ECLI:NL:TNORDHA:2026:7 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-39 en 25-40

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2026:7
Datum uitspraak: 18-03-2026
Datum publicatie: 19-05-2026
Zaaknummer(s): 25-39 en 25-40
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Testamenten
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: De notarissen wordt verweten dat zij erflaatster onvoldoende hebben beschermd tegen mogelijk misbruik, hebben geweigerd correcties aan te brengen, niet hebben geluisterd naar haar wensen en de door haar verstrekte opdrachten niet hebben uitgevoerd. Daarnaast zouden zij verzoeken om rechtstreeks contact hebben genegeerd en ten onrechte onderzoek hebben gedaan naar haar wilsbekwaamheid. De kamer is van oordeel dat niet is gebleken van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notarissen. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 18 maart 2026 inzake de klacht onder nummers 25-39 en 25-40 van:

[klager],

gemachtigde: mr. A. van Meurs,

hierna: klager,

tegen:

[notaris],

notaris, gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: de notaris,

en

[kandidaat-notaris],

toegevoegd notaris te [vestigingsplaats] , thans kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],

hierna: de kandidaat-notaris,

hierna tezamen te noemen: de notarissen,

gemachtigde voor de notarissen: mr. P.H. Kramer, advocaat te Amsterdam.

1Het procesverloop

1.1       Bij e-mailbericht van 25 mei 2025 heeft klager een klaagschrift met bijlagen ingediend.

1.2       Op 18 en 23 juli, 10, 12 en 18 augustus, en 17 september 2025 heeft klager e-mailberichten met aanvullingen op de klacht ingediend.

1.3       De kamer heeft het antwoord van de notarissen, met bijlage, ontvangen.

1.4       De notarissen hebben op 9 september 2025 een nadere reactie gestuurd.

1.5       Op 10 februari 2026 heeft klager ter voorbereiding op zijn presentatie een samenvatting van de punten toegezonden, nadrukkelijk “zonder nieuwe documenten” toe te sturen.

1.6       De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig klager, bijgestaan door mr. Van Meurs, en de notarissen, bijgestaan door mr. Kramer. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt. Beide partijen hebben pleitnota’s overgelegd.

2De feiten

2.1       De moeder van klager, [A] (hierna te noemen: erflaatster), heeft op 24 augustus 2017 een testament gemaakt, verleden voor [B], destijds notaris te [vestigingsplaats]. In dit testament is klagers zus [C] (hierna: de zus) benoemd tot enig erfgenaam. Klager en zijn broer [D] (hierna: de broer) verkrijgen ieder een geldlegaat ter grootte van het erfdeel dat zij zouden ontvangen indien zij samen met de zus erfgenaam zouden zijn geweest.

2.2       Erflaatster heeft op 30 juli 2018 een aanvullend testament gemaakt, verleden voor [E], destijds notaris te [vestigingsplaats].

2.3       De notaris heeft in 2018 een levenstestament gepasseerd voor erflaatster, waarbij de zus is benoemd tot gevolmachtigde.

2.4       Op 11 maart 2024 heeft de kandidaat-notaris een persoonlijk gesprek met erflaatster gevoerd.

2.5       Op 7 oktober 2024 heeft een VIA-arts de wilsbekwaamheid van erflaatster onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat zij wilsbekwaam was.

2.6       Daarna, op 21 oktober 2024, heeft de kandidaat-notaris wederom een persoonlijk gesprek met erflaatster gevoerd.

2.7       Op 12 april 2025 is erflaatster op 104-jarige leeftijd overleden.

3. De klacht

3.1       Klager schrijft de klacht voort te zetten die door erflaatster bij de notarissen was ingediend. Deze klacht betreft enerzijds de noodzaak van bescherming tegen mogelijk misbruik van het door de notaris opgestelde levenstestament en anderzijds het niet in behandeling nemen door de notarissen van de wensen van erflaatster.

3.2       Klager verwijt de notarissen – kort samengevat – het volgende:

-           onvoldoende bescherming tegen misbruik

De notaris stelt documenten (levenstestament) op die erflaatster niet effectief beschermen tegen misbruik. De gevolmachtigde alleenvertegenwoordiger (de zus) kon de relatie tussen erflaatster en de notaris verbreken;

-           geen adequate reacties op risico’s

Ondanks waarschuwingen over mogelijke gevaren weigert de notaris de nodige correcties aan te brengen, zelfs na meerdere verzoeken van erflaatster;

-           gebrek aan communicatie

De notaris luistert niet naar erflaatster, ondanks herhaalde pogingen tot contact via verschillende kanalen en expliciete waarschuwingen;

-           bureaucratisch handelen zonder persoonlijke communicatie

De notaris verschuilt zich achter procedures en protocollen en negeerde en negeert verzoeken tot direct contact;

-           onterecht onderzoek naar wilsbekwaamheid

Zonder overleg met erflaatster werd door de notaris een onderzoek naar wilsbekwaamheid ingesteld. De uitkomst werd niet gecommuniceerd en ondanks het onterechte onderzoek werd er toch gefactureerd;

-           niet uitvoeren van verstrekte opdrachten

Ondanks bevestiging van de wilsbekwaamheid van erflaatster, voeren de notarissen haar opdracht alsnog niet uit. Voorbeelden daarvan zijn:

1. het verzoek tot aanvulling op het levenstestament om klager als tweede gevolmachtigde op te nemen die geïnformeerd diende te worden over alles wat de gevolmachtigde en erflaatster bespraken;

2. kwijtschelding van een schuld van klager niet verwerken in de notariële documenten.

4. Het verweer

4.1       De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.

5. De beoordeling van de ontvankelijkheid

5.1       Op grond van artikel 99, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) kan ieder die daarbij enig redelijk belang heeft een klacht indienen. Het begrip “enig redelijk belang” moet ruim worden opgevat. De wetsgeschiedenis vermeldt hierover:

“(…) Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd; ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep. (…)” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 26-27).

5.2     De kamer is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de indiening van een klacht hetzij direct, hetzij indirect of afgeleid, verband moet houden met het eigen belang van degene die de klacht indient. Niet is gebleken van enige door erflaatster ingediende tuchtklacht. Voor de door klager gestelde voortgezette klacht van erflaatster (de kamer begrijpt: een klacht bij het notariskantoor) zijn, anders dan in de stellingen van klager, geen aanknopingspunten. Voor zover klager stelt namens erflaatster te klagen, is hij in die klacht niet-ontvankelijk.

5.3       Klager heeft verder gesteld dat hij als zoon is benadeeld, omdat hij niet als tweede gevolmachtigde in het levenstestament is opgenomen. Hij heeft de klacht ingediend met het doel te voorkomen dat notarissen in de toekomst anderen op soortgelijke wijze zouden benadelen. De kamer overweegt dat de kring van belanghebbenden niet zo ruim is dat een ieder in het kader van het algemeen belang van de rechtszekerheid en het vertrouwen in het notariaat een klacht tegen een notaris kan indienen. Wel maken zijn eigen belangen als kind en legataris dat hij in zijn klacht ontvangen kan worden.

6. De beoordeling van de klacht

6.1       Ter beoordeling van de kamer staat of de notarissen hebben gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 Wna. Notarissen zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat behoorlijk notarissen niet betaamt.

6.2       Vaststaat dat klager eind december 2023 en begin 2024 meerdere malen contact heeft opgenomen met het notariskantoor met verzoeken tot wijziging van notariële documenten en tot het verrichten van andere notariële werkzaamheden voor erflaatster.

6.3       Eveneens staat vast dat zowel voor als na het onderzoek door de VIA-arts in persoon gesprekken met erflaatster zijn gevoerd. De notarissen voeren aan dat de gesprekken onder vier ogen plaatsvonden, dat de zus daarbij niet aanwezig was, dat de gesprekken schriftelijk in het dossier zijn vastgelegd en de conclusies schriftelijk aan erflaatster zijn bevestigd. Erflaatster gaf in de gesprekken duidelijk te kennen dat zij geen wijziging wenste.

6.4       Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die reden geven te twijfelen aan de wens van erflaatster, zoals de notarissen die van haar hebben vernomen. Klagers stellingen over wat zijn moeder hem gezegd zou hebben zijn daarvoor niet voldoende - ook niet als die voor juist worden gehouden; het kan immers zeer wel zijn dat erflaatster in de fragiele familieverhoudingen de kool en de geit trachtte te sparen.

6.5       Het onderzoek naar erflaatsters wensen is met de grootste zorgvuldigheid verricht. Het inschakelen van een VIA-arts na het Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening gevolgd te hebben, is daar een voorbeeld van, evenals de gesprekken in persoon onder vier ogen. Dat klager bij de gesprekken aanwezig wilde zijn, maar dat dit door de notarissen niet werd toegestaan – net zo min als zijn zus bij die gesprekken aanwezig was –, is te beschouwen als zorgvuldig handelen.

6.6       Ook het laatste gesprek heeft niet geleid tot een opdracht van erflaatster. Klagers wensen of de wensen waarvan hij meende dat het de wensen van zijn moeder waren, hebben de notarissen terecht niet tot een andere conclusie gebracht. Aan de wensen die ze van erflaatster zelf hoorden, hebben ze groter gewicht kunnen en moeten toekennen.

6.7       De kamer is van oordeel dat van enig klachtwaardig handelen door de notarissen niet is gebleken. De klacht wordt ongegrond verklaard.

BESLISSING

De kamer voor het notariaat:

verklaart de klacht deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.H.M. Smelt, voorzitter, J. Snoeijer en J.W.A.P. Michels, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.