Zoekresultaten 8641-8660 van de 48550 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:146 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4106

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster is de dochter van de overleden patiënte. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij de situatie van de patiënte niet serieus heeft genomen, geweigerd heeft voldoende zorg te verlenen, een reeds door de arts gestelde diagnose heeft ontkend, de vragen van de familieleden niet wilde beantwoorden en de familie slecht heeft bejegend door geïrriteerd te reageren. Het college overweegt dat niet gebleken is dat de verpleegkundige de situatie van de patiënte in het algemeen en haar benauwdheid in het bijzonder niet serieus heeft genomen, daar niet op gehandeld heeft of op andere wijze onvoldoende zorg heeft verleend. Het college stelt verder vast dat de lezingen van klaagster en de verpleegkundige over de bejegening van klaagster en haar familieleden door de verpleegkundige uiteenlopen. Gebruikelijk is dat een verpleegkundige voor vragen over uitslagen van onderzoeken, diagnoses en andere medische zaken, naar een arts verwijst. Het kan de verpleegkundige dan ook niet worden verweten dat zij de medisch inhoudelijke gesprekken met de familie niet is aangegaan. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:60 Hof van Discipline 's Gravenhage 220027 220028

    Verwijzing door het Juridisch Loket om de arbeidsrechtelijke kwestie van klager in samenhang met de daaraan klevende vergaande verblijfsrechtelijke consequenties te behandelen. Verweerder valt tuchtrechtelijk te verwijten dat hij onduidelijkheid heeft laten bestaan over de reikwijdte van zijn opdracht.Ter voorkoming van een misverstand en onzekerheid had het op zijn weg gelegen om klager er nadrukkelijk op te attenderen welke werkzaamheden wel en welke werkzaamheden niet onder de door hem aangenomen opdracht vielen.De verwijzing naar verweerder had een tweeledig karakter en verweerder heeft ten aanzien van de beide kwesties door klager gestelde vragen beantwoord. Dat verweerder meent dat zijn opdracht louter beperkt was tot de arbeidsrechtelijke kwestie vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het klachtdossier, laat staan dat en klager hiermee zou hebben ingestemd.Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:25 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4424

    Klaagster is na verwijzing door haar huisarts onder behandeling gekomen bij de gz-psycholoog. Zij had somberheidsklachten. Na een intake heeft de gz-psycholoog een diagnose gesteld en een behandelplan opgesteld. Daarin is als behandeling voorgesteld: cognitieve gedragstherapie, in 10 tot 16 sessies, met technieken vanuit de oplossingsgerichte therapie, eventueel aangevuld met medicatie. Na de derde behandelsessie heeft de gz-psycholoog twijfels gekregen over de juistheid van haar diagnose. De gz-psycholoog heeft bij haar collega’s voorgelegd dat zij aanleiding zag om neuropsychologisch onderzoek (NPO) te laten doen om een volledige diagnose te kunnen stellen. De collega’s steunden de gz-psycholoog daarin en hierop heeft de gz-psycholoog dit voorgelegd aan klaagster. Klaagster wilde dit onderzoek niet. Klaagster heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod van de gz-psycholoog om ondersteunende gesprekken te voeren. Hierop heeft de gz-psycholoog aan klaagster gezegd dat zij haar verder niet kon behandelen en is de behandelrelatie na de vijfde sessie beëindigd. Centraal staat dat klaagster vindt dat de gz-psycholoog het overeengekomen behandelplan had moeten uitvoeren en dat zij dit niet eenzijdig mocht beëindigen nadat klaagster het neuropsychologisch onderzoek had geweigerd. Het college komt tot het oordeel dat de gz-psycholoog, op één klachtonderdeel na, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3678

    De gz-psycholoog was destijds werkzaam als zelfstandig gz-psycholoog. Zij profileert zich ook op het internet als gz-psycholoog en zij heeft een boek geschreven over intuitief eetgedrag. Klaagster woonde in het buitenland en had het betreffende boek gelezen. Zij heeft daarop contact gezocht met de gz-psycholoog, omdat zij graag bij haar onder behandeling wilde komen. Dat is ook gebeurd. Eerst hebben klaagster en de gz-psycholoog via internet contact gehad en op enig moment is klaagster naar Nederland gekomen. Klaagster en de gz-psycholoog zijn vervolgens ook buiten de behandeling met elkaar omgegaan op een meer vriendschappelijke manier. Klaagster heeft een tijdje bij de gz-psycholoog in huis gewoond en voor haar gewerkt. Het college heeft beoordeeld of de gz-psycholoog, door ook anderszins met klaagster om te gaan, heeft gehandeld in strijd met hetgeen van haar als professional verwacht mag worden. Het college vindt dat de klacht gedeeltelijk gegrond is.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2023:2 Kamer voor het notariaat Amsterdam 724379 / NT 22-43

    De toegevoegd notaris heeft klaagster ten tijde van het passeren van de akte niet gewezen op genoemde twee stelsels, met als gevolg dat pas na genoemde beslissing aan klaagster bekend is geworden dat het stelsel van het finaal verrekenbeding door de rechtbank niet wordt toegepast.Genoemde omstandigheden en de daaraan verbonden gevolgen zijn pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bij klaagster bekend geworden, zodat is komen vast te staan dat er sprake is van gevolgen van enig nalaten van de toegevoegd notaris die pas na afloop van die termijn redelijkerwijs bekend zijn geworden bij klaagster. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde voor het achterwege blijven van de niet- ontvankelijkverklaring als gevolg van de één-jaarstermijn.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2023:3 Kamer voor het notariaat Amsterdam 725414 / NT RK 22-49

    Voor de aanvang van de vervaltermijn is bepalend de objectieve kennis van het handelen of nalaten van de notaris en niet de subjectieve kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn, aldus vaste jurisprudentie van de notariskamer van het hof Amsterdam.Vast staat dat klaagster de brieven, de volmacht en de notariële akte in 1998 van de notaris heeft ontvangen. In de volmacht die vervolgens aan klaagster is toegestuurd is de letterlijke tekst van de notariële akte overgenomen, waarin is bepaald dat klaagster haar deel van de woning aan [A] (om niet) overdraagt.Ter zitting is gebleken dat klaagster na ontvangst van genoemde brieven er zelf voor heeft gekozen niet op het kantoor van de notaris te komen maar in plaats daarvan een volmacht te ondertekenen. Voorts heeft klaagster verklaard dat zij de bewoordingen van de volmacht niet goed begreep omdat het moeilijk taalgebruik was en dat zij niet wist dat zij door het ondertekenen van de volmacht haar kindsdeel zou opgeven. Daarnaast is gebleken dat klaagster, voorafgaand aan ondertekening van de volmacht in maart 1998, telefonisch contact met de notaris heeft gehad.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:54 Hof van Discipline 's Gravenhage 220271S

    Klacht tegen een deken. Klager heeft zich tot verweerster (de deken) gewend met het verzoek een advocaat aan te wijzen op grond van artikel 13 Advocatenwet. Verweerster heeft tweemaal een advocaat voor klager aangewezen. Klager verwijt verweerster onder meer dat de door haar aangewezen advocaten niet beschikten over de juiste expertise en dat verweerster hem onjuist en onvolledig heeft voorgelicht en tegengewerkt. De raad heeft de klacht op één punt gegrond verklaard en voor het overige ongegrond. Het hof vernietigt de beslissing van de raad ten aanzien van het gegrond verklaarde klachtonderdeel (en de door raad opgelegde maatregel). De kern van deze zaak is de vraag of verweerster, in haar hoedanigheid van deken, dermate onzorgvuldig heeft gehandeld bij het aanwijzen van (meerdere) advocaten dat zij het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Zowel bij de eerste als bij de tweede aanwijzing heeft verweerster zorgvuldig gehandeld. Het hof is met verweerster van oordeel dat haar stafjurist – waarvoor de deken inhoudelijk verantwoordelijk is – bij het bepalen van welke advocaat kon worden aangewezen, het rechtsgebiedenregister mocht raadplegen en erop mocht vertrouwen dat de informatie die daarin staat vermeld correct en up-to-date is. Principiële vraag: Verweerster heeft het hof verzocht om meer duidelijkheid te scheppen over (de omvang van) de verplichtingen van de deken in het natraject van een artikel 13 aanwijzingsverzoek. Anders dan de deken heeft betoogd, ziet het hof wel degelijk aanknopingspunten voor nazorg door de deken nadat een advocaat eenmaal is aangewezen. Naar het oordeel van het hof is de deken de eerst aangewezene om op te treden als de aangewezen advocaat de rechtzoekende geen rechtsbijstand verleent.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:23 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/3804

    Kennelijk ongegronde klacht tegen plastisch chirurg. De klacht gaat over de operaties aan de middelvinger van klaagster. Volgens klaagster is zij onvoldoende voorgelicht over mogelijke scheefstand van de vinger na de operatie en heeft de plastisch chirurg enkel gedacht aan een laterale band die de scheefstand kon veroorzaken.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:55 Hof van Discipline 's Gravenhage 220078

    Advocaat t.o.v. derden. Klager verwijt verweerder dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat verweerder in een ingediende akte klager als oud-bestuurder van een stichting ongefundeerd heeft beschuldigd van ernstige strafbare feiten en van onbehoorlijk bestuur. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. Het hof voegt daar nog aan toe dat de door verweerder gebruikte bewoordingen, in de situatie waarin dat is gebeurd – namelijk ter onderbouwing van de (civiele) vordering van zijn cliënten – de grens van het tuchtrechtelijk toelaatbare niet hebben overschreden. Verder is niet gebleken dat de stellingen onnodig grievend zijn.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2023:24 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4459

    Klacht tegen psychotherapeut deels kennelijk n-o en deels kennelijk ongegrond. Verweerster is de behandelend psychotherapeut geweest van de ex-partner van klager. De klacht gaat over een verklaring die de psychotherapeut heeft afgelegd in het kader van een gerechtelijke procedure tussen klager en zijn ex-partner over de omgang met hun twee kinderen. Klager klaagt er onder meer over dat in de verklaring opzettelijk een onjuist beeld van hem wordt geschetst richting rechtbank en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Hiervan is volgens het college geen sprake.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:56 Hof van Discipline 's Gravenhage 220140

    Klacht over eigen advocaat. Klager verwijt verweerder dat hij klager onjuist heeft ingelicht over de slagingskansen van deze procedure, met name omdat hij klager niet heeft gewezen op de mogelijkheid om veroordeeld te worden in de werkelijke proceskosten, en stukken te laat heeft ingediend. De raad heeft de klachten ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:93 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1753

    Klacht tegen huisarts. Verweerder, huisarts, heeft een melding gedaan bij de IGJ over het beroepsmatig handelen van klaagster, wijkverpleegkundige. Klaagster verwijt verweerder in deze tuchtzaak dat hij haar privacy en goede naam heeft geschonden door die melding te doen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klaagster ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:57 Hof van Discipline 's Gravenhage 230002

    Artikel 13 beklag. Daags voor het verstrijken van de cassatietermijn heeft klager beklag ingesteld. De termijn om cassatie in te stellen is inmiddels verstreken. Dit betekent dat klagers doel – een rechtsmiddel instellen tegen deze beslissing – niet meer kan worden bereikt, zodat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos is geworden. Overigens is het hof met de deken, gelezen hebbende het procesadvies van de cassatieadvocaat, van oordeel dat de procedure die klager had willen voeren geen kans van slagen heeft. Beklag ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:94 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1762

    Klacht tegen psychiater. De klacht gaat over een pro Justitia-rapportage die is uitgebracht door de psychiater en een gz-psycholoog (eveneens aangeklaagd: C2022/1763). Klager verwijt de psychiater dat de rapportage niet goed is opgesteld en dat hij niet volgens de geldende richtlijnen heeft gehandeld. Meer specifiek stelt klager – onder meer – dat de psychiater niet zes uur met hem heeft gesproken, hij onvoldoende tijd en mogelijkheden heeft gekregen om het rapport in te zien en dat de PCL-R test niet goed is uitgevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager en verklaart de psychiater niet ontvankelijk in het incidenteel beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2023:95 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1763

    Klacht tegen gz-psycholoog. De klacht gaat over een pro Justitia-rapportage die is uitgebracht door de gz-psycholoog en een psychiater (eveneens aangeklaagd: C2022/1762). Klager verwijt de gz psycholoog dat de rapportage niet goed is opgesteld en dat hij niet volgens de geldende richtlijnen heeft gehandeld. Meer specifiek stelt klager – onder meer – dat de psychiater niet twaalf uur met hem heeft gesproken, hij onvoldoende tijd en mogelijkheden heeft gekregen om het rapport in te zien en dat de PCL-R test niet goed is uitgevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager en verklaart de psychiater niet ontvankelijk in het incidenteel beroep.

  • ECLI:NL:TAHVD:2023:53 Hof van Discipline 's Gravenhage 220099

    Klacht over advocaat wederpartij. Klager verwijt verweerder dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door a) tijdens een zitting zich op het standpunt te stellen dat hij asbestinventarisatierapporten niet kon verstrekken wegens privacy redenen; b) tijdens de bodemprocedure en het hoger beroep te liegen over het feit dat de verhuurder niet bekend was met het feit dat er in een asbestbuis is geboord en c) in de memorie van antwoord onwaarheden te verkondigen. De raad heeft de klachten ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. De civiele rechter heeft in twee instanties overwogen dat die rapporten niet van belang waren voor de beoordeling van de vorderingen die klager tegen de verhuurder had ingesteld. Het niet overleggen van die rapporten door verweerder kan hem tuchtrechtelijk dan ook niet verweten worden. Van het tuchtrechtelijk verwijtbaar spreken van onwaarheden is geen sprake. Evenmin is uit de stukken gebleken dat verweerder tegen beter weten in heeft beweerd dat de verhuurder niet bekend was dat er in een asbesthoudende buis was geboord en/of dat verweerder in de memorie van antwoord onwaarheden heeft verkondigd.Wrakingsverzoek tijdens de zitting buiten behandeling gelaten.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:112 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2023/4771

    Klacht tegen huisarts. Klagers zijn een echtpaar. Zij zijn van mening dat de huisarts, eigenaar van een apotheekhoudende huisartsenpraktijk, hen in 2021 onheus heeft bejegend. Het begon met een telefonisch meningsverschil tussen klaagster en de apothekersassistente (hierna: de assistente) over het verkrijgen van medicatie waar wel of niet een recept voor zou zijn. De medicatie is vervolgens op recept verstrekt aan klager die de medicatie kwam halen. In de praktijk ontstond een onprettig gesprek tussen klager en de assistente. Een paar dagen later kwam de huisarts langs bij klagers naar aanleiding van het voorval. Ook dit gesprek verliep onprettig. De huisarts beëindigde aan het einde van dat gesprek de behandelrelatie met klager. Klaagster heeft hierop zelf ook de behandelrelatie beëindigd. Klagers verwijten de huisarts onheuse bejegening en eenzijdige beëindigen van de behandelrelatie met klager. Het college is van oordeel dat de klacht gegrond is. De huisarts krijgt hiervoor een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/5024

    Voorzittersbeslissing tegen een verpleegkundige. Zij heeft ook een BIG-registratie als physician assistant. Zij is werkzaam als seksuoloog en verricht haar werkzaamheden als seksuoloog niet in de hoedanigheid van verpleegkundige. Dit blijkt uit de feitelijke werkzaamheden. Ook heeft zij zich tegenover klager enkel als physician assistant gepresenteerd. Er zijn geen aanwijzingen dat zij als verpleegkundige is opgetreden. Klacht is kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:119 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4400

    Klacht tegen internist kennelijk ongegrond. De klacht gaat over de behandeling van klaagsters moeder, die op 79-jarige leeftijd is overleden in het ziekenhuis waar de internist werkzaam is. Hij was bij de behandeling van patiënte betrokken. Klaagster verwijt verweerder dat hij het welzijn en leven van patiënte in gevaar heeft gebracht.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:113 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/5044

    Klacht tegen gz-psycholoog/psychotherapeut gegrond. Klaagster was bij verweerster in behandeling. Omdat verweerster tijdens de behandeling concludeerde dat behandeling door een meer gespecialiseerde instelling beter zou zijn voor klaagster, is door klaagster en verweerster in gezamenlijk overleg besloten dat de behandeling zou worden beëindigd en dat verweerster klaagster zou verwijzen naar een GGZ-instelling. De klacht gaat over de (niet tijdige) verwijzing door verweerster en hoe er naderhand met het vervolgtraject is omgegaan. De klacht is gegrond. Vaststaat dat de rapportage voor verwijzing niet naar de huisarts is verzonden. Het college constateert dat de procedures in de praktijk van verweerster hieromtrent onvoldoende zorgvuldig waren. Klaagster kwam er zelf zo’n zes maanden later achter dat de rapportage niet was verzonden. Verweerster had het dossier van klaagster gesloten voordat de rapportage gereed was en heeft, in verband met de overgang naar een nieuw systeem, het dossier van klaagster niet meegenomen naar het nieuwe systeem. Verweerster heeft niet toegezien op de juiste uitvoering van het administratief afronden van de behandeling. Dit kan haar verweten worden. Daarnaast heeft verweerster zich in het vervolgtraject onvoldoende professioneel opgesteld. Het college legt een waarschuwing op.