ECLI:NL:TNORSHE:2026:9 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/38

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:9
Datum uitspraak: 30-03-2026
Datum publicatie: 03-04-2026
Zaaknummer(s): SHE/2025/38
Onderwerp: Registergoed, subonderwerp: leveringsakte
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: De notaris heeft op 18 september 2018 een akte van levering gepasseerd. Bij die akte heeft de vader van de klager zijn woning aan zijn echtgenote overgedragen. De vader is in 2024 overleden en heeft de klager als zijn enige erfgenaam achtergelaten. De klager verwijt de notaris dat hij bij de totstandkoming van de akte van levering onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de onafhankelijke wilsvorming van de vader en de rechtmatigheid van de transactie. De notaris zou de belangen van de vader en de klager (als toekomstig erfgenaam van de vader) onvoldoende hebben behartigd (klachtonderdeel 1). De klager heeft de notaris daarom verzocht om inzage te verlenen in alle relevante stukken van het dossier. De notaris heeft dat met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht geweigerd. Volgens de klager is het beroep op de geheimhoudingplicht onterecht (klachtonderdeel 2).De kamer oordeelt dat klachtonderdeel 1 te laat is ingediend en dus niet-ontvankelijk is. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.

Klachtnummer    : SHE/2025/38

Datum uitspraak : 30 maart 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:


[de klager] (hierna: de klager)

wonende in [woonplaats]

tegen

[de notaris] (hierna: de notaris)

gevestigd in [vestigingsplaats]

gemachtigde: mevrouw mr. S.F. Knijnenburg, advocaat in Amsterdam

1.         De zaak in het kort

De zaak gaat over een akte van levering, die de notaris op 18 september 2018 heeft gepasseerd. Bij die akte heeft de vader van de klager zijn woning, onder het voorbehoud van het zakelijk recht van vruchtgebruik en de rechten van gebruik en bewoning, aan zijn echtgenote overgedragen. De vader is in 2024 overleden en heeft de klager als zijn enige erfgenaam achtergelaten. De klager verwijt de notaris dat hij bij de totstandkoming van de akte van levering onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de onafhankelijke wilsvorming van de vader en de rechtmatigheid van de transactie. De notaris zou de belangen van de vader en de klager (als toekomstig erfgenaam van de vader) onvoldoende hebben behartigd. De klager heeft de notaris daarom verzocht om inzage te verlenen in alle relevante stukken van het dossier. De notaris heeft dat geweigerd en doet daarbij een beroep op zijn geheimhoudingsplicht. Volgens de klager is het beroep op de geheimhoudingplicht onterecht.

2.          Het verloop van de procedure

De beslissing van de kamer is gebaseerd op:

  • de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 3 juli 2025;
  • het verweerschrift;
  • de e-mail (met bijlagen) van 14 januari 2026 van de klager;
  • de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling van de klacht, zoals vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling op 26 januari 2026.

3.          De feiten

De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder 5 verder in op de feitelijke gang van zaken.

1. De vader van de klager, de heer [naam vader] (hierna: de vader), is na zijn eerste huwelijk met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen getrouwd met mevrouw [naam echtgenote] (hierna: de echtgenote).

2. Op 24 juni 2009 heeft de vader met betrekking tot zijn woning aan de [adresgegevens woning] een koopovereenkomst gesloten met de echtgenote. Deze koopovereenkomst is voor de eerste keer aangevuld in 2015 en voor de tweede keer op 13 maart 2018.

3. Op 18 september 2018 heeft de notaris de akte van levering gepasseerd, waarbij de vader de woning aan de echtgenote heeft geleverd. De levering heeft plaatsgevonden onder voorbehoud van het zakelijk recht van vruchtgebruik en de rechten van gebruik en bewoning ten behoeve van de vader.

4. Verder staat in de akte van levering vermeld:

  • de koopprijs van de bloot eigendom van de woning is € 253.460,--;
  • de echtgenote heeft een hypothecaire vordering op de vader van € 249.034,--;
  • de vader en de echtgenote zijn compensatie overeengekomen van de koopprijs en de hypothecaire vordering;
  • de restant koopschuld van € 4.426,-- heeft de echtgenote rechtstreeks aan de vader voldaan;
  • de woning is bezwaard met hypothecaire inschrijvingen en een executoriaal beslag.

5. Op [dag] november 2024 is de vader overleden.

6. Een notaris van een ander kantoor heeft een verklaring van erfrecht opgemaakt. De verklaring van erfrecht is gedateerd op 14 april 2024, maar de kamer gaat er - net als de klager en de notaris - van uit dat bedoeld zal zijn 14 april 2025.

7. In de verklaring van erfrecht staat onder andere vermeld:

  • de vader heeft de klager als zijn enige erfgenaam achtergelaten;
  • de klager heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard;
  • de klager is zelfstandig bevoegd om de nalatenschap te beheren en te vereffenen.

8. Op 17 april 2025 heeft de klager aan de notaris laten weten: “In de afwikkeling van de nalatenschap van mijn vader stuit ik op de transactie (verkoop) van zijn in 2018 in eigendom zijnde pand ([adresgegevens woning]).” De klager heeft de notaris gevraagd om aan hem een kopie te sturen van de hiervoor onder 2 genoemde koopovereenkomst en de twee aanvullingen op die koopovereenkomst, alsmede een kopie van de hiervoor onder 4 genoemde hypothecaire vordering van € 249.034,--. De klager heeft ook om een omschrijving en/of verklaring van deze vordering verzocht.

9. De notaris heeft de klager gebeld en hem gewezen op zijn geheimhoudingsplicht. De notaris heeft voorgesteld om samen met de echtgenote in gesprek te gaan.

10. De notaris heeft met instemming van de klager contact opgenomen met de echtgenote. De echtgenote heeft de notaris meegedeeld niet met hem en de klager in gesprek te willen gaan.

11. Op 6 mei 2025 heeft de notaris aan de klager laten weten dat de echtgenote niet meewerkt aan het verstrekken van gegevens die onder de geheimhouding van de notaris vallen. De notaris wilde wel de akte van levering uitleggen en veel vragen van de klager beantwoorden, maar gegevens, die onder zijn geheimhouding vallen, kon hij niet met de klager delen. Daarvoor moet de klager bij de echtgenote terecht. De notaris heeft de klager vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op zijn kantoor.

12. Op dezelfde dag heeft de klager zijn eerdere verzoek herhaald en om inzage in onderliggende documentatie gevraagd.

13. De notaris heeft de klager gebeld en toegezegd dat hij nog een mail naar de klager zal sturen.

14. Op 12 mei 2025 heeft de klager een herinneringsmail gestuurd naar de notaris.

15. Op dezelfde dag heeft de notaris per onderdeel antwoord gegeven op de gestelde vragen.

16. Op 14 mei 2025 heeft de klager de notaris verzocht om hem het volledige dossier te verstrekken zonder daarin een selectie van stukken te maken.

17. Op 15 mei 2025 heeft de notaris aan de klager geantwoord dat hij de wet en de literatuur erop heeft nageslagen, collegiaal overleg heeft gevoerd met notarissen binnen en buiten zijn kantoor en contact heeft opgenomen met de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB). Volgens de notaris is de algemene consensus dat hij op grond van artikel 49 van de Wet op het notarisambt (Wna) alleen een afschrift van de akte van levering met de bijlagen aan de klager kan verstrekken. De rest van het dossier valt onder zijn geheimhoudingsplicht en kan hij daarom niet aan de klager verstrekken. De notaris heeft een afschrift van de akte van levering en de bijlagen meegestuurd.

18. Op 19 juni 2025 heeft de klager aan de notaris geantwoord dat hij geen genoegen neemt met de toegestuurde stukken.

19. Op 26 juni 2025 heeft de notaris aan de klager onder andere meegedeeld dat zijn geheimhoudingsplicht niet absoluut is en dat de civiele rechter de kwestie anders kan beoordelen. De notaris heeft toegezegd dat hij een eventuele uitspraak van de civiele rechter zal respecteren. De notaris heeft de klager uitgenodigd voor een gesprek op zijn kantoor.

20. Op 3 juli 2025 heeft de klager de klacht ingediend.

4.          De klacht

4.1.      Bij de mondelinge behandeling is de inhoud van de klacht met de klager besproken. Hij heeft bevestigd dat zijn klacht in de kern op het volgende neerkomt.

1. de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen e, h en i

De notaris heeft bij de totstandkoming van de akte van levering op 18 september 2018 onvoldoende onderzoek gedaan naar de onafhankelijke wilsvorming van de vader en de rechtmatigheid van de transactie. De notaris heeft de belangen van de vader en de klager (als toekomstig erfgenaam van de vader) onvoldoende behartigd.

2. de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen a tot en met d, f en g

De notaris weigert om inzage te verlenen in alle relevante stukken van het dossier met betrekking tot de akte van levering en doet daarbij ten onrechte een beroep op zijn geheimhoudingsplicht. De klager heeft als erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van de vader recht op deze informatie.

4.2.      De klager heeft de kamer ook verzocht om te bepalen dat:

  • “de notaris alsnog volledige en gemotiveerde inzage verschaft in de relevante stukken, opdat ik mijn rol als erfgenaam en vereffenaar kan uitoefenen. Tevens vast te stellen dat de volledige inhoud en onderliggende informatie van de koopakte, ook gezien de geconstateerde opmerkelijke inhoud, niet meer onder vertrouwelijkheid geschaard kunnen worden, en dat de notaris volledige medewerking zal moeten geven bij eventuele verdere vragen;”
  • “de notaris het complete dossier zonder tijdslimiet bewaart, en pas tot vernietiging of gedeeltelijke vernietiging overgaat bij nadrukkelijke toestemming van mij als rechtsopvolger van mijn vader”.

4.3.      De notaris heeft, kort gezegd, het volgende verweer gevoerd tegen de klacht.

1. Klachtonderdeel 1 is niet-ontvankelijk, omdat de klager geen belang heeft bij dit klachtonderdeel. Bovendien is dit klachtonderdeel mogelijk te laat ingediend.

2. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.

5.          De beoordeling

Kan de kamer de klacht behandelen?

5.1.      Voordat de kamer een klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet de kamer eerst beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht te mogen behandelen (de ontvankelijkheid van de klacht).

Klachtonderdeel 1 (akte van levering van 18 september 2018)

Algemene opmerking vooraf (ministerieplicht)

5.2.      Een notaris heeft een bijzondere positie in het Nederlandse rechtssysteem. Hij is namelijk met uitsluiting van anderen bevoegd authentieke akten op te maken in de gevallen waarin de wet dit aan hem opdraagt of een partij dat van hem verlangt. Vanwege die bijzondere positie is een notaris niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om bedoelde diensten te verlenen (artikel 21 lid 1 Wna). De reden van deze verplichting, die in de praktijk wel wordt aangeduid als ministerieplicht, is dat de dienstverlening door een notaris voor iedereen toegankelijk moet zijn. De ministerieplicht geldt niet in alle gevallen. Lid 2 van artikel 21 Wna bepaalt namelijk dat de notaris verplicht is zijn dienst te weigeren wanneer “naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem verlangd wordt, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft”.

5.3.      Een ouder mag in beginsel een transactie uitvoeren die nadelig zou kunnen zijn voor zijn/haar toekomstige erfgenamen. Het enkele feit dat er door die transactie minder overblijft voor die erfgenamen, is voor een notaris op zichzelf geen reden om zijn dienst te weigeren. Daarvoor moeten bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De kamer komt niet toe aan de beantwoording van de vraag of die bijzondere omstandigheden in dit geval aanwezig zouden zijn. De kamer zal hieronder namelijk toelichten dat klachtonderdeel 1 te laat is ingediend.

Klachtonderdeel 1 is niet op tijd ingediend

5.4.      Een klacht kan alleen worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de klager (redelijkerwijs) kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Voor de aanvang van de vervaltermijn is bepalend de objectieve kennis van het handelen of nalaten van de notaris en niet de subjectieve kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn, aldus vaste jurisprudentie van het Gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter, hierna: het hof). Als de klacht na deze periode wordt ingediend, wordt de klacht niet in behandeling genomen (niet-ontvankelijk verklaard).

De beslissing tot niet-ontvankelijkheid van de klacht blijft achterwege als de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken (artikel 99 lid 21 Wna).

Volgens de wetgeschiedenis is het stellen van een termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig, omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken naar zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3).

5.5.      De driejaarstermijn begint niet opnieuw te lopen op het moment dat een potentiële klager overlijdt. De klager handelt in de hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel (erfgenaam) van de vader, zodat bepalend is welke vervaltermijn voor de vader zou hebben gegolden.

5.6.      Voor de vader is de vervaltermijn gestart op 19 september 2018, omdat hij op 18 september 2018 in persoon aanwezig is geweest bij het passeren van de akte van levering. Op dat moment heeft de vader kennis kunnen nemen van de inhoud én de gevolgen van die akte en was hij bekend met het handelen van de notaris.

Omdat de klacht pas op 3 juli 2025 door de klager is ingediend, is de klager niet-ontvankelijk vanwege het verstrijken van de vervaltermijn, zowel voor wat betreft de driejaarstermijn als de nadere vervaltermijn van één jaar.

5.7.      Daarbij betrekt de kamer dat niet is gebleken dat de vader zelf niet in staat zou zijn geweest om (tijdig) een klacht in te dienen tegen de notaris. Zo heeft de klager tijdens de mondelinge behandeling niet weersproken dat de vader wist waar hij mee bezig was. De klager gaat er bovendien van uit dat de vader bij de totstandkoming van de akte van levering helder was. Daarnaast zijn door de klager geen feiten of omstandigheden genoemd, waaruit zou blijken dat de vader binnen de klachttermijn wilsonbekwaam is geworden. De kamer is daarom van oordeel dat als de vader dat had gewild, hij degene was die - als partij bij de akte - tot 19 augustus 2021 een tuchtklacht had kunnen indienen tegen de notaris. Dat de vader volgens de klager zorgafhankelijk en financieel afhankelijk was van de echtgenote, betekent niet dat de vader geen klacht kon indienen.

5.8.      Aangezien klachtonderdeel 1 te laat is ingediend, hoeft de kamer de vraag of de klager een redelijk belang heeft bij dit klachtonderdeel niet meer te beantwoorden.

De onder 4.2. genoemde verzoeken en het tijdens de mondelinge behandeling door de klager gedane verzoek om inzage in stukken

5.9.      Op grond van de Wna kan de kamer een notaris niet veroordelen om inzage te verlenen in stukken, vragen te beantwoorden of een dossier te bewaren. De kamer heeft tijdens de mondelinge behandeling al meegedeeld dat zij deze verzoeken daarom niet kan behandelen. Deze verzoeken worden niet-ontvankelijk verklaard.

Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?

De inhoudelijke beoordeling van klachtonderdeel 2 (beroep op geheimhoudingsplicht)

5.10.     Heeft de notaris met een beroep op de notariële geheimhoudingsplicht terecht geweigerd om inzage te verlenen in het leveringsdossier? De kamer oordeelt dat deze vraag met een ja moet worden beantwoord en licht dat hieronder toe.

De maatstaf

5.11.     De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen (artikel 93 lid 1 Wna). De tuchtrechter toetst of:

  • hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere wet- en regelgeving die van toepassing is;
  • zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.

Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken (rechts)personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).

Bovendien is een notaris in beginsel verplicht tot geheimhouding van alle informatie waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheden als zodanig kennisneemt (artikel 22 lid 1 Wna).

De geheimhoudingsplicht in het algemeen

5.12.     De kamer zal eerst stilstaan bij de in 5.11. genoemde geheimhoudingsplicht van de notaris als vertrouwenspersoon. Uitgangspunt is dat iedereen bij een bezoek aan de notaris erop moet kunnen en mogen vertrouwen dat wat men met een notaris heeft besproken, niet aan derden wordt geopenbaard.

Het grote belang van de geheimhoudingsplicht blijkt ook uit artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. In dat artikel staat dat het schenden van het ambts- of beroepsgeheim strafbaar is. De geheimhoudingsplicht kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden door de notaris of door de rechter worden doorbroken.

5.13.     De vraag hoe ver de geheimhoudingsplicht van een notaris zich uitstrekt, wordt in beginsel door de betrokken notaris zelf beantwoord. Immers, alleen de notaris kan precies beoordelen of bepaalde gegevens onder zijn verschoningsrecht vallen.

5.14.     Dit betekent niet dat een notaris helemaal niets mag verklaren over wat hij met een cliënt heeft besproken. Het is vaste rechtspraak van het hof dat in zijn algemeenheid de geheimhoudingsplicht van een notaris niet geldt voor de wijze waarop een notaris te werk is gegaan. Vooral in zaken over de wilsbekwaamheid van een erflater heeft het hof bepaald dat het voor een notaris zeer wel mogelijk is om toe te lichten:

  • wat de gang van zaken is geweest, die heeft geleid tot het tot stand komen van een akte;
  • op welke wijze hij zich een oordeel heeft gevormd over de wilsbekwaamheid van een cliënt,

zonder zijn geheimhoudingsplicht te schenden. Hiermee zijn de grenzen van de geheimhoudingsplicht gegeven.

5.15.     Het is de notaris die een beroep kan doen op zijn geheimhoudingsplicht. De tuchtrechter kan uitsluitend beoordelen of dit beroep terecht is gedaan of niet.

De geheimhoudingsplicht in deze zaak

5.16.     Vast staat dat de klager bij de akte van levering van 18 september 2018 zelf niet was betrokken. Alleen de vader en de echtgenote waren daarbij betrokken. Zij zijn de cliënt-opdrachtgevers geweest van de notaris. Het leveringsdossier valt voor de notaris ten opzichte van de klager daarom in beginsel onder de geheimhoudingsplicht. Dat is alleen anders voor zover het om de akte van levering zelf gaat. Op grond van artikel 49 lid 1 onder c Wna moet een notaris een afschrift van een akte geven aan de rechtverkrijgenden onder algemene titel (zoals een erfgenaam) van een partij bij die akte. De klager, die erfgenaam is van de vader, heeft dus recht op een afschrift van de akte van levering. Vast staat dat de notaris een afschrift van de akte met de bijlagen op 15 mei 2025 aan de klager heeft toegestuurd.  

De kamer oordeelt dat de notaris met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht terecht heeft kunnen besluiten geen andere stukken uit het leveringsdossier aan de klager te geven.
Daarbij wijst de kamer op het volgende. De notaris:

  • heeft in het kader van zijn geheimhoudingsplicht een zorgvuldige afweging willen maken en daarvoor ook advies ingewonnen bij vakgenoten binnen en buiten zijn kantoor en bij de KNB;
  • is mede op grond van de adviezen tot de conclusie gekomen dat het leveringsdossier niet aan de klager kan worden verstrekt en heeft de klager daarvan ook op de hoogte gesteld;
  • heeft onweersproken aangevoerd dat hij de klager heeft aangeboden om in een gesprek zijn werkwijze en waarneming van de vader aan de klager toe te lichten.

Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd die het noodzakelijk maken dat het leveringsdossier van de vader en de echtgenote tegenover de klager moet worden prijsgegeven.  

Conclusie

5.17.     De kamer is van oordeel dat de notaris niet tuchtrechtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel 2 zal ongegrond worden verklaard.

6.          De beslissing

De kamer:

6.1.      verklaart klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk;

6.2.      verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover deze gaat over de onder 4.2. genoemde verzoeken en het tijdens de mondelinge behandeling gedane verzoek om inzage in stukken;

6.3.      verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. T. Zuidema, voorzitter, mr. C.T.M. Luijks en mr. H.M.A. Albicher, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026 door mr. W.F.J. Aalderink, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep:
 

U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.