ECLI:NL:TNORDHA:2026:6 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-37
| ECLI: | ECLI:NL:TNORDHA:2026:6 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-03-2026 |
| Datum publicatie: | 19-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-37 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Echtscheiding/verdeling |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De klacht komt er in de kern op neer dat klaagster de notaris verwijt dat hij geen alternatieve oplossingen heeft geboden om de kadastrale registratie van de woning te wijzigen. Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris niet meer gedaan dan uitvoering geven aan de vaststellingsovereenkomst en het vonnis van de voorzieningenrechter, waarbij klaagster is veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van verdeling. Hij heeft daarbij niet in strijd gehandeld met enige tuchtnorm. De klacht is op alle onderdelen ongegrond verklaard. |
Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag
Beslissing d.d. 18 maart 2026 inzake de klacht onder nummer 25-37 van:
[klaagster],
hierna: klaagster,
tegen:
[notaris],
notaris, gevestigd te [vestigingsplaats],
gemachtigde: mr. H.J.E. de Bruin,
hierna: de notaris.
1. Het procesverloop
1.1 De kamer heeft kennisgenomen van de klacht, met bijlagen, ingekomen op 19 mei 2025.
1.2 In juni 2025 heeft klaagster diverse aanvullende stukken ingediend.
1.3 De kamer heeft het antwoord van de notaris, met bijlagen, ontvangen.
1.4 De notaris heeft op 7 augustus 2025 een aanvullende e-mail gestuurd.
1.5 Klaagster heeft op 9 februari 2026 een aanvullend stuk ingediend per e-mail.
1.6 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij was de notaris aanwezig, bijgestaan door mr. De Bruin. Klaagster was niet aanwezig met bericht van verhindering. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt. De notaris heeft een pleitnota overgelegd.
2. De feiten
2.1 Op 28 mei 1999 is de heer [A] (hierna: de man) gehuwd met mevrouw [B] (hierna: de ex-vrouw). Bij beschikking van 16 juni 2009 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 18 juni 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2 De man heeft tijdens de echtscheidingsprocedure een woning aan [woonadres] (hierna: de woning) gekocht. De woning maakt deel uit van de huwelijksgemeenschap met de ex-vrouw en is in het kader van de verdeling van die gemeenschap aan de man toebedeeld.
2.3 Op 21 juni 2010 is de man met klaagster gehuwd op huwelijkse voorwaarden. In de akte huwelijkse voorwaarden hebben partijen vastgelegd dat tussen hen de wettelijke gemeenschap van goederen zal bestaan, met uitzondering van een aantal in de akte genoemde vermogensbestanddelen. De woning valt in hun huwelijksgemeenschap.
2.4 Bij beschikking van 27 november 2024 van de rechtbank Den Haag is de echtscheiding tussen de man en klaagster uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 10 maart 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5 Van de echtscheidingsbeschikking maakt deel uit een vaststellingsovereenkomst van 30 oktober 2024 van klaagster en de man waarin het volgende onder meer is opgenomen:
“1. De voormalige echtelijke woning aan [woonadres], zal aan de man worden toebedeeld. De man zal de hypotheek en de daaraan gekoppelde verzekering overnemen, onder voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar aansprakelijkheid terzake.
2. De man zal aan de vrouw een bedrag van € 145.000, betalen tegen finale kwijting inzake de verdeling van de gemeenschap, de vergoedingsrechten en regresvorderingen. De betaling van dit bedrag zal geschieden in de kader van de levering van de woning aan de man via de derdengeldrekening van de passerende notaris, uiterlijk 1 februari 2025.”
2.6 De man heeft de notaris vervolgens de opdracht gegeven een akte van verdeling op te stellen.
2.7 Tijdens het opstellen van de akte van verdeling is de notaris gebleken dat er geen notariële verdeling tussen de man en de ex-vrouw heeft plaatsgevonden, zodat ook tussen hen met betrekking tot de woning nog een gemeenschap bestond.
2.8 Ten behoeve van de afwikkeling van beide gemeenschappen waarin de woning valt, heeft de notaris twee conceptakten van verdeling opgesteld, te weten een akte met betrekking tot de gemeenschap tussen de man en de ex-vrouw, en een akte met betrekking tot de gemeenschap tussen klaagster en de man. Daarbij heeft de notaris ervoor gekozen om eerst de gemeenschap tussen de man en klaagster af te wikkelen en vervolgens de gemeenschap tussen de man en de ex-vrouw. De ex-vrouw gaf aan akkoord te zijn met de conceptakte. Klaagster was niet akkoord met de andere conceptakte.
2.9 Bij beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 juli 2025 is bepaald dat de akte van verdeling tussen klaagster en de man in de week van 28 juli 2025 door het notariskantoor zal worden gepasseerd. Tevens is de man veroordeeld tot betaling aan klaagster van een bedrag van € 145.000,-. Voor zover klaagster niet meewerkt aan de levering, treedt het vonnis in de plaats van haar handtekening.
2.10 Op 29 juli 2025 heeft de notaris de akte van verdeling van klaagster en de man gepasseerd. De gelden zijn vervolgens aan klaagster uitgekeerd.
3. De klacht
3.1 Klaagster verwijt de notaris het volgende:
Gebrek aan zorgvuldigheid en onpartijdigheid:
- de notaris heeft een onvolledige en risicovolle conceptakte opgesteld, zonder essentiële onderliggende documentatie (met name geen bancaire stukken over de hypotheek en betaling van gelden);
- de herkomst van de betalingsverplichting van € 145.000,- werd niet opgenomen in de akte, hoewel deze voortvloeit uit een overeenkomst van 30 oktober 2024, welke is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking van 27 november 2024.
Ongepaste procedurele druk:
- er werd van klaagster verlangd dat zij vóór de ex-vrouw een notariële akte zou ondertekenen, in een constructie die juridisch onduidelijk en onbewezen is;
- er werd verzwegen dat er alternatieve manieren bestaan om de kadastrale registratie te corrigeren, zonder klaagsters directe betrokkenheid.
Misleiding en onjuiste informatie:
- de notaris stelde ten onrechte dat het paspoort van klaagster verlopen was, terwijl dit document nog steeds geldig is;
- klaagster werd een PAOLOKYC-procedure aangeboden, zonder dat zij toestemming had gegeven voor volmacht verlening of afstandsidentificatie.
Weigering om formele verantwoordelijkheid te nemen voor de voorgestelde constructie:
- de notaris erkent de complexiteit van de kadastrale situatie (met een jongere en oudere gemeenschap), maar weigert een juridisch onderbouwd alternatief of schriftelijke opinie aan te bieden, waarmee het procedurele risico op klaagster wordt afgewenteld.
Misleidende contractuele formuleringen:
- het concept bevatte een gefingeerde woningwaarde van € 525.000,-, terwijl de overeengekomen overbedelingssom van € 145.000,- tot stand is gekomen zonder actuele taxatie;
- de "kwijting"-clausule was aanvankelijk zo opgesteld dat deze geïnterpreteerd kon worden als een algemene afstand van vorderingen, zonder expliciete bescherming van klaagsters positie als crediteur.
3.2 Door deze werkwijze van de notaris is klaagster maandenlang blootgesteld aan aanzienlijke juridische onzekerheid, hoge psychologische stress en het risico op verlies van € 145.000,- euro.
4. Het verweer
4.1 De notaris heeft verweer gevoerd. In de tussen klaagster en de man gesloten vaststellingsovereenkomst was overeengekomen dat het aandeel van klaagster in de eigendom van de woning aan de man zou worden toebedeeld. Daartegenover zou de man de hypothecaire geldlening voor zijn rekening nemen en een bedrag van € 145.000,- aan klaagster voldoen. Toen de notaris uitvoering wilde geven aan deze vaststellingsovereenkomst, werd hij ermee geconfronteerd dat de woning nog deel uitmaakte van een gemeenschap tussen de man en de ex-vrouw. In een dergelijk geval dient eerst de ondergemeenschap (tussen klaagster en de man) te worden verdeeld en vervolgens de hoofdgemeenschap (tussen de man en de ex-vrouw). Volgens de notaris is dit de enige oplossing bij samenlopende gemeenschappen. Hij heeft dit dan ook meerdere malen aan klaagster uitgelegd.
5. De beoordeling van de klacht
5.1 Ter beoordeling van de kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 van de Wet op het Notarisambt (Wna). Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.
5.2 De klacht komt er in de kern op neer dat klaagster de notaris verwijt dat hij geen alternatieve oplossingen heeft geboden om de kadastrale registratie van de woning te wijzigen. Vast staat dat de notaris van de man opdracht had gekregen een akte van verdeling met betrekking tot de woning op te stellen. Tussen klaagster en de man bestond een gemeenschap van goederen, bestaande uit de woning en een hypothecaire geldlening. Deze gemeenschap diende door middel van een akte van verdeling tussen klaagster en de man te worden verdeeld. Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris niet meer gedaan dan uitvoering geven aan de vaststellingsovereenkomst en het vonnis van de voorzieningenrechter van 21 juli 2025, waarbij klaagster is veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van verdeling. Hij heeft daarbij niet in strijd gehandeld met enige tuchtnorm.
5.3 Voor het overige missen de klachtonderdelen feitelijke grondslag en zijn ze onvoldoende met redenen omkleed.
5.4 Alle klachtenonderdelen zijn ongegrond.
BESLISSING
De kamer voor het notariaat:
verklaart de klacht op alle onderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. F.A.M. Veraart, voorzitter, J. Snoeijer en J.W.A.P. Michels, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.