Zoekresultaten 8341-8360 van de 48550 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:176 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/5064

    Ongegronde klacht tegen een radioloog. De radioloog heeft een CT-scan van de dikke darm van klaagster beoordeeld. Volgens klaagster heeft de radioloog bij die beoordeling geen afwijkingen aan de alvleesklier waargenomen die duiden op alvleesklierkanker terwijl die afwijkingen, zo blijkt achteraf, op die CT-scan wel te zien waren. Het college overweegt als volgt: gelet op de vraagstelling, de informatie die de radioloog had én de zeer beperkte zichtbaarheid van de afwijking van de alvleesklier op de CT-scan acht het college het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de radioloog die niet heeft waargenomen. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:131 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4994

    Klacht tegen neuroloog wegens volgens klagers o.a. onzorgvuldige melding bij Veilig Thuis. De dochter van klagers werd na een wegraking thuis, opgenomen op de kinder-intensive care. De MRI liet zien dat er sprake was van ernstige afwijkingen. Verweerster heeft de MRI in een team van neuroradiologen en kinderneurologen besproken en zij concludeerden dat toegebracht letsel bovenaan aan in de differentiaaldiagnose stond. Dit volgde ook uit de bevindingen van de oogarts die in consult was geroepen. Deze kon de retinabloedigen niet verklaren door de door vader omschreven acties bij toepassing door hem van “basic life support”. Ook deze afwijking zou het beste passen bij niet-accidenteel letsel. Verweerster heeft de casus anoniem besproken met Veilig Thuis, die adviseerde een melding van een verdenking van kindermishandeling te doen. Verweerster heeft de uitslag van de MRI en het voornemen tot het doen van een melding met klagers besproken. Na de melding heeft Veilig Thuis een onderzoek en begeleiding opgestart, wat leidde tot vergaande maatregelen ten opzichte van klagers, waaronder inbreuk op hun privacy, inperking van hun privacy bij hun omgang met hun dochter, en top-teen-onderzoeken bij hun beide dochters. Het college oordeelt dat verweerster zorgvuldig heeft gehandeld. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:138 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/5105

    Klacht over de behandeling van de echtgenote van klager (hierna: patiënte) door een cardioloog (verweerder). Patiënte stond vanwege cardiale problematiek onder controle van een cardioloog. De lichamelijke conditie van patiënte verslechterde en een operatie bleek noodzakelijk. Patiënte werd hiervoor aangemeld en verbleef in afwachting van de operatie thuis. In de periode hierna verslechterde de conditie van patiënte (verder). Zij werd in verband hiermee in het ziekenhuis opgenomen, waar zij overleed. De cardioloog was op de dag van haar overlijden als (superviserend) cardioloog betrokken bij de behandeling van patiënte. Klager verwijt de arts – kort gezegd – dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld op de dag van het overlijden van patiënte. Het college oordeelt dat de klachten ongegrond zijn. Het beleid werd bepaald in overleg met andere specialisten en de conclusie dat op dat moment geen chirurgische interventie (meer) mogelijk was, was niet onzorgvuldig. Voorts blijkt nergens uit dat door of in opdracht van de cardioloog medicatie is toegediend die niet passend was bij de toestand van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:132 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4289

    Klacht tegen een gz-psycholoog. Klaagsters dochter, geboren in 2005, is in 2019 psychologisch onderzocht om te kijken of zij ADHD heeft en hoe de relatie tussen haar en klaagster verbeterd kon worden. Het onderzoek is uitgevoerd door twee zorgverleners die niet BIG-geregistreerd zijn. De gz-psycholoog functioneerde als hun supervisor ten aanzien van dit onderzoek. Klaagster is het niet eens met de inhoud van het rapport en vindt het rapport ook niet professioneel. Zij verwijt dit de gz-psycholoog, omdat deze als supervisor had moeten zorgdragen voor een betere rapportage. Het college deelt de verwijten niet en verklaart de klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/3981

    Klachten tegen longartsen en internisten. Klaagster is weduwe van patiënt die is overleden aan de gevolgen van uitgezaaide longkanker. Zij verwijt de verweerders onder meer tunnelvisie, doordat de patiënt ten onrechte op de longafdeling bleef opgenomen en zij onvoldoende oog hebben gehad voor de buikklachten van de patiënt. Het college is van oordeel dat het beleid adequaat is geweest. Uit de onderzoeken, gecombineerd met de voorgeschiedenis, rijst als enige redelijke verklaring voor de buikklachten van de patiënt dat er sprake was van een gastro-intestinale bloeding. De mucositis met mogelijke gastro-intestinale bloeding was een adequate verklaring. Het nauwe verband tussen de buik- en andere klachten en de behandeling van de longtumor brengt met zich dat de opname op de longafdeling (en dus niet de afdeling MDL) juist was. Op de longafdeling is al vrijwel meteen advies ingewonnen van de afdeling MDL en chirurgie, zo blijkt uit het dossier. Klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4941

    Klacht over de behandeling van de echtgenote van klager (hierna: patiënte) door een longarts (verweerder). Patiënte stond vanwege cardiale problematiek onder controle van een cardioloog. De lichamelijke conditie van patiënte verslechterde en een operatie bleek noodzakelijk. Patiënte werd hiervoor aangemeld en verbleef in afwachting van de operatie thuis. De longarts zag patiënte voor een preoperatieve evaluatie, waarna hij concludeerde dat er geen bezwaar was tegen een hartklepoperatie. Na dit consult is de longarts niet meer betrokken geweest bij de behandeling. In de periode na het consult is de conditie van patiënte (verder) verslechterd. Zij werd in verband hiermee in het ziekenhuis opgenomen, waar zij overleed.Klager verwijt de longarts dat hij niet adequaat heeft gehandeld door niet binnen het verantwoordelijke team naar voren te brengen dat een spoedige operatie gewenst was.Het college komt tot het oordeel dat de longarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Patiënte is binnen redelijke termijn door de longarts gezien en de door hem beschreven bevindingen leidden tot de – zorgvuldige – conclusie dat er vanuit longgeneeskundig oogpunt geen belemmering was voor de voorgenomen operatie. Het was aan de specialisten van afdeling cardiologie de urgentiebepaling van de operatie vanuit hun deskundigheid te beoordelen.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2023:11 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2023/21

    Het verzoek tot wraking van de voorzitter van de zittingscombinatie die de klacht mondeling heeft behandeld, is in de kern gebaseerd op (de motivering van) de beslissing om het door verzoekers gedane verzoek (om na de mondelinge behandeling nog een kopie van een vonnis te mogen indienen) af te wijzen.De wrakingskamer stelt voorop dat een beslissing op het verzoek om stukken te mogen indienen een procedurele beslissing is. Louter procedurele beslissingen kunnen als zodanig in beginsel geen grond vormen voor wraking. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan in beginsel geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vergelijk ECLI:NL:HR:2018:1413).Naar het oordeel van de wrakingskamer is in dit geval geen sprake van een uitzonderingssituatie. Het verzoek tot wraking wordt afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/3983

    Klachten tegen longartsen en internisten. Klaagster is weduwe van patiënt die is overleden aan de gevolgen van uitgezaaide longkanker. Zij verwijt de verweerders onder meer tunnelvisie, doordat de patiënt ten onrechte op de longafdeling bleef opgenomen en zij onvoldoende oog hebben gehad voor de buikklachten van de patiënt. Het college is van oordeel dat het beleid adequaat is geweest. Uit de onderzoeken, gecombineerd met de voorgeschiedenis, rijst als enige redelijke verklaring voor de buikklachten van de patiënt dat er sprake was van een gastro-intestinale bloeding. De mucositis met mogelijke gastro-intestinale bloeding was een adequate verklaring. Het nauwe verband tussen de buik- en andere klachten en de behandeling van de longtumor brengt met zich dat de opname op de longafdeling (en dus niet de afdeling MDL) juist was. Op de longafdeling is al vrijwel meteen advies ingewonnen van de afdeling MDL en chirurgie, zo blijkt uit het dossier. Klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/5101

    Klacht over de behandeling van de echtgenote van klager (hierna: patiënte) door een chirurg (verweerder). Patiënte stond vanwege cardiale problematiek onder controle van een cardioloog. De lichamelijke conditie van patiënte verslechterde en een operatie bleek noodzakelijk. Patiënte werd hiervoor aangemeld en verbleef in afwachting van de operatie thuis. Na een voorbereidende hartkatheterisatie werd patiënte besproken in het hartteam waar ook de chirurg deel van was. Bij die bespreking werd geconcludeerd tot aortaklepvervanging, mitralisklepplastiek en eventueel tricuspidalisklepplastiek. Hierbij werd urgentiecode 3 aangehouden, wat inhield dat patiënte de operatie thuis zou afwachten. In de periode hierna is de conditie van patiënte (verder) verslechterd. Zij werd in verband hiermee in het ziekenhuis opgenomen, waar zij overleed.Het college komt tot het oordeel dat met alleen een papieren evaluatie van de patiënt op dat moment niet het advies kon worden gegeven dat de operatie thuis kon worden afgewacht. De klacht is gegrond en er wordt een waarschuwing opgelegd.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/3984

    Klachten tegen longartsen en internisten. Klaagster is weduwe van patiënt die is overleden aan de gevolgen van uitgezaaide longkanker. Zij verwijt de verweerders onder meer tunnelvisie, doordat de patiënt ten onrechte op de longafdeling bleef opgenomen en zij onvoldoende oog hebben gehad voor de buikklachten van de patiënt. Het college is van oordeel dat het beleid adequaat is geweest. Uit de onderzoeken, gecombineerd met de voorgeschiedenis, rijst als enige redelijke verklaring voor de buikklachten van de patiënt dat er sprake was van een gastro-intestinale bloeding. De mucositis met mogelijke gastro-intestinale bloeding was een adequate verklaring. Het nauwe verband tussen de buik- en andere klachten en de behandeling van de longtumor brengt met zich dat de opname op de longafdeling (en dus niet de afdeling MDL) juist was. Op de longafdeling is al vrijwel meteen advies ingewonnen van de afdeling MDL en chirurgie, zo blijkt uit het dossier. Klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/5102

    Klacht over de behandeling van de echtgenote van klager (hierna: patiënte) door een anesthesioloog (verweerder). Patiënte stond vanwege cardiale problematiek onder controle van een cardioloog. De lichamelijke conditie van patiënte verslechterde en een operatie bleek noodzakelijk. Patiënte werd hiervoor aangemeld en verbleef in afwachting van de operatie thuis. De anesthesioloog zag patiënte voor een preoperatief consult. Vanwege een verslechterde toestand van patiënte overlegde hij met de cardio-thoracaal chirurg. Besloten werd tot een opname ter recompensatie voor de operatie. Patiënte is vijf dagen later overleden.Klager verwijt de anesthesioloog dat hij bij het preoperatief consult niet slagvaardig en daadkrachtig is opgetreden en niet heeft aangedrongen op een spoedige operatie van patiënte. Het college komt tot het oordeel dat de anesthesioloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zijn conclusie dat de conditie van patiënte op dat moment te slecht was voor de voorgenomen operatie was zonder meer zorgvuldig. Dat geldt ook voor de keuze direct contact op te nemen met de cardio-thoracaal chirurg.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:189 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4926

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klager verwijt de bedrijfsarts dat er vermoedelijk informatie, namelijk de informatie dat contact met de werkgever stressvol zou zijn, is gedeeld met de werkgever. Nu de klacht op een vermoeden van klager is gebaseerd, is dat voor het college onvoldoende om te kunnen vaststellen dat hetgeen klager stelt (verwijtbaar) heeft plaatsgevonden. Zeker, nu de bedrijfsarts heeft benadrukt dat hij de werkvermogenspecialist nooit heeft geïnstrueerd om aan de werkgever door te geven dat klager het contact als stressvol ervaarde. Bovendien blijkt ook niet uit de stukken dat dit vermoeden van klager gegrond is. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:142 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/3985

    Klachten tegen longartsen en internisten. Klaagster is weduwe van patiënt die is overleden aan de gevolgen van uitgezaaide longkanker. Zij verwijt de verweerders onder meer tunnelvisie, doordat de patiënt ten onrechte op de longafdeling bleef opgenomen en zij onvoldoende oog hebben gehad voor de buikklachten van de patiënt. Het college is van oordeel dat het beleid adequaat is geweest. Uit de onderzoeken, gecombineerd met de voorgeschiedenis, rijst als enige redelijke verklaring voor de buikklachten van de patiënt dat er sprake was van een gastro-intestinale bloeding. De mucositis met mogelijke gastro-intestinale bloeding was een adequate verklaring. Het nauwe verband tussen de buik- en andere klachten en de behandeling van de longtumor brengt met zich dat de opname op de longafdeling (en dus niet de afdeling MDL) juist was. Op de longafdeling is al vrijwel meteen advies ingewonnen van de afdeling MDL en chirurgie, zo blijkt uit het dossier. Klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/5103

    Klacht over de behandeling van de echtgenote van klager (hierna: patiënte) door een cardio-thoracaal chirurg (verweerder). Patiënte stond vanwege cardiale problematiek onder controle van een cardioloog. De lichamelijke conditie van patiënte verslechterde en een operatie bleek noodzakelijk. Patiënte werd hiervoor aangemeld en verbleef in afwachting van de operatie thuis. De chirurg zag patiënte voor een preoperatief consult. Vanwege een verslechterde toestand van patiënte werd besloten tot een opname ter recompensatie voor de operatie. Patiënte is vijf dagen later overleden.Klager verwijt de chirurg dat hij bij het preoperatief consult niet doortastend heeft gehandeld en niet met spoed een operatie in gang heeft gezet.Het college komt tot het oordeel dat de chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De chirurg heeft de conclusie dat de conditie van patiënte mogelijk te slecht was voor de voorgenomen operatie terecht overgenomen adequaat en zorgvuldig gehandeld door patiënte op te laten nemen ter recompensatie.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:143 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/3986

    Klachten tegen longartsen en internisten. Klaagster is weduwe van patiënt die is overleden aan de gevolgen van uitgezaaide longkanker. Zij verwijt de verweerders onder meer tunnelvisie, doordat de patiënt ten onrechte op de longafdeling bleef opgenomen en zij onvoldoende oog hebben gehad voor de buikklachten van de patiënt. Het college is van oordeel dat het beleid adequaat is geweest. Uit de onderzoeken, gecombineerd met de voorgeschiedenis, rijst als enige redelijke verklaring voor de buikklachten van de patiënt dat er sprake was van een gastro-intestinale bloeding. De mucositis met mogelijke gastro-intestinale bloeding was een adequate verklaring. Het nauwe verband tussen de buik- en andere klachten en de behandeling van de longtumor brengt met zich dat de opname op de longafdeling (en dus niet de afdeling MDL) juist was. Op de longafdeling is al vrijwel meteen advies ingewonnen van de afdeling MDL en chirurgie, zo blijkt uit het dossier. Klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2023:137 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/5104

    Klacht over de behandeling van de echtgenote van klager (hierna: patiënte) door een arts (verweerder). Patiënte stond vanwege cardiale problematiek onder controle van een cardioloog. De lichamelijke conditie van patiënte verslechterde en een operatie bleek noodzakelijk. Patiënte werd hiervoor aangemeld en verbleef in afwachting van de operatie thuis. In de periode hierna verslechterde de conditie van patiënte (verder). Zij werd in verband hiermee in het ziekenhuis opgenomen, waar zij overleed. De arts werkte ten tijde van de opname als arts-assistent niet in opleiding tot specialist op de afdeling waar patiënte was opgenomen en was als zodanig betrokken bij de behandeling van patiënte. Klager verwijt de arts dat hij niet voortvarend heeft gehandeld tijdens de opname, dat het niet aanwezige reserve operatieteam heeft willen inzetten en een onheuse bejegening. Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft het uitgezette beleid uitgevoerd en relevante bevindingen telkens tijdig onder de aandacht van de superviserend cardioloog gebracht. Het was niet aan de arts als ANIOS de operatie-urgentie te bepalen en los daarvan was het doel van de opname de patiënte te recompenseren zodat zij de operatie met zo min mogelijk risico zou ingaan. Dat de arts klager en zijn echtgenote op een onzorgvuldige manier heeft bejegend is onvoldoende aannemelijk geworden.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:172 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4622

    Ongegronde klacht tegen een huisarts. De klacht is ingediend door een instelling en 35 van haar cliënten. De instelling had de huisartsenzorg voor haar cliënten ondergebracht bij een reguliere huisartsenpraktijk. Deze samenwerking was vastgelegd in een overeenkomst. De huisarts heeft samen met een andere huisarts de huisartsenpraktijk overgenomen. Voordat de overname plaatsvond, is de overeenkomst tussen de instelling en de huisartsenpraktijk opgezegd. De huisarts en zijn collega zijn geen nieuwe samenwerking met de instelling aangegaan. Klagers verwijten de huisarts onder andere dat hij de zorg aan de cliënten onterecht en onzorgvuldig heeft beëindigd. Naar het oordeel van het college had de huisarts een gewichtige reden om geen overeenkomst met de instelling aan te gaan. De huisarts heeft voldoende voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat er niet werd voldaan aan de randvoorwaarden die in de leidraad ‘Algemeen medisch zorg voor verstandelijk gehandicapten in VG zorginstellingen’ van de LHV worden genoemd. Op grond hiervan had de huisarts gegronde redenen om zich niet bekwaam te achten en dus geen overeenkomst aan te gaan. De huisarts heeft zorgvuldig gehandeld door tijdig en beargumenteerd uit te leggen waarom hij geen zorg aan de cliënten wil verlenen. Hij heeft meegedacht over alternatieven en hij heeft de instelling voldoende gelegenheid geboden om de zorg op een andere manier te regelen door ondanks de opzegging van de overeenkomst per 1 april 2021 nog tot 1 juni 2021 de noodzakelijke zorg te willen verlenen. De klacht wordt ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:142 Raad van Discipline 's-Gravenhage 23-326/DH/RO

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening in een arbitragezaak deels niet-ontvankelijk vanwege tijdsverloop. Klacht voor het overige ongegrond omdat niet kan worden vastgesteld dat verweerder klager niet naar behoren heeft bijgestaan.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2023:173 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4621

    Ongegronde klacht tegen een huisarts. De klacht is ingediend door een instelling en 35 van haar cliënten. De instelling had de huisartsenzorg voor haar cliënten ondergebracht bij een reguliere huisartsenpraktijk. Deze samenwerking was vastgelegd in een overeenkomst. De huisarts heeft samen met een andere huisarts de huisartsenpraktijk overgenomen. Voordat de overname plaatsvond, is de overeenkomst tussen de instelling en de huisartsenpraktijk opgezegd. De huisarts en haar collega zijn geen nieuwe samenwerking met de instelling aangegaan. Klagers verwijten de huisarts onder andere dat zij de zorg aan de cliënten onterecht en onzorgvuldig heeft beëindigd. Naar het oordeel van het college had de huisarts een gewichtige reden om geen overeenkomst met de instelling aan te gaan. De huisarts heeft voldoende voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat er niet werd voldaan aan de randvoorwaarden die in de leidraad ‘Algemeen medisch zorg voor verstandelijk gehandicapten in VG zorginstellingen’ van de LHV worden genoemd. Op grond hiervan had de huisarts gegronde redenen om zich niet bekwaam te achten en dus geen overeenkomst aan te gaan. De huisarts heeft zorgvuldig gehandeld door tijdig en beargumenteerd uit te leggen waarom zij geen zorg aan de cliënten wil verlenen. Zij heeft meegedacht over alternatieven en zij heeft de instelling voldoende gelegenheid geboden om de zorg op een andere manier te regelen door ondanks de opzegging van de overeenkomst per 1 april 2021 nog tot 1 juni 2021 de noodzakelijke zorg te willen verlenen. De klacht wordt ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2023:143 Raad van Discipline 's-Gravenhage 23-430/DH/RO

    Voorzittersbeslissing. Klacht over kwaliteit dienstverlening. Hoewel het de voorkeur had verdiend dat verweerder aan klager had gemaild dat bij de Hoge Raad ook nadere stukken konden worden opgevraagd, heeft verweerder in de gegeven omstandigheden niet klachtwaardig gehandeld door klager te mailen dat dit niet kon. Van een opzettelijke fout van verweerder of het bewust achterhouden van informatie in het voordeel van de Staat, zoals klager stelt, is de voorzitter op grond van het klachtdossier niet gebleken. Ook voor de andere negatieve kwalificaties die klager aan de vergissing van verweerder geeft, ontbreekt een feitelijke onderbouwing. In dat verband wijst de voorzitter erop dat verweerder enkele dagen later alle stukken bij de Hoge Raad heeft opgevraagd, nadat hij van zijn kantoorgenoot mr. B. had begrepen dat dit mogelijk was. Klacht is kennelijk ongegrond.