ECLI:NL:TNORSHE:2026:14 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/53
| ECLI: | ECLI:NL:TNORSHE:2026:14 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 09-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | SHE/2025/53 |
| Onderwerp: | Registergoed, subonderwerp: leveringsakte |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | De klager heeft zijn ex-partner geholpen met het overnemen van een woning door samen met haar een hypotheeklening aan te gaan. Het was de bedoeling dat de ex-partner de onverdeelde helft van haar woning vervolgens aan de klager zou leveren. Zo ver is het echter niet gekomen, omdat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder de verkoop en levering moesten plaatsvinden. De klager verwijt de oud-notaris in de kern dat hij de leveringsakte niet heeft gepasseerd. Dat klachtonderdeel is te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk.De klacht is gegrond voor zover de oud-notaris in de periode na 31 oktober 2022 tot medio augustus 2023 niet heeft gerappelleerd en niet actief bij de klager is nagegaan of hij en de ex-partner al overeenstemming hadden bereikt over de voorwaarden waaronder de levering gerealiseerd moest worden. Ondanks dat de eerste verantwoordelijkheid bij de klager lag om contact met de oud-notaris op te nemen, zijn er wel bijzondere omstandigheden waardoor de oud-notaris had moeten rappelleren. De klager liep immers een risico, omdat hij hoofdelijk aansprakelijk was voor de aan de woning verbonden hypotheekschuld, terwijl daar voor hem geen eigendomsrecht tegenover stond. Aan de oud-notaris wordt een waarschuwing opgelegd. |
Klachtnummer : SHE/2025/53
Datum uitspraak : 1 juni 2026
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:
[de klager] (hierna: de klager)
wonende in [woonplaats]
gemachtigde: de heer mr. J.N.A. Kilian, advocaat in Tilburg
tegen
[de oud-notaris] (hierna:de oud-notaris)
voorheen gevestigd in [vestigingsplaats]
gemachtigde: mevrouw mr. H.J. Delhaas, advocaat in Amsterdam
1. De zaak in het kort
De ex-partner van de klager was eerder getrouwd met haar ex-echtgenoot. De ex-partner en de ex-echtgenoot waren samen eigenaar van een woning. Nadat hun huwelijk was geëindigd, is aan het kantoor van de oud-notaris opdracht gegeven om de toedeling en levering van de woning aan de ex-partner te verzorgen. De ex-partner kon de overname van de woning niet alleen financieren. Zij en de klager, die destijds een affectieve relatie hadden, hebben daarom afgesproken dat zij samen een hypotheeklening zouden aangaan om die overname te kunnen financieren. Een collega van de notaris heeft de verdelingsakte en de hypotheekakte gepasseerd. Het was de bedoeling dat de ex-partner de onverdeelde helft van haar woning vervolgens aan de klager zou leveren. Zo ver is het echter niet gekomen, omdat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder de verkoop en levering moesten plaatsvinden. De klager verwijt de oud-notaris in de kern dat hij de leveringsakte niet heeft gepasseerd. Het gevolg hiervan is dat de klager een hypotheekschuld heeft zonder dat daar een eigendomsrecht tegenover staat.
2. Het verloop van de procedure
De beslissing van de kamer is gebaseerd op:
- de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 24 september 2025;
- het verweerschrift (met bijlagen);
- de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling van de klacht op 30 maart 2026, zoals vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.
3. De feiten
De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder “5. De Beoordeling” verder in op de feitelijke gang van zaken.
1. De ex-partner van de klager, mevrouw [naam ex-partner] (hierna: de ex-partner), was eerder getrouwd met een derde (hierna: de ex-echtgenoot). De ex-partner en de ex-echtgenoot waren samen eigenaar van de woning aan de [adresgegevens woning] (hierna: de woning). Nadat hun huwelijk was geëindigd, is aan het kantoor van de oud-notaris opdracht gegeven om de toedeling en levering van de woning aan de ex-partner te verzorgen. Op grond van een gerechtelijke beslissing moest die toedeling en levering uiterlijk rond 9 mei 2022 worden gerealiseerd.
2. De ex-partner kon de overname van de woning niet alleen financieren. Zij en de klager, die destijds een affectieve relatie hadden, hebben daarom afgesproken dat zij samen een hypotheeklening zouden aangaan om de toedeling van de woning aan de ex-partner te kunnen financieren.
3. Op 29 maart 2022 heeft een medewerker van de oud-notaris op verzoek van de klager een concept van een notariële volmacht aan de ex-partner gemaild. Deze mail is cc naar de klager gestuurd.
4. Op 31 maart 2022 heeft de oud-notaris de notariële volmacht gepasseerd, waarbij de ex-partner volmacht heeft gegeven aan de medewerkers van het notariskantoor om namens haar “akten van (geldlening en) hypotheekstelling” en “anderen akten, waaronder bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, begrepen een akte van levering/verdeling die leidt tot verkrijging van het hypothecaire onderpand” te tekenen.
In de notariële volmacht staat vermeld dat de ex-partner deze volmacht geeft onder de volgende voorwaarde: “voorafgaand aan de ondertekening van de akte(n) en eventuele bijbehorende stukken verleent [de ex-partner] hiervoor in beginsel schriftelijke goedkeuring, waaronder tevens goedkeuring met een e-mail van of namens [de ex-partner] is begrepen.”
De klager had al eerder, op 6 juli 2021, een algemene notariële volmacht aan de medewerkers van het notariskantoor verleend.
5. Op 12 april 2022 heeft de klager op het notariskantoor een gesprek gehad met de oud-notaris. Uit de aantekeningen van de oud-notaris blijkt dat het gesprek onder andere ging over een tussen de ex-partner en de klager op te maken koopovereenkomst en een akte van levering, waarbij de ex-partner (na toedeling en levering van de woning aan haar) de onverdeelde helft van de woning zou verkopen en leveren aan de klager. In de aantekeningen staat onder andere vermeld: “Wij stellen koopovk op.”
Ook is gesproken over een tussen de klager en de ex-partner op te maken samenlevingsovereenkomst, waarin een schuldbekentenis zou moeten worden opgenomen van de klager, omdat de ex-partner meer geld zou inbrengen in de woning.
6. Op dezelfde dag heeft de oud-notaris in een mail aan een medewerker onder andere meegedeeld:
“Het is de bedoeling dat [de ex-partner], na de toedeling van het pand aan haar, de helft van de eigendom overdraagt aan haar nieuwe partner, [de klager], ten titel van koop. De waarde van de woning bedraagt € 280.500,00. De koopprijs bedraagt de helft van dit bedrag. Zou je een concept van de leveringsakte kunnen opzetten?”
7. Op 13 april 2022 heeft een medewerker van de oud-notaris een concept-leveringsakte aan de klager gestuurd. In dit concept staat dat de ex-partner de onverdeelde helft van de woning levert aan de klager. Onder het kopje “Koopprijs” staat dat de koopprijs € 140.250,-- is, maar de wijze waarop de klager die koopprijs aan de ex-partner voldoet, is nog niet helemaal uitgewerkt.
8. Op 4 mei 2022 heeft een medewerker van de oud-notaris naar de klager en de ex-partner concepten gestuurd van:
- de verdelingsakte;
- de hypotheekakte;
- de afrekening.
Aan de klager en de ex-partner is bevestigd dat de verdelingsakte en de hypotheekakte op 9 mei 2022 zullen worden gepasseerd en dat één van de medewerkers namens de klager en de ex-partner zal tekenen op basis van de eerder door hen verleende volmachten.
9. Op 5 mei 2022 heeft de klager geantwoord dat hij alles heeft doorgelezen en dat het akkoord is.
10. Op 9 mei 2022 heeft een collega van de oud-notaris, notaris de heer mr. [naam collega-notaris] (hierna: de collega-notaris), de verdelingsakte gepasseerd, waarbij de woning van de ex-partner en de ex-echtgenoot is toegedeeld en geleverd aan de ex-partner. Op dezelfde dag heeft de collega-notaris de hypotheekakte gepasseerd. In de hypotheekakte staat onder andere vermeld dat:
- de klager en de ex-partner € 250.000,-- hebben geleend van de ABN AMRO Bank;
- de klager en de ex-partner hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze hypotheekschuld;
- tot zekerheid voor de terugbetaling van de hypotheekschuld een recht van eerste hypotheek wordt gevestigd op de woning;
- de ex-partner de eigenaar is van de woning.
De collega-notaris heeft gebruikgemaakt van de eerder door de ex-partner en de klager verleende notariële volmachten, omdat de klager en de ex-partner op 9 mei 2022 op vakantie waren.
11. Op dezelfde dag heeft een medewerker van de oud-notaris aan de klager en de ex-partner meegedeeld dat de verdelingsakte en de hypotheekakte zijn gepasseerd en dat zij de afschriften van deze akten per post zullen ontvangen.
12. Op 13 juni 2022 heeft een medewerker van de oud-notaris een concept-samenlevingsovereenkomst naar de klager en de ex-partner gestuurd waarin de hiervoor onder 5 genoemde schuldbekentenis van de klager is opgenomen. Aan de klager en de ex-partner is gevraagd welk bedrag de ex-partner meer in de woning heeft ingebracht.
13. Op 5 september 2022 hebben de klager en de ex-partner op het notariskantoor een gesprek gehad met de oud-notaris. Uit de aantekeningen van de oud-notaris blijkt dat het gesprek onder andere ging over de samenlevingsovereenkomst, de koopovereenkomst en de leveringsakte. In de aantekeningen heeft de oud-notaris voor een medewerker genoteerd:
“Opstellen leveringsakte in concept. Koopovereenkomst: ook opstellen of [de klager] stelt deze op: verzocht dat wij dat doen. (…)”
14. Op 31 oktober 2022 hebben de klager en de ex-partner op het notariskantoor opnieuw een gesprek gehad met de oud-notaris. Op verzoek van de ex-partner was ook haar vader bij dat gesprek aanwezig. Uit de aantekeningen van de oud-notaris blijkt dat het gesprek onder andere ging over de samenlevingsovereenkomst en de daarin opgenomen bepaling over de investeringen in de woning. In de aantekeningen staat vermeld dat de klager en de ex-partner nog zullen terugkomen op eventuele aanpassingen en dat de ex-partner het een en ander nog met haar vader wil bespreken.
15. Tot medio augustus 2023 hebben de klager en de oud-notaris geen contact met elkaar gehad.
16. Medio augustus 2023 heeft de klager contact opgenomen met de oud-notaris. De klager wilde dat de levering van de onverdeelde helft van de woning zou worden geregeld.
17. De oud-notaris heeft met betrekking tot de beoogde levering een concept-nota van afrekening naar de klager gestuurd.
18. Op 25 augustus 2023 heeft de oud-notaris het bedrag ontvangen dat de klager aan overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn bij levering van de onverdeelde helft van de woning aan hem. Dit bedrag was afkomstig van een en/of rekening van de klager en de ex-partner.
19. Op 29 augustus 2023 heeft een medewerker van de oud-notaris aan de klager en de ex-partner de ontvangst van dat bedrag bevestigd. Ook is de concept-leveringsakte meegestuurd met de vraag of de klager en de ex-partner daarmee akkoord gaan. In dit concept is - in tegenstelling tot het concept van april 2022 (zie feit 7) - uitgewerkt op welke wijze de klager de koopprijs voldoet.
20. Op 30 augustus 2023 heeft de klager aan de medewerker van de oud-notaris geantwoord dat hij akkoord gaat met de concept-leveringsakte.
21. Op 2 september 2023 heeft de klager aan de oud-notaris meegedeeld dat hij nog een afspraak wil maken om toch een en ander aan te passen.
22. Op 4 september 2023 heeft de klager aan de oud-notaris meegedeeld:
“Net overlegd en laat het maar even zitten de afspraak. Als [de ex-partner] akkoord geeft vind ik het prima zo.”
23. De ex-partner is niet akkoord gegaan met de concept-leveringsakte. De oud-notaris heeft de klager en de ex-partner vervolgens tien keer uitgenodigd op zijn kantoor. Hij heeft hen steeds afzonderlijk gesproken en één keer gezamenlijk. Deze gesprekken hebben niet tot overeenstemming geleid.
24. Op 6 november 2023 stond een afspraak voor het passeren van de leveringsakte gepland. De ex-partner is toen niet verschenen. De relatie tussen de klager en de ex-partner was inmiddels beëindigd.
25. In het tussen de klager en de ex-partner ontstane geschil laat de klager zich bijstaan door het kantoor van zijn gemachtigde. De klager heeft de oud-notaris gevraagd om twee nota’s van dit advocatenkantoor te voldoen.
26. Op 30 augustus 2024 heeft de oud-notaris aan de klager geantwoord dat hij onder een voorwaarde bereid is om de nota’s te voldoen, maar dat hij daarmee geen enkele aansprakelijkheid aanvaardt of erkent.
27. Op 4 december 2024 heeft de oud-notaris in een WhatsApp-bericht aan de klager meegedeeld:
“Ik heb de stukken klaar liggen, kijk maar of er nog van mij een verklaring nodig is. Uit mijn aantekeningen blijkt dat beiden vanaf de eerste bespreking uit zijn gegaan van uiteindelijk gezamenlijke eigendom. Ik heb ook een kopie van het bankafschrift is overdrachtsbelasting bijgevoegd.”
28. Op 24 december 2024 is de oud-notaris namens de klager aansprakelijk gesteld voor de door de klager gestelde schade.
29. Op 6 maart 2025 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de oud-notaris (hierna: de verzekeraar) aansprakelijkheid afgewezen.
30. Op 10 maart 2025 hebben de klager en een bekende van hem op het notariskantoor een gesprek gehad met de oud-notaris en een collega-notaris.
31. Op 11 maart 2025 heeft de gemachtigde van de klager aan de verzekeraar meegedeeld dat de klager het niet eens is met de afwijzing van de aansprakelijkheid.
32. Op 30 april 2025 heeft de verzekeraar aan de gemachtigde van de klager geantwoord dat het standpunt tot afwijzing van de aansprakelijkheid wordt gehandhaafd.
33. In juli 2025 is de oud-notaris gestopt als notaris.
34. De klager is inmiddels een civiele procedure gestart tegen de ex-partner.
4. De klacht
4.1. De klager maakt de oud-notaris - samengevat - de volgende verwijten.
1. De klager en de ex-partner hadden de oud-notaris de opdracht gegeven om ervoor te zorgen dat de klager mede-eigenaar werd van de woning, maar hij heeft nagelaten om de leveringsakte te passeren.
2. Nadat duidelijk werd dat de leveringsakte ten onrechte niet was gepasseerd, heeft de oud-notaris onzorgvuldig en inadequaat gehandeld in de afwikkeling en het herstel. Hij heeft zijn fout niet onverwijld en doortastend rechtgezet.
4.2. De oud-notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
5. De beoordeling
Kan de kamer de klacht behandelen?
5.1. Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht kan toekomen, moet eerst ambtshalve worden beoordeeld of de kamer de klacht in behandeling kan nemen (de ontvankelijkheid van de klacht).
De wettelijke vervaltermijn
5.2. Een klacht kan slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard (artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt; hierna: Wna). Uit de wetgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig is omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken naar zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3).
5.3. Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter) dat de wettelijke driejaarstermijn begint te lopen op de dag na de dag waarop de klager daadwerkelijk bekend is met het verweten handelen of nalaten van de notaris. Voor de aanvang van de klachttermijn is de feitelijke (objectieve) kennis van de klager van het handelen of nalaten van de notaris bepalend en niet de persoonlijke (subjectieve) kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn (vergelijk Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:354). De driejaarstermijn begint dus niet pas te lopen op het moment dat de klager zich realiseert dat de notaris mogelijk een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Als de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend zijn geworden, verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
5.4. De kamer zal de wettelijke vervaltermijn hierna toepassen op de klachtonderdelen 1 en 2.
Klachtonderdeel 1: niet op tijd ingediend
5.5. De kamer oordeelt dat klachtonderdeel 1 te laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk is. De kamer zal dit oordeel hieronder toelichten.
5.6. De klager verwijt de oud-notaris dat hij de akte van levering op 9 mei 2022 niet heeft gepasseerd, terwijl de hypotheekakte op die dag wel is gepasseerd. Het gevolg hiervan is dat de klager een hypotheekschuld heeft zonder dat daar een eigendomsrecht tegenover staat.
Volgens de klager heeft hij op 9 mei 2022 telefonisch gesproken met een medewerkster van de oud-notaris en heeft hij aan haar doorgegeven dat op die dag ook de akte van levering moest worden gepasseerd. De klager is er vervolgens van uitgegaan dat de levering dezelfde dag zou worden gerealiseerd. Pas toen hij medio augustus 2023 de hypotheek wilde verhogen, kwam hij er naar eigen zeggen achter dat de leveringsakte nog niet was gepasseerd.
5.7. De kamer oordeelt dat de vervaltermijn niet pas medio augustus 2023 is gestart. Het had namelijk op de weg van de klager gelegen om kort na 9 mei 2022 - dus na het door hem gestelde telefonisch contact met het notariskantoor - navraag te doen of de oud-notaris de levering van de onverdeelde helft van de woning aan de klager had verzorgd. Daarvoor bestond - gelet op het volgende - immers alle aanleiding.
1. Op 4 mei 2022 is aan de klager en de ex-partner bevestigd dat de verdelingsakte en de hypotheekakte op 9 mei 2022 zouden worden gepasseerd en dat daarbij gebruik zou worden gemaakt van de door hen gegeven notariële volmachten. De klager heeft deze bevestiging niet ontvangen ten aanzien van de akte van levering.
2. Op 9 mei 2022 had de klager nog geen concept-koopovereenkomst ontvangen, laat staan dat er een door de klager en de ex-partner getekende koopovereenkomst was.
3. Op 9 mei 2022 had de klager nog geen concept-leveringsakte ontvangen, waarin de wijze van voldoening van de koopprijs volledig was uitgewerkt.
4. Op 9 mei 2022 had de klager nog geen concept-nota van afrekening ontvangen ten aanzien van de levering en had de klager dus ook nog niet een bedrag aan overdrachtsbelasting aan de oud-notaris overgemaakt.
5. De klager heeft op 9 mei 2022 van het notariskantoor de bevestiging ontvangen dat de verdelingsakte en de hypotheekakte op diezelfde dag waren gepasseerd, terwijl hij die bevestiging niet heeft ontvangen ten aanzien van de akte van levering.
6. De oud-notaris heeft de klager en de ex-partner een afschrift van de verdelingsakte en de hypotheekakte gezonden en niet een afschrift van de akte van levering.
7. In (het afschrift van) de hypotheekakte staat bovenaan pagina 4 vermeld dat alleen de ex-partner de eigenaar van de woning is.
Zelfs als wordt aangenomen dat de klager er medio mei 2022 nog niet mee bekend was dat de leveringsakte niet op 9 mei 2022 was gepasseerd, dan volgt uit de door de oud-notaris gemaakte aantekeningen van het gesprek met de klager en de ex-partner op 5 september 2022 (zie het citaat bij feit 13) dat de klager er in ieder ingeval tijdens dat gesprek mee bekend is geworden. Dit blijkt ook uit randnummer 14 van de pleitaantekeningen van de gemachtigde van de klager, waarin onder andere staat vermeld: “Uit de interne dossieraantekeningen van het kantoor die verweerder aan klager ter beschikking heeft gesteld, blijkt dat de levering ook in de maanden na 9 mei 2022 nog volop actief in behandeling was. Dit volgt uit twee concrete besprekingen die hebben plaatsgevonden.
De bespreking op 5 september 2022 (vervolgbespreking) vond plaats tussen klager en [de ex-partner] en betrof - zo blijkt uitdrukkelijk uit de handgeschreven aantekeningen van [de oud-notaris] - de samenlevingsovereenkomst als tweede gesprek.
(…) Expliciet is in die aantekeningen opgenomen dat voor de levering een leveringsakte in concept zou worden opgesteld en dat een koopovereenkomst eveneens zou worden opgesteld.
Daarmee bevestigt de notaris op 5 september 2022, dat levering c.q. het opmaken van de leveringsakte nog op de rol stond en actief zou worden opgepakt. Verder is bij die bespreking besproken dat de financiering concreet werd becijferd: de waarde van de woning was op dat moment € 285.000,-; het aandeel van klager bedroeg daarmee € 141.500,-; klager zou zelf € 88.453,17 betalen, en de resterende schuld zou blijven staan als lening van [de ex-partner] aan klager. Het was dus evident welke bedragen in de definitieve leveringsakte diende te komen staan.”
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de klager desgevraagd verklaard dat tijdens de bespreking van 5 september 2022 alleen is gesproken over testamenten en niet over de samenlevingsovereenkomst, de koopovereenkomst en de akte van levering. Dit - voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling ingenomen - standpunt komt erop neer dat de gespreksaantekeningen van de oud-notaris niet zouden kloppen. Als de klager van mening is dat de aantekeningen van de oud-notaris een onjuiste weergave vormen van het gesprek, had het voor de hand gelegen dat hij dat in het klaagschrift al had vermeld. Zeker omdat hij de gespreksaantekeningen zelf heeft overgelegd. Bovendien valt het standpunt van de klager niet te rijmen met het hiervoor opgenomen citaat van de - eveneens tijdens de mondelinge behandeling - namens de klager voorgedragen pleitaantekeningen. De kamer vindt het standpunt van de klager daarom ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij.
5.8. De kamer concludeert dat de klager in ieder geval op 5 september 2022 bekend moet worden verondersteld met het verweten handelen/nalaten van de oud-notaris. Klachtonderdeel 1 is op 24 september 2025 ingediend. Dat is niet binnen de vervaltermijn van drie jaar en dus niet op tijd gedaan.
5.9. De klager moet, nadat hij bekend is geworden met het verweten handelen/nalaten van de oud-notaris, redelijkerwijs ook bekend worden geacht met de gevolgen daarvan. Als wordt aangenomen dat die gevolgen later bekend zijn geworden, blijkt uit het klaagschrift en de pleitaantekeningen van de klager dat hij in ieder geval eind 2023 bekend was met de gevolgen: het hebben van een hypotheekschuld zonder dat daar een eigendomsrecht tegenover staat.
De gevolgen van het verweten handelen/nalaten van de oud-notaris zijn dus hoe dan ook vóór het verstrijken van de driejaarstermijn bekend geworden. Dit betekent dat de extra vervaltermijn van een jaar niet van toepassing is.
Klachtonderdeel 2 t.a.v. de periode na 9 mei 2022 tot 24 september 2022: niet op tijd ingediend
5.10. De kamer oordeelt dat klachtonderdeel 2 voor een deel te laat is ingediend en in zoverre niet-ontvankelijk is. De kamer zal dit oordeel hieronder toelichten.
5.11. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de klager verduidelijkt dat klachtonderdeel 2 ziet op:
- de periode na 9 mei 2022 tot medio augustus 2023;
- de periode vanaf medio augustus 2023.
5.12. Klachtonderdeel 2 is op 24 september 2025 bij de kamer ingediend en is daarom te laat ingediend voor zover dit betrekking heeft op handelen of nalaten van de oud-notaris vóór 24 september 2022.
5.13. Hierna zal de kamer klachtonderdeel 2 inhoudelijk beoordelen, voor zover dit klachtonderdeel betrekking heeft op:
- de periode vanaf 24 september 2022 tot medio augustus 2023;
- de periode vanaf medio augustus 2023.
Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?
De maatstaf
5.14. De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen (artikel 93 lid 1 Wna. Ook als zij niet meer als notaris werkzaam zijn, blijven zij onder het notariële tuchtrecht vallen voor hun handelen en/of nalaten gedurende de tijd dat zij nog wel als notaris werkzaam waren. De tuchtrechter toetst of:
- hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere wet- en regelgeving die van toepassing is;
- zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.
Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken (rechts)personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).
Klachtonderdeel 2 t.a.v. de periode vanaf 24 september 2022
5.15. Onder verwijzing naar 5.13. zal de kamer eerst ingaan op de periode vanaf 24 september 2022 tot medio augustus 2023 en daarna op de periode vanaf medio augustus 2023.
Periode vanaf 24 september 2022 tot medio augustus 2023: oud-notaris heeft onzorgvuldig gehandeld
5.16. De kamer komt tot het oordeel dat de oud-notaris onzorgvuldig heeft gehandeld in deze periode en zal dit oordeel hieronder toelichten.
5.17. Zoals de kamer bij klachtonderdeel 1 al heeft uitgelegd, moet de klager in ieder geval op 5 september 2022 bekend worden verondersteld met het feit dat de akte van levering nog niet was gepasseerd. Vast staat dat de klager en de ex-partner vervolgens op 31 oktober 2022 een gesprek hebben gehad met de oud-notaris, waarbij ook de vader van de ex-partner aanwezig was. Uit de aantekeningen van de oud-notaris blijkt dat het gesprek onder andere ging over de samenlevingsovereenkomst en de daarin opgenomen bepaling over de investeringen in de woning. In de aantekeningen staat vermeld dat de ex-partner het een en ander met haar vader wilde bespreken en dat de klager en de ex-partner nog zouden terugkomen op eventuele aanpassingen.
5.18. De kamer stelt vast dat de klager en de ex-partner enerzijds en de oud-notaris
anderzijds na het gesprek op 31 oktober 2022 tot medio augustus 2023 geen contact
meer met elkaar hebben gehad.
Mede gelet op het feit dat:
- de klager er in die periode mee bekend was dat de akte van levering niet was gepasseerd;
- anders dan de klager meent, uit de door partijen overgelegde stukken niet kan worden opgemaakt dat de ex-partner op enig moment haar onvoorwaardelijke medewerking zou hebben toegezegd aan de levering;
- de klager en de ex-partner op 31 oktober 2022 met de oud-notaris hebben afgesproken dat zij zich weer bij hem zouden melden,
lag de eerste verantwoordelijkheid om contact op te nemen bij de klager (en de ex-partner) zelf. Er waren in dit geval echter bijzondere omstandigheden op grond waarvan de oud-notaris meer initiatief had moeten nemen om vast te stellen of de levering van de onverdeelde helft van de woning aan de klager al kon plaatsvinden. Bij dit oordeel is met name het volgende van belang.
- De oud-notaris heeft verklaard dat de klager en de ex-partner van meet af aan de bedoeling hebben gehad om gezamenlijk eigenaar te worden van de woning, maar dat zij het niet eens waren over de voorwaarden waaronder die levering moest plaatsvinden.
- Ondertussen liep de klager een risico, omdat hij al vanaf 9 mei 2022 hoofdelijk aansprakelijk was voor de aan de woning verbonden hypotheekschuld, terwijl daar voor hem geen eigendomsrecht tegenover stond.
De kamer oordeelt, onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 juli 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:2304), dat de oud-notaris in deze omstandigheden de noodzaak had moeten voelen om in de periode na 31 oktober 2022 tot medio augustus 2023 te rappelleren en actief bij de klager na te gaan of hij en de ex-partner al overeenstemming hadden bereikt over de voorwaarden waaronder de levering gerealiseerd moest worden. Door dat niet te doen, heeft de oud-notaris onzorgvuldig jegens de klager gehandeld. Klachtonderdeel 2 zal in zoverre gegrond worden verklaard.
Periode vanaf medio augustus 2023: oud-notaris heeft voldoende zorgvuldig gehandeld
5.19. De kamer komt tot het oordeel dat de oud-notaris voldoende zorgvuldig heeft gehandeld in deze periode en zal dit oordeel hieronder toelichten.
5.20. Medio augustus 2023 heeft de klager bij de oud-notaris aan de bel getrokken en aangedrongen op de levering van de onverdeelde helft van de woning. De oud-notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het hem in dezelfde maand en in de maand daarna duidelijk werd dat de ex-partner niet wilde meewerken aan die levering.
De kamer oordeelt dat de oud-notaris niet kon voorbijgaan aan de bezwaren van de ex-partner. Haar medewerking was noodzakelijk om de door de klager gewenste levering te realiseren. Anders dan de klager meent, kon de oud-notaris zonder goedkeuring van de ex-partner niet:
- gebruikmaken van de door de ex-partner gegeven (en later weer ingetrokken) voorwaardelijke notariële volmacht (zie feit 4);
- een vaststellingsovereenkomst of koopovereenkomst tussen de klager en de ex-partner tot stand brengen (en inschrijven bij het kadaster).
De oud-notaris kon de ex-partner evenmin verplichten om haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen. Voor de oud-notaris was hierin geen rol weggelegd.
5.21. Wel heeft de oud-notaris geprobeerd om tot een oplossing te komen. Vast staat dat hij de klager en de ex-partner tien keer heeft uitgenodigd op zijn kantoor. Hij heeft hen steeds afzonderlijk gesproken en één keer gezamenlijk. De oud-notaris heeft onweersproken aangevoerd dat hij de klager heeft uitgelegd dat hij niets kon doen zolang de klager en de ex-partner geen overeenstemming hadden. De kamer oordeelt dat de oud-notaris hiermee een voldoende zorgvuldige invulling heeft gegeven aan zijn taak om de belangen van de klager op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te behartigen. Dat de klager en de ex-partner het niet eens zijn geworden, kan de oud-notaris niet worden aangerekend. Klachtonderdeel 2 zal in zoverre ongegrond worden verklaard.
Conclusie en maatregel
5.22. Klachtonderdeel 2 zal deels gegrond worden verklaard. De oud-notaris heeft in de periode na 31 oktober 2022 tot medio augustus 2023 nooit gerappelleerd en niet actief bij de klager nagegaan of hij en de ex-partner al overeenstemming hadden bereikt over de voorwaarden waaronder de levering van de onverdeelde helft van de woning aan de klager gerealiseerd moest worden. Ondanks dat de eerste verantwoordelijkheid bij klager lag om contact met de oud-notaris op te nemen, zijn er wel bijzondere omstandigheden waardoor de oud-notaris had moeten rappelleren. De klager liep immers een risico, omdat hij al vanaf 9 mei 2022 hoofdelijk aansprakelijk was voor de aan de woning verbonden hypotheekschuld, terwijl daar voor hem geen eigendomsrecht tegenover stond. Door niet te rappelleren heeft de oud-notaris onzorgvuldig gehandeld en daarmee het vertrouwen geschaad dat de klager mag stellen in het notariaat. Dit rekent de kamer de oud-notaris aan. De kamer is van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met een waarschuwing. Daarbij heeft de kamer in aanmerking genomen dat de oud-notaris een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft.
Proceskosten
Terugbetaling griffierecht
5.23. Omdat de kamer de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart, moet de oud-notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door de klager betaalde griffierecht van € 50,00 aan hem vergoeden.
Kostenveroordeling ten behoeve van de klager
5.24. De kamer zal de oud-notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder a Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 veroordelen in de volgende kosten:
- de kosten die de klager in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken: deze kosten zijn vastgesteld op een bedrag van € 50,00;
- de kosten van de klager in verband met rechtsbijstand die door een derde beroepsmatig is verleend: deze kosten zijn vastgesteld op een punt voor het indienen van de klacht en een punt voor het bijwonen van de zitting, waarbij de kamer de waarde per punt vaststelt op een bedrag van € 525,00 met een wegingsfactor 1, dus in totaal € 1.050,00.
5.25. De oud-notaris moet het griffierecht en de hiervoor genoemde kosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan de klager betalen. De klager moet daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan de oud-notaris.
Kostenveroordeling ten behoeve van de kamer
5.26. Verder ziet de kamer aanleiding om de oud-notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder b Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00 met een wegingsfactor 1.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven om een andere wegingsfactor te hanteren. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De oud-notaris zal hiervoor een nota ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) in Utrecht.
6. De beslissing
De kamer:
6.1. verklaart klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk;
6.2. verklaart klachtonderdeel 2 niet-ontvankelijk voor zover dit klachtonderdeel betrekking heeft op handelen of nalaten van de oud-notaris vóór 24 september 2022;
6.3. verklaart klachtonderdeel 2 gegrond voor zover dit klachtonderdeel betrekking heeft op handelen of nalaten van de oud-notaris na 31 oktober 2022 tot medio augustus 2023;
6.4. verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
6.5. legt aan de oud-notaris de tuchtmaatregel van waarschuwing op;
6.6. veroordeelt de oud-notaris tot betaling aan de klager van een bedrag van:
- € 50,00 in verband met het genoemde griffierecht;
- € 50,00 in verband met de genoemde kosten van de klager;
- € 1.050,00 in verband met de genoemde kosten van rechtsbijstand van de klager,
en bepaalt dat het totaalbedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.25. is omschreven;
6.7. veroordeelt de oud-notaris tot betaling aan de kamer van een bedrag van € 2.000,00 in verband met de genoemde kosten van behandeling van de zaak en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.26. is omschreven.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter, mr. S.H.L. Baggel en mr. M.C. Stout, leden.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026 door mr. T. Zuidema, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Hoger beroep:
U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.