ECLI:NL:TSCTS:2026:3 Tuchtcollege voor de Scheepvaart Amsterdam 2026-03 (2025.V8-WR123 ANNA JOHANNA)
| ECLI: | ECLI:NL:TSCTS:2026:3 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-05-2026 |
| Datum publicatie: | 21-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2026-03 (2025.V8-WR123 ANNA JOHANNA) |
| Onderwerp: | Zeevisserij, subonderwerp: Navigatie |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | De zaak gaat over een aanvaring tussen twee vissersschepen op 14 oktober 2024 om 03:19 uur op de Noordzee ten westen van Ouddorp/Stellendam. De stomende garnalenkotter ZK147 De Kim (De Kim) is daar toen met haar voorzijde tegen de achterzijde van het vissende visserschip WR123 Anna Johanna (Anna Johanna) gevaren. Beide schepen raakten beschadigd; persoonlijke ongevallen hebben zich niet voorgedaan. De inspecteur maakt de schippers van beide schepen een verwijt. Het verwijt aan de schipper van de Anna Johanna – waar deze zaak over gaat – is dat hij geen goede uitkijk heeft gehouden, terwijl dat wel nodig was vanwege het gevaar van een aanvaring door, in dit geval, De Kim. Daarnaast verwijt de inspecteur hem dat hij is uitgevaren ondanks dat de geneeskundige verklaring van de plaatsvervangend schipper al anderhalve maand verlopen was, terwijl kort daarvoor nog een waarschuwing was gegeven door inspecteurs van de ILT. Zonder geldige medische keuring is het vaarbevoegdheidsbewijs niet geldig en voldeed de bemanning dus niet aan de eisen van het ‘certificaat minimale bemanningssterkte (visserij)’. Het Tuchtcollege acht de verwijten gegrond en legt de schipper van de Anna Johanna de maatregel op van een voorwaardelijke schorsing van de vaarbevoegdheid voor de duur van drie (3) weken en een geldboete van € 1.500,-. |
UITSPRAAK VAN HET TUCHTCOLLEGE VOOR DE SCHEEPVAART VANb21 MEI 2026 (NR. 3 VAN 2026) IN DE ZAAK 2025.V8-WR123 ANNA JOHANNA
Op het verzoek van:
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
te Den Haag,
verzoeker,
gemachtigde: senior inspecteur ILT/Scheepvaart (hierna: de inspecteur),
tegen
R.S. H.,
betrokkene,
raadsman: mr. M. Broekhuisen.
1. De zaak in het kort
1.1 De zaak gaat over een aanvaring tussen twee vissersschepen op 14 oktober
2024 om 03:19 uur op de Noordzee ten westen van Ouddorp/Stellendam. De stomende garnalenkotter
ZK147 De Kim (De Kim) is daar toen met haar voorzijde tegen de achterzijde van het
vissende visserschip WR123 Anna Johanna (Anna Johanna) gevaren. Beide schepen raakten
beschadigd; persoonlijke ongevallen hebben zich niet voorgedaan.
1.2 De inspecteur maakt de schippers van beide schepen een verwijt. Het verwijt aan de schipper van de Anna Johanna – waar deze zaak over gaat – is dat hij geen goede uitkijk heeft gehouden, terwijl dat wel nodig was vanwege het gevaar van een aanvaring door, in dit geval, De Kim. Daarnaast verwijt de inspecteur hem dat hij is uitgevaren ondanks dat de geneeskundige verklaring van de plaatsvervangend schipper al anderhalve maand verlopen was, terwijl kort daarvoor nog een waarschuwing was gegeven door inspecteurs van de ILT. Zonder geldige medische keuring is het vaarbevoegdheidsbewijs niet geldig en voldeed de bemanning dus niet aan de eisen van het ‘certificaat minimale bemanningssterkte (visserij)’.
1.3 Het Tuchtcollege acht de verwijten gegrond en legt de schipper van de Anna
Johanna de maatregel op van een voorwaardelijke schorsing van de vaarbevoegdheid voor
de duur van drie (3) weken en een geldboete van
€ 1.500,-.
2. Het verloop van de procedure
2.1 In een door het Tuchtcollege op 19 september 2025 ontvangen schriftelijk
verzoek (met bijlagen) heeft de inspecteur verzocht om tuchtrechtelijke behandeling
van het bezwaar tegen betrokkene als schipper van het onder Nederlandse vlag varende
vissersschip Anna Johanna.
2.2 Hierop heeft het Tuchtcollege aan betrokkene op 24 september 2025 kennisgegeven van het verzoekschrift (met bijgevoegd een afschrift van het verzoekschrift met bijlagen) onder mededeling dat hij de mogelijkheid had een verweerschrift in te dienen.
2.3 Van de zijde van betrokkene is op 26 november 2025 een verweerschrift ontvangen, met daarbij als bijlage een Expertiserapport van expertisebureau Arntz | van Helden van 20 december 2024.
2.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 7 april 2026 om 11.00 uur in de zittingszaal van het Tuchtcollege in Amsterdam. De inspecteur is verschenen en zo ook betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman.
3. De aanleiding
3.1 Het verzoek tot tuchtrechtelijke behandeling is ingediend naar aanleiding
van het hiervoor (bij punt 1) omschreven ongeval:
3.2 De Anna Johanna (IMO-nummer 8718861) is een Nederlands vissersschip dat in mede-eigendom toebehoort aan betrokkene. De exploitatie vindt plaats in VOF-verband. Het schip is in 1988 gebouwd en heeft als afmetingen 20,62 x 6,00 x 2,60 m. (expertiserapport Arntz | van Helden). Ten tijde van de aanvaring waren er drie bemanningsleden aan boord; de schipper (betrokkene), de plaatsvervangend schipper en de gezel.
4. Het bezwaar van de inspecteur
4.1 De inspecteur verwijt betrokkene dat hij als schipper heeft gehandeld of
nagelaten in strijd met de zorg die hij als een goed zeeman in acht behoort te nemen
ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer
(artikel 55a Wet zeevarenden, vervangen door artikel 41 Wet bemanning zeeschepen).
Het bezwaar tegen de betrokkene bestaat uit de volgende elementen:
1. Betrokkene heeft onvoldoende goede uitkijk gehouden met betrekking tot het gevaar op aanvaring door De Kim.
2. Mede door bovenstaand bezwaar heeft de aanvaring kunnen plaatsvinden.
3. Betrokkene is uitgevaren terwijl de geneeskundige verklaring van de plaatsvervangend schipper al anderhalve maand verlopen was. Daar was een week eerder al een waarschuwing voor gegeven door inspecteurs van de ILT. Zonder geldige medische keuring is het vaarbevoegdheidsbewijs niet geldig en voldeed de bemanning dus ook niet aan de eisen van het ‘certificaat minimale bemanningssterkte (visserij)’.
4.2 Als voorschriften die niet zijn nageleefd noemt de inspecteur in het verzoekschrift:
Wetboek van Koophandel, tweede boek, derde titel
Artikel 343, lid 1: De kapitein is verplicht de gebruikelijke regels en de bestaande
voorschriften ter verzekering van de zeewaardigheid en de veiligheid van het schip,
van de veiligheid der opvarenden en der zaken aan boord, met nauwgezetheid op te volgen.
COLREG, Part B, Section I, Rule 5 Look-out
Every vessel shall at all times maintain a proper look-out by sight and hearing
as well as by all available means appropriate in the prevailing circumstances and
conditions so as to make a full appraisal of the situation and of the risk of collision.
Wet zeevarenden – artikel 57 (geldig op de dag van de aanvaring) Nagenoeg gelijk aan
de tekst in de Wet bemanning zeeschepen – artikel 69
Het is verboden
b. een schip zodanig te bemannen dat niet ten minste de op het bemanningscertificaat
aangegeven functies worden vervuld door tot het vervullen van die functies bevoegde
bemanningsleden.
Wet zeevarenden – artikel 58 – lid 2 (geldig op de dag van de aanvaring) Nagenoeg
gelijk aan de tekst in de Wet bemanning zeeschepen – artikel 71 – lid 1
Het is verboden het houden van de uitkijk, dan wel het optreden als verantwoordelijke
voor de wacht op de brug of als verantwoordelijke voor de wacht in de machinekamer
of machinekamers, op te dragen aan of te laten verrichten door bemanningsleden die
tot het verrichten van die werkzaamheden niet bevoegd zijn.
STCW-F, Annex, Chapter IV, Reg. 2 Basic watchkeeping principles to be observed on
board fishing vessels
2.1 officers in charge of the navigational watch are responsible for navigating
the fishing vessel safely during their periods of duty, when they shall be physically
present on the navigating bridge or in a directly associated location such as the
chartroom or bridge control room at all times.
4.3 Als maatregel eist de inspecteur een ontzegging van de vaarbevoegdheid voor een periode van zes (6) weken, waarvan drie (3) weken voorwaardelijk en een geldboete van € 1.500,-.
4.4 Bij de overweging van de eis heeft de inspecteur rekening gehouden
met de maatregelen die zijn opgelegd in de zaken van het Tuchtcollege 2022.V12-Amadeus Aquamarijn en 2023.V1-Helge en met de standaard boetebedragen die het Openbaar Ministerie hanteert.
5. Het standpunt van betrokkene
Betrokkene heeft - samengevat - aangevoerd dat hij effectief gebruik heeft gemaakt
van alle beschikbare navigatiemiddelen en de situatie juist heeft beoordeeld, namelijk
dat De Kim de intentie had om bij hem in de buurt te komen vissen. Achteraf bezien
was het wel beter geweest als betrokkene De Kim zou hebben opgeroepen via de marifoon.
Feit blijft echter dat hij niet uitwijkplichtig was en de schipper van De Kim de brug
had verlaten.
Verder erkent betrokkene dat hij niet had moeten uitvaren terwijl de geneeskundige verklaring van de plaatsvervangend schipper was verlopen. Wel wenst betrokkene te benadrukken dat de verlopen geneeskundige verklaring op geen enkele wijze heeft bijgedragen aan de aanvaring. De betreffende plaatsvervangend schipper lag ten tijde van de aanvaring immers te kooi. De keuringsarts heeft kort na de aanvaring de plaatsvervangend schipper gekeurd en een geneeskundige verklaring afgegeven.
De eis van de inspecteur is volgens betrokkene veel te zwaar in deze situatie. Voor betrokkene is deze tuchtzaak al een straf op zich en is het doel van het tuchtrecht wat hem betreft bereikt. Hij heeft geleerd van de gebeurtenissen. Ook moet volgens betrokkene rekening worden gehouden met het feit dat hij vanwege de door zijn schip opgelopen schade bijna twee maanden (51 dagen) niet heeft kunnen varen. Naar zijn mening kunnen de door de inspecteur genoemde tuchtuitspraken niet als leidraad dienen in deze zaak. Hoewel ook in die zaken een schip achter op een ander schip voer, zijn de overige omstandigheden niet vergelijkbaar. Zo was er in de zaak 2022.V12-Amadeus Aquamarijn sprake van varen in een druk verkeersscheidingsstelsel (en dus niet op vissersgronden) en ging het in beide zaken om bemanningsleden die zich onvoldoende bewust waren van de situatie waarin hun schip zich bevond. Bovendien waren die bemanningsleden druk bezig met andere taken, waaronder papierwerk.
6. De bewijsmiddelen
Bij de beoordeling van het door de inspecteur tegen het handelen/nalaten van betrokkene
aangevoerde bezwaar neemt het Tuchtcollege de volgende bewijsmiddelen tot uitgangspunt:
- De verklaring van betrokkene ter zitting, voor zover inhoudend, zakelijk en samengevat weergegeven:
Mijn verklaring zoals opgenomen in het verzoekschrift is juist. Het klopt dus dat De Kim op 14 oktober 2024 omstreeks 03:19 uur op de Noordzee ten westen van Ouddorp/Stellendam tegen de achterzijde van de Anna Johanna is gevaren. De Anna Johanna voer met een snelheid van ca. 2,5 knopen, was aan het vissen (de netten stonden uit) en was daardoor beperkt manoeuvreerbaar. Ik was alleen op de brug; de plaatsvervangend schipper en de gezel lagen te slapen. Ik heb op de radar gezien dat De Kim mij vanachteren op ongeveer dezelfde koers naderde, maar ging ervan uit dat De Kim bij mij in de buurt wilde gaan vissen. De snelheid van De Kim was ruim 8 knopen. Tussen het moment van de eerste waarneming van De Kim op de radar en de aanvaring heb ik De Kim niet visueel gezien. Ik heb niet omgekeken in die 15 tot 20 minuten. Dat had wel gekund; er waren geen fysieke belemmeringen en het zicht was helder. Mijn inschatting was dat De Kim bij ons zou gaan vissen. Het vissen gebeurt wel tien tot vijftien meter bij elkaar in de buurt. We vissen dus dicht bij elkaar. Dat moet natuurlijk niet uitmaken, want je moet altijd opletten. Maar dat is wel hoe die dingen gaan. Ik heb niet gemerkt dat De Kim iets van koers is gewijzigd. Terugkijkend ben ik het ermee eens dat ik De Kim had moeten oproepen, hoewel het de vraag is of dit had uitgemaakt omdat de schipper van De Kim naar het toilet was.
Ik heb een alarm aan boord dat afgaat als er een ander schip te dicht in de buurt komt. Het staat op een halve mijl ingesteld. Het alarmsignaal bestond uit een rood lampje; niet uit geluid. Het is mij niet opgevallen dat het lampje aan ging, maar voor ons lag een ander vissersschip. Het lampje was dus sowieso al rood verlicht.
Het klopt ook dat wij zijn uitgevaren met een niet geldige geneeskundige verklaring van de plaatsvervangend schipper terwijl wij ongeveer een week eerder al een waarschuwing hadden gehad. Toen we die waarschuwing kregen, mochten we onze reis wel afmaken. Dit kwam omdat wij ter plekke een afspraak met de keuringsarts hadden gemaakt. Deze kon helaas niet eerder dan op, volgens mij, 24 oktober 2024. Ik heb nog iemand anders geprobeerd te regelen voor de reis op 14 oktober 2024, maar dat is mij niet gelukt. Toen hebben we besloten dat de plaatsvervangend schipper wel gewoon ging meevaren.
De materiële schade aan mijn schip was groot. Ik heb anderhalve maand stilgelegen en dat heeft ook behoorlijk wat gekost.
Het is terecht dat de inspecteur aandacht aan deze zaak besteedt. Ik heb ervan geleerd. Ik denk dat dat het voornaamste is. Ik weet wat ik fout heb gedaan.
- De melding van de Nederlandse Kustwacht aan de ILT van 14 oktober 2024, voor zover inhoudend (bijlage 3 bij het verzoekschrift):
“In de vroege ochtend van 14-10-2024 heeft een aanvaring plaats gevonden tussen de WR-123 Anna Johanna en de ZK-147 de Kim. Dit gebeurde 3 mijl uit de kust van Goeree.”
- Het proces-verbaal van het Team Maritieme Politie, opgemaakt en gesloten op 11 november 2024, voor zover inhoudend (bijlage 6 bij het verzoekschrift):
“Wij, verbalisanten, zagen op de gemaakte backtrack (…), hoe de schipper van [De Kim] met een snelheid van 8.2 knopen op dezelfde koers als de voor hem varende [Anna Johanna] […] voer. Wij zagen dat de koers over de grond van [De Kim] ongeveer 2 a 3 graden opliep […]. Wij zagen dat de [Anna Johanna] met een snelheid van circa 2.4 knopen voer.”
- De verklaring van betrokkene tijdens het verhoor door de politie op 14 oktober 2024, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven (bijlage 2 van bijlage 6 bij het verzoekschrift):
“A: […] de reis was pas drie en half uur oud.
Ik was vissende dus ik had mijn netten op de bodem ik was aan trekken. Ik voer ongeveer met een snelheid van 2,5 tot 2,8 knopen. Ik had een heading van 220 graden. Wij voeren met land mee. Ik zag [De Kim] stomende onze kant opkomen. Ik weet dat omdat hij ruim 8 knopen voer. […]. Ik keek naar de CPA en […] beoordeelde dat dit voldoende was en dat hij niet in aanvaring met mij ging komen. Hij was ongeveer 2 mijl van mij vandaan toen ik die beslissing maakte. Ik weet dat omdat ik mijn radar op een bereik had staan van 3 mijl. Ik ben niet van koers veranderd en heb een rechte lijn gevaren tot aan de aanvaring. Ongeveer 15 minuten later kwam de klap.
[…] Wij hadden 30 minuten voor de aanvaring de netten geleegd en daardoor hadden wij nog volop de werkverlichting aan staan. […] dit zijn 6 keer 100 watt lampen (2 in de mast voor, 2 in de achtermast, twee voor op de brug) Hierdoor zou [de Anna Johanna] nog beter zichtbaar moeten zijn geweest. Het was tenslotte een heldere nacht. […] Misschien mag je het niet verwachten maar ik ging er toch een beetje vanuit dat hij het wel in de gaten hield.”
- Het meld/controle formulier bemanningsvoorschriften d.d. 8 oktober 2024 (bijlage 10 bij het verzoekschrift), waaruit blijkt dat er een waarschuwing is afgegeven voor het feit dat de geneeskundige verklaring van de plaatsvervangend schipper was verlopen.
7. Het oordeel van het Tuchtcollege over de gegrondheid van het bezwaar
Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is in deze zaak
(met een voldoende mate van zekerheid) het navolgende gebleken.
Betrokkene was ten tijde van de aanvaring op 14 oktober 2024 schipper op de Anna Johanna. Hij was alleen op de brug; de plaatsvervangend schipper en de gezel lagen te kooi. De Anna Johanna was aan het vissen, had een snelheid van ongeveer 2,5 knopen en was, met uitstaande netten, beperkt manoeuvreerbaar. Op het moment dat De Kim op ongeveer twee mijl afstand was, heeft betrokkene met behulp van de radar beoordeeld dat de CPA (Closest Point of Approach) voldoende was en dat er geen gevaar voor aanvaring was. Dit was echter vijftien à twintig minuten voor de aanvaring. Daarna heeft betrokkene dezelfde koers en vaart aangehouden, maar heeft hij daarbij De Kim niet meer goed in de gaten gehouden en geen contact (via de marifoon) gezocht met De Kim. Ook heeft hij niet achteromgekeken om te zien waar De Kim zich bevond. Hij is uitgegaan van een aanname dat De Kim in de buurt van de Anna Johanna zou gaan vissen en daarbij zelf op de (verlichte) Anna Johanna zou letten. Die laatste aanname bleek evenwel niet juist, want De Kim voer vervolgens, nog stomende, tegen de achterzijde van de Anna Johanna.
De eerste twee onderdelen van het bezwaar van de inspecteur zijn daarom gegrond. Zoals
betrokkene ook zelf meent, moet het ervoor worden gehouden dat hij als schipper geen
goede uitkijk heeft gehouden.
Hij had De Kim in de gaten moeten blijven houden en bijvoorbeeld (via de marifoon)
contact moeten zoeken met de schipper van De Kim om te vragen wat diens intenties
waren. Mede door het nalaten hiervan heeft de aanvaring kunnen plaatsvinden. Dat -
wat uiteraard hoogst kwalijk is - de schipper van De Kim op het moment van de aanvaring
niet op de brug was, maar op het toilet, is onvoldoende voor de overtuiging dat een
goede uitkijk op de Anna Johanna en het (eerder) contact zoeken met, althans alarmeren
van, De Kim in dit geval niet zouden hebben kunnen bijdragen aan het voorkomen van
de aanvaring. Het nalaten van betrokkene is in strijd met de door de inspecteur genoemde
voorschriften. Die strekken er tevens toe dat rekening kan worden gehouden met gevaren
door al dan niet domme fouten van anderen.
Ook het derde onderdeel van het bezwaar van de inspecteur acht het Tuchtcollege gegrond. De geneeskundige verklaring van de plaatsvervangend schipper was al enige tijd verlopen toen de Anna Johanna op 13 oktober 2024 rond 23:30 uur uitvoer om te gaan vissen. Zonder geldige medische keuring is het vaarbevoegdheidsbewijs niet geldig en voldeed de bemanning van de Anna Johanna om die reden niet aan het ‘certificaat minimale bemanningssterkte (visserij)’. Dat is een economisch delict. In dit geval is de overtreding te meer kwalijk nu er ongeveer een week eerder al een waarschuwing voor was gegeven door inspecteurs van de ILT.
8. De tuchtmaatregel
Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden
als schipper, onder andere ten opzichte van de slapende bemanning, die erop moet kunnen
vertrouwen dat de schipper te allen tijde een goede uitkijk houdt. Gezien de ernst
van de gebleken nalatigheden/gedragingen is een schorsing van de vaarbevoegdheid van
na te noemen duur en een geldboete van € 1.500,- op zijn plaats.
Deze sanctie is lager dan de eis van de inspecteur. Hierbij hebben onder meer meegewogen, in het voordeel van betrokkene, dat hij er ter zitting duidelijk blijk van heeft gegeven lering te hebben getrokken uit het gebeuren en dat de aanvaring, die in hoofdzaak aan De Kim is te wijten, heeft geleid tot aanzienlijke schade aan het mede aan hem toebehorende schip, dat in verband daarmee 51 dagen uit de vaart is geweest. Het Tuchtcollege vindt de verwijtbaarheid ook minder ernstig dan die in de door de inspecteur aangehaalde tuchtuitspraken (waarin sprake was van andersoortige schepen, andere vaaromstandigheden en een ander vaargebied).
9. Aandachtspunten voor de praktijk
In het verlengde maar ook los van de beslissing in deze zaak ziet het Tuchtcollege
aanleiding om de volgende punten onder de aandacht te brengen:
- De schipper moet zich voortdurend bewust zijn van de omgeving, inclusief de positie van andere, achteropkomende, schepen, zeker ook als (vanwege het vissen) met een relatief lage snelheid wordt gevaren in een druk vaar-/ visgebied.
10. De beslissing
Het Tuchtcollege,
- verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond;
- legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een periode van drie (3) weken;
- bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, die het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
- bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat na zes weken, gerekend vanaf de dag van verzending van deze uitspraak;
- legt aan betrokkene een geldboete op van € 1.500,-, met bepaling dat deze geldboete dient te worden betaald binnen drie maanden na heden.
Aldus gewezen door mr. J.M. van der Klooster, voorzitter, P.L. van Slooten en G. Tanis, leden, in aanwezigheid van mr. E.M. Dooting als secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 21 mei 2026.
J.M. van der Klooster E.M. Dooting
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij het College van beroep voor het bedrijfsleven, Prins Clauslaan 60, 2595 AJ Den Haag (Postbus 20021, 2500 EA Den Haag), Nederland.