ECLI:NL:TNORSHE:2026:7 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/52

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:7
Datum uitspraak: 30-03-2026
Datum publicatie: 07-04-2026
Zaaknummer(s): SHE/2025/52
Onderwerp: Registergoed, subonderwerp: leveringsakte
Beslissingen: Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht niet-ontvankelijk. Hoewel het begrip “enig redelijk belang” ruim wordt uitgelegd, is de kamer van oordeel dat deze uitleg niet zo ver gaat dat ook een besloten vennootschap, die door besloten vennootschappen van (voormalige) cliënten van de notaris wordt opgericht, zich zou moeten kunnen beklagen over schending van de geheimhoudingsplicht en de zorgvuldigheidsplicht die de notaris ten opzichte van de (middellijke) bestuurders van die vennootschap in acht moest nemen. Het feit dat de besloten vennootschap die de klacht heeft ingediend de rechten en verplichtingen die voor de cliënten van de notaris uit de koopovereenkomst voortvloeiden, heeft overgenomen nadat de notaris haar werkzaamheden had beëindigd maakt dat niet anders.

Klachtnummer    : SHE/2025/52
Datum uitspraak : 30 maart 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer) op de klacht van:

[X] holding B.V. (hierna ook: de klaagster)
gevestigd in [vestigingsplaats]

tegen

notaris mevrouw mr. [naam] (hierna: de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: de heer mr. W. Knoester, advocaat in Rotterdam

1.         De zaak in het kort

De kopers van een pand hebben de notaris opdracht gegeven om de levering van dat pand te verzorgen. Bij de voorbereiding van de levering heeft de notaris het vermoeden gekregen dat schuldeisers van de verkoper van het pand door de levering zouden worden benadeeld. Daarom heeft de notaris de opdracht niet uitgevoerd (haar dienst geweigerd). De kamer verklaart de klacht niet-ontvankelijk.

2.          Het verloop van de procedure

De beslissing van de kamer is gebaseerd op:

  • de klacht met bijlagen, ontvangen op 12 september 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen;
  • de e-mail van de klaagster met bijlagen van 13 februari 2026;
  • de e-mail van de kamer aan de gemachtigde van de notaris van 16 februari 2026;
  • de e-mail van de gemachtigde van de notaris aan de kamer van 16 februari 2026; 
  • de e-mail van de kamer aan beide partijen van 17 februari 2026: daarin heeft de kamer laten weten dat tijdens de mondelinge behandeling van de klacht op 23 februari 2026 alleen de vraag wordt behandeld of de klacht ontvankelijk is; 
  • de toelichting die beide partijen op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling op 23 februari 2026: deze toelichting is vastgelegd in het proces-verbaal (verslag).

3.          De klacht

3.1.      Samengevat verwijt de klaagster de notaris dat zij:

1. haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden door structureel vertrouwelijke dossierinformatie te delen met derden, onder wie in ieder geval een notaris van een ander kantoor, de hypotheekhouder van de verkoper en de advocaat van iemand die beslag op het pand had gelegd;

2. onzorgvuldig en niet onafhankelijk heeft gehandeld door op basis van onvolledige, onjuiste en niet-geverifieerde informatie van een derde haar dienst te weigeren bij de levering van het pand wegens een vermoeden van benadeling van schuldeisers.

3.2.      De notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht.

4.          De feiten

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht vindt de kamer de volgende feiten van belang.

4.1.      Mevrouw [Y] en mevrouw [Z] (hierna: [Y] en [Z] of samen: de kopers) hebben een pand gekocht. De verkoper en de kopers hebben op 29 oktober 2023 een “voorlopig koopcontract” (hierna: de koopovereenkomst) ondertekend.

4.2.      Op 12 december 2023 hebben de verkoper en de kopers een addendum (aanvulling) op de koopovereenkomst ondertekend. Daarin is het volgende bepaald:

“dat er een nader te noemen meester wordt toegevoegd aan deze overeenkomst. Voor de doeleinden van deze voorlopige overeenkomst wordt de term "nader te noemen meester" gedefinieerd als een persoon of entiteit die later wordt benoemd door de verkoper en de koper gezamenlijk.

zodra de nader te noemen meester is aangewezen, zal deze persoon of entiteit instemmen met de voorwaarden van deze voorlopige overeenkomst en zal deze alle rechten en verplichtingen overnemen die aan de verkoper zijn toegekend onder deze overeenkomst.”

4.3.      De koopovereenkomst is op 19 december 2023 namens de kopers aan de notaris gemaild. 
Op 21 december 2023 heeft de notaris de koopovereenkomst op verzoek van de kopers ingeschreven in de openbare registers.

4.4.      De kopers hebben de notaris opdracht gegeven om de levering van het pand te verzorgen. In verband met de voorbereiding daarvan hebben de kopers in januari 2024 contact gehad met (een medewerkster van) de notaris. De notaris zou de akte van levering op 5 februari 2024 passeren.

4.5.      Op 25 januari 2024 heeft een notaris van een ander kantoor akten gepasseerd waarbij de volgende vennootschappen zijn opgericht:

  • [Z] beheer B.V.: opgericht door [Z];
  • [Y] beheer B.V.: opgericht door [Y];
  • [X] holding B.V.: opgericht door [Z] beheer B.V. en [Y] beheer B.V.

[Z] beheer B.V. en [Y] beheer B.V. zijn samen bestuurder van de klaagster [X] holding B.V. (hierna: [X]).

4.6.      De notaris heeft de kopers op 29 januari 2024 per e-mail laten weten dat zij hun opdracht om het pand aan hen te leveren niet kan uitvoeren omdat zij aanleiding heeft om te vermoeden dat schuldeisers van de verkoper door de levering worden benadeeld. De notaris heeft in die e-mail uitgelegd waarom dat vermoeden is ontstaan en zij heeft de kopers bericht dat zij haar dossier sluit.

4.7.      Op 7 maart 2024 hebben de kopers op grond van het addendum [X] aangewezen om al hun rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst over te nemen. De verkoper heeft daarmee ingestemd.

4.8.      Later heeft een notaris van een ander kantoor een akte van levering gepasseerd, waarbij de verkoper het pand aan [X] heeft geleverd.

4.9.      Daarna hebben [Y] en [Z] bij brief van 25 november 2024 namens [X] bij het kantoor van de notaris een klacht tegen haar ingediend. De inhoud van die klacht is bijna hetzelfde als de (tucht)klacht die hiervoor onder 3.1. is omschreven.

4.10.     De notaris heeft in een brief van 4 december 2024, gericht aan [Y] en [Z], op die klacht gereageerd. De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar (hierna: de verzekeraar) van de notaris heeft verder met [X] over die klacht gecorrespondeerd. Samengevat heeft de verzekeraar betwist dat de notaris een beroepsfout heeft gemaakt. In een e-mail van 19 mei 2025 heeft de verzekeraar [X] laten weten in de stukken geen aanknopingspunten te vinden om te overleggen over een schadevergoeding voor [X].

4.11.     [X] heeft in een e-mail van 26 mei 2025 aan de verzekeraar laten weten dat zij zich zal beraden over verdere (civielrechtelijke en tuchtrechtelijke) stappen. Op 12 september 2025 heeft [X] deze (tucht)klacht ingediend.

5.          De beoordeling

Kan de kamer de klacht behandelen?

De maatstaf

5.1.      De kamer kan pas beoordelen of een notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als aan de voorwaarden is voldaan om een klacht in behandeling te kunnen nemen (de ontvankelijkheid van de klacht). Een van die voorwaarden is dat een klager “enig redelijk belang” moet hebben bij een klacht; niet iedereen kan zomaar een klacht tegen een notaris indienen. Dit volgt uit artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna). Het is vaste rechtspraak dat het begrip “enig redelijk belang” ruim moet worden uitgelegd. In bepaalde omstandigheden kan ook een indirect of afgeleid belang voldoende zijn voor ontvankelijkheid.

De toetsing aan de maatstaf

5.2.      De kamer is van oordeel dat [X] bij deze klacht tegen de notaris geen redelijk belang heeft als bedoeld in artikel 99 lid 1 Wna. Hierna legt de kamer uit waarom zij tot dat oordeel is gekomen.

5.3.      Vast staat dat [Y] en [Z] de notaris zelf (in privé) opdracht hebben gegeven om de levering van het pand te verzorgen. [X] bestond toen nog niet. Bij de mondelinge behandeling is vastgesteld dat [Y] en [Z] de notaris niet hebben laten weten dat er een addendum op de koopovereenkomst was gesloten. De notaris hoefde er daarom niet op bedacht te zijn dat een nader te noemen meester kon worden aangewezen die de rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst zou kunnen overnemen.

5.4.      Bij de mondelinge behandeling is ook vastgesteld dat [Y] en [Z] de notaris niet hebben laten weten dat zij bezig waren met de oprichting van [X] en ook niet dat [X] op 25 januari 2024 daadwerkelijk was opgericht. Toen de notaris [Y] en [Z] op 29 januari 2024 berichtte waarom zij hun opdracht niet verder uitvoerde en haar dossier sloot, was zij dan ook niet bekend met het bestaan van [X]. Er was voor de notaris ook geen enkel aanknopingspunt om te vermoeden dat een onderneming zou bestaan die in de rechten van [Y] en [Z] zou treden.

5.5.      Er is niet gebleken dat [Y] en [Z] de notaris daarna alsnog hebben geïnformeerd over de oprichting van [X] en/of de aanwijzing van [X] als nader te noemen meester voordat zij hun (klacht)brief van 25 november 2024 naar het notariskantoor stuurden. Daarom gaat de kamer ervan uit dat de notaris – zoals zij heeft gesteld – nog nooit van [X] had gehoord toen zij die (klacht)brief ontving. Op het moment dat de notaris de werkzaamheden verrichtte waar haar nu een verwijt van wordt gemaakt, kon dus niet van haar worden verlangd dat zij rekening hield met de mogelijke (toekomstige) belangen van [X].

5.6.      [X] heeft naar voren gebracht dat de notaris naar aanleiding van de (klacht)brief van 25 november 2024 meteen had moeten laten weten dat zij vond dat [X] geen klacht tegen haar kon indienen. Omdat de notaris het ontvankelijkheidsverweer pas “na tien maanden stilte” naar voren heeft gebracht, vindt [X] dat dit indruist tegen de beginselen van processuele zuiverheid. De kamer constateert dat de notaris in haar verweerschrift naar aanleiding van deze tuchtklacht primair heeft aangevoerd dat de tuchtklacht niet-ontvankelijk is omdat [X] geen redelijk belang heeft als bedoeld in artikel 99 lid 1 Wna. De kamer is van oordeel dat de notaris het recht heeft om dit verweer in het kader van deze tuchtprocedure naar voren te brengen. Dat de notaris daar in de eerdere correspondentie met [X] geen punt van heeft gemaakt, maakt niet dat zij dat recht heeft “verspeeld”. Overigens moet de kamer zelf (ambtshalve) beoordelen of een klacht ontvankelijk is, ook als een notaris geen ontvankelijkheidsverweer voert.

5.7.      Hoewel het begrip “enig redelijk belang” ruim wordt uitgelegd, is de kamer van oordeel dat deze uitleg niet zo ver gaat dat ook een besloten vennootschap, die door besloten vennootschappen van cliënten van de notaris wordt opgericht, zich zou moeten kunnen beklagen over schending van de geheimhoudingsplicht en de zorgvuldigheidsplicht die de notaris ten opzichte van de (middellijke) bestuurders van die vennootschap in acht moest nemen. Daarbij weegt de kamer mee dat de geheimhoudingsplicht van een notaris in dienst staat van de vertrouwensrelatie tussen de notaris en zijn/haar cliënt en dat uit artikel 17 Wna volgt dat een notaris de belangen van “alle partijen die bij een rechtshandeling betrokken zijn” onpartijdig en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet behartigen. Omdat [X] geen vertrouwensrelatie had met de notaris, zij (destijds) ook niet als partij betrokken was bij de beoogde levering en de notaris vanwege een gebrek aan wetenschap geen rekening kon houden met het (latere) bestaan van [X], is de kamer al met al van oordeel dat [X] geen voldoende redelijk belang heeft bij deze tuchtklacht tegen de notaris. Het feit dat [X] de rechten en verplichtingen die voor [Y] en [Z] uit de koopovereenkomst voortvloeiden, heeft overgenomen nadat de notaris haar werkzaamheden had beëindigd maakt dat niet anders.

5.8.      Daarom zal de kamer de klacht niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat de kamer niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

6.          De beslissing

De kamer:

6.1.      verklaart de klacht niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. T. Dohmen, voorzitter, mr. A.G.M.H. Bennenbroek en M.A. Rosenbrand-Biesheuvel, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026 door mr. W.F.J. Aalderink, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep:

U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.