ECLI:NL:TNORSHE:2026:16 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/56 SHE/2025/49

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:16
Datum uitspraak: 30-03-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s):
  • SHE/2025/56
  • SHE/2025/49
Onderwerp: Registergoed, subonderwerp: leveringsakte
Beslissingen: Verzet ongegrond
Inhoudsindicatie: De voorzitter heeft de klacht van klager afgewezen (SHE/2025/49). Klachtonderdeel 1 is namelijk van onvoldoende gewicht en klachtonderdeel 2 is kennelijk niet-ontvankelijk. Dit laatste klachtonderdeel borduurt voort op de klacht in een eerdere klachtprocedure en ziet op hetzelfde feitencomplex. Klager heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Na behandeling van een klacht door de tuchtrechter kan een latere klacht over “hetzelfde feit” niet nog eens worden behandeld (het ne-bis-in-idem-beginsel).Klager heeft verzet ingesteld tegen de voorzittersbeslissing. De kamer heeft dat verzet ongegrond verklaard (SHE/2025/56).

Klachtnummer    : SHE/2025/56 (eerder SHE/2025/49)

Datum uitspraak : 30 maart 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer) op het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer (hierna: de voorzitter) van 8 oktober 2025 op de klacht van:

[de klager] (hierna: klager)

woonplaats kiezend in [plaatsnaam]

tegen

[de notaris] (hierna: de notaris)

gevestigd in [vestigingsplaats].

1.          De procedure


1.1.      Voor het verloop van de procedure tot de bestreden beslissing van de voorzitter verwijst de kamer naar de omschrijving daarvan onder 1. van die beslissing. De voorzitter heeft de klacht bij die beslissing afgewezen.

1.2.      Klager heeft bij e-mail van 9 oktober 2025 verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.3.      De kamer heeft het verzet mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 23 februari 2026. Klager is daarbij aanwezig geweest en heeft zijn standpunt toegelicht. Klager heeft daarbij pleitaantekeningen gebruikt, die aan het verslag (proces-verbaal) van de zitting (mondelinge behandeling) zijn toegevoegd. De notaris is, met berichtgeving vooraf, niet verschenen.

2.          De feiten

Voor de beoordeling van het verzet acht de kamer de feiten die hieronder staan vermeld van belang. De kamer is ambtshalve bekend met deze feiten, omdat klager eerder een klacht tegen de notaris heeft ingediend.

2.1.      De heer [naam verkoper 1] en mevrouw [naam verkoper 2] (hierna samen: de verkopers) waren eigenaar van een perceel in [plaatsnaam]. Dit perceel zal hierna verkort worden aangeduid als perceel 5768.

2.2.      In 2014 is dat perceel gesplitst in twee percelen, hierna verkort aangeduid als perceel 6472 en perceel 6473. Het perceelnummer 5768 is daarbij komen te vervallen.

2.3.      In 2018 hebben de verkopers een koopovereenkomst gesloten met een derde. In de koopakte is het niet meer bestaande perceelnummer 5768 genoemd. Alleen perceel 6472 is vervolgens aan de derde geleverd. Een andere notaris heeft de levering verzorgd.

2.4.      In 2023 heeft de derde perceel 6472 aan de gemeente [X] verkocht en geleverd. Een andere notaris heeft de levering verzorgd.

2.5.      In 2023 hebben de verkopers perceel 6473 aan klager verkocht.

2.6.      De notaris die in 2018 de levering had verzorgd van perceel 6472 aan de derde, heeft zich medio 2023 tot de verkopers gewend. Hij heeft de verkopers verzocht om mee te werken aan rectificatie van de leveringsakte, zodat ook perceel 6473 aan de derde zou worden geleverd. De verkopers hebben daar niet mee ingestemd.

2.7.      Klager heeft advies ingewonnen bij de notaris. De notaris heeft de koopovereenkomst tussen de verkopers en klager op 31 oktober 2023 bij het kadaster ingeschreven.

2.8.      De notaris had opdracht van klager om de akte van levering van perceel 6473 te passeren.

2.9.      De gemeente [X] had een voorkeursrecht op perceel 6473 tot 2 november 2023.

2.10.    Op 3 november 2023 heeft de gemeente [X] een nieuw voorkeursrecht van koop op perceel 6473 bij het kadaster laten inschrijven.

2.11.    Op 17 november 2023 heeft de derde beslag laten leggen op perceel 6473.

2.12.    De notaris heeft uiteindelijk geweigerd om de levering te verzorgen van perceel 6473 aan klager, omdat de derde volgens de notaris een ouder en sterker recht had dan klager.

2.13.     In 2024 heeft klager een eerste klacht ingediend tegen de notaris. Die klacht heeft op 22 augustus 2024 geleid tot een (inmiddels onherroepelijke) beslissing van de kamer onder klachtnummer SHE/2024/06.

2.14.     In de beslissing van 22 augustus 2024 is de volgende klachtomschrijving opgenomen:

“3.1.       Klager verwijt de notaris dat hij niet zorgvuldig en onafhankelijk heeft gehandeld in de uitvoering van zijn werkzaamheden voor klager, omdat de notaris geen antwoord geeft op de vraag van klager of de notaris per e-mail aan de advocaat van de derde heeft laten weten geen medewerking aan de levering van het perceel te verlenen.”

De kamer heeft deze klacht gegrond verklaard zonder een maatregel op te leggen. De notaris is veroordeeld “tot betaling aan klager van een bedrag van € 50,00 in verband met het door klager betaalde griffierecht en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 4.6. is omschreven.”

In 4.6. van genoemde beslissing staat vermeld:

“De notaris moet het griffierecht binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan klager vergoeden. Klager moet daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan de notaris.”

2.15.     Nadien heeft de rechtbank Limburg in de door de derde tegen de verkopers gestarte procedure op 15 januari 2025 vonnis gewezen. In dat vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de in 2018 tussen de verkopers en de derde gesloten koopovereenkomst blijkt dat beide partijen de wil hebben gehad om zowel perceel 6472 als perceel 6473 te (ver)kopen. De verkopers zijn daarom (kort gezegd) veroordeeld om medewerking te verlenen aan het rectificeren van de destijds gepasseerde akte van levering.

3.          De klacht

3.1.      Samengevat bevat de klacht de volgende twee onderdelen.

1. De notaris heeft het door klager betaalde griffierecht in de eerste klachtprocedure niet conform de beslissing van de kamer van 22 augustus 2024 aan klager vergoed;

2. De notaris heeft geweigerd om (op basis van de tussen de verkopers en klager gesloten koopovereenkomst) de akte van levering ten aanzien van perceel 6473 te passeren, terwijl daar genoeg tijd voor was geweest. De koopovereenkomst is op 31 oktober 2023 bij het kadaster ingeschreven en door de derde is pas op 17 november 2023 beslag gelegd op genoemd perceel.

3.2.       De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze klacht.

4.          De beoordeling

Is het verzet ontvankelijk?

4.1.      Als de voorzitter een klacht afwijst, kan een klager op grond van artikel 99 lid 15 Wet op het notarisambt (Wna) binnen veertien dagen na de dag van verzending van die beslissing daartegen schriftelijk verzet instellen bij de kamer. De kamer heeft het verzetschrift binnen die termijn ontvangen, zodat het verzet ontvankelijk is.

Is het verzet gegrond?

4.2.      Vervolgens is de vraag aan de orde of het verzet gegrond of ongegrond is. Als de kamer van oordeel is dat de afwijzende beslissing van de voorzitter op goede gronden is gegeven, wordt het verzet ongegrond verklaard. Als de kamer oordeelt dat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter (gedeeltelijk) gegrond is, vervalt de beslissing van de voorzitter (in zoverre) en neemt de kamer de klacht of het betreffende klachtonderdeel overeenkomstig artikel 99 lid 20 Wna in verdere behandeling.

4.3.      Klager heeft de gronden van zijn verzet bij de mondelinge behandeling nader toegelicht. Voor zover klager zijn klacht daarbij heeft uitgebreid ten opzichte van de klacht die hij oorspronkelijk heeft ingediend, wordt deze uitbreiding buiten beschouwing gelaten. In artikel 9 van het Reglement omtrent de werkwijze van de kamers voor het notariaat staat namelijk dat het niet is toegestaan om een klacht uit te breiden nadat deze is ingediend.

4.4.      De voorzitter heeft de klacht direct afgewezen. Samengevat heeft hij het volgende geoordeeld.

1. Klachtonderdeel 1 is van onvoldoende gewicht.

2. Klachtonderdeel 2 is kennelijk niet-ontvankelijk. Dit klachtonderdeel borduurt voort op de klacht in de eerste klachtprocedure en ziet op hetzelfde feitencomplex. Klager heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Na behandeling van een klacht door de tuchtrechter kan een latere klacht over “hetzelfde feit” niet nog eens worden behandeld (het ne-bis-in-idem-beginsel).

4.5.      Op grond van artikel 99 lid 15 Wna moet een klager gemotiveerd aangeven met welke overwegingen van de voorzitter hij zich niet kan verenigen. Klager is hierop ook gewezen in de verklaring die onderaan de voorzittersbeslissing staat vermeld.

Klachtonderdeel 1

4.6.      De kamer stelt vast dat klager geen bezwaren heeft geuit tegen de beoordeling van klachtonderdeel 1 door de voorzitter. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling van het verzet desgevraagd verklaard dat de notaris het door klager betaalde griffierecht in de eerste klachtprocedure inmiddels aan hem heeft vergoed. De kamer heeft dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan de voorzitter heeft gedaan: klachtonderdeel 1 is van onvoldoende gewicht.  

Klachtonderdeel 2

4.7.      Zoals de voorzitter terecht heeft overwogen, geldt ook in het tuchtrecht de regel dat na behandeling van een klacht door de tuchtrechter, een latere klacht over “hetzelfde feit” niet nog eens kan worden behandeld. Dit ne-bis-in-idem-beginsel brengt mee dat een klager, die naar aanleiding van een bepaald feitencomplex over een notaris wenst te klagen, zijn klachten in één keer kenbaar moet maken. Dit betekent dat als een klacht over een bepaald feitencomplex is beoordeeld en daarop is beslist, de klager later niet opnieuw en met een andere klacht naar aanleiding van datzelfde feitencomplex over de notaris kan klagen. Een notaris moet ervan kunnen uitgaan dat alle klachten over de manier waarop hij in een bepaalde periode zijn werk heeft gedaan tegelijk worden ingediend.

4.8.      Klager vindt dat hij in deze klachtprocedure een nieuw feit naar voren heeft gebracht. Volgens klager blijkt uit het latere vonnis van de rechtbank Limburg van 15 januari 2025 namelijk dat de notaris had kunnen meewerken aan de levering van perceel 6473 aan klager. De notaris had de akte van levering van perceel 6473 moeten passeren, vóórdat het nieuwe voorkeursrecht van de gemeente inging op 3 november 2023 en dus ook vóórdat er beslag zou worden gelegd. Klager kon dit in de eerste klachtprocedure nog niet hardmaken.

4.9.      De kamer deelt het standpunt van klager niet en licht dat hieronder toe.

4.10.     In de eerste klachtprocedure verweet klager de notaris dat hij geen antwoord wilde geven op de vraag of hij aan de advocaat van de derde had meegedeeld geen medewerking te zullen verlenen aan de levering van perceel 6473. Uit de beslissing van 22 augustus 2024 blijkt dat destijds onder andere de volgende feiten al bekend waren:

- het voorkeursrecht van de gemeente;

- de inschrijving van de koopovereenkomst van perceel 6473;

- het door de derde gelegde beslag; en

- de weigering van de notaris om mee te werken aan de levering van perceel 6473.

De kamer heeft in de eerste beslissing onder andere overwogen:

“4.4.    Vaststaat dat de notaris opdracht van klager had om de akte van levering te passeren ten behoeve van perceel [6473] en dat de notaris dit uiteindelijk heeft geweigerd omdat de derde volgens de notaris een ouder en sterker recht had dan klager.”    

4.11.     De klacht in de eerste klachtprocedure hing dus, net als klachtonderdeel 2 in deze klachtprocedure, samen met de weigering van de notaris om mee te werken aan de levering van perceel 6473. Ook het feitencomplex dat aan beide klachtonderdelen ten grondslag is gelegd, is hetzelfde. De kamer heeft hierover al in de eerste klachtprocedure beslist. Dit betekent dat klager niet opnieuw en met een andere klacht naar aanleiding van datzelfde feitencomplex over de notaris kan klagen. Dat klager in het vonnis van de rechtbank Limburg leest dat de notaris had kunnen meewerken aan de levering van perceel 6473, levert geen nieuw feit op. Klager heeft ook zelf tijdens de mondelinge behandeling van het verzet verklaard dat hij met het vonnis van de rechtbank Limburg een bevestiging kreeg van zijn al eerder bestaande vermoedens. Nieuw bewijs is onvoldoende om te kunnen spreken van een nieuwe, andere klacht. Het feitencomplex met betrekking tot wat de notaris wel of niet heeft gedaan, verandert daardoor namelijk niet.

Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling van het verzet verder nog verklaard dat hij de eerste klacht niet helemaal goed heeft verwoord en ook had moeten klagen over de weigering van de notaris om mee te werken aan de levering. Voor zover klager in de eerste klachtprocedure over dit onderwerp niet volledig is geweest, komt dat voor zijn rekening en heeft klager zijn recht verloren om hierover nog een keer te klagen. Klachtonderdeel 2 is kennelijk niet-ontvankelijk.

Conclusie

4.12.     De kamer is van oordeel dat de voorzitter de klacht terecht heeft afgewezen. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.          De beslissing

De kamer:

verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. T. Dohmen, voorzitter, mr. A.G.M.H. Bennenbroek en mr. M.A.  Rosenbrand-Biesheuvel, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026 door mr. S.H.L. Baggel, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.  

Ter informatie: Op grond van artikel 99 lid 19 Wet op het notarisambt staat tegen de beslissing van de kamer tot niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring van het verzet geen rechtsmiddel open.

Klachtnummer    : SHE/2025/49

Datum uitspraak : 8 oktober 2025

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter (hierna: de voorzitter) van de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de kamer) naar aanleiding van de klacht van:


[de klager] (hierna: klager)

woonplaats kiezend in [plaatsnaam]

tegen

[de notaris] (hierna: de notaris)

gevestigd in [vestigingsplaats]

1.         De procedure

1.1.      De kamer heeft op 19 augustus 2025 een e-mail (met bijlage) ontvangen van klager, waarin een klacht is geformuleerd tegen de notaris.

1.2.      De notaris heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.3.      De kamer heeft klager in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het verweer ten aanzien van klachtonderdeel 1. Klager heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt bij e-mail van 26 september 2025. 

2.         De feiten

2.1.      De voorzitter is ermee bekend dat klager eerder een klacht tegen de notaris bij de kamer heeft ingediend. Deze klacht heeft op 22 augustus 2024 geleid tot een beslissing van deze kamer onder klachtnummer SHE/2024/06. Deze beslissing is inmiddels onherroepelijk.

2.2.      In de beslissing is de volgende klachtomschrijving opgenomen:

“3.1.       Klager verwijt de notaris dat hij niet zorgvuldig en onafhankelijk heeft gehandeld in de uitvoering van zijn werkzaamheden voor klager, omdat de notaris geen antwoord geeft op de vraag van klager of de notaris per e-mail aan de advocaat van de derde heeft laten weten geen medewerking aan de levering van het perceel te verlenen.”

De kamer heeft deze klacht gegrond verklaard zonder een maatregel op te leggen. De notaris is veroordeeld “tot betaling aan klager van een bedrag van € 50,00 in verband met het door klager betaalde griffierecht en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 4.6. is omschreven.”

In 4.6. van genoemde beslissing staat vermeld:

“De notaris moet het griffierecht binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan klager vergoeden. Klager moet daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan de notaris.”

2.3.      Voor de door de kamer vastgestelde feiten verwijst de voorzitter naar eerdergenoemde beslissing. Nadien heeft de rechtbank Limburg in de door een derde tegen [verkoper 1] en [verkoper 2] gestarte procedure op 15 januari 2025 vonnis gewezen. In dat vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de in 2018 tussen [verkoper 1]/[verkoper 2] en de derde gesloten koopovereenkomst blijkt dat beide partijen de wil hebben gehad om zowel perceel [6472] als perceel [6473] te (ver)kopen. [Verkoper 1] en [verkoper 2] zijn daarom (kort gezegd) veroordeeld om medewerking te verlenen aan het rectificeren van de destijds gepasseerde akte van levering.

3.         De klacht

3.1.      Samengevat bevat de klacht de volgende twee onderdelen.

1. De notaris heeft het door klager betaalde griffierecht in de eerste klachtprocedure niet conform de beslissing van de kamer van 22 augustus 2024 aan klager vergoed;

2. De notaris heeft geweigerd om (op basis van de tussen [verkoper 1]/[verkoper 2] en klager gesloten koopovereenkomst) de akte van levering ten aanzien van perceel [6473] te passeren, terwijl daar genoeg tijd voor was geweest. De koopovereenkomst is op 31 oktober 2023 bij het kadaster ingeschreven en door de derde is pas op 17 november 2023 beslag gelegd op genoemd perceel.   

3.2.      De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de klacht. Voor zover dit verweer van belang is voor de beoordeling, zal dit hierna worden besproken.

4.         De beoordeling

4.1.      Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen en/of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.   

4.2.      Indien de voorzitter na een summier onderzoek van oordeel is dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, kan hij de klacht op grond van artikel 99 lid 11 Wna direct afwijzen.

4.3.      De voorzitter zal hierna eerst klachtonderdeel 2 en daarna klachtonderdeel 1 beoordelen.

Klachtonderdeel 2 (weigeren om akte van levering te passeren)

4.4.      Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat volgens vaste rechtspraak van de hoogste notariële tuchtrechter ook in het tuchtrecht de regel geldt dat na behandeling van een klacht door de tuchtrechter, een latere klacht over “hetzelfde feit” niet nog eens kan worden behandeld. Dit ‘ne-bis-in-idem-beginsel’ brengt mee dat een klager, die zich naar aanleiding van een bepaald feitencomplex over een notaris wenst te beklagen, zijn klachten in één keer kenbaar dient te maken. Daaruit volgt dat, nadat een klacht over een bepaald feitencomplex is beoordeeld en daarop is beslist, de klager zich later niet opnieuw en met een andere klacht naar aanleiding van dat feitencomplex over de notaris kan beklagen. Een notaris moet ervan kunnen uitgaan dat alle klachten over de wijze waarop hij gedurende een bepaalde periode zijn werkzaamheden heeft verricht tegelijk worden ingediend.

4.5.      De notaris heeft in zijn verweer tegen klachtonderdeel 2 een beroep gedaan op dit beginsel. De notaris heeft erop gewezen dat de kamer zich naar aanleiding van de eerste klacht die klager tegen hem heeft ingediend reeds een oordeel heeft gevormd over de in die klacht gemaakte verwijten. In klachtonderdeel 2 van deze klacht gaat het om hetzelfde feitencomplex.

4.6.      De voorzitter overweegt het volgende. De eerste klacht die heeft geleid tot de beslissing van de kamer op 22 augustus 2024 ging (kort gezegd) over het feit dat de notaris geen antwoord gaf op klagers vraag of de notaris per e-mail aan de advocaat van de derde had laten weten geen medewerking te verlenen aan de levering van perceel [6473].

De voorzitter stelt vast dat klachtonderdeel 2 van deze klacht in essentie op ditzelfde verwijt voortborduurt. In dit klachtonderdeel verwijt klager de notaris dat hij zijn medewerking aan de levering van perceel [6473] heeft geweigerd. Klachtonderdeel 2 ziet naar het oordeel van de voorzitter op hetzelfde feitencomplex dat aan de eerste klacht ten grondslag werd gelegd. Klager heeft in deze klacht geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die hij niet ook al in de eerste klachtprocedure naar voren heeft gebracht. Het nadien door de rechtbank Limburg gewezen vonnis (2.3.) werpt geen ander licht op die feiten. Voor zover klager in de eerste klachtprocedure niet volledig is geweest in zijn klachtomschrijving, komt dat voor zijn rekening.

4.7.      De conclusie is dat het beroep op het ne-bis-in-idem-beginsel slaagt en daarom is klachtonderdeel 2 kennelijk niet-ontvankelijk.

Klachtonderdeel 1 (griffierecht in eerste klachtprocedure niet aan klager vergoeden)

4.8.      Vast staat dat de notaris het bedrag van € 50,00 niet binnen vier weken na het onherroepelijk worden van de beslissing in de eerste klachtprocedure aan klager heeft vergoed.

4.9.      De notaris heeft hiervoor als reden aangevoerd dat klager op grond van bedoelde beslissing in verband met die betaling zijn rekeningnummer schriftelijk aan hem had moeten doorgeven en dat klager dat nog niet heeft gedaan. 

4.10.    Bij e-mail van 26 september 2025 heeft de kamer aan klager verzocht om te laten weten of - en zo ja wanneer - hij zijn rekeningnummer schriftelijk aan de notaris heeft doorgegeven.

Op dezelfde dag heeft klager aan de kamer laten weten dat zijn rekeningnummer al bij de notaris bekend was. Klager heeft zijn rekeningnummer namelijk moeten opgeven toen hij cliënt werd van de notaris en hij heeft ook een factuur van de notaris betaald. Als de notaris niet wist naar welk rekeningnummer hij het geld moest overmaken, had hij het rekeningnummer volgens klager bij hem moeten opvragen.  

4.11.    Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt de voorzitter voorop dat het de notaris had gesierd om na de eerdere beslissing op eigen initiatief zorg te dragen voor een tijdige nakoming daarvan. Dat de notaris dit niet heeft gedaan acht de voorzitter echter van onvoldoende gewicht om hem daarover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Immers, in de beslissing van de kamer is overwogen: “De notaris moet het griffierecht binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan klager vergoeden. Klager moet daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk  doorgeven aan de notaris.” Niet is gesteld of gebleken dat klager naar aanleiding van deze beslissing tijdig zijn rekeningnummer aan de notaris heeft doorgegeven.

Conclusie

4.12.    De klacht is deels kennelijk niet-ontvankelijk (klachtonderdeel 2) en deels van onvoldoende gewicht (klachtonderdeel 1) en daarom zal de voorzitter deze direct afwijzen.    

5.         De beslissing

De voorzitter:

wijst de klacht direct af.

Deze beslissing is op 8 oktober 2025 gegeven door mr. T. Zuidema, plaatsvervangend voorzitter.

Tegen deze beslissing van de voorzitter tot afwijzing van de klacht kan de klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij deze kamer voor het notariaat (Postadres: Postbus 70584, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch). De klager moet gemotiveerd aangeven met welke overweging(en) van de voorzitter hij/zij zich niet kan verenigen.

Hij/zij kan daarbij vragen over het verzet te worden gehoord (artikel 99, lid 15, Wna).

De voorzitter die de beslissing heeft gegeven waartegen verzet is gedaan, maakt geen deel uit van de kamer die beslist op het verzet.