ECLI:NL:TNORSHE:2026:12 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2026/21, 22 en 23

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:12
Datum uitspraak: 18-05-2026
Datum publicatie: 22-05-2026
Zaaknummer(s): SHE/2026/21, 22 en 23
Onderwerp: Overig, subonderwerp: Overig
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De kamer voor het notariaat Den Haag heeft een tegen haar wrakingskamer gericht wrakingsverzoek op grond van artikel 2 lid 2 van het Wrakingsprotocol kamers voor het notariaat ter behandeling doorgeleid naar de kamer voor het notariaat ’s-Hertogenbosch.De wrakingskamer van de kamer voor het notariaat ’s-Hertogenbosch heeft het vervolgens tegen haar gerichte wrakingsverzoek buiten behandeling gesteld, omdat de verzoeker evident misbruik maakt van het wrakingsinstrument, met het kennelijke doel de voortgang van de procedure te frustreren. Om die reden heeft de wrakingskamer ’s-Hertogenbosch ook bepaald dat een volgend verzoek tot wraking van haar tuchtrechters niet meer in behandeling zal worden genomen.Het tegen de wrakingskamer Den Haag gerichte wrakingsverzoek is deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen. Verder heeft de wrakingskamer ’s-Hertogenbosch bepaald dat ook een volgend wrakingsverzoek tegen de leden van de wrakingskamer Den Haag niet meer in behandeling zal worden genomen wegens misbruik van dit middel.

Dossiernummers  : SHE/2026/21, SHE/2026/22 en SHE/2026/23

Datum uitspraak   : 18 mei 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

Beslissing van de wrakingskamer van de kamer voor het notariaat op het verzoek op grond van artikel 100 Wet op het notarisambt (Wna) van:

[de verzoeker] (hierna: de verzoeker)

wonende in [woonplaats]

tot wraking van de volgende leden van de wrakingskamer van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag:

1. de heer mr. G.H.M. Smelt (hierna: mr. Smelt, SHE/2026/21)

in zijn hoedanigheid van voorzitter van de wrakingskamer Den Haag

2. de heer mr. R.R. Roukema (hierna: mr. Roukema, SHE/2026/22)

in zijn hoedanigheid van rechterlijk lid van de wrakingskamer Den Haag

3. mevrouw mr. J.W.A.P. Michels (hierna: mr. Michels, SHE/2026/23)

in haar hoedanigheid van notarieel lid van de wrakingskamer Den Haag

hierna samen: de gewraakte leden

1.          Het verloop van de procedure

1. De verzoeker heeft bij de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer Den Haag) een klacht ingediend tegen notaris mevrouw mr. [naam notaris]. Die klacht is door de kamer Den Haag geregistreerd onder kenmerk 25-31.

2. De kamer Den Haag heeft de klacht mondeling behandeld op 15 oktober 2025. Tijdens die mondelinge behandeling heeft de verzoeker een verzoek gedaan tot wraking van de zittingscombinatie van de kamer Den Haag (mrs. [X], [Y] en [Z]). Als gevolg van dit eerste wrakingsverzoek is de behandeling van klacht 25-31 geschorst.

3. Het eerste wrakingsverzoek is door de wrakingskamer van de kamer Den Haag (hierna: de wrakingskamer Den Haag) geregistreerd onder de kenmerken 25-79, 25-80 en 25-81 en mondeling behandeld op 14 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling van het eerste wrakingsverzoek heeft de verzoeker een verzoek gedaan tot wraking van de zittingscombinatie van de wrakingskamer Den Haag (de gewraakte leden). Als gevolg van dit tweede wrakingsverzoek is de behandeling van het eerste wrakingsverzoek geschorst.

4. De kamer Den Haag heeft het tweede wrakingsverzoek op grond van artikel 2 lid 2 van het Wrakingsprotocol kamers voor het notariaat (hierna: het wrakingsprotocol) ter behandeling doorgeleid naar de kamer voor het notariaat in het ressort Den Bosch (hierna: de kamer Den Bosch), omdat het niet mogelijk was een wrakingskamer samen te stellen uit de leden van de kamer Den Haag.

5. Op 11 maart 2026 heeft de kamer Den Bosch van de wrakingskamer Den Haag enkele stukken ontvangen, waaronder het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer Den Haag van 14 januari 2026 waarvan pagina’s ontbraken.

6. Op 17 maart 2026 heeft de kamer Den Bosch het complete proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer Den Haag van 14 januari 2026 ontvangen. In dit proces-verbaal staan het tweede wrakingsverzoek en de wrakingsgronden vermeld.

7. Op 18 maart 2026 heeft de kamer Den Bosch de verzoeker in de gelegenheid gesteld om een nadere reactie in te dienen.

8. Op 25 maart 2026 heeft de verzoeker een nadere reactie bij de kamer Den Bosch ingediend.

9. Op 27 maart 2026 heeft de kamer Den Bosch de gewraakte leden in de gelegenheid gesteld om een reactie in te dienen op het tweede wrakingsverzoek en de nadere reactie van de verzoeker van 25 maart 2026. Aan de verzoeker en de gewraakte leden is meegedeeld dat als de gewraakte leden niet in de wraking mochten berusten, de wrakingskamer Den Bosch van plan is om het tweede wrakingsverzoek te behandelen op 14 april 2026.

10. De gewraakte leden hebben de kamer Den Bosch op 8 april 2026 in een gezamenlijke schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek meegedeeld dat zij niet berusten in het tweede wrakingsverzoek.

11. Op 9 april 2026 heeft de kamer Den Bosch de reactie van de gewraakte leden aan de verzoeker doorgestuurd. Aan de verzoeker en de gewraakte leden is bevestigd dat de mondelinge behandeling van het tweede wrakingsverzoek op 14 april 2026 zal worden behandeld.

12. Het tweede wrakingsverzoek is op 14 april 2026 mondeling behandeld door de wrakingskamer Den Bosch. De verzoeker was daarbij online aanwezig (via Teams). De gewraakte leden zijn, zoals zij in hun schriftelijke reactie van 8 april 2026 hadden aangekondigd, niet bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest. Tijdens deze behandeling is duidelijk geworden dat sprake was van een incompleet dossier.

13. Op 15 april 2026 heeft de wrakingskamer Den Bosch de door haar op 11 en 17 maart 2026 van de wrakingskamer Den Haag ontvangen relevante stukken aan de verzoeker en de gewraakte leden toegezonden. Aan de verzoeker en de gewraakte leden is verzocht om de ontbrekende bijlagen naar de wrakingskamer te zenden. Ten slotte is meegedeeld dat de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 4 mei 2026 om 16.00 uur zal worden voortgezet.

14. Op 22 april 2026 heeft de verzoeker een reactie ingediend.

15. Op 23 april 2026 heeft de voorzitter van de wrakingskamer Den Haag een reactie met vier bijlagen ingediend.

16. De onder 14 en 15 genoemde reacties zijn op 24 april 2026 over en weer doorgezonden naar de verzoeker en de gewraakte leden.

17. De wrakingskamer Den Bosch heeft op 4 mei 2026 om 13.57 uur een verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer Den Bosch (met bijlagen) ontvangen.

18. Op 4 mei 2026 om 16.00 uur zijn de verzoeker en de gewraakte leden niet verschenen. De wrakingskamer Den Bosch heeft bij mondelinge uitspraak het tegen haar gerichte wrakingsverzoek buiten behandeling gelaten. Vervolgens heeft de wrakingskamer Den Bosch de behandeling van het tegen de gewraakte leden gerichte wrakingsverzoek voortgezet. 

19. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de wrakingskamer Den Bosch aan de verzoeker meegedeeld dat het tegen de wrakingskamer Den Bosch gerichte wrakingsverzoek bij mondelinge uitspraak buiten behandeling is gesteld en dat de schriftelijke uitwerking hiervan op 18 mei 2026 zal volgen.

Verder is aan de verzoeker en de gewraakte leden meegedeeld dat het tegen de gewraakte leden gerichte wrakingsverzoek (SHE/2026/21, 22 en 23) is behandeld en dat de wrakingskamer Den Bosch op 18 mei 2026 uitspraak zal doen.

Hieronder volgt eerst de schriftelijke uitwerking van de op 4 mei 2026 gedane mondelinge uitspraak op het tegen de wrakingskamer Den Bosch gerichte wrakingsverzoek. Daarna zal de wrakingskamer Den Bosch ingaan op het tegen de gewraakte leden gerichte wrakingsverzoek (SHE/2026/21, 22 en 23).

2.          De beoordeling van de wrakingsverzoeken

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak op 4 mei 2026 op het wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer Den Bosch

De gronden van het wrakingsverzoek

2.1.      De verzoeker voert - kort samengevat - de volgende vijf tegen mr. T. Zuidema, voorzitter, mr. C.T.M. Luijks en mr. E.J.W.M. van Egeraat, leden van de wrakingskamer Den Bosch, gerichte wrakingsgronden aan.

1. Mr. Zuidema heeft op 14 april 2026 tijdens de digitale zitting (via Teams) gezegd: “Het klopt dat er een incompleet dossier is toegezonden door Den Haag. We hebben Den Haag gevraagd een compleet dossier aan te leveren, dat is naar u toegezonden.” Dat dossier is echter niet naar de verzoeker toegestuurd. Mr. Zuidema heeft dus gelogen.

2. Mr. Zuidema heeft op 14 april 2026 gezegd: “Wij hebben een compleet dossier”. Dat bleek echter niet waar te zijn. Mr. Smelt had de door de verzoeker overlegde producties niet aan het proces-verbaal gehecht, terwijl hij dat op 14 januari 2026 wel had toegezegd. Mr. Zuidema maakt zich schuldig aan het ondermijnen van de rechtsstaat. Hij heeft de betrouwbaarheid van de wrakingskamer Den Bosch compleet verwoest.

3. Mr. Zuidema heeft op 14 april 2026 gezegd dat de wrakingskamer Den Bosch zich in de raadkamer over de zaak zou buigen en dat de verzoeker op 28 april 2026 meer zou horen. De verzoeker heeft echter geen officiële beslissing ontvangen op 28 april 2026. In plaats daarvan heeft de verzoeker op 15 april 2026 een brief ontvangen van de juridisch adviseur van de kamer. Die brief is niet namens de raadkamer en/of mr. Zuidema verstuurd.

4. Er zijn geen aparte processen-verbaal opgemaakt van de zitting van 14 april 2026 ten aanzien van het wrakingsverzoek SHE/2026/21, 22 en 23 en een ander wrakingsverzoek dat op diezelfde zitting is behandeld. Deze processen-verbaal waren echter wel nodig voor de vervolgzitting op 4 mei 2026.

5. Mr. Zuidema heeft de verzoeker tijdens de zitting op 14 april 2026 meerdere keren onder druk gezet, terwijl hij wist dat de wrakingskamer Den Bosch en de verzoeker niet over de juiste stukken beschikten en de verzoeker meerdere keren om aanhouding van de zaak heeft gevraagd.

De beslissing van de wrakingskamer Den Bosch bij mondelinge uitspraak van 4 mei 2026

2.2.      De wrakingskamer Den Bosch:

  • stelt het op 4 mei 2026 om 13.57 uur ontvangen wrakingsverzoek buiten behandeling; 
  • bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de tuchtrechters van de wrakingskamer Den Bosch niet meer in behandeling zal worden genomen.

Motivering van de beslissing

Toetsingskader

2.3.      Op grond van artikel 100 Wna kunnen de leden van een kamer voor het notariaat worden gewraakt, indien ten aanzien van hen feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In dit wetsartikel is titel IV van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing verklaard.

2.4.      Een rechter - met wie een lid van de kamer voor het notariaat gelijk kan worden gesteld - kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Zie ook een recente beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 25 februari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:507).

2.5.      Als sprake is van een opeenstapeling van wrakingsverzoeken, doordat eerst de rechter in de hoofdzaak en vervolgens leden van de wrakingskamer worden gewraakt, kan de wrakingskamer, mede ter voorkoming van ongerechtvaardigd oponthoud, in geval van evident misbruik van recht het verzoek tot wraking van een of meer van haar leden buiten behandeling laten zonder dat de zaak in handen van een andere wrakingskamer wordt gesteld (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, r.o. 4.7.).

Beoordeling

2.6.      De door de verzoeker aangevoerde vijf wrakingsgronden lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

2.7.      De verzoeker nam op 14 april 2026 via Teams deel aan de mondelinge behandeling van het tegen de gewraakte leden gerichte wrakingsverzoek (SHE/2026/21, 22 en 23). Die mondelinge behandeling verliep vanwege een gebrekkige verbinding moeizaam. Een adequaat proces-verbaal van de behandeling kon daarom niet worden opgemaakt. De wrakingskamer Den Bosch weet niet precies wat de verzoeker heeft gezegd en weet ook niet wat de verzoeker heeft verstaan van wat de wrakingskamer Den Bosch de verzoeker heeft voorgehouden. Wel begreep de wrakingskamer Den Bosch dat de verzoeker om aanhouding van de zaak verzocht, omdat de dossiers incompleet waren. Dat verzoek is genoteerd.

In raadkamer heeft de wrakingskamer Den Bosch later vastgesteld dat:

  • de verzoeker mogelijk incomplete processen-verbaal heeft ontvangen van de wrakingskamer Den Haag (de wrakingskamer Den Bosch had immers op 11 maart 2026 een incompleet proces-verbaal ontvangen); en
  • de wrakingskamer Den Bosch niet over stukken beschikte die bij de wrakingskamer Den Haag in het geding zouden zijn gebracht en waarvan in het proces-verbaal van 14 januari 2026 melding is gemaakt.

Daarom is in raadkamer besloten dat, anders dan op 14 april 2026 aan de verzoeker was meegedeeld, op 28 april 2026 geen beslissing zou volgen, maar dat de mondelinge behandeling van het verzoek SHE/2026/21, 22 en 23 en een ander wrakingsverzoek van de verzoeker op 4 mei 2026 om 16.00 uur zou worden voortgezet op basis van complete dossiers. Hierover zijn de verzoeker en de gewraakte leden op 15 april 2026 geïnformeerd. Daarmee heeft de wrakingskamer dus gevolg gegeven aan het verzoek van de verzoeker om de zaak aan te houden en was de verzoeker ervan op de hoogte dat op 28 april 2026 geen beslissing op het wrakingsverzoek zou volgen.

2.8.      Het wrakingsverzoek van de verzoeker - gedaan op 4 mei 2026 om 13.57 uur even voor de voortzetting van de mondelinge behandeling van het tweede wrakingsverzoek - is evident misbruik van het wrakingsinstrument, met het kennelijke doel de voortgang van de procedure te frustreren. Het gaat in dit geval immers om een wraking die is gericht tegen de leden van de wrakingskamer Den Bosch, die op hun beurt het wrakingsverzoek - gericht tegen de gewraakte leden van de wrakingskamer Den Haag - behandelen. De verzoeker zet bij herhaling dit middel in, kennelijk met het doel om een ordentelijk verloop van een tuchtklachtprocedure onmogelijk te maken. Zelfs een door de wrakingskamer Den Bosch gehonoreerd uitstelverzoek heeft de verzoeker weten aan te grijpen om met een nieuw wrakingsverzoek opnieuw een spaak in het wiel te (willen) steken.
 

2.9.      Met het buiten behandeling stellen van dit wrakingsverzoek kan de voortgang van de procedure worden bewaakt. Ongerechtvaardigd oponthoud moet worden voorkomen. Anders gezegd: het is onderhand wel welletjes geweest.

Het wrakingsverzoek tegen de gewraakte leden van de wrakingskamer Den Haag (SHE/2026/21, 22 en 23)

De gronden van het wrakingsverzoek

2.10.     Uit het door de wrakingskamer Den Haag opgemaakte proces-verbaal van 14 januari 2026 volgt dat de verzoeker - kort samengevat - de volgende vier wrakingsgronden aanvoert.

1. Mr. Smelt is niet tegemoet gekomen aan het tijdens de mondelinge behandeling van het eerste wrakingsverzoek op 14 januari 2026 door de verzoeker gedane verzoek om aanhouding van de wrakingsprocedure. De reactie van de mrs. [X], [Y] en [Z] op het eerste wrakingsverzoek was niet ondertekend en niet gedateerd en kan dus door een willekeurig persoon zijn opgemaakt.

2. De verzoeker kent mr. Smelt van een strafzitting in [maand] 2022. Die zitting ging over [omschrijving kwestie]. De verzoeker werd beschuldigd van feiten die niet ter zake deden en mr. Smelt had toen moeten ingrijpen.

3. De verzoeker heeft documenten waaruit blijkt dat de kamer Den Haag valt onder team handel van de rechtbank Den Haag. De verzoeker heeft een geschiedenis met laatstgenoemd team. Twee medewerkers van het team hebben aangifte tegen de verzoeker gedaan. Het team heeft in het verleden een zaak doorverwezen naar de rechtbank Rotterdam. De wrakingskamer van de kamer Den Haag zit met een dubbele pet op.

4. De wrakingskamer van de kamer Den Haag had zich moeten verschonen en het eerste wrakingsverzoek moeten doorsturen naar een andere kamer voor het notariaat.

De beoordeling

2.11.     De wrakingskamer Den Bosch zal dit wrakingsverzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren en voor het overige afwijzen. Hierna legt de wrakingskamer Den Bosch uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Toetsingskader

2.12.     De wrakingskamer Den Bosch verwijst voor het toetsingskader naar 2.3. en 2.4.

Wrakingsgrond 1 (niet tegemoet komen aan verzoek om aanhouding)

2.13.     De verzoeker vindt dat de voorzitter van de wrakingskamer Den Haag de behandeling van de zaak had moeten aanhouden.

De gewraakte leden hebben hiertegen ingebracht dat er geen grond was voor aanhouding en dat dit een inhoudelijke beslissing is waartegen geen wraking openstaat.

2.14.     De wrakingskamer Den Bosch stelt voorop dat het niet tegemoetkomen aan een verzoek om aanhouding een procedurele beslissing is. Louter procedurele beslissingen kunnen als zodanig in beginsel geen grond vormen voor wraking. De wrakingskamer Den Bosch komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing van de wrakingskamer Den Haag. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan in beginsel geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer Den Bosch onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van (de voorzitter van) de wrakingskamer Den Haag (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).

Naar het oordeel van de wrakingskamer Den Bosch is daar in de procedurele beslissing van (de voorzitter van) de wrakingskamer Den Haag geen sprake van. De stelling van de verzoeker vindt geen steun in het proces-verbaal van 14 januari 2026, waarin duidelijk staat beschreven wat de processuele gang van zaken is geweest. Van de reactie van mrs. [X], [Y] en [Z] op het eerste wrakingsverzoek deden twee verschillende versies de ronde: de eerder door de verzoeker ontvangen ongetekende/ongedateerde versie en een tijdens de mondelinge behandeling aan de verzoeker verstrekte getekende/gedateerde versie. Volgens (de voorzitter van) de wrakingskamer Den Haag verschilden deze versies inhoudelijk echter niet van elkaar. De verzoeker is tijdens een onderbreking van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om de twee versies met elkaar te vergelijken. Toen de verzoeker na die onderbreking geen inhoudelijke verschillen heeft genoemd, zag (de voorzitter van) de wrakingskamer Den Haag geen aanleiding om de zaak aan te houden. 

Wrakingsgrond 2 (niet ingegrepen tijdens een strafzitting in 2022)

2.15.     De verzoeker vindt dat de voorzitter van de wrakingskamer Den Haag had moeten ingrijpen toen de verzoeker tijdens een strafzitting in 2022 werd beschuldigd van feiten die niet van belang waren.

De gewraakte leden hebben hiertegen ingebracht dat deze wrakingsgrond te laat is aangevoerd. In de brief van 11 december 2025 is de samenstelling van de wrakingskamer Den Haag aan de verzoeker meegedeeld. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de verzoeker kunnen waarnemen dat de voorzitter van de wrakingskamer Den Haag ook daadwerkelijk zitting had. 

Daarnaast staat de rechtbankzaak uit 2022 volgens de gewraakte leden zowel qua aard als inhoud los van de zaak bij de wrakingskamer Den Haag.

2.16.        De wrakingskamer Den Bosch volgt het standpunt van de wrakingskamer Den Haag. Een verzoek tot wraking moet worden gedaan, zodra de feiten en omstandigheden waarop het berust aan de verzoeker bekend zijn geworden. De verzoeker wist al sinds de oproeping in december 2025 voor de mondelinge behandeling op 14 januari 2026 van de samenstelling van de wrakingskamer Den Haag. Indiening van het wrakingsverzoek tijdens de mondelinge behandeling is daarom te laat en in zoverre niet-ontvankelijk.

2.17.     Overigens vormt het enkele feit dat een (tucht)rechter eerder een beslissing heeft gegeven in een andere zaak - die een bepaalde partij onwelgevallig is - onvoldoende grond voor de conclusie dat die (tucht)rechter alleen al daarom op voorhand moet worden vermoed niet onpartijdig te zijn ten opzichte van die partij, dan wel zodanig de schijn van partijdigheid tegen zich te hebben dat hij/zij zich daarom over een beslissing in die zaak zou moeten onthouden.

Wrakingsgronden 3 en 4 (de wrakingskamer Den Haag zit met een dubbele pet op)

2.18.     De verzoeker vindt dat de wrakingskamer Den Haag met een dubbele pet op zit en zich had moeten verschonen.

De gewraakte leden hebben hiertegen ingebracht dat de kamer voor het notariaat een bij de wet ingesteld orgaan, belast met tuchtrechtspraak, is. De kamer Den Haag is als zodanig geen onderdeel van de rechtbank Den Haag. Dat de kamer Den Haag wordt ondersteund door medewerkers van de rechtbank Den Haag is bij wet geregeld (artikel 94 lid 9 Wna) en doet niet af aan de onafhankelijkheid van de tuchtrechtspraak door de kamer Den Haag. De positie van de kamer Den Haag en de wrakingskamer Den Haag maakt dat het niet mogelijk is om rechters van de rechtbank Den Haag de zaak te laten behandelen. Uit de leden van de kamer Den Haag, die - kort gezegd - niet gewraakt zijn (en niet met het gewraakte lid de zaak behandelen), wordt een wrakingskamer samengesteld (artikel 2 lid 1 van het wrakingsprotocol). Voor verschoning was dus geen grond.

2.19.     De wrakingskamer Den Bosch verenigt zich met dit standpunt van de wrakingskamer Den Haag en de gronden waarop dit standpunt berust.

Conclusie

2.20.     De wrakingskamer Den Bosch is van oordeel dat het wrakingsverzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk is (wrakingsgrond 2) en voor het overige moet worden afgewezen.

Misbruik van het middel tot wraking

2.21.     Onder verwijzing naar wat de wrakingskamer Den Bosch onder 2.8. en 2.9. heeft overwogen, zal de wrakingskamer Den Bosch bepalen dat een volgend wrakingsverzoek tegen de leden van de wrakingskamer Den Haag niet meer in behandeling zal worden genomen. De verzoeker gebruikt het middel van wraking namelijk voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven. Hij maakt misbruik van dit middel en gebruikt het om door hem gewenste procesbeslissingen af te dwingen, de procedure te vertragen en de procedure te frustreren. Dat moet worden voorkomen.

3.          De beslissing

in het wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer Den Bosch

3.1.      Zoals hiervoor onder 2.2. al is vermeld, heeft de wrakingskamer Den Bosch bij mondelinge uitspraak van 4 mei 2026 het verzoek tot wraking buiten behandeling gelaten en bepaald dat een volgend verzoek tot wraking tegen de tuchtrechters van de wrakingskamer Den Bosch niet meer in behandeling zal worden genomen.

in het wrakingsverzoek tegen de gewraakte leden van de wrakingskamer Den Haag (SHE/2026/21, 22 en 23)

De wrakingskamer Den Bosch:

3.2.      verklaart het verzoek tot wraking van de gewraakte leden niet-ontvankelijk, voor zover het berust op wrakingsgrond 2;

3.3.      wijst het verzoek tot wraking van de gewraakte leden voor het overige af;

3.4.      bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek tegen de leden van de wrakingskamer Den Haag niet meer in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. T. Zuidema, voorzitter, mr. C.T.M. Luijks en mr. E.J.W.M. van Egeraat, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026 door mr. T. Zuidema, voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Ter informatie: Op grond van artikel 100 Wet op het notarisambt jo. artikel 515 lid 6 Wetboek van Strafvordering staat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel open.