ECLI:NL:TNORSHE:2026:2 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE-2025-32
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2026:2 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 10-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | SHE-2025-32 |
| Onderwerp: | Registergoed, subonderwerp: Overig |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klagers hebben een geschil met hun buren over de inhoud en omvang van een erfdienstbaarheid van weg. Klagers verwijten de notaris dat hij een situatietekening heeft opgemaakt, waarop hij heeft aangegeven wat de omvang van de erfdienstbaarheid volgens de buren zou moeten zijn. Volgens klagers heeft die situatietekening de uitstraling van een notarieel document dat de juiste inhoud van de bestaande erfdienstbaarheid van weg weergeeft, terwijl die weergave onjuist is.De klacht is gegrond verklaard. Door de situatietekening - die niet overeenkomt met de juridische werkelijkheid - van een onduidelijke verklaring, zijn handtekening en ambtsstempel te voorzien, heeft de notaris de tekening een zekere schijn van legitimiteit gegeven. Gelet op de waarde die aan documenten van een notaris wordt gehecht, mag van een notaris worden verwacht dat hij bedacht is op een mogelijk ongeoorloofd gebruik dat daarvan zou kunnen worden gemaakt. De notaris had moeten voorzien dat de buren van de situatietekening misbruik zouden kunnen maken. Dat risico heeft zich ook verwezenlijkt. Aan de notaris wordt een waarschuwing opgelegd. |
Klachtnummer : SHE/2025/32
Datum uitspraak : 26 januari 2026
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:
1) de vennootschap onder firma [naam vof] (hierna: klager 1)
gevestigd in [vestigingsplaats]
2) de heer [naam klager 2] (hierna: klager 2), handelend voor zich in privé en in zijn hoedanigheid van vennoot van klager 1
wonende in [woonplaats]
3) de heer [naam klager 3] (hierna: klager 3)
handelend voor zich in privé en in zijn hoedanigheid van vennoot van klager 1
wonende in [woonplaats]
hierna samen: klagers
gemachtigde: de heer [naam gemachtigde]
tegen
[de notaris] (hierna:de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: de heer prof. mr. A.H.N. Stollenwerck, counsel in Rotterdam
1. De procedure
1.1. De kamer baseert het oordeel op de informatie uit de volgende stukken:
- de klacht (met bijlagen), door de kamer per e-mail ontvangen op 11 juni 2025;
- de e-mail (met bijlage) van (de gemachtigde van) klagers van 19 juli 2025;
- het verweerschrift (met bijlagen) van de notaris.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van de kamer van 24 november 2025. Klagers 2 en 3, de gemachtigde van klagers, de notaris en zijn gemachtigde zijn daarbij aanwezig geweest en hebben hun standpunt over en weer toegelicht. De gemachtigden van klagers en de notaris hebben daarbij pleitaantekeningen gebruikt, die aan het verslag (proces-verbaal) van de zitting (mondelinge behandeling) zijn toegevoegd.
2. De zaak in het kort
Klagers hebben een geschil met hun buren, de broers [A], over de inhoud en omvang van een erfdienstbaarheid van weg. Klagers verwijten de notaris dat hij een situatietekening heeft opgemaakt, waarop hij heeft aangegeven wat de omvang van de erfdienstbaarheid volgens de broers [A] zou moeten zijn. De notaris heeft die situatietekening van zijn handtekening en ambtsstempel voorzien. Daarmee heeft de tekening volgens klagers de uitstraling gekregen van een notarieel document dat de juiste omvang van de bestaande erfdienstbaarheid weergeeft, terwijl die weergave onjuist is aangezien deze uitsluitend het standpunt van de broers [A] weergeeft. De broers [A] maken hiervan misbruik en proberen officiële instanties (zoals de gemeente, de politie en de rechter) op het verkeerde been te zetten door te doen voorkomen dat deze tekening de status heeft van een document waarvan de inhoud door de notaris wordt onderschreven.
3. De relevante feiten
Inleiding
3.1. Klager 2 en klager 3 zijn vader en zoon. Zij zijn sinds 1 november 2017 eigenaar van het bedrijfspand aan de [adresgegevens bedrijfspand] en de naastgelegen inrit, kadastraal bekend gemeente [naam gemeente] sectie D nummer 2848 (hierna: inrit D 2848). Klagers 2 en 3 exploiteren in hun bedrijfspand een bedrijf onder de naam [naam bedrijf], dat zich bezighoudt met de verkoop en reparatie van fietsen.
Feiten in chronologische volgorde
3.2. De buurman van klagers, de heer [A1] (hierna: [A1]), is sinds 5 januari 2006 eigenaar van het bedrijfspand met vier parkeerplaatsen aan de [adresgegevens bedrijfspand], kadastraal bekend gemeente [naam gemeente] sectie D nummer 2714 (hierna: perceel D 2714). Hij exploiteert in het bedrijfspand een horecabedrijf onder de naam [naam horecabedrijf].
In de eigendomsakte van [A1] is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. Op grond van die erfdienstbaarheid van weg mag [A1] als eigenaar van perceel D 2714 gebruikmaken van het voorste gedeelte van inrit D 2848 om van zijn parkeerplaatsen bij de openbare weg te komen en omgekeerd.
3.3. Op 4 december 2013 is [A1] ook eigenaar geworden van de achter perceel D 2714 gelegen grond met parkeerplaatsen, destijds kadastraal bekend gemeente [naam gemeente] sectie D nummer 2715 (hierna: perceel D 2715).
3.4. Op 9 april 2014 is de in 3.2. genoemde erfdienstbaarheid van weg in een notariële akte aangevuld.
3.5. Zoals in de inleiding al is vermeld, zijn klagers 2 en 3 op 1 november 2017 eigenaar geworden van inrit D 2848.
3.6. [A1] heeft perceel D 2715 in drie percelen gesplitst. Uit die splitsing zijn de percelen kadastraal bekend gemeente [naam gemeente] sectie D nummer 3085 (hierna: parkeerplaats D 3085), 3086 (hierna: parkeerplaats D 3086) en 3087 (hierna: parkeerplaats D 3087) ontstaan. [A1] heeft daarvan één perceel met parkeerplaats gehouden; parkeerplaats D 3087. Deze parkeerplaats van [A1] grenst niet aan zijn perceel D 2714.
Op 13 december 2021 heeft de notaris de akten van levering gepasseerd, waarbij [A1] de overige twee percelen heeft overgedragen aan zijn broers.
De heer [A2] (hierna: [A2]) is eigenaar geworden van parkeerplaats D 3085. Deze parkeerplaats grenst aan perceel D 2714 van [A1].
De heer [A3] (hierna: [A3]) is eigenaar geworden van parkeerplaats D 3086. Deze parkeerplaats ligt tussen de parkeerplaatsen van [A1] en [A2].
3.7. De broers [A] hebben tijdens de passeerafspraak op 13 december 2021 aangegeven dat de bestaande erfdienstbaarheid van weg ontoereikend is. Zij hebben aan de notaris laten weten dat niet alleen de eigenaar van perceel D 2714 ([A1]) het recht zou moeten hebben om gebruik te maken van (het voorste gedeelte van) inrit D 2848, maar dat ook de eigenaren van parkeerplaats D 3085, parkeerplaats D 3086 en parkeerplaats D 3087 ([A2], [A3] en [A1]) het recht zouden moeten hebben om van inrit D 2848 gebruik te maken. Volgens de broers [A] zou daarmee dus de hele inrit D 2848 door hen gebruikt mogen worden. De notaris heeft hun standpunt verwerkt in een situatietekening (hierna: de situatietekening). Onderaan deze tekening heeft de notaris met de hand een verklaring geschreven. Op de in deze procedure overgelegde kopie van die tekening is de verklaring slecht leesbaar. Volgens klagers luidt de verklaring als volgt: “Volgens verklaring van partijen is de erfdienstbaarheid aangepast als voorbeeld”. Volgens de notaris luidt de verklaring echter als volgt: “Volgens verklaring van partijen is de erfdienstbaarheid aangegeven als voormeld”.
Onderaan de verklaring heeft de notaris zijn handtekening en ambtsstempel geplaatst.
3.8. De verhouding tussen klagers 2 en 3 en de broers [A] is in de loop van de jaren ernstig verstoord geraakt, omdat zij het onder andere niet eens waren (en zijn) over de inhoud en omvang van de erfdienstbaarheid van weg. Kort gezegd stellen klagers dat alleen de eigenaar van perceel D 2714 ([A1]) gebruik mag maken van het voorste gedeelte van inrit D 2848 om bij zijn vier parkeerplaatsen op zijn eigen perceel en de openbare weg te komen. De broers [A] zijn van mening dat zij als eigenaren van de parkeerplaatsen D 3085 tot en met D 3087 ook gebruik mogen maken van inrit D 2848 om bij laatstgenoemde parkeerplaatsen en de openbare weg te komen.
3.9. Klagers en de broers [A] hebben twee (executie) kort geding procedures tegen elkaar gevoerd. In deze procedures stonden onder andere de inhoud en omvang van de erfdienstbaarheid van weg centraal.
- In het vonnis van 9 juni 2022 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (onder meer) geoordeeld dat de erfdienstbaarheid van weg alleen betrekking heeft op perceel D 2714 en dus niet op parkeerplaats D 3085, parkeerplaats D 3086 en parkeerplaats D 3087. De vier parkeerplaatsen op perceel D 2714 moeten volgens de voorzieningenrechter via inrit D 2848 kunnen worden bereikt. Voor parkeerplaats D 3085, parkeerplaats D 3086 en parkeerplaats D 3087 geldt dat niet.
- In het vonnis van 5 april 2023 is de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van dit eerdere oordeel over de erfdienstbaarheid van weg uitgegaan.
3.10. Klagers hebben zich in februari 2023 gewend tot de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), omdat zij van mening waren (en zijn) dat de notaris de situatietekening van 13 december 2021 niet had mogen ondertekenen en van zijn ambtsstempel had mogen voorzien. Op advies van de KNB zijn klagers 2 en 3 in gesprek gegaan met de notaris. Dat gesprek heeft op 14 maart 2023, in het bijzijn van een kantoorgenoot van de notaris, plaatsgevonden. Daarna heeft de KNB het dossier gesloten.
3.11. In 2025 hebben klagers 2 en 3 een bouwaanvraag bij de gemeente ingediend, omdat zij op het achterste gedeelte van inrit D 2848 een fietsenstalling wilden bouwen. De broers [A] hebben hiertegen bezwaar ingediend, omdat zij van mening zijn dat zij op grond van de erfdienstbaarheid van weg gebruik mogen maken van het achterste gedeelte van die inrit.
3.12. Op 30 april 2025 heeft een hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden, waarbij onder andere klagers 2 en 3 en de broers [A] aanwezig waren. De broers [A] hebben tijdens die hoorzitting een beroep gedaan op de situatietekening, waarna klagers 2 en 3 in de gelegenheid zijn gesteld om de kort geding vonnissen in te dienen.
3.13. In zijn e-mail van 1 mei 2025 heeft de gemachtigde van klagers de notaris en zijn kantoorgenoot onder andere het volgende laten weten:
“Dit document [kamer: de situatietekening] wordt door de heren [A] nog steeds regelmatig getoond aan hun klanten en allerlei instanties om ons in diskrediet te kunnen brengen en vooral ook aan instanties om die op een dwaalspoor te zetten zoals ook nu weer recent aan de gemeente i.v.m. uitbreiding van ons pand.
(…)
De heren [A] hebben uw vreemde document wederom als officieel document voorgelegd aan de complete bezwaarcommissie (…) om ook deze op een dwaalspoor te zetten en zo aan te geven dat wij gaan bouwen op een stuk grond waar een erfdienstbaarheid op zou rusten en mogelijk met succes zodat wij na hun uitspraak een rechtszaak aan moeten gaan spannen tegen de gemeente als zij fout beslissen tot gevolg. Dit betekent dat wij zoals we al vaker hebben moeten meemaken met een achterstand van 1-0 achterstaan en onterecht in diskrediet worden gezet en eerst dit weer van tafel moet om met een schone lei te kunnen beginnen en ik kan u verzekeren dat we er doodmoe van worden om dit elke keer te moeten doen als zij dit document weer gebruiken.
Tevens wordt dit document ook weer ter tafel gelegd bij de volgende aankomende gerechtelijke bodemprocedure welke opgestart is door de heren [A]. U beide zal begrijpen dat het document wat uw kantoor verlaten heeft al jaren voor ons veel ellende bezorgt heeft en nu nog steeds en daarom zien wij geen andere mogelijkheid meer dan van u de volgende medewerking te vragen. (…)”
3.14. In zijn e-mail van 9 mei 2025 heeft de notaris onder andere het volgende aan klagers geantwoord:
“Bij mijn brief van 11 mei 2023 heb ik uw buren over dit onderwerp bericht, conform uw verzoek en is ook reeds eerder aan u bevestigd.
(…)
Mijn kantoor heeft zowel haar diensten verleend bij het tot stand brengen van de erfdienstbaarheid, alsook aan de verkrijgingen van de onroerende zaken door [A] en door [klagers 2 en 3], hetgeen blijkt uit de openbare registers van het kadaster.
(…)
Later heeft de eigenaar van de [adresgegevens van perceel D 2714] (uw buren) het perceel gelegen achter deze onroerende zaak in eigendom verworven en weer later hebben uw buren dit perceel herverkaveld, waardoor de percelen 3085, 3086 en 3087 zijn ontstaan.
Bij die laatste transactie hebben uw buren op een situatietekening aangegeven dat volgens hen de erfdienstbaarheid moest worden begrepen zoals op die tekening door hen werd aangegeven. Aangezien bij de totstandkoming alleen uw buren (en hun verkrijgers) zijn betrokken, kunnen alleen zij in hun onderlinge verhoudingen daaraan rechten ontlenen, maar niet jegens of door derden, juist reden voor mij om dit op die situatietekening aan te geven, voorzien van mijn handtekening.
Ik neem hierin geen partij standpunt in, maar stel louter de feiten vast.”
3.15. Op 27 mei 2025 heeft de gemeente aan klagers 2 en 3 laten weten dat de bezwaarschriften van de broers [A] ongegrond zijn verklaard.
3.16. Ondertussen hadden klagers zich opnieuw tot de KNB gewend met het verzoek om te bemiddelen tussen hen en de notaris. De KNB heeft contact gehad met zowel klagers als de notaris, maar dat heeft voor klagers niet tot een bevredigende oplossing geleid.
3.17. Op 11 juni 2025 hebben klagers de klacht ingediend.
3.18. De broers [A] zijn een bodemprocedure gestart tegen klagers.
4. De klacht en het verweer
Omschrijving van de klacht
4.1. Bij de mondelinge behandeling is de inhoud van de klacht met klagers besproken. Zij hebben bevestigd dat de kern van hun klacht is dat de door de notaris op 13 december 2021 opgemaakte situatietekening, die onder druk van de broers [A] is voorzien van zijn handtekening en ambtsstempel, de uitstraling heeft van een notarieel document dat de juiste inhoud van de bestaande erfdienstbaarheid van weg weergeeft, terwijl die weergave onjuist is.
Toelichting van klagers op de klacht
4.2. De notaris had de situatietekening niet de uitstraling mogen geven van een officieel stuk. Hij had moeten beseffen dat de broers [A] misbruik zouden kunnen maken van de situatietekening. Dat hebben zij ook gedaan. Zij hebben namelijk al meerdere keren een beroep gedaan op de situatietekening en daarmee geprobeerd officiële instanties (zoals de politie, de gemeente en de voorzieningenrechter) op het verkeerde been te zetten. Dit heeft ervoor gezorgd dat klagers al veel schade hebben geleden.
Verzoeken van klagers
4.3. Klagers hebben de kamer gevraagd om de notaris op te leggen dat hij:
- zijn verantwoordelijkheid neemt en zich als getuige beschikbaar stelt in een bodemprocedure tussen klagers en de broers [A];
- de broers [A] aanpakt en ervoor zorgt dat zij de situatietekening niet meer gebruiken;
- aantoont welke stappen hij gaat ondernemen en hoe het verloop ervan is.
Verweer van de notaris
4.4. De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. Hij heeft - kort gezegd - het volgende aangevoerd.
- Bij het ondertekenen van de akten van levering op 13 december 2021 hebben de broers [A] aangegeven dat de bestaande erfdienstbaarheid van weg ontoereikend is. De notaris heeft hen toen uitgelegd dat een erfdienstbaarheid kan worden gewijzigd, maar dat daarvoor ook de medewerking van de eigenaren van het dienend erf (klagers 2 en 3) nodig is. Verder heeft de notaris aangegeven dat als de broers [A] het niet eens zouden worden met klagers 2 en 3, zij het geschil aan de rechter konden voorleggen. De notaris heeft op een gratis situatietekening van het kadaster (een trainingsversie) aangegeven wat de omvang van de erfdienstbaarheid volgens de broers [A] zou moeten zijn. Onderaan de situatietekening heeft de notaris de verklaring van de broers [A] geschreven. De notaris heeft daar zijn handtekening onder gezet om zekerheid te bieden dat het ging om de verklaring van alleen de broers [A]. De notaris heeft zijn ambtsstempel gebruikt om de echtheid van zijn handtekening te benadrukken. De notaris ontkent dat hij onder druk is gezet door de broers [A].
- De situatietekening is geen akte waarin een erfdienstbaarheid wordt omschreven en de tekening is ook niet ingeschreven in het kadaster. Voor iedere (overheids-)instantie zou dat meteen duidelijk moeten zijn. De wél bij het kadaster ingeschreven tekening (de tekening die aan de eigendomsakte van [A1] van 5 januari 2006 is gehecht) is leidend. Klagers kunnen die tekening bij het kadaster opvragen en met de twee kort geding vonnissen erbij kunnen klagers eenvoudig weerleggen dat de erfdienstbaarheid van weg op grond van de situatietekening zou zijn gewijzigd.
- De notaris heeft de broers [A] er meerdere keren op gewezen dat de situatietekening een intern stuk is. Zo heeft de notaris in zijn brief van 15 december 2021 aan de broers [A] bevestigd dat de situatietekening alleen geldt tussen de drie broers. Ook heeft hij erop gewezen dat klagers geen partij waren bij de verklaring op de tekening en heeft hij de broers geadviseerd om te overleggen met klagers. Op verzoek van klagers heeft de notaris [A1] daarna nogmaals een brief gestuurd met de mededeling dat de situatietekening een trainingsversie is en niet extern gebruikt kan en mag worden.
- De notaris heeft er alles aan gedaan om te voorkomen dat misbruik zou worden gemaakt van zijn handtekening en ambtsstempel onder de situatietekening. Dat de broers [A] zijn handtekening en ambtsstempel desondanks misbruiken en daarmee proberen instanties op het verkeerde been te zetten, kan de notaris niet worden verweten.
- De notaris heeft meerdere keren aangeboden om te bemiddelen in het conflict tussen klagers en de broers [A], maar de broers [A] hebben dat aanbod niet aanvaard.
5. De beoordeling
Kan de kamer de klacht behandelen?
5.1. Voordat de kamer een klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet de kamer eerst beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht te mogen behandelen (de ontvankelijkheid van de klacht).
Zo moet een klacht op grond van artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt (Wna) binnen drie jaar, nadat een klager daarvan kennis heeft genomen, bij de kamer worden ingediend.
5.2. De klacht gaat over de situatietekening, die de notaris op 13 december 2021 heeft opgemaakt.
Klagers hebben tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat zij begin 2023 bekend zijn geworden met de situatietekening. De klacht is op 11 juni 2025 ingediend. Dat is binnen de vervaltermijn van drie jaar en dus op tijd gedaan.
Kan de kamer de verzoeken van klagers behandelen?
5.3. Voor zover klagers de kamer verzoeken om de notaris tot de in 4.3. vermelde acties te verplichten, zal de kamer deze verzoeken niet-ontvankelijk verklaren. Op grond van de Wna kan de kamer een notaris hiertoe namelijk niet veroordelen.
De maatstaf
5.4. De maatstaf die de tuchtrechter bij de beoordeling van een klacht hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan de professionele standaard voldoen. De tuchtrechter toetst of:
- hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen;
- zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.
Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).
De klacht
5.5. De kamer is van oordeel dat de handelwijze van de notaris niet voldoet aan de hiervoor onder 5.4. genoemde maatstaf. Daarbij gaat het vooral om de in acht te nemen zorg(-vuldigheid). De kamer zal dit hieronder toelichten.
5.6. Vast staat dat de notaris de situatietekening heeft opgemaakt tijdens de passeerafspraak met de broers [A] op 13 december 2021. Op die dag heeft de notaris de akten van levering van de parkeerplaatsen D 3085 en D 3086 gepasseerd en hebben de broers [A] aangegeven dat de bestaande erfdienstbaarheid van weg ontoereikend is. Zij hebben de notaris verteld hoe de erfdienstbaarheid van weg zou moeten worden gewijzigd. Wat de notaris in dit geval tuchtrechtelijk kan worden verweten, is de manier waarop hij de wens van de broers [A] in de situatietekening heeft gepresenteerd. Uit de situatietekening blijkt namelijk niet duidelijk dat hierin enkel de wens van de broers [A] is vastgelegd en dat zij hieraan tegenover derden dus geen rechten kunnen ontlenen. Bij dit oordeel is het volgende doorslaggevend.
1) In de eerste plaats heeft de notaris onderaan de situatietekening met de hand een verklaring geschreven die aan duidelijkheid te wensen overlaat. Hoewel de verklaring op de overgelegde kopie van de situatietekening slecht leesbaar is, staat tussen klagers en de notaris vast dat de verklaring in ieder geval de volgende cursief gemaakte tekst inhoudt: “Volgens verklaring van partijen is de erfdienstbaarheid [“aangepast” of “aangegeven”] als [“voorbeeld” of “voormeld”]”. Partijen zijn het niet eens over de juistheid van de tussen haakjes geplaatste woorden. Voor de beoordeling van deze klacht maakt dat niet uit. De pijn van deze verklaring zit hem met name in het woord “partijen”. De notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat met dit woord de broers [A] zijn bedoeld. De kamer neemt dat van de notaris aan, maar zoals de notaris tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend, blijkt dat niet uit de verklaring zelf. De notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat de situatietekening een “losse tekening” is; de tekening is niet aan een akte gehecht. Dit betekent dat evenmin aan de hand van een akte kan worden opgemaakt wie met “partijen” worden bedoeld. Derden die met de situatietekening worden geconfronteerd, kunnen dus niet uitsluiten dat met “partijen" zowel de eigenaren van het op de situatietekening weergegeven heersend erf (de percelen van de broers [A]) als de eigenaren van het op de situatietekening weergegeven dienend erf (inrit D 2848 van klagers 2 en 3) worden bedoeld.
2) De notaris heeft de verklaring op de situatietekening voorzien van zijn handtekening en ambtsstempel.
Hoewel de situatietekening geen rechtsgevolgen heeft (de omvang van de erfdienstbaarheid van weg is hiermee niet gewijzigd), heeft de tekening door de handgeschreven verklaring, de handtekening en de ambtsstempel van de notaris echter wel een zekere schijn van legitimiteit. Gelet op de waarde die aan documenten van een notaris wordt gehecht, mag van een notaris worden verwacht dat hij bedacht is op een mogelijk ongeoorloofd gebruik dat daarvan zou kunnen worden gemaakt en dat hij beoordeelt welke gevolgen een document met zijn verklaring, handtekening en ambtsstempel kan teweegbrengen. Dat geldt zeker in dit geval, waarbij de situatietekening:
- niet overeenkomt met de juridische werkelijkheid (immers is niet de geldende erfdienstbaarheid van weg ingetekend, maar de door de broers [A] gewenste erfdienstbaarheid van weg);
- ook betrekking heeft op een perceel dat aan derden toebehoort (immers het dienend erf van klagers 2 en 3); en
- ten nadele van die derden kan worden uitgelegd (de erfdienstbaarheid van weg is ten nadele van klagers 2 en 3 als eigenaars van het dienend erf immers ruimer ingetekend).
Aangezien in de praktijk aan de situatietekening mogelijk onterecht waarde kan worden gehecht, had de notaris moeten voorzien dat de broers [A] van de situatietekening misbruik zouden kunnen maken. Dat risico heeft zich ook verwezenlijkt. De notaris heeft niet weersproken dat de broers [A] misbruik hebben gemaakt van de situatietekening door te proberen officiële instanties daarmee op het verkeerde been te zetten. Of, en zo ja in hoeverre, de notaris ten tijde van het opmaken van de situatietekening bekend was met geschillen tussen klagers en de broers [A], laat de kamer in het midden. Ook zonder die wetenschap had de notaris namelijk bedacht moeten zijn op een mogelijk ongeoorloofd gebruik van de situatietekening.
Conclusie en maatregel
5.7. De klacht tegen de notaris zal gegrond worden verklaard. Een notaris moet het ambt met de grootst mogelijke zorgvuldigheid uitoefenen. Door de situatietekening - die niet overeenkomt met de juridische werkelijkheid - van een onduidelijke verklaring, zijn handtekening en ambtsstempel te voorzien, heeft de notaris de tekening een zekere schijn van legitimiteit gegeven. Deze handelwijze van de notaris is onzorgvuldig. Hij heeft daarmee het vertrouwen geschaad dat klagers in hem moeten kunnen stellen. Dit rekent de kamer de notaris aan.
In het voordeel van de notaris weegt mee dat hij een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft. Ook weegt in het voordeel van de notaris mee dat hij de broers [A] er meerdere keren op heeft gewezen dat zij de situatietekening niet extern mogen gebruiken.
Alles afwegende is de kamer van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van een waarschuwing.
Proceskosten
Terugbetaling griffierecht
5.8. De notaris moet op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door klagers betaalde griffierecht van € 50,00 aan hen vergoeden omdat de kamer de klacht gegrond verklaart.
Kostenveroordeling ten behoeve van klagers
5.9. De kamer zal de notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder a Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 veroordelen in de kosten die klagers in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs hebben moeten maken, forfaitair vastgesteld op een bedrag van € 50,00.
5.10. De notaris moet het griffierecht en de hiervoor genoemde kosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan klagers vergoeden. Klagers moeten daarvoor tijdig hun rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan de notaris.
Kostenveroordeling ten behoeve van de kamer
5.11. Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder b Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00 met een wegingsfactor 0,5, dus per saldo € 1.000,00. De complexiteit van de zaak is feitelijk en juridisch gezien licht en dat geeft de kamer aanleiding om in dit geval een andere wegingsfactor dan 1 te hanteren.
De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De notaris zal hiervoor een nota ontvangen van het LDCR in Utrecht.
6. De beslissing
De kamer:
6.1. verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op de in 4.3. vermelde verzoeken van klagers;
6.2. verklaart de klacht voor het overige gegrond;
6.3. legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op;
6.4. veroordeelt de notaris tot betaling aan klagers van een bedrag van:
- € 50,00 in verband met het genoemde griffierecht;
- € 50,00 in verband met de genoemde kosten van klagers,
en bepaalt dat het totaalbedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.10. is omschreven;
6.5. veroordeelt de notaris tot betaling aan de kamer van een bedrag van € 1.000,00 in verband met de genoemde kosten van behandeling van de zaak en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.11. is omschreven.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.T.M. Luijks, voorzitter, mr. S.H.L. Baggel en mr. H.M.A. Albicher, leden.
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026 door mr. C.T.M. Luijks, voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Hoger beroep tegen deze beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij van deze beslissing kennis is gegeven - bij het gerechtshof in Amsterdam, postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.