldenrekening is strijdig met het bepaalde in artikel 6.19 lid 3 Voda, terwijl de betaling op de derdengeldenrekening ook geen relatie had met de advocatuurlijke dienstverlening van verweerder, omdat hij voor geen van de bij het tussen de heer JdB en derden bestaande geschil betrokken partijen als advocaat optrad. Naar het oordeel van de raad was het gebruik van de derdengeldenrekening in de gegeven omstandigheden niet geoorloofd. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 6.19 Voda. De andere twee onderdelen van het dekenbezwaar zijn ongegrond. De raad acht de maatregel van berisping passend bij de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:123 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 23-018/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. Misverstand tussen klager en het advocatenkantoor van zijn zus. De klacht had voorkomen kunnen worden als het advocatenkantoor vragen van klager voortvarender had beantwoord. Het tuchtrecht is echter niet bedoeld om misverstanden aan de kaak te stellen en klager is niet in een tuchtrechtelijk relevant belang geschaad. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:129 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2023/5267

    Gegronde klacht tegen een GZ-psycholoog/psychotherapeut (zie A2023/5330) die zich in november 2022 in beide hoedanigheden heeft laten uitschrijven. Klaagster heeft van oktober 2021 tot en met september 2022 onder behandeling gestaan van verweerder vanwege klachten van depressie, trauma en een verbroken relatie met haar familie ten gevolg een problematische jeugd. Naast de behandeling in de woning van verweerder heeft voorts frequent contact via Whatsapp plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder, veelal buiten kantooruren en soms midden in de nacht. De behandeling heeft behalve uit het voeren van gesprekken ook tweemaal bestaan uit wat door verweerder “lichaamswerk” wordt genoemd of “lichaamsgerichte oefeningen”. Deze twee sessies vonden plaats in de slaapkamer van verweerder in het voorjaar van 2022. Klaagster verwijt verweerder dat hij niet heeft gehandeld volgens de geldende professionele standaard terzake, omdat zijn behandeling onsamenhangend, dwingend, chaotisch en beschadigend was en verweerder zich jegens haar grensoverschrijdend heeft gedragen. Het college heeft geoordeeld dat verweerder klaagster niet heeft behandeld volgens de geldende professionele standaard. Verweerder heeft geen diagnostiek verricht, geen instrumenten gebruikt hiervoor, geen classificatie verricht en voorts niet gehandeld naar de GGZ-standaarden. Verweerder heeft de classificatie borderline stoornis gesteld zonder het verrichten van diagnostiek. Voorts heeft hij niet voldaan aan de eisen voor dossiervorming zoals die gelden binnen de beroepsgroep. Zowel qua vorm als qua inhoud voldoet de door verweerder als dossier overgelegde teksten geenszins aan de eisen die aan een behandeldossier moeten worden gesteld. Daar komt bij dat verweerder het originele behandeldossier heeft vernietigd, naar eigen zeggen omdat dit toch voor niemand leesbaar zou zijn. Verweerder heeft de wettelijke bewaartermijn voor dossiers met voeten getreden. Er is bij de ‘”lichaamsgerichte” oefeningen die verweerder bij/met klaagster heeft gedaan geen sprake geweest van een erkend therapeutisch kader. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het geen normale behandeling was en allemaal chaos was. Het college benadrukt dat het aan verweerder als professional/behandelaar was geweest om structuur aan te brengen in de behandeling die hij geeft en, indien zich complexe of problematische situaties zouden voordoen in de behandeling, hierover overleg te plegen met vakgenoten via het kwaliteitsinstrument van intervisie. Ten aanzien van het grensoverschrijdend gedrag oordeelt het college dat dit zich op verschillende dimensies heeft gemanifesteerd: de wijze waarop de behandeling plaatsvond, de contacten buiten de behandeling om en de locaties waarop de behandeling plaatsvond. Beide klachtonderdelen zijn gegrond. Het college ontzegt verweerder het recht zich weer in het register in te schrijven dan wel beveelt de doorhaling van de inschrijving van verweerder in het register, voor het geval hij op het moment van het onherroepelijk worden van deze beslissing weer is ingeschreven in het register. In het kader van het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:124 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 23-106/AL/MN

    Voorzittersbeslissing. Klacht tussen twee voormalig maten in een advocatenpraktijk over de afwikkeling van de maatschap en de nakoming van afspraken. De klacht is gedeeltelijk ingediend na de vervaltermijn en daarmee niet-ontvankelijk. De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:60 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 23-107/DB/LI

    Klacht over de advocaat van de wederpartij.Advocaat heeft door het College in een bezwaarprocedure niet te wijzen op de vertrouwelijkheid van de gespreksverslagen en deze in de procedure in beroep in rechte in te brengen de belangen van klager nodeloos geschaad.Klacht gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:125 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-737/AL/NN

    Verweerder had naar het oordeel van de raad duidelijker moeten zijn in zijn communicatie met klager. Alhoewel verweerder, niet zoals eerder bij klager, in deze nieuwe zaak geen opdrachtbevestiging aan klager heeft gestuurd en geen toevoeging heeft aangevraagd of overgenomen, mocht klager naar het oordeel van de raad uit de inhoud van de e-mail van verweerder van 20 december 2019 begrijpen dat verweerder zijn belangen wilde behartigen. Klager ging daar ook vanuit volgens zijn e-mail van 25 december 2019 aan verweerder. Dat verweerder vanaf het begincontact aan klager heeft laten weten dat hij eerst nog nadere informatie nodig had, dan een tweede gesprek wilde hebben en pas daarna zou beslissen of hij de zaak zou doen, is door klager betwist. Doordat verweerder heeft nagelaten om de volgens hem met klager daarover gemaakte afspraken schriftelijk aan klager te bevestigen (regel 16), kan de raad niet vaststellen of hetgeen verweerder - tegenover de betwisting door klager - naar voren brengt, juist is. De raad ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om een maatregel op te leggen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:61 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-913/DB/LI

    Advocaat heeft op e-mails gereageerd dan wel klager uitgenodigd voor een gesprek. Klager heeft door de korte afwezigheid van de advocaat vanwege ziekte geen nadeel ondervonden. Advocaat heeft de bij de Raad voor Rechtsbijstand gedeclareerde uren met de voorgaande advocaten verrekend en correct afgehandeld.Klacht ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2023/5330

    Gegronde klacht tegen een psychotherapeut/GZ psycholoog (zie A2023/5267) die zich in november 2022 in beide hoedanigheden heeft laten uitschrijven. Klaagster heeft van oktober 2021 tot en met september 2022 onder behandeling gestaan van verweerder vanwege klachten van depressie, trauma en een verbroken relatie met haar familie ten gevolg een problematische jeugd. Naast de behandeling in de woning van verweerder heeft voorts frequent contact via Whatsapp plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder, veelal buiten kantooruren en soms midden in de nacht. De behandeling heeft behalve uit het voeren van gesprekken ook tweemaal bestaan uit wat door verweerder “lichaamswerk” wordt genoemd of “lichaamsgerichte oefeningen”. Deze twee sessies vonden plaats in de slaapkamer van verweerder in het voorjaar van 2022. Klaagster verwijt verweerder dat hij niet heeft gehandeld volgens de geldende professionele standaard terzake, omdat zijn behandeling onsamenhangend, dwingend, chaotisch en beschadigend was en verweerder zich jegens haar grensoverschrijdend heeft gedragen. Het college heeft geoordeeld dat verweerder klaagster niet heeft behandeld volgens de geldende professionele standaard. Verweerder heeft geen diagnostiek verricht, geen instrumenten gebruikt hiervoor, geen classificatie verricht en voorts niet gehandeld naar de GGZ-standaarden. Verweerder heeft de classificatie borderline stoornis gesteld zonder het verrichten van diagnostiek. Voorts heeft hij niet voldaan aan de eisen voor dossiervorming zoals die gelden binnen de beroepsgroep. Zowel qua vorm als qua inhoud voldoet de door verweerder als dossier overgelegde teksten geenszins aan de eisen die aan een behandeldossier moeten worden gesteld. Daar komt bij dat verweerder het originele behandeldossier heeft vernietigd, naar eigen zeggen omdat dit toch voor niemand leesbaar zou zijn. Verweerder heeft de wettelijke bewaartermijn voor dossiers met voeten getreden. Er is bij de ‘”lichaamsgerichte” oefeningen die verweerder bij/met klaagster heeft gedaan geen sprake geweest van een erkend therapeutisch kader. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het geen normale behandeling was en allemaal chaos was. Het college benadrukt dat het aan verweerder als professional/behandelaar was geweest om structuur aan te brengen in de behandeling die hij geeft en, indien zich complexe of problematische situaties zouden voordoen in de behandeling, hierover overleg te plegen met vakgenoten via het kwaliteitsinstrument van intervisie. Ten aanzien van het grensoverschrijdend gedrag oordeelt het college dat dit zich op verschillende dimensies heeft gemanifesteerd: de wijze waarop de behandeling plaatsvond, de contacten buiten de behandeling om en de locaties waarop de behandeling plaatsvond. Beide klachtonderdelen zijn gegrond. Het college ontzegt verweerder het recht zich weer in het register in te schrijven dan wel beveelt de doorhaling van de inschrijving van verweerder in het register, voor het geval hij op het moment van het onherroepelijk worden van deze beslissing weer is ingeschreven in het register. In het kader van het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd.

  • ECLI:NL:TADRARL:2023:126 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-741/AL/NN

    Klacht over een advocaat die voor klager en zijn echtgenote samen de echtscheiding heeft geregeld. Verweerster heeft daarin onvoldoende regie gevoerd. Als gevolg daarvan heeft zij klager onvoldoende ingelicht over de gevolgen voor hem van de al tussen partijen gemaakte afspraken. Gebleken is dat verweerster onvoldoende eigen onderzoek heeft gedaan en ook geen kritische vragen heeft gesteld maar uitsluitend is uitgegaan van de van partijen verkregen informatie. Dat klager heeft ingestemd met de kennelijk onjuiste informatie in het (concept)convenant, ontsloeg verweerster niet van haar verantwoordelijkheid als advocaat om daar ook zelf onderzoek naar te doen. Dat wordt van een deskundig advocaat verwacht, in het bijzonder in het geval voor beide echtelieden wordt opgetreden. Verweerster is dan ook naar het oordeel van de raad tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens klager. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2023:62 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 23-122/DB/OB

    Klacht van een derde.Klacht afkomstig van de moeder van de wederpartij van de cliënte van de advocaat. Advocaat heeft bij de dagvaarding in een incassoprocedure tussen zijn cliënte en de dochter van klaagster een vaststellingsovereenkomst met privé gegevens van de moeder van de dochter in de incassoprocedure ingebracht. Onder deze omstandigheden is het toetsingskader wat geldt voor de advocaat van de wederpartij van toepassing.Het overleggen van de vaststellingsovereenkomst diende op het moment van het uitbrengen van de incassodagvaarding (nog) geen voldoende redelijk doel. Verweerder had op dat moment kunnen volstaan met het overleggen van de onbetaald gebleven facturen, met bijbehorende urenspecificaties, en de reactie van de wederpartij kunnen afwachten.Klacht gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:131 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/5123

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klaagster neemt de gz-psycholoog kwalijk dat zij er niet voor klaagster was op een zo cruciaal moment, ondanks het feit dat de gz-psycholoog wist dat klaagster gedrogeerd was. Wat betreft dit klachtonderdeel oordeelt het college dat het verwijt niet gegrond is, afgaande op de verslaglegging van de gz-psycholoog in het patiëntendossier. Uit de verslaglegging van die dag volgt dat de gz-psycholoog zeer nauw betrokken was bij de (crisis-)situatie waarin klaagster zich toen bevond. Het college ziet niet in wat de gz-psycholoog toen meer of anders had moeten doen. Klaagster verwijt de gz-psycholoog ook verdraaiing van feiten en valsheid in geschrifte. Daarvan is volgens het college geen sprake. Klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.