We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TNORSHE:2026:15 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/69

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:15
Datum uitspraak: 01-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): SHE/2025/69
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Testamenten
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: De oom van de klager heeft zijn testament gewijzigd. De klager verwijt de notaris in de kern dat hij heeft meegewerkt aan de wijziging van het testament van de oom, zonder dat hij voldoende heeft onderzocht of de oom destijds wilsbekwaam was om deze rechtshandeling te verrichten. Ook verwijt de klager de notaris dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar plaatsvervulling en daarmee de rechtspositie van de klager. De klacht wordt ongegrond verklaard.

Klachtnummer    : SHE/2025/69

Datum uitspraak : 1 juni 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:


[de klager] (hierna: de klager)

wonende in [woonplaats]

tegen

[de notaris] (hierna:de notaris)

gevestigd in [vestigingsplaats]

gemachtigde: de heer mr. G. van Atten, advocaat in Heemstede

1.         De zaak in het kort

De oom van de klager heeft op 7 december 2018 zijn testament gewijzigd. De klager verwijt de notaris in de kern dat hij heeft meegewerkt aan de wijziging van het testament van de oom, zonder dat hij voldoende heeft onderzocht of de oom destijds wilsbekwaam was om deze rechtshandeling te verrichten. Ook verwijt de klager de notaris dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar plaatsvervulling en daarmee de rechtspositie van de klager.

2.          Het verloop van de procedure

De beslissing van de kamer is gebaseerd op:

  • de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 21 december 2025;
  • het verweerschrift;
  • de e-mail (met opnieuw bijlage 1) van 23 maart 2026 van de klager;
  • de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling van de klacht op 30 maart 2026, zoals vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.

3.          De feiten

De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder “5. De beoordeling” verder in op de feitelijke gang van zaken.

1. De klager is de zoon van de heer [naam vader] (hierna: de vader). De broer van de vader en dus de oom van de klager is de heer [naam oom] (hierna: de oom).

2. De oom heeft op 8 maart 1994 een testament gemaakt.

3. Op 11 maart 2016 heeft de kantonrechter in Middelburg een bewind ingesteld over alle goederen van de oom. Ook heeft de kantonrechter een mentorschap ingesteld over de oom. De partner van de oom is benoemd tot bewindvoerder en mentor. In de beschikking van de kantonrechter staat in overweging 2.3 vermeld:

“Uit de stukken en de behandeling ter terechtzitting is voldoende aannemelijk geworden dat de rechthebbende als gevolg van de lichamelijke of geestelijke toestand duurzaam niet in staat is zelf ten volle zijn belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, reden waarom de kantonrechter het verzoek zal inwilligen.”

4. De oom heeft op 7 december 2018 zijn testament gewijzigd. In zijn nieuwe testament heeft de oom eerdere testamenten herroepen. De notaris heeft dit nieuwe testament gepasseerd.

5. De vader is op [datum] 2022 overleden.

6. De oom is op [datum] 2025 overleden.

7. Op 29 augustus 2025 heeft de notaris de klager onder andere meegedeeld dat:

  • de onderbewindstelling niet was gepubliceerd in het Centraal curatele- en bewindregister;
  • de voorbereidende bespreking met de oom en de passeerafspraak in 2018 geen aanleiding gaven tot twijfel aan de verstandelijke vermogens van de oom;
  • de klager op grond van het testament van 1994 geen erfgenaam/legataris zou zijn geweest van de oom en hij dat op grond van het testament van 2018 ook niet is.

8. Op 16 september 2025 heeft een gerechtsjurist van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op een vraag van de klager over de beschikking van de kantonrechter geantwoord:

“Hetgeen in de beschikking onder punt 2.3 staat kunt u juridisch duiden als wilsonbekwaam.”

4.          De klacht

4.1.      Bij de mondelinge behandeling is de inhoud van de klacht met de klager besproken. Hij heeft bevestigd dat zijn klacht in de kern op het volgende neerkomt.

1. De notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar plaatsvervulling en daarmee de rechtspositie van de klager.

2. De notaris heeft op 7 december 2018 zijn medewerking verleend aan de wijziging van het testament van de oom, zonder dat hij voldoende heeft onderzocht of de oom destijds wilsbekwaam was om deze rechtshandeling te verrichten.

4.2.      De notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht.

5.          De beoordeling

Kan de kamer de klacht behandelen?

5.1.      Voordat de kamer een klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet de kamer eerst beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht te mogen behandelen (de ontvankelijkheid van de klacht).

Zo moet een klager “enig redelijk belang” hebben bij de klacht (artikel 99 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna)).

5.2.      Het begrip “enig redelijk belang” moet ruim worden opgevat. Het kan een rechtstreeks belang zijn, maar ook een indirect of afgeleid belang. Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter, hierna: het hof) dat klagers een redelijk belang hebben bij klachten over een testament als zij erfgenamen bij versterf zijn (zie bijvoorbeeld het hof 13 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:320). Hun betrokkenheid bij een testament vloeit daar uit voort.

5.3.      Een versterferfgenaam is iemand die op grond van de wet de erfgenaam is van een overleden persoon als de overleden persoon in een testament niet (een) andere erfgena(a)m(en) heeft benoemd. Vast staat dat de klager een versterferfgenaam is van de oom. Ook staat vast dat de klacht betrekking heeft op het testament van de oom. De klager heeft daarom een redelijk belang bij zijn klacht. De vraag of de klager al dan niet is benadeeld door het in werking treden van het laatste testament van de oom, is een civielrechtelijke vraag die in het tuchtrecht niet van belang is. De klacht is dus ontvankelijk.

Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?

De maatstaf

5.4.      De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen (artikel 93 lid 1 Wna). De tuchtrechter toetst of:

  • hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere wet- en regelgeving die van toepassing is;
  • zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.

Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken (rechts)personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).

Wat vindt de kamer?

5.5.      De kamer oordeelt dat de handelwijze van de notaris voldoet aan de genoemde maatstaf. Hierna legt de kamer per klachtonderdeel uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Klachtonderdeel 1 (onvoldoende onderzoek naar plaatsvervulling/rechtspositie van de klager)

5.6.      De klager verwijt de notaris dat hij heeft nagelaten te onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, plaatsvervulling van toepassing is nu de vader - een in het testament van 1994 genoemde erfgenaam van de oom - vóór de oom is overleden. Dit is relevant voor de rechtspositie van de klager als mogelijk belanghebbende.  

5.7.      De notaris heeft daar tegenin gebracht dat de regels van het versterferfrecht inclusief de plaatsvervullingsregels niet gelden, omdat de oom in 1994 en 2018 een testament heeft opgemaakt. Of de oom in zijn testamenten van 1994 en 2018 een plaatsvervullingsregeling heeft opgenomen, is volgens de notaris niet relevant. De vader is in beide testamenten namelijk niet tot erfgenaam benoemd. Aangezien de vader geen rechten aan de beide testamenten ontleent, kan van plaatsvervulling door de klager geen sprake zijn.  

5.8.      De kamer stelt voorop dat plaatsvervulling betekent dat iemand in de plaats treedt van een oorspronkelijke erfgenaam en daarmee dus zelf erfgenaam wordt.

De kamer heeft geen aanleiding om te twijfelen aan het betoog van de notaris dat de vader op grond van het laatste testament van 2018 geen erfgenaam is van de oom en dat de vader op grond van het (herroepen) testament van 1994 ook geen erfgenaam zou zijn geweest. Nu de vader geen oorspronkelijke erfgenaam is van de oom, kan de klager dus niet in de plaats treden van zijn overleden vader en op die manier (door middel van plaatsvervulling) zelf erfgenaam worden van de oom.

5.9.      Tijdens de mondelinge behandeling heeft de notaris verklaard dat de klager na het overlijden van de oom met zijn zus naar het notariskantoor is gegaan. Zij hebben daar gesproken met een medewerkster van de notaris, die veertig jaar ervaring heeft. Deze medewerkster heeft aan de klager uitgelegd dat de vader op grond van het testament van 1994 geen erfgenaam van de oom zou zijn geweest en op grond van het testament van 2018 ook geen erfgenaam is. De medewerkster heeft meegedeeld dat van plaatsvervulling daarom geen sprake kan zijn.

De klager heeft niet weersproken dat de medewerkster deze uitleg aan hem heeft gegeven. In de brief van 29 augustus 2025 heeft de notaris herhaald dat de klager geen erfgenaam van de oom is:

“De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 8 januari 1982 echter beperkt ruimte gegeven om onder bepaalde omstandigheden - zulks ter beoordeling van de notaris - enige informatie te verstrekken aan onterfde versterferfgenamen, welke laatste positie op u van toepassing is. In dat kader bericht ik u dat het testament van 7 december 2018 voor u (en overige versterferfgenamen) geen wijziging aanbrengt in uw positie ingeval het eerdere testament van 8 maart 1994 nog ongewijzigd van kracht zou zijn. Ook in die situatie zou u geen belanghebbende (erfgenaam danwel legataris) in de nalatenschap zijn geweest.”

5.10.     Op basis van de door de notaris (tijdens de mondelinge behandeling) gegeven toelichting en de hiervoor geciteerde brief oordeelt de kamer dat de notaris voldoende onderzoek heeft gedaan naar de rechtspositie van de klager. Klachtonderdeel 1 zal daarom ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel 2 (onvoldoende onderzoek naar wilsbekwaamheid van de oom)

5.11.     De klager heeft naar voren gebracht dat er verschillende indicatoren aanwezig waren, die voor de notaris aanleiding hadden moeten vormen om in 2018 nader onderzoek te (laten) doen naar de wilsbekwaamheid van de oom. De notaris heeft dit nagelaten. De klager wijst op de volgende indicatoren/omstandigheden.

  1. In 2016 is het vermogen van de oom onder bewind gesteld en is er over hem een mentorschap ingesteld. Uit de beschikking van de kantonrechter van 11 maart 2016 blijkt dat de oom als gevolg van de lichamelijke of geestelijke toestand duurzaam niet in staat was zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Een gerechtsjurist van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in 2025 bevestigd dat dit juridisch is te duiden als wilsonbekwaamheid.
  2. De oom heeft zijn testament in 2018 ingrijpend gewijzigd door - in afwijking van het testament van 1994 - zijn versterferfgenamen te onterven/benadelen.
  3. De oom woonde in 2018 in een gesloten zorginstelling. De oom had een hoge zorgindicatie (ZZP 7) en leed aan een ernstige vorm van het syndroom van Korsakov.

5.12.     De notaris heeft daar het volgende tegenin gebracht. In 2018 heeft de boekhouder van de oom contact opgenomen met de notaris. Vervolgens is de oom door een derde (de heer [X]) naar het notariskantoor gebracht voor een bespreking. De notaris heeft de oom, een oudere en alleenstaande man, onder vier ogen gesproken en de oom heeft hem verteld dat hij beschut woonde in een zorginstelling. De notaris was ermee bekend dat de boekhouder alles voor hem regelde. De door de oom gewenste wijziging van zijn testament was logisch, niet complex en paste bij de omstandigheden. De wijziging was ook in lijn met het eerdere testament van 1994. De vader is in 2018, net als in het testament van 1994, niet benoemd tot erfgenaam. De notaris heeft de oom open vragen gesteld om te bepalen of hij consistent was in zijn antwoorden en of hij de gevolgen van de wijziging kon overzien. Na de eerste bespreking heeft de notaris een concept van het testament op verzoek van de oom naar het adres van de boekhouder gestuurd. Dit adres stond ook als briefadres vermeld in de Basisregistratie Personen (BRP).

Enkele weken later is de oom weer door de heer [X] naar het notariskantoor gebracht. De notaris heeft de oom weer onder vier ogen gesproken. Hij heeft met hem de inhoud van het nieuwe testament besproken en de wilsbekwaamheid van de oom gecontroleerd. Opnieuw kwam de notaris tot de conclusie dat de oom wilsbekwaam was. Volgens de notaris had hij de kleine wijziging ook in een aanvullend testament kunnen vastleggen, maar heeft hij om praktische redenen een geheel nieuw testament opgemaakt. Op die manier zou namelijk maar één testament van toepassing zijn op de nalatenschap van de oom. De notaris heeft het testament gepasseerd en op verzoek van de oom een afschrift van het testament verzonden naar het feitelijke woonadres van de oom.

De notaris voert aan dat hij in 2018 niet wist dat het vermogen van de oom onder bewind was gesteld (en dat over hem een mentorschap was ingesteld), omdat de oom niet in het Centraal curatele- en bewindregister was geregistreerd. De notaris was er evenmin mee bekend dat de oom in een gesloten zorginstelling woonde, een hoge zorgindicatie had en leed aan Korsakov, zoals de klager beweert.

Ook met de wetenschap van nu (over het bewind) blijft de notaris bij zijn standpunt dat hij geen enkele twijfel had en heeft over de wilsbekwaamheid van de oom in 2018. 

5.13.     Het is niet aan de kamer als tuchtrechter om te beoordelen of de oom in 2018 al dan niet wilsbekwaam was, maar of de notaris voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de oom. Bij deze beoordeling stelt de kamer voorop dat als uitgangspunt geldt dat iedereen aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd een testament kan maken. Een notaris moet daaraan in de meeste gevallen zijn ministerie (medewerking) verlenen en moet op verlangen van een testateur (degene die een testament maakt) doen wat is vereist om vast te leggen wat er moet gebeuren als de testateur overlijdt. Zoals bij elke akte moet de notaris de wilsbekwaamheid van de betrokkene beoordelen. Volgens vaste jurisprudentie van het hof moet bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van een cliënt primair worden uitgegaan van de eigen waarneming van de notaris, aan wie daarbij beoordelingsruimte toekomt. Pas bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid moet er verder onderzoek worden gedaan. Het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (hierna: het Stappenplan) biedt hiervoor een handreiking.

5.14.     In het Stappenplan staan indicatoren vermeld die aanleiding kunnen zijn voor een nadere beoordeling van de wilsbekwaamheid. Als een notaris - ook al heeft hij kennis van het bestaan van één of meer indicatoren - geen aanleiding hoeft te hebben om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, hoeft hij het Stappenplan niet te volgen. Van belang hierbij is onder meer de indruk die een cliënt in een gesprek maakt. Ook als achteraf uit een rapport van een deskundige of getuigenverklaringen valt af te leiden dat een cliënt op het moment van een bespreking of passeren van de akte (mogelijk) niet als wilsbekwaam kon worden aangemerkt, betekent dit nog niet zonder meer dat dit ook aan de notaris duidelijk had moeten zijn geweest. Of dit zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval (zie het hof 30 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:199).

5.15.     De notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid verklaard over de totstandkoming van het testament van de oom in 2018 (overweging 5.12.). De kamer heeft geen aanleiding om aan de juistheid van dit relaas te twijfelen. De kamer oordeelt dat de notaris daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de gegeven situatie voldoende alert is geweest op de wilsbekwaamheid van de oom en dat hij op zijn eigen waarneming heeft mogen vertrouwen.

Bij dit oordeel betrekt de kamer het volgende.

  • De notaris was er in 2018 niet van op de hoogte dat het vermogen van de oom onder bewind was gesteld en dat over de oom een mentorschap was ingesteld. De notaris was er evenmin mee bekend dat - zoals de klager stelt - de oom in een gesloten zorginstelling woonde, een hoge zorgindicatie had en leed aan Korsakov. In deze klachtprocedure is niet komen vast te staan dat de notaris van deze indicatoren kennis had kunnen of moeten dragen. Zo heeft de klager niet weersproken dat de oom niet in het Centraal curatele- en bewindregister was geregistreerd. Deze achteraf verkregen kennis speelt bij de beoordeling of de notaris een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken dan ook geen rol.
  • De notaris heeft met zijn handelwijze voldoende gewaarborgd dat de oom zijn wil op onafhankelijke wijze heeft kunnen overbrengen aan de notaris.
  • De notaris heeft verklaard dat hij, gelet op de duidelijke en consistente antwoorden van de oom, geen aanleiding heeft gezien om verder onderzoek te doen naar de wilsbekwaamheid van de oom.
  • De notaris heeft verklaard dat de door de oom gewenste wijziging van het testament niet complex was, logisch, verklaarbaar en in lijn met het eerdere testament van 1994.

5.16.     De kamer realiseert zich dat de klager een andere waarneming van zijn oom heeft gehad. In deze tuchtrechtelijke procedure draait het echter om het contact tussen de notaris en de oom tijdens de eerste bespreking en tijdens de passeerafspraak op 7 december 2018. Het gaat hier om de waarnemingen tijdens die momenten. De kamer ziet, zoals gezegd, geen aanleiding om de waarnemingen van de notaris in twijfel te trekken.

5.17.     De kamer zal klachtonderdeel 2 daarom ongegrond verklaren.

6.          De beslissing

De kamer:

verklaart de klacht ongegrond

Deze beslissing is gegeven door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter, mr. S.H.L. Baggel en mr. M.C. Stout, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026 door mr. T. Zuidema, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep:
 

U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.