ECLI:NL:TNORSHE:2026:3 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE-2025-41
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2026:3 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 13-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | SHE-2025-41 |
| Onderwerp: | Registergoed, subonderwerp: leveringsakte |
| Beslissingen: | Klacht niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Gecompliceerde levering van onroerende zaken, die waren belast met hypotheken en executoriale beslagen. Klaagster (koper) stelde uit hoofde van een vordering op de verkoper en een in verband daarmee gevestigd pandrecht ook gerechtigd te zijn tot een deel van de verkoopopbrengst van deze onroerende zaken. Nadat in kort geding afspraken waren gemaakt over de verdeling van de verkoopopbrengst, heeft de notaris de akten van levering gepasseerd en de verkoopopbrengst (na aflossing van de hypotheken) tussen de twee beslagleggers verdeeld naar rato van hun vorderingen. Klacht m.b.t. negeren van gestelde pandrecht niet-ontvankelijk bij gebrek aan redelijk belang. Klacht m.b.t. onjuiste verdeling van de verkoopopbrengst ongegrond. |
Klachtnummer : SHE/2025/41
Datum uitspraak : 26 januari 2026
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:
[naam] beheer B.V. (hierna ook: de klaagster)
gevestigd in [vestigingsplaats]
tegen
notaris de heer mr. [naam] (hierna: de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
[naam notariskantoor] (hierna: het notariskantoor)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: mevrouw mr. H.J. Delhaas, advocaat in Amsterdam
1. De zaak in het kort
1.1. De zaak gaat over de levering van een pand en percelen akkerbouwgrond (hierna: de weilanden) en de verdeling van de verkoopopbrengst daarvan. De notaris heeft een akte gepasseerd waarbij een pand is geleverd aan een holding. De klaagster is medebestuurder van deze holding. Op dezelfde datum heeft een andere notaris een akte gepasseerd waarbij de weilanden zijn geleverd aan de klaagster. Het pand en de weilanden waren eigendom van dezelfde verkoper, die meerdere schulden had. Voorafgaand aan de levering hadden twee schuldeisers executoriaal beslag gelegd op het pand en de weilanden. De klaagster en de holding hebben in kort geding tegen de beslagleggers opheffing van de beslagen gevorderd. De partijen bij het kort geding hebben afspraken gemaakt om de procedure te beëindigen. Die afspraken zijn vastgelegd in een proces-verbaal, dat aan de notaris is gestuurd. De notaris heeft de netto verkoopopbrengst van het pand en de weilanden aan de beslagleggers uitgekeerd naar rato van hun vorderingen. De klaagster is het daar mee oneens.
2. Het verloop van de procedure
2.1. De beslissing van de kamer is gebaseerd op:
- de klacht (met bijlagen), die bij brief van 27 juni 2025 is ingediend bij de kamer
voor het notariaat in het ressort [naam];
- de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 15 juli 2025, waarbij deze kamer
voor het notariaat is belast met de behandeling van de klacht;
- het verweerschrift (met bijlagen);
- de toelichting op het standpunt van partijen bij de mondelinge behandeling van
de klacht op 24 november 2025, zoals vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van
die behandeling.
3. De feiten
De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna vermeld. Deze feiten volgen niet allemaal uit het dossier van deze klacht, maar door de wijze waarop de klacht en het verweer zijn toegelicht en de stukken waarnaar in dat verband door partijen is verwezen, gaat de kamer in deze zaak en in zaak SHE/2025/18 (beide zaken zijn gecombineerd behandeld) van dezelfde stukken en feiten uit. Als dat nodig is, gaat de kamer onder 5 verder in op de feitelijke gang van zaken.
3.1. Mevrouw [naam] (hierna: [A]) is bestuurder en enig aandeelhouder van de klaagster [naam] B.V. (hierna: [X]).
3.2. Op 29 oktober 2023 heeft [A]) samen met mevrouw [naam] (hierna: [B], samen
ook: de kopers) een pand gekocht van mevrouw [naam] (hierna: de verkoper). Het pand
was bezwaard met een recht van hypotheek.
3.3. Voordat de kopers het pand kochten, had [A] aan de verkoper geld geleend
voor haar bedrijf [Q]. [Q] heeft haar bestaande en toekomstige vorderingen op anderen
verpand aan (onder meer) [A]. Dit is vastgelegd in een pandakte van 1 november 2023.
In die akte staat dat [Q] op dat moment € 83.500 aan [A] moest terugbetalen. De pandakte
is geregistreerd bij de Belastingdienst.
3.4. Op 12 december 2023 hebben de verkoper en de kopers in een addendum op de koopovereenkomst bepaald dat een “nader te noemen meester” kan worden aangewezen, die alle rechten en verplichtingen uit de koopovereenkomst kan overnemen.
3.5. Op 5 januari 2024 heeft de verkoper de weilanden verkocht aan [A].
3.6. [Q] is opgericht op 25 januari 2024. Op die datum zijn ook [Z] beheer B.V. en [Y] holding B.V. opgericht. [B] is bestuurder en enig aandeelhouder van [Z] beheer B.V. [Z] beheer B.V. en [X] zijn de twee bestuurders van [Y] holding B.V. (hierna: [Y]).
3.7. Op 1 maart 2024 hebben de verkoper en [A] een “Addendum bij Pandrecht-overeenkomst” ondertekend. Op 15 maart 2024 hebben de verkoper en/of [Q] en [A] een “Sideletter behorend bij addendum 1 maart 2024” ondertekend.
3.8. Een schuldeiser van de verkoper heeft op 31 mei 2024 executoriaal beslag gelegd op het pand en de weilanden.
3.9. De notaris heeft op 5 juni 2024 opdracht gekregen voor de levering van het pand. In dat kader heeft de notaris vragen gesteld over de reële waarde van het pand en heeft hij een update van een eerdere taxatie gevraagd.
3.10. Op 4 juli 2024 heeft een andere schuldeiser van de verkoper executoriaal beslag op het pand gelegd.
3.11. In een e-mail van 11 juli 2024 heeft de notaris [Y] onder meer laten weten:
“Als de beslaglegger niet akkoord gaat met het doorhalen van het beslag tegen gedeeltelijke voldoening van de vordering, zijn er twee mogelijkheden. Ofwel [de verkoper] betaalt bij zodat de beslaglegger toch geheel voldaan kan worden, ofwel [de verkoper] dwingt de beslaglegger om toch het beslag door te halen tegen gedeeltelijke voldoening van de vordering. Dat laatste zal ze zelf moeten regelen, desgewenst met inschakeling van een advocaat, omdat wij dat niet namens haar mogen doen in verband met onze onafhankelijke positie als notaris.
Pas nadat wij de toezegging van [de bank] hebben voor de doorhaling van de hypotheek en de toezegging van de deurwaarder voor de doorhaling van het beslag, kunnen wij een datum plannen waarop de levering kan passeren.”
3.12. In reactie op dat bericht heeft [Y] de notaris op 11 juli 2024 per e-mail onder meer laten weten:
“Met betrekking tot het contact met de beslaglegger(s) wil ik u informeren dat er
pandrechten van kracht zijn. De relevante gegevens zijn opgenomen in de bijlage. Voor
het gemak ga ik ervan uit dat de nodige stappen zullen worden ondernomen om een royement
richting de beslagleggers te realiseren van 0. Dit met betrekking de acte van pandrecht.”
3.13. In een e-mail van 12 juli 2024 heeft de notaris [Y] onder meer laten weten:
“Daarnaast gaan wij, zoals aangegeven in mijn mail, geen discussie voeren met de beslaglegger, ook niet naar aanleiding van eventuele verpandingen. Dat is aan (de advocaat van) de verkoper. Het enige wat wij doen, is vragen tegen welk bedrag de beslaglegger het beslag wil doorhalen. Als de verkoper het niet eens is met het opgegeven bedrag, dan is het aan (de advocaat van) de verkoper om de beslaglegger te bewegen het beslag door te halen voor een lager bedrag. Als mevrouw [naam] optreedt als advocaat van de verkoper, is dit voor haar om op te pakken.
(…)
Ten slotte ontvang ik graag een gewijzigde, getekende koopovereenkomst waarbij de koopprijs voor de onroerende zaken minimaal gelijk is aan de getaxeerde waarde voor het gehele pand, te weten EUR 525.000. Totdat wij een als zodanig gewijzigde koopovereenkomst hebben ontvangen, kunnen wij, wegens het risico op vernietiging van de koopovereenkomst wegens benadeling van schuldeisers, niet meewerken aan de overdracht en zullen wij verder geen werkzaamheden verrichten.”
3.14. Op 18 juli 2024 heeft de notaris [Y] per e-mail laten weten:
“Ik zie dat de koopprijs niet geheel voldaan wordt door betaling naar onze derdengeldenrekening, maar gedeeltelijk door cessie en verrekening. Ook zie ik dat voor zover er niet genoeg is om de hypotheekhouder af te lossen, de verkoper een lening krijgt. Zo wordt de beslaglegger nog steeds te kort gedaan. Bovendien is het de vraag of de verrekening een reële is.
Wij zullen hier niet aan meewerken.
Wij werken alleen mee aan een levering waarbij de onroerende zaken verkocht worden
voor minimaal
€ 525.000 en deze koopprijs geheel via onze derdengeldenrekening wordt voldaan,
zodat de gehele koopprijs beschikbaar is voor (gedeeltelijke) aflossing van [de hypotheekhouder]
en beslaglegger.”
3.15. In reactie daarop heeft [Y] de notaris later die dag per e-mail laten weten dat [Y] ervoor zal zorgen dat het bedrag van € 525.000 zonder voorwaarden en zonder protest zal worden overgeschreven naar de derdengeldenrekening van zijn kantoor.
3.16. Op 29 juli 2024 hebben de twee beslagleggers laten weten dat zij alleen willen meewerken aan opheffing van de beslagen als hun vorderingen volledig worden voldaan.
3.17. Zoals vermeld, had de notaris opdracht om de akte van levering van het pand te passeren. Notaris de heer mr. [N], gevestigd in [vestigingsplaats], had opdracht om de akte te passeren waarbij de weilanden aan [A], althans aan [X] als nader te noemen meester, zouden worden geleverd. In een e-mail van 31 juli 2024 heeft mr. [N] onder meer het volgende aan [X] laten weten:
“In ons recht geldt paritas creditorum, daarmee wordt bedoeld dat alle schuldeisers gelijke rechten/positie hebben. Dus de schuldeiser die geld heeft geleend en de schuldeiser die een vordering heeft met een veroordeling tot betaling van de rechter uit een voormalige arbeidsverhouding. Ze zijn gelijk.
Ik heb in principe van het beslag geen last, immers er is een vormerkung. Maar er komt geen geld in de boedel (ten gevolge van de verrekening met de geldlening) en daardoor worden andere schuldeisers, waaronder die beslaglegger, benadeeld. Daardoor wordt de transactie Paulianeus, en vernietigbaar.
Ik mag daar dus niet aan meewerken.
(…)
Dus ik kan wel overdragen maar alleen tegen betaling van de koopsom. Ik hoor wel of
dat nog moet gebeuren of dat de koop niet doorgaat.”
3.18. [X] en [Y] hebben de beide beslagleggers in kort geding gedagvaard. Bij
de behandeling van het kort geding op 5 augustus 2024 hebben de partijen afspraken
gemaakt om de procedure te beëindigen. Deze afspraken zijn vastgelegd in een proces-verbaal.
Daarin is kort gezegd vermeld dat [X] en [Y] de koopsommen voor het pand en de weilanden
aan de notaris zullen betalen zonder dat zij daarop bedragen in mindering zullen brengen
en dat de gedaagden (de beslagleggers) de beslagen zullen doorhalen als zij het bewijs
van betaling van de koopsom hebben ontvangen en de nota van afrekening van de notaris
hebben gezien waaruit blijkt dat hun vorderingen naar rato zullen worden voldaan.
3.19. [Y] heeft dit proces-verbaal op 5 augustus 2024 (om 14:59 uur) aan de notaris
gemaild met de volgende mededeling:
“In de bijlage vind je de schikking tussen koper en beslagleggers.
We willen verzoeken tot spoedig oppakken van de stukken.
Mijns inziens kan hiermee de [bank] tevens zorg dragen voor een aflosnota.”
3.20. Mr. [N] heeft de notaris (en in cc [A]) bij e-mail van 5 augustus 2024
(om 19:59 uur) het volgende laten weten:
“Met de beslagleggers en koper/verkoper is vandaag overeengekomen om de koopsom daadwerkelijk te laten betalen door koper en dan de netto opbrengsten – na betaling van de twee hyp inschrijvingen van de [bank] – (uit de twee transacties) naar verhouding van grootte vordering te verdelen tussen de geldverstrekker/koper [X] en de beslagleggers. (Het oorspronkelijke plan om de zich te beroepen op verpanding en verrekening koopsom met vordering uit geldlening is van de baan)
Ga je akkoord dat ik jullie de nota stuur en de netto opbrengst ter verdeling naar jullie kantoor overmaak. Daarbij zorgen jullie voor doorhaling van de twee hyp inschrijvingen en verdeling onder de twee.
De beslaglegger heeft zich verbonden om zelf het beslag door te halen. Ik hoor graag morgen of jullie akkoord gaan met deze opzet en dan gaan we woensdag aanstaande de akte passeren.
Ik heb koper in de cc gezet.“
3.21. Een kantoorgenoot (…) van mr. [N], kandidaat-notaris de heer mr. [NN], heeft de nota van afrekening opgesteld in verband met de levering van de weilanden aan [X]. In die nota, gedateerd 5 augustus 2024, is vermeld dat de koopsom van € 65.000,00 zal worden overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de notaris in verband met de levering van het pand.
3.22. In een e-mail van 8 augustus 2024 heeft mr. [NN] aan (een medewerker van) de notaris laten weten:
“Dank voor het toesturen van uw nota van afrekening. Onze afrekening ontving u inmiddels via [naam].
[Mr. N] begreep afgelopen maandag toen partijen hier op kantoor waren dat het de bedoeling was dat de beslagleggers en [X] pondspondsgewijs worden voldaan uit de verkoopopbrengsten. De vordering van [X] ontbreekt echter op uw afrekening. Wellicht dat u met [naam] kunt kortsluiten wat precies tussen partijen is afgesproken.”
3.23. In een e-mail van 12 augustus 2024 aan [Y], [A] en [B] heeft een medewerker van de notaris onder meer gevraagd om een akkoord op de aangehechte “notarisbrief” met afspraken over de beoogde levering van het pand en de weilanden en de vestiging van een recht van hypotheek op het pand. Deze akten zouden op dezelfde dag moeten worden gepasseerd en daar waren drie verschillende notarissen van drie verschillende kantoren bij betrokken. In de genoemde notarisbrief is onder meer vermeld:
“Uit de opbrengst dienen de huidige hypotheekhouder en beslagleggers te worden voldaan, conform afspraak.”
3.24. Op 13 augustus 2024 heeft de notaris een concept van de akte van levering van het pand aan de kopers gestuurd.
3.25. De kopers hebben de notaris in een e-mail van 26 augustus 2024 laten weten dat [Y] als de nader te noemen meester was aangewezen voor de koop van het pand en dat zij instemden met de conceptakte en de notarisbrief. De kopers hebben daarbij het volgende gevraagd:
“Kun je voor ons nagaan of de bijgevoegde pandakten/geldleningsovereenkomsten toestaan voor verrekening op de inboedel? Dan wel verrekening van de geldstromen die voortkomen uit de levering? De - ons inziens - direct opeisbare vordering van mij, [B] en [A] komen voort uit de verlopen termijnen van de geldleningsovereenkomsten.”
3.26. Op 27 augustus 2024 heeft de schuldeiser van de verkoper, die al beslag had gelegd op het pand, ook executoriaal beslag gelegd op de weilanden.
3.27. In reactie op de genoemde e-mail van 26 augustus 2024 heeft een kantoorgenoot van de notaris [Y] op 29 augustus 2024 onder meer het volgende laten weten:
“De koper en verkoper hebben een koopsom van € 525.000 voor de onroerende zaken en
een koopprijs van
€ 6.367,50 voor de roerende zaken afgesproken. De hypotheekhouder en beslagleggers
op de onroerende zaken kunnen zich zodoende alleen verhalen op de € 525.000. Nu begrijpen
wij dat er wellicht een pandrecht rust op de verkochte zaken met als gevolg dat de
koopprijs van € 6.367,50 niet (geheel) toekomst aan de verkoper, maar (gedeeltelijk)
aan de pandhouder. Daarvoor zouden wij echter met zekerheid moeten vaststellen of
dit pandrecht inderdaad tot stand is gekomen en nog steeds van kracht is. Dat is voor
ons niet te doen. Zodoende is het niet meer mogelijk om de koopprijs voor de roerende
zaken via ons kantoor te laten lopen. De koper en verkoper zullen dit onderling moeten
regelen en het is de verantwoordelijkheid van de verkoper om de koopprijs voor de
roerende zaken (gedeeltelijk) te laten toekomen aan een pandhouder . Daarnaast willen wij de bevestiging van de beslagleggers op de onroerende zaken
dat zij bekend zijn met het feit dat de koopprijs voor de onroerende zaken € 525.000
en de koopprijs voor de roerende zaken € 6.367,50 bedraagt met als gevolg dat zij
zich niet kunnen verhalen op die € 6.367,50. Kunt u mij correspondentie sturen waaruit
dit blijkt en anders zullen wij zelf contact opnemen met de beslagleggers om dit af
te stemmen.”
3.28. Op 10 september 2024 heeft de notaris de akte van levering van het pand
gepasseerd en heeft het kantoor van [mr. N] de akte van levering van de weilanden
gepasseerd. De koopsom voor de weilanden is gestort op de derdengeldenrekening van
de notaris, evenals de koopsom voor het pand. De notaris heeft de op de weilanden
en het pand rustende hypotheken afgelost en de resterende koopsom naar rato van hun
vorderingen verdeeld tussen de twee beslagleggers.
3.29. [X] heeft de notaris in een brief van 15 november 2024 onder meer het volgende laten weten:
“Namens [X] richt ik mij tot u inzake de verdeling van gelden uit de boedel. Hierbij constateer ik dat onze opeisbare vordering ten onrechte niet is meegenomen, wat heeft geleid tot een onjuiste afhandeling van onze belangen en een substantieel financieel nadeel voor [X].
Op 11 juli 2024 om 16:35 hebben wij (zie productie 1) onze vordering schriftelijk bij u kenbaar gemaakt. Daarnaast heeft [het kantoor van mr. N] te [vestigingsplaats] u op 5 augustus 2024 geïnformeerd over de gemaakte afspraken en relevante context (productie 2) Op 8 augustus 2024 heeft [het kantoor van mr. N] bovendien gewezen op een fout in de door u toegestuurde aflosnota (productie 3). Ondanks deze signalen is onze vordering niet in aanmerking genomen bij de verdeling van de boedel, wat naar mijn mening onterecht is.
Dit nalaten acht ik onacceptabel, gezien de tijdige en duidelijke communicatie vanuit onze zijde. Het niet opnemen van onze vordering schaadt de financiële positie van [X] en vormt een schending van onze gerechtvaardigde belangen.”
3.30. In reactie op die brief heeft een kantoorgenoot van de notaris in een e-mail van 20 november 2024 (samengevat) laten weten dat eventuele schade die [X] heeft geleden niet aan de notaris te wijten is. Daarbij is verwezen naar het hiervoor (onder 3.27.) geciteerde deel uit de e-mail van 29 augustus 2024 en is onder meer bericht:
“Dat een eventuele vordering van [X] niet op de koopprijs van de onroerende zaken verhaald kon worden, staat vast omdat een pandrecht niet op onroerende zaken gevestigd kan worden en er op de onroerende zaken geen hypotheek ten behoeve [X] of beslag gelegd door [X] rustte.
De koopprijs voor de roerende zaken is conform onze mail van 29 augustus niet via ons voldaan. Ik ga er van uit dat deze tussen partijen is voldaan en dat [X]., voor zover zij zich op de koopprijs voor de roerende zaken kon verhalen, zich heeft verhaald op deze koopprijs. Of en hoe dat is gebeurd, kunnen wij niet beoordelen.”
4. De klacht
4.1. Samengevat verwijt [X] de notaris dat hij in strijd met zijn zorgplicht heeft gehandeld door ondanks herhaalde kennisgeving van haar pandrecht en duidelijke gerechtelijke afspraken:
1. geen ruimte te laten voor inhoudelijke toetsing van haar pandrecht;
2. de verkoopopbrengst van het pand en de weilanden bewust niet onder de beslagleggers en de betrokken pandhouders te verdelen naar rato van hun vorderingen.
4.2. De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht.
5. De beoordeling
Kan de kamer de klacht beoordelen?
5.1. Voordat de kamer kan beoordelen of een notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld, moet worden beoordeeld of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht
in behandeling te kunnen nemen (de ontvankelijkheid van de klacht). Een van die voorwaarden
is dat een klager “enig redelijk belang” heeft bij de klacht als bedoeld in artikel
99 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna). Het is vaste rechtspraak dat dit begrip ruim
moet worden uitgelegd: een indirect of afgeleid belang kan voldoende zijn voor ontvankelijkheid.
De kamer moet de ontvankelijkheid altijd zelf (ambtshalve) beoordelen.
Klacht tegen het notariskantoor
5.2. De klacht is ook gericht tegen het kantoor van de notaris. Dat deel van de klacht kan de kamer niet behandelen. Het notariële tuchtrecht is namelijk alleen bedoeld om te bewaken dat notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen volgens de regels handelen. Dat staat in artikel 93 lid 1 Wna. Daarom is de klacht tegen het kantoor van de notaris niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel 1: pandrecht
5.3. In klachtonderdeel 1 verwijt [X] de notaris dat hij geen ruimte heeft gelaten voor een inhoudelijke toetsing van haar pandrecht. De kamer is van oordeel dat dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk is en legt hierna uit waarom zij dat vindt.
5.4. [X] en [Y] hebben de notaris in hun klachten allebei het verwijt gemaakt dat hij (samengevat) geen rekening heeft gehouden met hun pandrechten. Bij de gecombineerde mondelinge behandeling van hun klachten hebben zij verklaard dat die pandrechten blijken uit de stukken die voor de levering aan de notaris zijn gemaild en die als bijlage 8 aan de klacht van La Stafino zijn gehecht. Uit deze stukken blijkt dat het gaat om de (onder 3.3. genoemde) pandakten van 1 november 2023. [X] was toen nog niet opgericht.
5.5. Volgens de pandakte die [A] heeft ondertekend, heeft [Q] – vertegenwoordigd
door de verkoper – haar bestaande en toekomstige vorderingen op anderen verpand aan
[A] in verband met de bedragen die zij aan [Q] en/of de verkoper had geleend. [A]
is in de pandakten aangeduid als pandnemer. Ook in het genoemde addendum van 1 maart
2024 en de sideletter bij dat addendum van 15 maart 2024 is [A] aangeduid als respectievelijk
pandhouder en pandnemer/geldgever. Er is niets waaruit blijkt dat [A] haar vordering
vóór de levering van het pand en de weilanden (rechtsgeldig) heeft overgedragen aan
[X]. Uit de voorhanden zijnde documenten volgt niet dat [X] uit hoofde van een pandrecht
gerechtigd was tot (een deel van) de verkoopopbrengst. Dat [A] inmiddels bestuurder
is van [X], maakt naar het oordeel van de kamer niet dat [X] daardoor een voldoende
(indirect of afgeleid) redelijk belang heeft om te klagen over de wijze waarop de
notaris heeft gereageerd op het pandrecht van [A]. Daarom is dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk,
zodat de kamer dit niet inhoudelijk zal beoordelen.
5.6. Klachtonderdeel 2 is ontvankelijk omdat [X] partij was bij het kort geding
waarbij de afspraken over de verdeling van de verkoopopbrengst zijn gemaakt. Dit klachtonderdeel
wordt hierna inhoudelijk beoordeeld.
Heeft de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?
De maatstaf
5.7. De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen (artikel 93 lid 1 Wna). De tuchtrechter toetst of:
- hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere wet- en regelgeving die van toepassing is;
- zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.
Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle (rechts)personen die bij de rechtshandeling betrokken zijn op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).
Klachtonderdeel 2: verdeling verkoopopbrengst
5.8. In dit klachtonderdeel verwijt [X] de notaris dathij in strijd met zijn zorgplicht heeft gehandeld door de verkoopopbrengst van het pand en de weilanden, ondanks duidelijke gerechtelijke afspraken, bewust niet onder de betrokken schuldeisers (onder wie [X]) te verdelen naar rato van hun vorderingen.
5.9. De notaris stelt dat hij de verkoopopbrengst heeft uitbetaald zoals dat in het proces-verbaal van het kort geding van 5 augustus 2024 is vastgelegd. Uit dat proces-verbaal heeft de notaris begrepen dat de verkoopopbrengst van het pand en de weilanden, na aflossing van de daarop rustende hypotheekschulden, naar rato van de vorderingen van de beslagleggers tussen de beslagleggers moest worden verdeeld. Volgens de notaris spelen de genoemde mailberichten van mr(s). N/NN daarbij geen rol.
5.10. In het proces-verbaal van het kort geding is (voor zover hier van belang) het volgende vermeld:
“ 1.Eisers zullen zowel de koopsom voor [het pand] als voor de percelen [weiland] in zijn geheel voldoen door betaling aan de notaris zonder daarop bedragen voor verrekening of om wat voor reden dan ook in mindering te brengen.
2. Als gedaagden het bewijs van betaling en de nota van afrekening van de notaris, waarop te zien is dat gedaagden naar rato van hun vordering zullen worden uitgekeerd, hebben ontvangen/hebben gezien zullen zij binnen 24 uur de door hen gelegde beslagen doorhalen.”
5.11. De kamer is van oordeel dat de notaris uit de inhoud van dit proces-verbaal terecht heeft afgeleid dat [X] en [Y] met de beslagleggers (de gedaagden in het kort geding) hadden afgesproken dat de verkoopopbrengst van het pand en de weilanden (na aflossing van de daarop rustende hypotheken) naar rato van de vorderingen van de twee beslagleggers aan de beslagleggers moest worden uitgekeerd. Naar het oordeel van de kamer kan uit dit proces-verbaal niet worden afgeleid dat bij het kort geding met de beslagleggers was afgesproken dat de resterende verkoopopbrengst naar rato van de (gestelde) vorderingen van [X] en de beide beslagleggers aan hen drieën moest worden uitgekeerd.
5.12. De kamer is van oordeel dat het enkele feit dat mr. [N] in de avond na het kort geding aan de notaris heeft gemaild dat was overeengekomen “de netto opbrengsten – na betaling van de twee hyp inschrijvingen van de [bank] – (uit de twee transacties) naar verhouding van grootte vordering te verdelen tussen de geldverstrekker/koper [X] en de beslagleggers” voor de notaris geen aanleiding hoefde te vormen om de verkoopopbrengst anders te verdelen dan in het proces-verbaal was vastgelegd. Dat mr. [NN] in zijn e-mail van 8 augustus 2024 verwijst naar wat hij eerder van [mr. N] had begrepen over de gemaakte afspraken, maakt dat niet anders. Dit bericht kan niet anders berusten dan op een misverstand van mr. [NN]. De notaris heeft immers verscheidene malen expliciet bericht dat hij zich niet ging inlaten met eventuele pandrechten van betrokkenen. Als X tijdens of na het kort geding met de beslagleggers had afgesproken dat bij de verdeling van de netto verkoopopbrengst ook rekening moest worden gehouden met haar (gestelde) vordering op de verkoper en dat die (gestelde) vordering uit hoofde van pandrechten en de vorderingen van de beslagleggers naar rato moesten worden uitbetaald, had het bovendien op de weg van [X] gelegen om deze afspraak (alsnog) vast te leggen en aan de notaris te sturen. Dat geldt zeker vanaf het moment dat [X] uit de nota van afrekening van de notaris kon begrijpen dat hij geen rekening had gehouden met de door haar gestelde vordering op de verkoper. Er is echter niet gebleken dat (de advocaat van) [X] de notaris op de hoogte heeft gesteld van het bestaan van zo’n afspraak. Daarom is de kamer van oordeel dat het verwijt dat de notaris de resterende verkoopopbrengst ondanks duidelijke gerechtelijke afspraken ten onrechte aan de twee beslagleggers heeft uitbetaald, onterecht is. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
6. De beslissing
De kamer:
6.1. verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover deze is gericht tegen het notariskantoor;
6.2. verklaart klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk;
6.3. verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.T.M. Luijks, voorzitter, en mr. S.H.L. Baggel en mr. E.J.W.M. van Egeraat, leden.
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026 door mr. T. Zuidema, voorzitter, in het bijzijn van de secretaris.
Hoger beroep tegen deze beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij van deze beslissing kennis is gegeven - bij het gerechtshof in Amsterdam, postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.