We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TNORSHE:2026:19 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/33

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:19
Datum uitspraak: 06-07-2026
Datum publicatie: 10-07-2026
Zaaknummer(s): SHE/2025/33
Onderwerp: Ondernemingsrecht, subonderwerp: Overig
Beslissingen: Klacht gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klacht van fiscalist/executeur over de afwikkeling van de beëindiging van haar samenwerking met de notaris, waarover zij een geschil hebben. De civiele rechter heeft de notaris veroordeeld om mee te werken aan het accountantsonderzoek dat in hun samenwerkingsovereenkomst is vastgelegd, maar de notaris weigert (volledige) medewerking met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht. Het ontvankelijkheidsverweer dat de klacht geen (voldoende) verband houdt met de notariële hoedanigheid wordt verworpen omdat de geheimhoudingsplicht per definitie verband houdt met de hoedanigheid van notaris. In verband met de afgeleide geheimhoudingsplicht van een accountant oordeelt de kamer dat de notaris zich ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht heeft beroepen. Van een notaris mag worden verwacht dat hij zich bewust is van de omvang van zijn geheimhoudingsplicht. De kamer rekent het de notaris aan dat hij voorafgaand aan de samenwerking met de klaagster een afspraak heeft gemaakt over de accountantscontrole en dat hij zich na de verbreking van de samenwerking bij nader inzien alsnog jarenlang op zijn geheimhoudingsplicht heeft beroepen zonder vervolgens (aantoonbaar) te verifiëren of dit terecht was en/of zich  voldoende in te spannen om naar mogelijkheden te zoeken om op een andere wijze invulling te geven aan de gemaakte afspraak. Door de in de beslissing omschreven gang van zaken en met name het herhaaldelijk niet nakomen van gedane toezeggingen, heeft de notaris het vertrouwen geschaad dat de klaagster in hem als notaris had. Waarschuwing en proceskostenveroordeling.

Klachtnummer    : SHE/2025/33
Datum uitspraak : 6 juli 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:

mevrouw mr. [naam], handelende onder de naam [naam] (hierna: de klaagster)
gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigden: de heer mr. J.G. Geertsma en mevrouw mr. L.B. van der Hoeven, advocaten in Amsterdam, en mevrouw mr. J. Kossen, advocaat in Deventer

tegen

notaris de heer mr. [naam] (hierna:de notaris)
gevestigd in [vestigingsplaats]

1.         De zaak in het kort

De klaagster en de notaris zijn het niet eens over de afwikkeling van de beëindiging van hun samenwerking. Zij hebben daarover geprocedeerd. De civiele rechter heeft de notaris veroordeeld om mee te werken aan het accountantsonderzoek dat is vastgelegd in hun samenwerkingsovereenkomst, met inachtneming van artikel 22 Wet op het notarisambt (Wna). In dat wetsartikel is de notariële geheimhoudingsplicht vastgelegd. De notaris is niet bereid om (volledig) mee te werken aan het accountantsonderzoek omdat hij vindt dat hij daardoor zijn geheimhoudingsplicht zou schenden. De klaagster verwijt de notaris dat hij zich ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht beroept en dat hij daardoor een zorgvuldige afwikkeling van de samenwerking frustreert. 

2.          Het verloop van de procedure

De beslissing van de kamer is gebaseerd op:

  • de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 19 juni 2025;
  • de schriftelijke reactie van de notaris;
  • de toelichting die de klaagster en de notaris op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling van de klacht op 4 mei 2026: die toelichting is vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.

3.          De feiten

De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder 5 verder in op de feitelijke gang van zaken.

De voorgeschiedenis

3.1.      De klaagster is NOB-fiscalist en NOVEX gecertificeerd executeur en vereffenaar. Zij heeft een maatschap gevoerd met mevrouw mr. [naam] (hierna: mr. [X]) onder de naam “[naam]” (hierna: [Y]). Mr. [X] was toen notaris en zij hielden samen kantoor. De klaagster voerde besprekingen met cliënten, gaf advies over familierecht en estate planning en stelde ook conceptakten op. Deze akten werden door mr. [X] of haar waarnemer gepasseerd in het protocol van mr. [X]. Een protocol bestaat onder meer uit de originele akten die een notaris heeft gepasseerd en andere officiële stukken die moeten worden bewaard, zoals notariële verklaringen.

3.2.      Omdat mr. [X] als notaris wilde stoppen, is aan de notaris gevraagd of hij haar protocol zou willen overnemen. Dat protocol bevatte ook het protocol van oud-notaris mr. [naam] (hierna: mr. [ON]) en het protocol van oud-notaris mr. [naam] en diens voorgangers. De notaris had eerder bij mr. [ON] gewerkt, in wiens protocol hij toen veel akten had gepasseerd.

3.3.      Om haar werkzaamheden op een vergelijkbare manier te kunnen voortzetten, wilde de klaagster een samenwerkingsverband met de notaris aangaan. Bij een verkennende bespreking op 19 juni 2018 heeft de notaris met het oog op de verdeling van nieuwe zaken die uit het protocol van mr. [X] zouden voortkomen, voorgesteld om de accountant periodiek een lijst vanuit de systemen te laten draaien en te laten checken. In het verslag van die bespreking staat dat “het voordeel van controle door een accountant is dat [de notaris] zijn geheimhoudingsplicht niet overtreedt terwijl het voor de accountant gewoon tot zijn eigen beroepsgeheim/beroepscode behoort”. De klaagster en de notaris hebben dit voorstel voorgelegd aan hun accountants. Begin juli 2018 hebben deze laten weten dat zij periodiek een verklaring zouden kunnen afgeven over de zaken die zijn binnengekomen en dat de notaris dan niet in de problemen zou komen met zijn geheimhoudingsplicht.

De samenwerking van de notaris en de klaagster 

3.4.      Op 26 oktober 2018 hebben de notaris en de klaagster een “overeenkomst behoud cliënten en data protocol mr. [X]” (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) gesloten. In die overeenkomst staat onder meer dat:

  • “[de klaagster] sinds het ontstaan van de maatschap [Y] (…) op 1 juli 2003, alsmede in de periode 1 juni 2002 tot en met 30 juni 2003, de praktijk heeft op- en uitgebouwd en dientengevolge aan het protocol [Y] en het protocol [ON] (hierna ook genoemd: de protocollen) verbonden goodwill heeft;
  • [de klaagster] enorme schade zou leiden wanneer haar aan de protocollen gebonden goodwill, vanwege het ontslag als notaris van [X], niet op enigerlei wijze tot uitdrukking komt. Zulks vanwege de bijzondere regelgeving ter zake overdracht en voortzetting van een notarieel protocol;
  • [de klaagster] vanaf moment ontbinding maatschap [Y] (…) haar eigen praktijk op het gebied van estate planning (inclusief advisering inzake (levens-)testamenten, huwelijkse voorwaarden en samenlevingsovereenkomsten), afwikkeling nalatenschappen en fiscaal advies bij echtscheiding zal voeren;
  • [de notaris] bereid is vorm te geven aan behoud van de aan [de klaagster] gebonden goodwill;
  • [de klaagster] en [de notaris] het in het kader van de nakoming van de hierna te maken afspraken wenselijk achten een objectief controlemiddel af te spreken.”

3.5.      In artikel 1 van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat de notaris vanaf de datum van overname van het protocol van mr. [X] een splitsing zal aanbrengen in de overgenomen protocollen met de bijbehorende cliëntgegevens en data. In de artikelen 2a tot en met 2c is het volgende bepaald over de verdeling van de cliënten en data van de protocollen:

“ 2a. De splitsing vindt zodanig plaats dat alle data behorende tot het protocol [ON], volledig en exclusief aan [de notaris] toekomen en ter beschikking staan. Met dien verstande dat in geval van overlijden van een tot het protocol [ON] behorende cliënt, niet tevens behorende tot het hierna onder 2b. genoemde protocol [Y], [de notaris] en [de klaagster] éénmaal per week of tweewekelijks (navenant het aantal overlijdens) in onderling overleg de daaruit voortvloeiende opdracht(en) onderling verdelen. Deze verdeling vindt zodanig plaats dat er sprake is van een evenwichtige verdeling, tenzij [de notaris] en [de klaagster] alsnog anders overeen komen.

2b. Alle cliënten en bijbehorende data (thans nog) behorende tot het protocol [Y], met uitzondering van hiervoor vermeld protocol [ON] en met uitzondering van het hierna onder 2c. bepaalde, komen toe aan [de klaagster] en zullen haar exclusief toe blijven komen. Komen cliënten zowel in het protocol [Y] voor als in het protocol [ON] dan prevaleert het protocol [Y]. (…)

2c. In aanvulling van het onder 2b. bepaalde geldt het navolgende:

  1. De tot het protocol [Y] behorende cliënten en bijbehorende data, welke slechts hun oorsprong vinden in een opdracht/dossier ter zake de overdracht en/of verdeling van een onroerende zaak en/of vestiging hypotheek, zullen eveneens aan [de notaris] toekomen en ter beschikking staan. Wendt deze cliënt zich op enig moment tot [de notaris] en/of [de klaagster] met een opdracht op het gebied van familierecht/estate planning dan zal deze opdracht aan [de klaagster] toekomen.

II. De tot het protocol [Y] behorende cliënten en bijbehorende data, welke slechts hun oorsprong vinden in een op zichzelf staand(e) opdracht/dossier op het gebied van Ondernemingsrecht, (derhalve niet op enigerlei wijze samenhangend met een opdracht/dossier op het gebied van familierecht/estate planning), zullen eveneens aan [de notaris] toekomen en ter beschikking staan. Wendt deze cliënt zich op enig moment tot [de notaris] en/of [de klaagster] met een opdracht op het gebied van familierecht/estate planning dan zal deze opdracht aan [de klaagster] toekomen. (…)”

3.6.      In artikel 5 van de samenwerkingsovereenkomst is het volgende bepaald:

“Ter verdere nakoming van het hiervoor vermelde zullen een door [de klaagster] aan te wijzen externe accountant en een door [de notaris] aan te wijzen externe accountant minimaal twee maal per jaar, of zoveel vaker als [de klaagster] en [de notaris] overeenkomen, toegang verkrijgen tot het cliëntensysteem van [de notaris] en controle uitvoeren. Deze controle geschiedt door de nieuw aangemaakte dossiers/zaken met bijbehorende partijen te vergelijken met cliënten/partijen die reeds sinds 1 juni 2002 tot en met dag overdracht protocol [Y] aan [de notaris] in het cliëntensysteem van protocol [Y] (incluis [voorganger van [Y]]) voorkwamen.”

3.7.      In artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat de klaagster en de notaris een inspanningsverplichting hebben om de zaken/cliënten die uit de protocollen voortkomen op basis van de afspraken uit artikelen 2a tot en met 2c over en weer door te verwijzen.

3.8.      Mr. [X] is met ingang van 1 januari 2019 gestopt als notaris en de maatschap met de klaagster is op dat moment ontbonden. Het protocol van mr. [X] is toegewezen aan de notaris.

3.9.      De notaris en de klaagster hebben vanaf 1 januari 2019 met elkaar samengewerkt, waarbij de notaris op verzoek van de klaagster (door haar in concept opgestelde) akten passeerde en aan notariële taken verwante werkzaamheden verrichtte voor cliënten van de klaagster. De klaagster hield geen kantoor bij de notaris maar had een eigen kantoor.

De beëindiging van de samenwerking

3.10.     Op 13 juni 2022 heeft de notaris de klaagster gemaild dat hij stopt met hun samenwerking. De klaagster heeft daarna geprobeerd om afspraken met de notaris te maken over de (financiële) gevolgen van de beëindiging van hun samenwerking. Zij wilde onder meer dat de notaris nog een bepaalde periode akten voor haar cliënten zou blijven passeren en dat de overeengekomen accountantscontrole (hierna: de accountantscontrole) – die tot dan toe nooit was uitgevoerd – alsnog zou worden verricht omdat zij de indruk had dat de notaris geen invulling had gegeven aan zijn inspanningsverplichting uit de samenwerkingsovereenkomst om nieuwe zaken naar haar door te verwijzen.

3.11.     Op 30 juni 2022 heeft de notaris de klaagster gemaild dat het hem op grond van de Wna en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) niet is toegestaan om informatie uit de Basis Registratie Personen (BRP) en overlijdensmeldingen met de klaagster te delen en dat hij op basis van diverse wet- en regelgeving ook geen informatie mag geven over de door hem gepasseerde akten.

3.12.     Daarna is de verhouding tussen de klaagster en de notaris (verder) bekoeld. Nadat de klaagster medio juli 2022 had gedreigd om een kort geding tegen de notaris aan te spannen, is er op 28 juli 2022 een overleg geweest tussen de klaagster en de notaris met een advocaat/bemiddelaar, waarbij enkele afspraken zijn gemaakt. Over de accountantscontrole is toen afgesproken dat de klaagster en de notaris twee accountants zouden inschakelen om op korte termijn aan de hand van het repertorium van de notaris (een overzicht van gepasseerde akten) een controle uit te voeren, waarna de klaagster en de notaris over de uitkomst van die controle zouden worden geïnformeerd.

3.13.     Omdat de notaris niet reageerde op een voorstel van de advocaat van de klaagster van 3 augustus 2022 om in een gezamenlijke opdracht een bepaald accountantskantoor aan te wijzen, heeft de klaagster de notaris op 23 augustus 2022 in kort geding gedagvaard en onder meer gevorderd hem te veroordelen om medewerking te verlenen aan de accountantscontrole. Daarna zijn op 29 augustus 2022 alsnog afspraken gemaakt en vastgelegd over de manier waarop de accountantscontrole zou plaatsvinden en door wie deze zou worden uitgevoerd. De klaagster heeft het kort geding vervolgens ingetrokken en er is opdracht gegeven aan een accountant om de controle uit te voeren.

3.14.     Deze accountant (de heer P.R.M.J.J. van Ierland RA MSc) heeft daarover begin oktober 2022 contact gehad met de notaris. Op 21 oktober 2022 heeft de accountant de notaris gemaild dat hij de benodigde informatie nog niet van hem had ontvangen. Diezelfde dag heeft de klaagster de notaris per e-mail gesommeerd om die informatie voor 28 oktober 2022 in een bewerkbare vorm aan de accountant te verstrekken.

3.15.     De advocaat van de notaris heeft in een e-mail van 3 november 2022 onder meer als volgt op die sommatie gereageerd:

“Het is u bekend dat client wel degelijk getracht heeft om dergelijke overzichten van opdrachten te verstrekken. Daarbij is hij echter tegen een aantal zaken aangelopen. Naast de aanzienlijke kosten die het opstellen van een repertoriumlijst en een lijst met aangemaakte dossiers met zich meebrengt, is client (bij nader inzien) van mening dat hij ook zijn geheimhoudingsplicht zal schenden ex art 22 Wna. Client hecht veel belang aan zijn geheimhoudingsplicht.

Het is voor client dan ook van groot belang dat het onderzoek door de accountant geanonimiseerd kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal client niet meewerken aan het verstrekken van overzichten.”

3.16.     Naar aanleiding van dit bericht heeft de advocaat van de klaagster de advocaat van de notaris in een e-mail van 9 november 2022 onder meer het volgende laten weten:

“Bij de Accountantscontrole worden er geen gegevens verstrekt aan cliënt, maar wordt er slechts een vergelijking door externe accountants gedaan. Dit om primair vast te stellen of [de notaris] zijn verplichtingen uit de Samenwerkingsovereenkomst is nagekomen. Alleen in geval er uit deze controle c.q. vergelijking naar voren komt dat [de notaris] hierin nalatig is geweest, zal het voor het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding nodig zijn te weten welke werkzaamheden hij in dit dossier heeft uitgevoerd én welke hij op grond van de samenwerking door cliënte had behoren te laten uitvoeren, of te wel: welke inkomsten cliënte hierdoor is misgelopen. Echter ook in dergelijke gevallen is het niet nodig om over te gaan tot het verstrekken van persoonlijke en door [de notaris] aangehaalde wet- en regelgeving beschermde gegevens aan cliënte, dan wel kan met allerlei waarborgen de inbreuk van deze gegevens worden voorkomen.

In aanvulling hierop wenst cliënte te benadrukken dat, net als de door [de notaris] in 2018 geraadpleegde accountant, de heer [voornaam] Houweling, ook Van Ierland heeft bevestigd dat juist door het uitvoeren van de controle als bedoeld in artikel 5 van de Samenwerkingsovereenkomst door een onafhankelijke accountant [de notaris] zijn geheimhoudingsplicht niet schendt c.q. deze wordt gewaarborgd. Niet alleen omdat een accountant bevoegd is om een dergelijke controle uit te voeren, maar ook omdat zij op basis van de voor hun geldende gedragsregels tot geheimhouding verplicht zijn.”

In die e-mail is de notaris nogmaals gesommeerd om de benodigde gegevens voor 15 november 2022 aan de accountant te verstrekken.

3.17.     Omdat de notaris dat niet deed, heeft de klaagster hem op 21 november 2022 gedagvaard voor een civiele (bodem)procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank). Zij heeft onder meer gevorderd de notaris te veroordelen om mee te werken aan de accountantscontrole. Nadat beide partijen hun standpunt over de geheimhoudingsplicht van de notaris in verband met de accountantscontrole nader bij akte hadden toegelicht, heeft de rechtbank op 16 augustus 2023 vonnis gewezen. Over de accountantscontrole heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
 
“4.12.    De rechtbank stelt vast dat partijen op 29 augustus 2022 zijn overeengekomen dat een dergelijke accountantscontrole zal plaatsvinden. Die afspraak is terug te voeren op artikel 5 van de overeenkomst. [De notaris] heeft zich aldus (tweemaal) verbonden om een dergelijke accountantscontrole uit te laten voeren.

4.13.       [De notaris] verweert zich tegen deze vordering met de stelling dat hij zijn geheimhoudingsplicht ex artikel 22 Wna zal schenden als hij een dergelijke accountantscontrole laat uitvoeren. Bij akte heeft [de notaris] deze stelling nader toegelicht. Daarin stelt [de notaris] met name dat [de klaagster] geen belang bij haar vordering heeft, omdat de accountantscontrole [de klaagster] niet zal brengen waar zij op hoopt. Een vergelijking van de aantallen dossiers zegt namelijk niets of [de notaris] deze cliënten al dan niet heeft doorverwezen naar [de klaagster]. Daarvoor is noodzakelijk dat het betreffende dossier zal worden onderzocht, hetgeen de geheimhoudingsplicht schendt.

4.14.       De rechtbank constateert op grond van de stellingen van [de notaris] dat niet zozeer de accountantscontrole zelf de geheimhoudingsplicht schendt, als wel het vervolg van de uitkomst van deze controle  dat (mogelijk) nader onderzoek zal vergen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de accountantscontrole op zichzelf uitgevoerd kan worden. Nadat [de notaris] zich daartoe (nogmaals) op 29 augustus 2022 verplicht heeft, dient hij deze verplichting na te komen. Het is daarbij aan [de notaris] zelf om te waken tegen een schending van zijn geheimhoudingsplicht. [De notaris] mag zich ook op deze geheimhoudingsplicht beroepen wanneer deze in het gedrang zou komen. Dat [de klaagster] geen enkel belang bij de afgesproken accountantscontrole heeft, ook met de beperking van de geheimhoudingsplicht, is onvoldoende gebleken.”

De rechtbank heeft de notaris veroordeeld om medewerking te verlenen aan het accountantsonderzoek, “met inachtneming van artikel 22 Wna”. Dit vonnis is onherroepelijk.

Wat er na het vonnis is gebeurd

3.18.     De notaris heeft ingestemd met het voorstel van de klaagster om een bepaald (ander) accountskantoor in te schakelen en samen een schriftelijke opdracht aan dat kantoor te geven. Omdat zij geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de inhoud van die opdracht, heeft de klaagster de notaris op 30 november 2023 opnieuw gedagvaard voor een bodemprocedure. Zij heeft toen een verklaring voor recht gevorderd over (kort gezegd) de wijze waarop de accountant de opdracht zou moeten uitvoeren. Tijdens de zitting van de rechtbank op 9 oktober 2024 hebben de klaagster en de notaris overleg gevoerd en dat heeft ertoe geleid dat zij eind oktober 2024 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) hebben gesloten. Daarna is die rechtszaak doorgehaald. 

3.19.     In de VSO is onder meer met volgende bepaald:

“De opdracht luidt:

Controle van:

1. de door [de notaris] sinds 1 januari 2019 aangemaakte dossiers bevattende partijen welke tevens in het protocol van [Y] voorkomen (Codex-systeem van [de klaagster]) en of deze dossiers werkzaamheden ter zake familierecht/estate planning bevatten. (…)

Geheimhouding

Aan/Met [de klaagster] worden geen persoon identificerende gegevens van cliënten van [de notaris] gecommuniceerd/gedeeld.

Aan/Met [de notaris] worden geen persoons identificerende gegevens van cliënten van [de klaagster] gecommuniceerd/gedeeld.

De rapportage van de Accountant die met [de notaris] en [de klaagster] wordt gedeeld geschiedt slechts met vermelding van een niet te herleiden uniek door de Accountant toegekend dossiernummer.

(…)

[De notaris] en [de klaagster] werpen ter zake geen belemmeringen op. Mocht [de notaris] het standpunt huldigen dat er sprake is van schending van zijn geheimhoudingsplicht dan dient [de notaris] dit bij de Accountant met cc aan (de advocaat van) [de klaagster] onder de aandacht te brengen. Voor zover van toepassing treedt [de notaris] op het moment van constatering in overleg met de Accountant.”

3.20.     Op 5 december 2024 is de opdracht voor deze controle verleend aan accountantskantoor Joanknecht. De systeembeheerder van de notaris zou alle benodigde data (na verleend uitstel) uiterlijk 17 januari 2025 aan de accountant verstrekken.

3.21.     In een e-mail van 28 februari 2025 heeft de accountant de advocaten van de klaagster en de notaris onder meer het volgende gemaild:

“Wij hebben op 27 januari jl. de volgende gegevens gevraagd om aan te leveren door [de systeembeheerder van de notaris] namens de notaris:

“een lijst van alle natuurlijke personen of rechtspersonen waarvoor een cliëntdossier is opgemaakt bij [de notaris] tussen 01-01-2019 en 01-01-2025.

De lijst bevat ten minste de volledige naam van de natuurlijke personen of rechtspersonen, client type (NP of RP), geboortedatum (en overlijdensdatum), het rechtsgebied waartoe ze betrekking hebben (…) en uit welk protocol ze afkomstig zijn indien van toepassing.”

Op 25 februari jl. hebben wij een Excel bestand ontvangen met daarin opgenomen data met betrekking tot “clientnummer”, dossiernummer”, “zaaksoort”, “hoedanigheid”, “sectie”, “aktedatum” en “aktenummer”.

Wij stellen vast dat het aangeleverde bestand niet alle gevraagde data bevat.

Hierbij verzoeken wij [de advocaat] en [de systeembeheerder van de notaris] om namens [de notaris] aan te geven op welke manier de door ons uit te voeren werkzaamheden kunnen worden verricht op basis van de op 25 februari aangeleverde data.

Aansluitend verzoeken wij [de advocaat] en [de systeembeheerder van de notaris] om aan te geven hoe de selectie van de aangeleverde data tot stand is gekomen.

Op basis van de eerste analyse lijken de vermelde dossiers allen “familierechtdossiers” te zijn.”

3.22.     Op 10 maart 2025 heeft de advocaat van de notaris deze accountant en de advocaat van de klaagster per e-mail het volgende laten weten:

“Inmiddels heeft cliënt meerdere keren het verzoek gekregen om gegevens zoals namen, voornamen, geboortedata bij [de accountant] aan te leveren ten behoeve van het accountantsonderzoek.

Cliënt heeft aangegeven dat hij, gelet op zijn wettelijke geheimhoudingsplicht als notaris, geen aanvullende gegevens kan en mag verstrekken dan hetgeen reeds is aangeleverd.

Het verstrekken van nadere informatie zou in strijd zijn met deze geheimhoudingsverplichting, zoals vastgelegd in artikel 22 van de Wet op het notarisambt (Wna). Dit betekent dat de accountantscontrole dient te worden uitgevoerd op basis van de reeds verstrekte gegevens.

Ter bevestiging van zijn standpunt heeft cliënt contact opgenomen met de heer [A] van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB). De heer [A] heeft aangegeven dat de geheimhoudingsplicht van een notaris absoluut is en dat hij in deze casus geen wettelijke grondslag ziet om hiervan af te wijken. Dit impliceert dat cliënt niet gehouden is verdere informatie te verstrekken, zelfs niet ten behoeve van de accountantscontrole.”

3.23.     Daarna is er diverse keren contact geweest tussen de advocaat van de klaagster, de advocaat van de notaris en de KNB over het genoemde contact tussen de notaris en de heer [A].

4.          De klacht

4.1.      Samengevat verwijt de klaagster de notaris dat hij:

1. zich ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht beroept ten aanzien van het laten uitvoeren van een accountantscontrole in het kader van de afwikkeling van de samenwerking met de klaagster;

2. zich van onjuiste en/of misleidende informatie bedient over zijn contacten met de heer [A] van de KNB;

3. een zorgvuldige beëindiging en afwikkeling van de samenwerking met de klaagster frustreert en traineert op een wijze zoals een behoorlijk notaris niet betaamt.

5.          De beoordeling

Kan de kamer de klacht inhoudelijk beoordelen?

5.1.      Voordat de kamer kan beoordelen of de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, moet worden beoordeeld of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht in behandeling te kunnen nemen (de ontvankelijkheid van de klacht). Volgens de notaris is de klacht om meerdere redenen
niet-ontvankelijk.

5.2.      De notaris heeft allereerst naar voren gebracht dat de klacht (of in ieder geval de klachtonder-delen 2 en 3) geen enkel verband houdt met zijn notariële hoedanigheid omdat het gaat over de afwikkeling van een zakelijke relatie tussen twee professionele partijen en hij geen notariële diensten voor de klaagster heeft verricht. De notaris heeft een beroep gedaan op een uitspraak van de hoogste notariële tuchtrechter, die heeft geoordeeld dat een notaris onder omstandigheden wel tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn als hij in een andere hoedanigheid optreedt, maar dat het handelen – naarmate dit minder verband houdt met de hoedanigheid van notaris – van grotere ernst moet zijn om nog de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag. Deze maatstaf wordt ook wel aangeduid als “de glijdende schaal”.[1] In deze situatie, waarin het gaat om zijn gedragingen als zakenpartner, geldt volgens de notaris een hogere tuchtrechtelijke drempel waardoor de kamer de klacht niet inhoudelijk kan beoordelen.

5.3.      De kamer verwerpt dit verweer. Vast staat dat de klaagster jarenlang met de notaris heeft samengewerkt en dat zijn hoedanigheid van notaris en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid om akten te passeren daarbij voor haar van doorslaggevend belang was. Vast staat ook dat de notaris na de verbreking van hun samenwerking niet (volledig) heeft meegewerkt aan de overeengekomen accountantscontrole – die onlosmakelijk verbonden is met zijn notariële praktijk – omdat hij zich op het standpunt stelt dat hij daardoor zijn geheimhoudingsplicht zou schenden. Een beroep op de wettelijke notariële geheimhoudingsplicht houdt per definitie verband met de hoedanigheid van notaris. De kamer is van oordeel dat alle drie de klachtonderdelen, die nauw met elkaar samenhangen, voortvloeien uit het feit dat de notaris zich op zijn geheimhoudingsplicht beroept. De verwijten die de klaagster de notaris maakt hangen dan ook direct samen met zijn hoedanigheid van notaris. Daarom vindt de kamer dat de notaris zich voor de tuchtrechter moet verantwoorden; de genoemde glijdende schaal is niet van toepassing.

5.4.      De notaris heeft verder aangevoerd dat de klacht niet-ontvankelijk is omdat de klaagster daarbij geen redelijk belang heeft. Volgens de notaris heeft de klaagster geen nadeel ondervonden doordat de samenwerking nog niet is afgewikkeld en heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de geheimhoudingsplicht.

5.5.      De kamer verwerpt ook dit verweer. Het is vaste rechtspraak van de hoogste notariële tuchtrechter dat het begrip “enig redelijk belang” als bedoeld in artikel 99 lid 1 Wna ruim moet worden uitgelegd. Niet alleen een rechtsreeks belang, maar ook een indirect of afgeleid belang kan voldoende zijn voor ontvankelijkheid. Het lijden van financieel nadeel is daarvoor geen vereiste.[2] Nu de klaagster sinds de verbreking van de samenwerking de gevolgen ondervindt van het beroep op de geheimhoudingsplicht en de daarmee samenhangende weigering om mee te werken aan de accountantscontrole, is de kamer van oordeel dat de klaagster een redelijk belang heeft bij deze klacht. Dat de civiele rechter eerder heeft geoordeeld over het geschil dat hen verdeeld houdt, maakt niet dat de klaagster er om die reden geen redelijk belang meer bij zou hebben om deze klacht aan de tuchtrechter voor te leggen. Afgezien daarvan heeft de notaris na het vonnis van de civiele rechter en de ondertekening van de VSO opnieuw een beroep gedaan op zijn geheimhoudingsplicht, zodat de klaagster ook om die reden een redelijk belang heeft bij haar klacht. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de klacht ontvankelijk is, zodat de kamer deze inhoudelijk kan beoordelen.

Heeft de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?

De maatstaf

5.6.      De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar volgens artikel 93 lid 1 Wna behoort te doen. De tuchtrechter toetst of:

  • hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en in andere wetten en regelgeving;
  • zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.

Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle (rechts)personen die bij de rechtshandeling betrokken zijn op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).

5.7.      De kamer vindt dat de notaris niet volledig aan deze maatstaf heeft voldaan en legt hierna per klachtonderdeel uit waarom zij tot dit oordeel komt.

Klachtonderdeel 1: beroep op geheimhoudingsplicht

5.8.      De klaagster verwijt de notaris dat hij zich ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht beroept ten aanzien van het laten uitvoeren van de accountantscontrole in het kader van de afwikkeling van hun samenwerking.

5.9.      Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt de kamer voorop dat een notaris op grond van artikel 22 lid 1 Wna in beginsel verplicht is tot geheimhouding van alle informatie waar hij door zijn werkzaamheden in zijn hoedanigheid van notaris mee bekend wordt. Deze geheimhoudingsplicht staat in dienst van de vertrouwensrelatie tussen een notaris en zijn cliënt en hangt samen met de bijzondere positie van een notaris in het rechtsbestel: bij verschillende (privaatrechtelijke) rechtshandelingen is de formele tussenkomst van een notaris voorgeschreven. Om een vrije toegang tot de rechtsbedeling te waarborgen, moeten rechtzoekenden zich tot een notaris kunnen wenden voor juridische bijstand of advies en daarbij verzekerd kunnen zijn van het vertrouwelijk karakter van de informatie die zij aan een notaris toevertrouwen.

5.10.     Dit uitgangspunt vormt de grondslag voor de geheimhoudingsplicht en deze plicht is door de Hoge Raad erkend als algemeen rechtsbeginsel. Het grote belang van de geheimhoudingsplicht komt onder meer tot uiting in de strafbaarstelling van de schending van het beroepsgeheim in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De geheimhoudingsplicht kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden door de geheimhouder of door een rechter worden doorbroken. De vraag hoe ver de geheimhoudingsplicht van een notaris zich uitstrekt, wordt in beginsel door de betrokken notaris zelf beantwoord. Immers, alleen een notaris kan precies beoordelen of bepaalde gegevens onder zijn geheimhoudingsplicht (en het daarmee samenhangende verschoningsrecht) vallen. De (tucht)rechter moet het beroep van een notaris op zijn verschoningsrecht aanvaarden zolang hij vindt dat er redelijke twijfel bestaat of de gevraagde gegevens kunnen worden verstrekt zonder dat (tegenover klagers) geopenbaard wordt wat verborgen moet blijven.

5.11.     Volgens artikel 22 lid 1 Wna geldt dezelfde verplichting tot geheimhouding voor de personen die onder de verantwoordelijkheid van een notaris werkzaam zijn “voor al hetgeen waarvan zij kennis dragen uit hoofde van hun werkzaamheid”. Deze afgeleide geheimhoudingsplicht rust volgens de wetsgeschiedenis van deze bepaling op iedereen die uit hoofde van zijn dienstbetrekking, functie, hoedanigheid of werkzaamheden kennis neemt van informatie die onder de geheimhoudingsplicht van de oorspronkelijke geheimhouder valt.[3] Hiermee wordt voorkomen dat vertrouwelijke informatie die onder het beroepsgeheim van een notaris valt, via anderen dan de oorspronkelijke geheimhouder alsnog openbaar wordt. De afgeleide geheimhoudingsplicht is gelijk aan de oorspronkelijke geheimhoudingsplicht en geldt onder meer ook voor een (externe) accountant, die in opdracht van een notaris werkzaamheden verricht die samenhangen met de notariële beroepsuitoefening.

5.12.     In zijn verweerschrift heeft de notaris gesteld dat op de accountant aan wie de opdracht is gegeven geen afgeleide zorgplicht (bedoeld zal zijn: geheimhoudingsplicht) rust omdat deze niet voor hem werkt “in de afwikkeling van notariële werkzaamheden”. In de gegeven omstandigheden is de kamer echter van oordeel dat de opdracht van de notaris aan een accountant om de overeengekomen controle van zijn kantoorsysteem/-systemen te verrichten voldoende verband houdt met de notariële beroepsuitoefening van de notaris. En aangezien de kamer niet meegaat in het beroep van de notaris dat hij niet heeft gehandeld in zijn hoedanigheid van notaris, is er voor de kamer voldoende reden om in de gegeven omstandigheden het delen van de informatie ook als noodzakelijk voor de taakvervulling te achten. De notaris ging een overeenkomst aan waarbij hij – in hoedanigheid van notaris – wist of behoorde te weten dat daarvoor noodzakelijk was dat gegevens moesten worden gedeeld met een accountant om tot een afwikkeling van de overeenkomst met klaagster te komen. Bij de mondelinge behandeling heeft de notaris aangevoerd dat de afgeleide geheimhoudingsplicht niet geldt omdat de opdracht niet aan zijn eigen accountant is gegeven, maar aan een andere accountant. De afgeleide geheimhoudingsplicht kan echter voor iedere accountant gelden die in opdracht van een notaris zulke diensten verleent en niet alleen voor de “eigen” accountant. Daarom worden deze verweren verworpen.

5.13.     In verband met de afgeleide geheimhoudingsplicht van een accountant – die immers gelijk is aan de geheimhoudingsplicht van de notaris zelf – is de kamer van oordeel dat het de notaris vrij staat om de gegevens aan de accountant te verstrekken die nodig zijn om de overeengekomen controle uit te voeren. Op grond van artikel 16 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants is een accountant overigens in beginsel zelf ook verplicht tot geheimhouding van gegevens of inlichtingen waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden. Opmerking verdient daarbij dat de klaagster bij herhaling heeft laten weten dat zij zélf geen inzage wenst in de gegevens die de notaris aan de accountant verstrekt en dat de klaagster en de notaris in de VSO nog extra waarborgen hebben opgenomen om de geheimhouding van de notaris te bewaken. Zo is daarin bepaald dat de rapportage van de accountant die met de klaagster wordt gedeeld slechts geschiedt met “vermelding van een niet te herleiden uniek door de Accountant toegekend dossiernummer”. De kamer vindt dan ook dat de notaris zich ten aanzien van de accountantscontrole ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht heeft beroepen. Daarom is klachtonderdeel 1 gegrond.

Klachtonderdeel 2: contact met de KNB

5.14.     De klaagster verwijt de notaris dat hij zich van onjuiste en/of misleidende informatie bedient over zijn contacten met de heer [A] (hierna ook: [A]) van de KNB, op basis waarvan hij zijn standpunt verdedigt dat hij zich terecht op zijn geheimhoudingsplicht beroept. Het gaat om de mededeling van zijn advocaat in de (onder 3.22. geciteerde) e-mail van 10 maart 2025 dat de notaris ter bevestiging zijn standpunt contact heeft opgenomen met [A], die heeft “aangegeven datde geheimhoudingsplicht van een notaris absoluut is en dat hij in deze casus geen wettelijke grondslag ziet om hiervan af te wijken”. Toen deklaagster de juistheid van deze mededeling wilde verifiëren, werd volgens de klaagster door de advocaat van de notaris herhaaldelijk niet aan haar verzoek voldaan om contactgegevens te verstrekken, terwijl later is gebleken dat er geen [A] bij de KNB werkt.

5.15.     De notaris heeft daar tegenin gebracht dat hij of zijn advocaat per ongeluk de naam [A] heeft genoemd in plaats van de naam van zijn contactpersoon bij de KNB met wie hij had gesproken. In het verweerschrift staat dat het gaat om juridisch adviseur de heer mr. [AA] (hierna: [AA]) met wie de notaris dan wel zijn advocaat contact heeft gehad.  

5.16.     Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat de advocaat van de klaagster de advocaat van de notaris in een e-mail van 19 maart 2025 heeft gevraagd naar de contactgegevens van [A]. In reactie op dat verzoek heeft de advocaat van de notaris haar in een e-mail van 28 maart 2025 laten weten dat het gaat om [voornaam] [A] en dat de advocaat van de klaagster daarover zelf contact had kunnen opnemen met de KNB. Toen de advocaat van de klaagster dat vervolgens deed, kreeg zij echter te horen dat er geen [A] bij de KNB werkt. Bij een Teams-overleg op 15 april 2025 heeft de advocaat van de notaris aan de advocaat van de klaagster laten weten dat de notaris inderdaad niet met [A] had gesproken maar met iemand anders van de KNB, maar dat zij de naam van diegene nog niet wilde doorgeven voordat zij deze zelf had gesproken en dat zij daarna een terugkoppeling zou geven. De advocaat van de klaagster heeft dit bevestigd in een e-mail van 24 april 2025 en aan de advocaat van de notaris gevraagd om deze terugkoppeling. Diezelfde dag heeft de advocaat van de notaris de advocaat van de klaagster het volgende gemaild:

“ (…) Zelf heb ik de bewuste persoon nog niet gesproken. Wel heeft client, [de notaris], deze persoon verzocht om formeel schriftelijk te reageren op de vraagstelling.

Voor een formele reactie werd [de notaris] echter doorverwezen naar Het Notarieel Bureau of FBN Juristen [adres website FBN]. Van hen is nog geen formele reactie ontvangen.”

5.17.     In een e-mail van 25 april 2025 heeft de advocaat van de klaagster de advocaat van de notaris laten weten het steeds ongeloofwaardiger te vinden dat de notaris überhaupt iemand van de KNB heeft gesproken en dat zij de formele reactie van Het Notarieel Bureau of FBN Juristen graag ontvangt. De klaagster heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat zij nog niet zo’n formele reactie heeft ontvangen. De notaris heeft bij die behandeling verklaard dat [AA] hem had laten weten dat het beroepsgeheim behoorlijk strikt is, maar dat hij dat later niet wilde delen.

5.18.     De kamer is van oordeel dat de hiervoor omschreven gang van zaken niet de schoonheidsprijs verdient als het gaat om transparante communicatie. Hoewel de kamer ervan uitgaat dat door de notaris en/of zijn advocaat inderdaad per ongeluk de naam [A] is genoemd in plaats van [AA], neemt dat niet weg dat het vragen oproept waarom daarover niet direct duidelijkheid is gegeven toen bleek dat de namen waren verwisseld. Dan had de advocaat van de klaagster meteen zelf contact kunnen opnemen met [AA] om na te gaan op basis van welke informatie van de notaris en in welke zin hij zich over de geheimhoudingsplicht had uitgelaten. De kamer constateert verder dat noch een verzoek van de notaris aan Het Notarieel Bureau of FBN Juristen, noch een formele reactie op dat verzoek in het geding is gebracht. Ook dat roept vragen op over de juistheid van de bewering van de notaris over het “standpunt” van de KNB. Bij gebrek aan andersluidende gegevens heeft de kamer echter onvoldoende aanleiding om te kunnen vaststellen dat de notaris zich van misleidende informatie heeft bediend om zijn standpunt over de geheimhoudingsplicht te verdedigen. Daarom is klachtonderdeel 2 ongegrond.

Klachtonderdeel 3:

5.19.     De klaagster verwijt de notaris dat hij een zorgvuldige beëindiging en afwikkeling van de samenwerking met de klaagster frustreert en traineert op een wijze zoals een behoorlijk notaris niet betaamt. Zij heeft onder meer gesteld dat de notaris vaak niet of zeer laat heeft gereageerd op berichten, dat hij herhaaldelijk gemaakte afspraken heeft gedwarsboomd en dat hij zich onwelwillend heeft getoond om tot een zorgvuldige en spoedige afwikkeling van de samenwerking te komen.

5.20.     De notaris heeft daar tegenin gebracht dat de reden dat de samenwerking nog niet is afgewikkeld direct is gelegen in het feit dat in verband met zijn geheimhoudingsplicht discussie bestaat over het verstrekken van bepaalde gegevens. Zelfs als zou worden geoordeeld dat hij zich niet op zijn geheimhoudingsplicht had mogen en mag beroepen, dan nog is het volgens de notaris niet klachtwaardig dat hij in de gegeven omstandigheden wel een beroep op die plicht heeft gedaan. Hij heeft dat immers niet tegen beter weten in gedaan, aldus de notaris.

5.21.     Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt de kamer voorop dat uit de feiten blijkt dat de notaris vóór de totstandkoming van de samenwerking heeft stilgestaan bij de vraag of hij zijn geheimhoudingsplicht zou schenden als een externe accountant op basis van zijn cliëntensysteem zou controleren of nieuwe zaken afkomstig waren uit het protocol van mr. [X]. De notaris en de klaagster hebben deze vraag toen ook voorgelegd aan hun externe accountants, die hebben laten weten dat zij van mening waren dat de notaris zijn geheimhoudingsplicht daardoor niet zou schenden. Daarna hebben de klaagster en de notaris vastgelegd dat een externe accountant toegang zou krijgen tot het cliëntensysteem van de notaris om de nieuw aangemaakte zaken met bijbehorende partijen te vergelijken met cliënten/partijen die tot het protocol van mr. [X] behoorden. Gelet op het grote belang van de geheimhoudingsplicht – waar de notaris zich bij het maken van deze afspraak kennelijk van bewust was – en de verantwoordelijkheid van de notaris om zijn geheimhoudingsplicht naar behoren te waarborgen, is de kamer van oordeel dat de klaagster er destijds op heeft mogen vertrouwen dat de accountantscontrole op de overeengekomen manier kon worden uitgevoerd zonder dat de notaris zijn geheimhoudingsplicht zou schenden. Zo zou objectief kunnen worden gecontroleerd of de afspraken over de verdeling van de nieuwe zaken zouden worden nagekomen.

5.22.     Nadat de notaris de samenwerking (voor de klaagster onverwacht) had beëindigd, heeft hij er
– weliswaar onder dreiging van een kort geding – eind augustus 2022 ook mee ingestemd dat in lijn met de gemaakte afspraak op korte termijn een accountantscontrole zou worden uitgevoerd aan de hand van zijn repertorium. Maar nadat dit kort geding was ingetrokken, heeft de notaris zich “bij nader inzien” toch op zijn geheimhoudingsplicht beroepen en gesteld dat hij alleen aan een accountantscontrole kan meewerken als deze geanonimiseerd plaatsvindt. Uit de hiervoor omschreven feiten (die slechts een beknopte weergave vormen van de jarenlange correspondentie over de afwikkeling van de samenwerking) blijkt dat de klaagster daarna bij herhaling heeft geprobeerd om afspraken met de notaris te maken over de wijze waarop de accountantscontrole zonder schending van zijn geheimhoudingsplicht alsnog zou kunnen worden uitgevoerd. Daaruit blijkt ook dat de notaris regelmatig niet (tijdig) op berichten van de (advocaat van de) klaagster heeft gereageerd. Bovendien is hij meerdere malen teruggekomen op gedane toezeggingen. De kamer is van oordeel dat dit gedrag niet past bij wat van een notaris mag worden verwacht.

5.23.     Ook nadat de notaris in augustus 2023 door de rechtbank was veroordeeld om met inachtneming van zijn geheimhoudingsplicht mee te werken aan de accountantscontrole, is het niet gelukt om daarover concrete afspraken met hem te maken en heeft de klaagster zich in november 2023 genoodzaakt gezien om opnieuw een civiele procedure tegen de notaris te starten. Deze heeft er uiteindelijk toe geleid dat eind oktober 2024 de VSO is gesloten, waarin zoals vermeld is bepaald dat cliëntgegevens zullen worden geanonimiseerd. Daarna is opdracht gegeven aan accountantskantoor Joanknecht om de controle uit te voeren en heeft dit kantoor contact gehad met (de systeembeheerder en de advocaat van) de notaris over de informatie die moest worden aangeleverd. Vast staat echter dat de notaris de informatie die de accountant had opgevraagd (zie 3.21.) niet heeft aangeleverd en dat de notaris in maart 2025 heeft laten weten dat hij de gevraagde gegevens ook niet zal verstrekken, waarbij hij opnieuw een beroep op zijn geheimhoudingsplicht heeft gedaan.

5.24.     Zoals vermeld, is de kamer van oordeel dat de notaris zich ten aanzien van de accountantscontrole ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht heeft beroepen. Daaruit volgt inderdaad niet vanzelfsprekend dat de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld omdat de afwikkeling van de samenwerking door zijn beroep op de geheimhoudingsplicht is vertraagd. De kamer heeft echter de indruk dat de notaris, sinds hij de samenwerking in juni 2022 heeft verbroken, grotendeels heeft volstaan met een herhaald beroep op zijn geheimhoudingsplicht. Niet is echter gebleken dat de notaris – behalve het gestelde contact met de KNB in maart 2025 – in al die jaren aan een deskundige (zoals bijvoorbeeld Het Notarieel Bureau) heeft voorgelegd of zijn standpunt verdedigbaar was. De kamer vindt dat dit wel van de notaris verwacht had mogen worden. Verder heeft de notaris zich op zijn zachtst gezegd weinig coöperatief opgesteld. De kamer is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden van hem verwacht had mogen worden dat hij actief naar mogelijkheden zou hebben gezocht om – vanzelfsprekend met inachtneming van zijn geheimhoudingsplicht – alsnog concreet invulling te kunnen geven aan de afspraak die hij met de klaagster had gemaakt over de controle op de afgesproken verdeling van de nieuwe zaken. Ook als op termijn zou worden geoordeeld dat zijn beroep op de geheimhoudingsplicht terecht was, had daar immers (alsnog) over moeten worden nagedacht. Het enkele feit dat de notaris achteraf vindt dat hij deze afspraken beter nooit had kunnen maken en dat de uitvoering daarvan een heidens karwei zou (kunnen) zijn, ontslaat hem niet van de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Al met al is de kamer daarom van oordeel dat de notaris de afwikkeling van de samenwerking heeft belemmerd op een manier die een behoorlijk notaris niet betaamt. Daarom is klachtonderdeel 3 gegrond.

Conclusie en maatregel

5.25.     De klachtonderdelen 1 en 3 zijn gegrond. Als een klacht (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, kan afhankelijk van de aard en omvang van het verwijtbare handelen een tuchtmaatregel worden opgelegd. De kamer is van oordeel dat daar aanleiding voor is. Van een notaris mag worden verwacht dat hij zich bewust is van de omvang zijn geheimhoudingsplicht. De kamer rekent het de notaris aan dat hij voorafgaand aan de samenwerking met de klaagster een afspraak heeft gemaakt over de accountantscontrole en dat hij zich na de verbreking van de samenwerking bij nader inzien alsnog jarenlang op zijn geheimhoudingsplicht heeft beroepen zonder vervolgens (aantoonbaar) te verifiëren of dit terecht was en/of zich in voldoende in te spannen om naar mogelijkheden te zoeken om op een andere wijze invulling te geven aan de gemaakte afspraak. Door de hiervoor omschreven gang van zaken, en met name het herhaaldelijk niet nakomen van gedane toezeggingen, heeft de notaris het vertrouwen geschaad dat de klaagster in hem als notaris had. Daarom vindt de kamer het passend en geboden dat aan hem de tuchtmaatregel van een waarschuwing wordt opgelegd. De kamer heeft daarbij in aanmerking genomen dat eerder een tuchtmaatregel aan de notaris is opgelegd, maar dat het in die zaak ging om een heel ander verwijt.

Proceskosten

Terugbetaling griffierecht

5.26.     Omdat de kamer de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart, moet de notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door de klaagster betaalde griffierecht van € 50,00 aan haar vergoeden.

Kostenveroordeling ten behoeve van de klaagster

5.27.     De kamer zal de notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder a Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 veroordelen in de volgende kosten:

  • de kosten die de klaagster in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken: deze kosten zijn vastgesteld op een bedrag van € 50,00;
  • de kosten van de klaagster in verband met rechtsbijstand die door een derde beroepsmatig is verleend: deze kosten zijn vastgesteld op een punt voor het indienen van de klacht en een punt voor het bijwonen van de zitting, waarbij de kamer de waarde per punt vaststelt op een bedrag van € 525,00 met een wegingsfactor 1, dus in totaal € 1.050,00.

5.28.     De notaris moet het griffierecht en de hiervoor genoemde kosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan de klaagster betalen. De klaagster moet daarvoor tijdig haar rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan de notaris.

Kostenveroordeling ten behoeve van de kamer

5.29.     Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder b Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00 met een wegingsfactor 1. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven om een andere wegingsfactor te hanteren. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De notaris zal hiervoor een nota ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) in Utrecht.

6.          De beslissing

De kamer:

6.1.      verklaart de klachtonderdelen 1 en 3 gegrond;

6.2.      verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

6.3.      legt aan de notaris de tuchtmaatregel van een waarschuwing op;

6.4.      veroordeelt de notaris tot betaling aan de klaagster van een bedrag van:

  • € 50,00 in verband met het genoemde griffierecht;
  • € 50,00 in verband met de genoemde kosten van de klaagster;
  • € 1.050,00 in verband met de genoemde kosten van rechtsbijstand van de klaagster

en bepaalt dat het totaalbedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.28. is omschreven;

6.5.      veroordeelt de notaris tot betaling aan de kamer van een bedrag van € 2.000,00 in verband met de genoemde kosten van behandeling van de zaak en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.29. is omschreven.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.T.M. Luijks, voorzitter, en mr. A.G.M.H. Bennenbroek en

mr. Y.M.R. van der Voort, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026 door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, (tevens) fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep:
 

U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.

[1]  Gerechtshof Amsterdam 28 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1165

[2] Gerechtshof Amsterdam 1 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1655

[3] Kamerstukken II, 2009/2010, 32 250, nr. 3, p. 7