Zoekresultaten 8301-8320 van de 48550 resultaten
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2023:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4535
- Datum publicatie: 20-07-2023
- Datum uitspraak: 18-07-2023
- ECLI:NL:TGZRZWO:2023:147
Klacht tegen een huisarts. Klaagster stelt dat de huisarts haar broer onvoldoende heeft onderzocht of laten onderzoeken. Haar broer meldde zich in 2017 bij de huisarts met klachten aan de borstkas en later in 2019 met buikklachten. In 2020 is de patiënt overleden door een hartstilstand. De huisarts voert gemotiveerd verweer. Het college verklaart de klacht ongegrond. Zie ook zaaknummer Z2022/4534.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2023:132 Raad van Discipline Amsterdam 23-115/A/A
- Datum publicatie: 20-07-2023
- Datum uitspraak: 17-07-2023
- ECLI:NL:TADRAMS:2023:132
Raadsbeslissing; De klacht is gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Klaagster 3 exploiteert een onderneming met betrekking tot een werving- en selectiebureau. De aandelen in klaagster 3 werden voor 50% gehouden door klaagster 2 en voor 50% door S B.V. Deze twee vennootschappen zijn ook de bestuurders van klaagster 3. Beide vennootschappen zijn zelfstandig bevoegd om klaagster 3 extern te vertegenwoordigen. De aandelen in klaagster 2 werden voor 100% gehouden door klager 1. De aandelen in S B.V. werden voor 100% gehouden door S. Klager 1 en S hebben via hun vennootschappen werkzaamheden verricht ten behoeve van klaagster 3. Tussen de aandeelhouders/vennoten van klaagster 3 is een geschil ontstaan. S heeft verweerder gevraagd S BV en klaagster 3 bij te staan in dit geschil. De raad is van oordeel dat klager 1 in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van klaagster 2 en klaagster 2 in haar hoedanigheid van 50% aandeelhouder en bestuurder van klaagster 3 hoogstens een afgeleid belang hebben bij de klacht, maar dat dit onvoldoende is om hun klacht over verweerder ontvankelijk te achten. klaagster 3 verwijt verweerder dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling door zowel voor klaagster 3, als voor S B.V. en S op te treden. Aangezien tussen de aandeelhouders van klaagster 3 een geschil bestaat over de beëindiging van de onderneming van klaagster 3, kan verweerder niet optreden voor zowel klaagster 3 enerzijds, als S B.V. en S anderzijds. S en S B.V. hebben een aan klaagster 3 tegenstrijdig belang. De raad is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat verweerder zich door voor klaagster 3 en voor S en S B.V. op te treden in een situatie heeft begeven van een belangenconflict (gedragsregel 15). Verweerder heeft genoegzaam toegelicht dat de belangen van klaagster 3 als onderneming en S BV als aandeelhouder in onderhavig geschil in het verlengde van elkaar lagen en nauw verweven waren, zodat van een tegengesteld belang geen sprake was. Het tussen de aandeelhouders/bestuurders bestaande geschil gaat immers niet over de beëindiging van de onderneming van klaagster 3, maar om een geschil waarbij S en S B.V, klager 1 aansprakelijk houden voor onbehoorlijk bestuur en onrechtmatige concurrentie vanwege het -aldus de cliënten van verweerder- oprichten van een aan klaagster 3 concurrerende onderneming. Voor zover verweerder volgens klaagster 3 klachtwaardig heeft gehandeld door declaraties (achteraf) op naam te stellen van klaagster 3, terwijl S B.V. zijn cliënte is, kosten in rekening te brengen bij klaagster 3, terwijl deze kosten in feite voor rekening zouden moeten komen van S of S B.V. en werkzaamheden te verrichten voor klaagster 3 zonder dat daar een rechtsgeldige opdracht aan ten grondslag lag geldt het volgende. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat hij bij aanvang van zijn werkzaamheden beide vennootschappen - klaagster 3 en S B.V. - als zijn cliënten mocht beschouwen. Toen hem gaandeweg duidelijk werd dat zijn werkzaamheden met name gericht waren op de belangen van klaagster 3 heeft verweerder op eigen initiatief zijn declaraties aan S B.V. gecrediteerd en op naam van klaagster 3 gesteld. Verweerder heeft met zijn handelwijze niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klacht is derhalve ongegrond voor zover deze is ingediend door klaagster 3.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2023:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/5170
- Datum publicatie: 20-07-2023
- Datum uitspraak: 18-07-2023
- ECLI:NL:TGZRZWO:2023:148
Klacht tegen een gynaecologisch oncoloog kennelijk ongegrond. De klacht gaat over de behandeling van klaagster in 2016. Klaagster verwijt verweerder dat hij voor de operatie niet haar hele medische dossier heeft opgevraagd, waaronder de brief waar op staat dat zij gen-draagster is. Hierdoor is zij voor een tweede keer geopereerd terwijl het niet nodig was. Het college oordeelt dat verweerder binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven en dat hij heeft gehandeld als redelijk bekwaam en redelijk handelend arts.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2023:133 Raad van Discipline Amsterdam 23-319/A/A
- Datum publicatie: 20-07-2023
- Datum uitspraak: 17-07-2023
- ECLI:NL:TADRAMS:2023:133
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Openbare betekening dagvaarding. Het had de voorkeur verdiend om een afschrift van de dagvaarding naar het bij verweerder laatst bekende adres van klager te sturen. Door in plaats daarvan af te gaan op de informatie van de door hem ingeschakelde deurwaarder over de RNI-registratie van klager in de BRP heeft verweerder echter niet klachtwaardig gehandeld. Klager was na de ontvangst van het verstekvonnis in de gelegenheid om in verzet te gaan en dat heeft klager ook gedaan. De procespositie van klager is dan ook niet benadeeld. Klacht is kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2023:149 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/5172
- Datum publicatie: 20-07-2023
- Datum uitspraak: 18-07-2023
- ECLI:NL:TGZRZWO:2023:149
Klacht tegen gynaecoloog kennelijk ongegrond. De klacht gaat over de behandeling van klaagster in 2013. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij voor de operatie niet haar hele medische dossier heeft opgevraagd, waaronder de brief waar op staat dat zij gen-draagster is. Hierdoor zijn haar eierstokken en eileiders verwijderd, terwijl het niet nodig was. Het college oordeelt dat verweerder binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven en dat hij heeft gehandeld als redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2023:134 Raad van Discipline Amsterdam 23-366/A/A
- Datum publicatie: 20-07-2023
- Datum uitspraak: 10-07-2023
- ECLI:NL:TADRAMS:2023:134
Voorzittersbeslissing; klacht over advocaat wederpartij niet-ontvankelijk vanwege het overschrijden van de driejaarstermijn; beroep op artikel 46g lid 2 Advocatenwet slaagt niet.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:123 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1733
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 19-07-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:123
Klacht tegen huisarts. De huisarts is door de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster gevraagd om een medisch advies uit te brengen over de stelling van klaagster dat zij in haar woning is blootgesteld aan bepaalde stoffen, als gevolg waarvan zij blijvende longklachten zou hebben opgelopen. De verzekeraar wilde op basis van het advies een inschatting maken of een door klaagster aan te spannen civiele procedure tegen de verhuurder van de woning een kans van slagen had. Klaagster klaagt er over dat de adviezen van de huisarts niet op zorgvuldige en deskundige wijze tot stand zijn gekomen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen reden om aan de deskundigheid van de arts te twijfelen, maar komt wel tot het oordeel dat de huisarts bij het aan zijn adviezen ten grondslag liggende onderzoek op bepaalde onderdelen niet met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan. Klachtonderdeel 1 is in zoverre gegrond. Het Centraal Tuchtcollege ziet af van de oplegging van een maatregel (art. 69, vierde lid, wet BIG).
-
ECLI:NL:TGZREIN:2023:36 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2023/5259
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 17-07-2023
- ECLI:NL:TGZREIN:2023:36
H2023/5259De verpleegkundige, destijds werkzaam in een forensisch-psychiatrische instelling, heeft gedurende drie maanden een intieme persoonlijke relatie onderhouden met een patiënt van wie zij persoonlijk begeleider was. De verpleegkundige sprak buiten de kliniek met de patiënt af en zij wist dat de patiënt drugs en telefoons de instelling inbracht, maar meldde dit niet bij het behandelteam. Met haar handelen werkte de verpleegkundige mee aan het schenden van tbs-voorwaarden door de patiënt, terwijl zij wist dat dit grote gevolgen kon hebben. Ook deelde de verpleegkundige informatie uit de (medische) dossiers van medepatiënten met de patiënt. De verpleegkundige is sinds februari 2023 niet meer ingeschreven in het BIG-register, omdat zij de termijn voor herregistratie heeft laten verlopen.Het college komt tot het oordeel dat de verpleegkundige tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en legt de maatregel op van ontzegging van het recht wederom in het register te worden ingeschreven.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:117 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2023/1795
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 19-07-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:117
Klacht tegen psychiater. De psychiater heef op verzoek van het UWV een rapport opgesteld over klaagster. Het onderzoek betreft een vraagstelling ter beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van klaagster. Klaagster verwijt de psychiater dat 1. het rapport geen peildatum noemt voor de beoordeling, waardoor het rapport niet zorgvuldig en begrijpelijk is, 2. de bij de aanvraag meegezonden medische stukken waarnaar wordt verwezen niet worden vermeld, waardoor het rapport niet inzichtelijk is, 3. uit het rapport niet blijkt welke validatietests zijn gebruikt en 4. de psychiater gezien de hoge score van de gebruikte SIMS-validatietest niet de conclusie had mogen trekken dat er sprake was van een ongespecificeerde aanpassingsstoornis. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat het deskundigenrapport de toets der kritiek niet kan doorstaan. Het Centraal Tuchtcollege zet uiteen dat de psychiater tot een conclusie komt die sterk afwijkt van de bevindingen/diagnoses van de behandelaren, hetgeen aanleiding had moeten zijn om nadere informatie op te vragen bij de behandelaars. Dat de psychiater dit heeft nagelaten, kan haar tuchtrechtelijk worden verweten. Het Centraal Tuchtcollege verklaart daarom het beroep van klaagster deels gegrond en legt aan de psychiater de maatregel van waarschuwing op.
-
ECLI:NL:TGZREIN:2023:37 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4601
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 17-07-2023
- ECLI:NL:TGZREIN:2023:37
H2022/4601Verweerster is werkzaam als psychiatrisch verpleegkundige en systemisch en psychosociaal therapeut bij een GGZ-instelling. Klaagster en haar vroegere partner hebben in 2020 gesprekken met verweerster gevoerd (samen maar ook apart) over de problemen in hun relatie. Daarop is er een relatie ontstaan tussen verweerster en de vroegere partner. Klaagster heeft in juli 2020 bij het college een klacht ingediend tegen verweerster over, kort gezegd, het feit dat verweerster haar gevoelens voor de vroegere partner met klaagster heeft gedeeld en niet meteen de behandeling van klaagster heeft stopgezet toen zij die gevoelens ontdekte. In hoger beroep heeft het CTG op 16 maart 2022 beslist dat die twee verwijten terecht zijn en is aan verweerster de maatregel van berisping opgelegd. De huidige klacht houdt in dat verweerster drie weken na de laatste behandelsessie van klaagster ook daadwerkelijk een (ook intieme) relatie met de vroegere partner van verweerster is aangegaan.Het college komt tot het oordeel dat het klaagster vrij stond om de nieuwe klacht in te dienen, omdat het niet een herhaling is van de eerdere klacht. De klacht is dus ontvankelijk. Het college oordeelt ook dat de klacht gegrond is, maar legt verweerster geen maatregel op.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:118 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2023/1797
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 19-07-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:118
Klacht van de IGJ tegen een verpleegkundige. De verpleegkundige werkt sinds 2012 als zzp’er in de (thuis)zorg. Van maart 2018 tot januari 2021 heeft zij (wijlen) patiënte dagelijks verpleegd. Dit betrof ADL-zorg. Naar aanleiding van een melding heeft de IGJ onderzoek verricht. De IGJ verwijt de verpleegkundige, samengevat, dat zij bij het verlenen van zorg aan de patiënte onprofessioneel en onzorgvuldig heeft gehandeld, geen althans onvoldoende dossier heeft bijgehouden, en dat zij heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het onderzoek van de IGJ. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en de bevoegdheid van de verpleegkundige om de aan de inschrijving in het BIG-register verbonden bevoegdheden uit te oefenen geschorst voor de duur van 6 maanden. Nadat zowel de verpleegkundige als de IGJ tegen deze beslissing beroep heeft ingesteld, verklaart het Centraal Tuchtcollege de klacht in al zijn onderdelen gegrond en wordt aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register opgelegd.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:119 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1682
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 19-07-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:119
Klacht tegen verpleegkundige die werkt als manager wijkverpleging. Klager verwijt de verpleegkundige dat hij door haar toedoen op 19 november 2021 eenzijdig uit de zorg is gezet. Volgens klager heeft de verpleegkundige hem valselijk beschuldigd van bedreiging van zorgmedewerkers. Hij verwijt de verpleegkundige dat zij niet heeft gezorgd voor continuering van de zorg en dat zij niet aan haar wettelijke zorgplicht heeft voldaan. Klager meent dat de verpleegkundige heeft nagelaten te handelen met inachtneming van de zorgvuldigheidsnormen en gedragsregels, zoals die voor haar beroepsgroep gelden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep en geeft een overweging ten overvloede over het eenzijdig beëindigen van de zorgverlening door de zorgaanbieder.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:120 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1681
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 19-07-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:120
Klacht tegen coördinerend wijkverpleegkundige. Klager verwijt de verpleegkundige dat hij door haar toedoen op 19 november 2021 eenzijdig uit de (thuis)zorg is gezet. Volgens klager heeft de verpleegkundige hem valselijk beschuldigd van bedreiging van zorgmedewerkers. Hij verwijt de verpleegkundige dat zij niet heeft gezorgd voor continuering van de zorg en dat zij niet aan haar wettelijke zorgplicht heeft voldaan. Klager meent dat de verpleegkundige heeft nagelaten te handelen met inachtneming van de zorgvuldigheidsnormen en gedragsregels, zoals die voor haar beroepsgroep gelden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep en geeft een overweging ten overvloede over het eenzijdig beëindigen van de zorgverlening door de zorgaanbieder.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:121 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1097
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 19-07-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:121
Klacht tegen psychiater. Klager was onder behandeling bij een ontwikkelingsstoornisteam. De beklaagde psychiater heeft klager beoordeeld in het kader van een second opinion. Klager heeft de psychiater gevraagd om een verklaring af te geven inhoudende de vaststelling van zijn beperkingen (een ADHD-verklaring). Dit heeft de psychiater gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat de door klager geformuleerde klachten al in een eerdere tuchtprocedure zijn beoordeeld en verklaart de klacht kennelijk niet-ontvankelijk (ne bis in idem). Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:122 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2023/1796
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 19-07-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:122
Klacht tegen een internist-nefroloog. Patiënt, geboren in 2001, was sinds 2008 bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Hij was in november 2019 door het ziekenhuis, waar de internist werkzaam is, overgenomen van een ander ziekenhuis. Begin juni 2020 was de conclusie dat de nierfunctie van patiënt zo slecht was dat dialyse in afwachting van niertransplantatie onvermijdelijk was. De internist was begin juni 2020 de behandelaar van patiënt en heeft bij hem een dialyselijn geplaatst. Vervolgens is er met dialyseren gestart. Een maand later is patiënt plotseling overleden. Klagers (moeder, stiefvader en broers en zussen van patiënt) verwijten de internist dat hij patiënt en zijn moeder onvoldoende heeft geïnformeerd en geen toestemming van patiënt heeft verkregen om de dialyselijn te plaatsen. Daarmee zou het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt geschonden zijn. Verder wordt de internist verweten dat hij bij het plaatsen van de dialyselijn het verkeerde materiaal heeft gebruikt en dat hij daarna onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de op hem rustende zorgplicht en regiefunctie. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klagers, uitgezonderd de moeder van patiënt, niet-ontvankelijk, en verklaart de klacht ongegrond. In beroep is de zaak in volle omgang nogmaals voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2023:116 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2023/1810
- Datum publicatie: 19-07-2023
- Datum uitspraak: 19-07-2023
- ECLI:NL:TGZCTG:2023:116
Klacht tegen psychiater. Klagers hebben een klacht ingediend tegen de psychiater, omdat hij één van de auteurs is van een artikel waarin, kort samengevat, een analyse plaatsvindt van complotdenkers. Klagers benoemen zichzelf als personen die door hun omgeving worden beschouwd als complotdenkers, ook al hebben zij onderling verschillende denkbeelden en zien zij hun denkbeelden door de feiten bevestigd. Zij voelen zich aangesproken door wat de psychiater over complotdenkers heeft geschreven en vinden dat de psychiater klachtwaardig jegens hen heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat klagers niet zijn aan te merken als rechtstreeks belanghebbenden en verklaart de klacht niet-ontvankelijk. Het Centraal Tuchtcollege zet de criteria om als rechtstreeks belanghebbende te kunnen worden aangemerkt uiteen en verwerpt vervolgens het beroep van klagers.
-
ECLI:NL:TADRARL:2023:167 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 23-191/AL/MN
- Datum publicatie: 18-07-2023
- Datum uitspraak: 03-07-2023
- ECLI:NL:TADRARL:2023:167
Voorzittersbeslissing. Ne bis in idem. De voorzitter is op grond van het klachtdossier en (in het bijzonder) de beslissing van de raad van 15 augustus 2022 van oordeel dat de klacht die klaagster nu heeft ingediend, dezelfde is als de klacht waarover de raad in die eerdere beslissing al heeft geoordeeld. Ook in die vorige zaak heeft klaagster immers aangevoerd dat verweerder haar belangen onvoldoende heeft behartigd en dat hij ondeskundig heeft gehandeld. Die verwijten zagen op dezelfde handelingen (in dezelfde periode) als waarnaar klaagster in haar nieuwe klacht verwijst. De klacht van klaagster kan dan ook niet opnieuw aan de orde worden gesteld in een nieuwe klachtzaak. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TADRARL:2023:168 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-485/AL/GLD
- Datum publicatie: 18-07-2023
- Datum uitspraak: 10-07-2023
- ECLI:NL:TADRARL:2023:168
Verzet. De raad verklaart het verzet gegrond. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft niet gereageerd op een verzoek van klaagster, de wederpartij van zijn cliënte, om een berekening van de wettelijke rente te geven, terwijl hij dat wel had toegezegd. De raad is van oordeel dat hij daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Waarschuwing.
-
ECLI:NL:TADRARL:2023:169 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-772/AL/GLD
- Datum publicatie: 18-07-2023
- Datum uitspraak: 17-07-2023
- ECLI:NL:TADRARL:2023:169
Verweerder is naar het oordeel van de raad tekortgeschoten door een onjuist advies aan klaagster te geven over de peildatum van de echtelijke woning aan klaagster. Dat heeft mogelijke gevolgen gehad voor de daarna door klaagster in het geschil met haar ex-man gemaakte keuzes. Daarnaast heeft verweerder zich ontijdig aan de zaak onttrokken. Verweerder heeft in strijd gehandeld met artikel 46 Aw en in strijd met de kernwaarde deskundigheid. De raad legt een berisping op.
-
ECLI:NL:TADRARL:2023:163 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-417/AL/MN
- Datum publicatie: 18-07-2023
- Datum uitspraak: 10-07-2023
- ECLI:NL:TADRARL:2023:163
Raadsbeslissing. Verzet gegrond. Klacht ongegrond. De raad stelt vast dat verweerder klager in 2006 en 2007 als advocaat heeft bijgestaan. In een e-mail in augustus 2021 heeft klager aan verweerder verzocht om een plan van aanpak te maken in verband met een volgens klager nog openstaande vordering van de Belastingdienst en met betrekking tot in beslag genomen zaken. De raad is van oordeel dat gelet op het grote tijdsverloop en omdat niet is gebleken dat er tussen 2007 en 2021 enig contact tussen klager en verweerder is geweest, verweerder niet was gehouden om deze zaak weer op te pakken. Bovendien heeft klager al twee weken na het sturen van de e-mail aan verweerder een klacht bij de deken ingediend, waardoor verweerder ook niet de gelegenheid heeft gehad om binnen een redelijke termijn op klagers e-mail te reageren. Dat betekent dat de klacht ongegrond wordt verklaard.