ECLI:NL:TSCTS:2026:2 Tuchtcollege voor de Scheepvaart Amsterdam 2026-02 (2025.V7-ZK147 DE KIM)

ECLI: ECLI:NL:TSCTS:2026:2
Datum uitspraak: 21-05-2026
Datum publicatie: 21-05-2026
Zaaknummer(s): 2026-02 (2025.V7-ZK147 DE KIM)
Onderwerp: Zeevisserij, subonderwerp: Navigatie
Beslissingen:
  • Verzoek gegrond
  • Geldboete
  • Schorsing vaarbevoegdheid
Inhoudsindicatie: De zaak gaat over een aanvaring tussen twee vissersschepen op 14 oktober 2024 om 03:19 uur op de Noordzee ten westen van Ouddorp/Stellendam. De stomende garnalenkotter ZK147 De Kim (De Kim) is daar toen met haar voorzijde tegen de achterzijde van het vissende visserschip WR123 Anna Johanna (Anna Johanna) gevaren. Beide schepen raakten beschadigd; persoonlijke ongevallen hebben zich niet voorgedaan.De inspecteur maakt de schippers van beide schepen een verwijt. Het verwijt aan de schipper van De Kim – waar deze zaak over gaat – is dat hij geen (correcte) inschatting van het aanvaringsgevaar met de Anna Johanna heeft gemaakt voordat hij de brug verliet en dat hij de brug vervolgens onbemand heeft achtergelaten. Daarnaast verwijt de inspecteur hem dat hij is uitgevaren terwijl zijn geneeskundige verklaring al één jaar en acht maanden niet meer geldig was; daardoor was zijn vaarbevoegdheidsbewijs evenmin geldig en voldeed de bemanning dus ook niet aan de eisen van het ‘certificaat minimale bemanningssterkte (visserij)’.  Het Tuchtcollege acht de verwijten gegrond en legt betrokkene de maatregel op van een schorsing van de vaarbevoegdheid voor de duur van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, alsmede een geldboete van € 2.000,-.

UITSPRAAK VAN HET TUCHTCOLLEGE VOOR DE SCHEEPVAART VAN 21 MEI 2026 (NR. 2 VAN 2026) IN DE ZAAK 2025.V7-ZK147 DE KIM

Op het verzoek van:

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

te Den Haag,

verzoeker,

gemachtigde: senior inspecteur ILT/Scheepvaart (hierna: de inspecteur),

tegen

R.P. B.,

betrokkene.

1.   De zaak in het kort
1.1     De zaak gaat over een aanvaring tussen twee vissersschepen op 14 oktober 2024 om 03:19 uur op de Noordzee ten westen van Ouddorp/Stellendam. De stomende garnalenkotter ZK147 De Kim (De Kim) is daar toen met haar voorzijde tegen de achterzijde van het vissende visserschip WR123 Anna Johanna (Anna Johanna) gevaren. Beide schepen raakten beschadigd; persoonlijke ongevallen hebben zich niet voorgedaan.

1.2     De inspecteur maakt de schippers van beide schepen een verwijt. Het verwijt aan de schipper van De Kim – waar deze zaak over gaat – is dat hij geen (correcte) inschatting van het aanvaringsgevaar met de Anna Johanna heeft gemaakt voordat hij de brug verliet en dat hij de brug vervolgens onbemand heeft achtergelaten. Daarnaast verwijt de inspecteur hem dat hij is uitgevaren terwijl zijn geneeskundige verklaring al één jaar en acht maanden niet meer geldig was; daardoor was zijn vaarbevoegdheidsbewijs evenmin geldig en voldeed de bemanning dus ook niet aan de eisen van het ‘certificaat minimale bemanningssterkte (visserij)’.

1.3     Het Tuchtcollege acht de verwijten gegrond en legt betrokkene de maatregel op van een schorsing van de vaarbevoegdheid voor de duur van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, alsmede een geldboete van € 2.000,-.

2.     Het verloop van de procedure
2.1     In een door het Tuchtcollege op 19 september 2025 ontvangen schriftelijk verzoek (met bijlagen) heeft de inspecteur verzocht om tuchtrechtelijke behandeling van een bezwaar tegen betrokkene als schipper van het onder Nederlandse vlag varende vissersschip De Kim.

2.2     Hierop heeft het Tuchtcollege aan betrokkene op 25 september 2025 kennisgegeven van het verzoekschrift (met bijgevoegd een afschrift van het verzoekschrift met bijlagen) onder mededeling dat hij de mogelijkheid had een verweerschrift in te dienen.

2.3     Van betrokkene is geen verweerschrift ontvangen.

2.4     De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op

7 april 2026 om 14.00 uur in de zittingszaal van het Tuchtcollege te Amsterdam. De inspecteur en betrokkene zijn verschenen.

3.     De aanleiding
3.1     Het verzoek tot tuchtrechtelijke behandeling is ingediend naar aanleiding van het hiervoor (onder 1) omschreven ongeval.

3.2      De KIM (IMO-nummer 8431891) is een garnalenkotter met een lengte van 21,61 meter. Ten tijde van de aanvaring waren er twee bemanningsleden aan boord; de schipper (betrokkene) en de plaatsvervangend schipper. Er gold een vrijstelling voor de gezel.

4.     Het bezwaar van de inspecteur
4.1     De inspecteur verwijt betrokkene dat hij als schipper heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de zorg die hij als een goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer (artikel 55a Wet zeevarenden, vervangen door artikel 41 Wet bemanning zeeschepen).

Het bezwaar tegen de betrokkene bestaat uit de volgende elementen:

1. Betrokkene heeft geen, dan wel geen correcte, inschatting van het aanvaringsgevaar met de Anna Johanna gemaakt voordat hij van de brug af ging.

2. Betrokkene is van de brug afgegaan, terwijl hij het enige bemanningslid op de brug was. Daarmee bleef de brug onbemand achter.

3. Mede door bovenstaande bezwaren heeft de aanvaring kunnen plaatsvinden.

4. Betrokkene is uitgevaren terwijl zijn geneeskundige verklaring al één jaar en acht maanden niet meer geldig was. Daarmee was zijn vaarbevoegdheidsbewijs evenmin geldig. Formeel was betrokkene daarom niet bevoegd om als schipper op te treden en voldeed de bemanning dus ook niet aan de eisen van het ‘certificaat minimale bemanningssterkte (visserij)’.

4.2     Als voorschriften die niet zijn nageleefd noemt de inspecteur in het verzoekschrift:

Wetboek van Koophandel, tweede boek, derde titel
Artikel 343, lid 1: De kapitein is verplicht de gebruikelijke regels en de bestaande voorschriften ter verzekering van de zeewaardigheid en de veiligheid van het schip, van de veiligheid der opvarenden en der zaken aan boord, met nauwgezetheid op te volgen.

COLREG, Part B, Section I, Rule 5 Look-out
Every vessel shall at all times maintain a proper look-out by sight and hearing as well as by all available means appropriate in the prevailing circumstances and conditions so as to make a full appraisal of the situation and of the risk of collision.

SOLAS Chapter V Safety of Navigation, Reg. 34 Safe navigation and avoidance of dangerous situations
1. Prior to proceeding to sea, the master shall ensure that the intended voyage has been planned using the appropriate nautical charts and nautical publications for the area concerned, taking into account the guidelines and recommendations developed by the Organization.

Wet zeevarenden – artikel 57 (geldig op de dag van de aanvaring) Nagenoeg gelijk aan de tekst in de Wet bemanning zeeschepen – artikel 69
Het is verboden
b.     een schip zodanig te bemannen dat niet ten minste de op het bemanningscertificaat aangegeven functies worden vervuld door tot het vervullen van die functies bevoegde bemanningsleden.

Wet zeevarenden – artikel 58 – lid 2 (geldig op de dag van de aanvaring) Nagenoeg gelijk aan de tekst in de Wet bemanning zeeschepen – artikel 71 –  lid 2
Het is verboden aan boord werkzaamheden waarvoor ingevolge artikel 18 een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist, te verrichten, indien men hiertoe niet door middel van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs bevoegd is verklaard.

STCW-F, Annex, Chapter IV, Reg. 2 Basic watchkeeping principles to be observed on board fishing vessels
2.1 officers in charge of the navigational watch are responsible for navigating the fishing vessel safely during their periods of duty, when they shall be physically present on the navigating bridge or in a directly associated location such as the chartroom or bridge control room at all times.

2.4 an appropriate and effective watch or watches are maintained for the purpose of safety at all times.

3 The basic watchkeeping principles, including but not limited to those set out in the STCW-F Code, shall be taken into account on all fishing vessels. […]

4.3     Als maatregel eist de inspecteur een ontzegging van de vaarbevoegdheid voor een periode van acht (8) weken, waarvan vier (4) weken voorwaardelijk en een geldboete van € 2.000,-.

4.4     Bij de overweging van de eis heeft de inspecteur rekening gehouden met de maatregelen die zijn opgelegd in de zaak van het Tuchtcollege 2024.V5-Joris Senior ARM18 en met de standaard boetebedragen die het Openbaar Ministerie hanteert.

4.5     Op de zitting heeft de inspecteur opgemerkt dat de gevraagde (deels voorwaardelijke) ontzegging van de vaarbevoegdheid wellicht geen effect meer heeft, omdat ter zitting is gebleken dat betrokkene thans niet meer vaart. De inspecteur refereert zich wat dat betreft aan het oordeel van het Tuchtcollege.

5.   Het standpunt van betrokkene
Betrokkene heeft de vier onderdelen van het bezwaar van de inspecteur erkend. Samengevat heeft hij er onder meer het volgende over verklaard:

Het is een dom ongeluk geweest.
Het gebied waar wij gingen vissen was mij niet bekend. Ik was er voor de eerste keer. Ik vind dat je sowieso echt kennis van zo’n gebied moet hebben, wil je er goed kunnen varen. Ik moest daar ook veel meer rekening houden met dieptes dan in het gebied waar ik normaal vaar, bij de Waddeneilanden. De Kim steekt drie meter diep en op sommige plekken raak je dan bijna debodem. In het betreffende gebied was ook veel betonning aanwezig. Ik heb mij daarop moeten focussen.

Ongeveer anderhalve mijl van tevoren had ik de Anna Johanna gezien. Na het verleggen van mijn koers ben ik naar beneden naar het toilet gegaan. Daarna wilde ik mijn metgezel halen, maar toen was de aanvaring al gebeurd.

De reden dat ik geen snelheid heb verminderd toen ik de brug verliet, is gelegen in het feit dat ik zo dicht als mogelijk bij de vloot in het Brouwerhavense Gat wilde komen. Het toilet op De Kim zit achter de stuurstoel; iets naar beneden en dan om de hoek. De marifoon, die wij altijd vol aan hebben staan, is daar (in de toiletruimte) goed te horen.

Wat, terugkijkend, niet heeft meegeholpen, is dat wij het licht onder de buiskaprand hadden aanstaan. Achteraf gezien denk ik dat dit licht mij heeft verblind, althans het zicht op de Anna Johanna heeft gehinderd. Als ik dat licht had uitgezet, was het waarschijnlijk anders gelopen.

Het klopt ook dat ik de elektronische zeekaart heb verschoven en dat ik daardoor de Anna Johanna niet meer zag op de kaartplotter.

De verzekering heeft uiteindelijk de schade gedekt en er lopen geen claims.

De Kim is uit de vaart genomen en wordt gesloopt. Een ander schip heb ik verkocht. Ik ben dus gestopt met vissen, maar dit heeft ook te maken met de steeds strenger wordende regelgeving. Uiteindelijk wil ik weer gaan varen, maar niet meer in de visserij.

Wat betreft de verlopen geneeskundige verklaring kan ik u zeggen dat dit laksheid is geweest van mijn kant. Inmiddels heb ik de geldigheidsduur van deze geneeskundige verklaring weer op orde.

Ik ben erg geschrokken van het voorval. Met de verzochte maatregelen kan ik leven. Ik denk dat ik mijn les al wel heb geleerd en dat die maatregelen niet zoveel meer zullen uitmaken.

6.   De bewijsmiddelen
Bij de beoordeling van het door de inspecteur tegen het handelen/nalaten van betrokkene aangevoerde bezwaar neemt het Tuchtcollege de volgende bewijsmiddelen tot uitgangspunt:

A.      De verklaring van betrokkene ter zitting, voor zover inhoudend, zakelijk en samengevat weergegeven:
Ik erken alle vier de onderdelen van het bezwaar van de inspecteur.

B.      De melding van de Nederlandse Kustwacht aan de ILT van 14 oktober 2024, voor zover inhoudend (bijlage 3 bij het verzoekschrift):
“In de vroege ochtend van 14-10-2024 heeft een aanvaring plaats gevonden tussen de WR-123 Anna Johanna en de ZK-147 de Kim. Dit gebeurde 3 mijl uit de kust van Goeree.”

C.      Het proces-verbaal van het Team Maritieme Politie, opgemaakt en gesloten op 11 november 2024, voor zover inhoudend (bijlage 6 bij het verzoekschrift):
“Wij, verbalisanten, zagen op de gemaakte backtrack […], hoe de schipper van [De Kim] met een snelheid van 8.2 knopen op dezelfde koers als de voor hem varende [Anna Johanna] […] voer. Wij zagen dat de koers over de grond van [De Kim] ongeveer 2 a 3 graden opliep […]. Wij zagen dat de [Anna Johanna] met een snelheid van circa 2.4 knopen voer.”

D.      De verklaring van betrokkene tijdens het verhoor door de politie op 14 oktober 2024, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven (bijlage 1 van bijlage 6 bij het verzoekschrift):
“Rond 01.15 uur lokale tijd zijn we uit Stellendam vertrokken. De bedoeling was om de netten vlakbij het vaarwater het Slijkgat uit te zetten. Ik zag al veel vissersschepen de zuid in trekken dus besloot ik ook maar de zuid in te stomen omdat de ervaring leert […] dat daar de Garnalen liggen. Dit is voor mij een vreemde plek want ik kom hier niet zo vaak. […] Ik was erg gefocust op mijn elektronische zeekaart. Op een gegeven moment zag ik dat ik naar een gesloten gebied voer. Toen heb ik mijn schip ongeveer 8 graden stuurboord gegeven. Daarna heb ik nog een keer ingezoomd op de elektronische kaart, waarbij ik de kaart verschoven heb waardoor ik het AIS target van de [Anna Johanna] niet meer in beeld had. […] ik had ik de [Anna Johanna] visueel gezien. Als eerste natuurlijk op AIS, dus ik wist dat hij in de buurt was.”

E.       Een Geneeskundige verklaring zeevaart d.d. 10 februari 2021 betreffende betrokkene (bijlage 8 bij het verzoekschrift), waaruit blijkt dat de vervaldatum van het certificaat 10 februari 2023 was.

7.     Het oordeel van het Tuchtcollege over de gegrondheid van het bezwaar
Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is in deze zaak (met een voldoende mate van zekerheid) het navolgende gebleken.

Betrokkene was ten tijde van de aanvaring op 14 oktober 2024 schipper op De Kim. Hij was alleen op de brug en had brugwacht. De plaatsvervangend schipper lag te kooi. Betrokkene was niet bekend met het vaargebied. De voor zich vissende Anna Johanna had hij waargenomen (zowel op de elektronische kaart als visueel) toen de onderlinge afstand nog ongeveer anderhalve mijl beliep. Om niet in een gesloten gebied te geraken, heeft hij de koers van De Kim daarna nog acht graden naar stuurboord verlegd, waardoor De Kim (op een onderlinge afstand van inmiddels nog maar ca. 600/700 meter) op dezelfde koers als de Anna Johanna kwam te varen. Vervolgens heeft hij de brug verlaten voor een toiletbezoek. Aansluitend zou hij de plaatsvervangend schipper roepen voor het uitzetten van de netten, maar daar kwam het niet meer van omdat tijdens het toiletbezoek De Kim tegen de Anna Johanna voer. Bij het verlaten van de brug heeft betrokkene de snelheid van De Kim (ongeveer acht knopen) niet verminderd.  

Betrokkene heeft naar het oordeel van het Tuchtcollege ernstig verwijtbaar gehandeld. Het verlaten van de brug voor een toiletbezoek was in de gegeven situatie onverantwoord, te meer nu, door de koerswijziging kort ervoor, De Kim (op een onderlinge afstand van zo’n 660/700 meter) recht achter de Anna Johanna was komen te varen. Naar zijn zeggen heeft hij bij zijn toiletbezoek, waarbij de brug enige tijd onbezet bleef, niet meer gedacht aan de Anna Johanna en dus ook niet aan het dreigende aanvaringsgevaar met dat langzaam varende schip, welk gevaar zich vervolgens verwezenlijkte.
Betrokkene heeft hiermee zichzelf, de bemanning en anderen in gevaar gebracht.  

Los hiervan was ook de geldigheid van de geneeskundige verklaring van betrokkene al lange tijd verstreken. Hij is – naar eigen zeggen – laks geweest in het zorgen voor een geldig certificaat. Ook deze overtreding getuigt van onzeemanschappelijk gedrag.

De bezwaren van de inspecteur zijn gegrond; de aan betrokkene verweten gedragingen – die in strijd zijn met de door de inspecteur genoemde verdragsbepalingen en de bepaling uit de toen geldende Wet zeevarenden – worden bewezen geacht.

8.     De tuchtmaatregel
Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden als schipper, met de aanvaring als gevolg.

Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. Een deel van deze maatregel zal voorwaardelijk worden opgelegd, een en ander als door de inspecteur geëist. Bij het bepalen van het voorwaardelijke deel is in het voordeel van betrokkene ermee rekening gehouden (onder meer) dat de gevolgen van de fout beperkt zijn gebleven tot materiële schade en dat hij ervan doordrongen lijkt dat hij ernstig is tekortgeschoten in zijn taak als schipper. In het feit dat betrokkene niet meer actief is als schipper ziet het Tuchtcollege onvoldoende aanleiding om af te wijken van de eis van de inspecteur, te minder omdat betrokkene gezegd heeft in de toekomst waarschijnlijk wel weer te gaan varen.

Mede omdat betrokkene is uitgevaren met een (bijna twee jaar) verlopen geneeskundige verklaring acht het Tuchtcollege daarnaast ook de door de inspecteur gevorderde geldboete van € 2.000,- op zijn plaats.

9.     Aandachtspunten voor de praktijk
In het verlengde maar ook los van de beslissing in deze zaak ziet het Tuchtcollege aanleiding om de volgende punten onder de aandacht te brengen:

- Indien een schipper tijdens de brugdienst echt nodig naar het toilet moet, dient hij zich tevoren ervan te vergewissen dat dit veilig kan en dat gedurende zijn (korte) afwezigheid adequaat uitkijk wordt gehouden en er, als de situatie dit eist, onmiddellijk kan worden ingegrepen.

10.    De beslissing
Het Tuchtcollege,

  • verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond;
  • legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een periode van acht (8) weken;
  • bepaalt dat van deze schorsing vier (4) weken niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, die het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
  • bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat na zes weken, gerekend vanaf de dag van verzending van deze uitspraak;
  • legt aan betrokkene een geldboete op van € 2000,-, met bepaling dat deze geldboete dient te worden betaald binnen drie maanden na heden.

Aldus gewezen door mr. J.M. van der Klooster, voorzitter, P.L. van Slooten en G. Tanis, leden, in aanwezigheid van mr. E.M. Dooting als secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 21 mei 2026.

J.M. van der Klooster                                          E.M. Dooting
voorzitter                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij het College van beroep voor het bedrijfsleven, Prins Clauslaan 60, 2595 AJ Den Haag (Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag), Nederland.