ECLI:NL:TNORDHA:2026:3 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-63 en 25-64

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2026:3
Datum uitspraak: 11-02-2026
Datum publicatie: 16-04-2026
Zaaknummer(s): 25-63 en 25-64
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht, subonderwerp: Echtscheiding/verdeling
  • Registergoed, subonderwerp: Hypotheekakte
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: De huidige klacht van klager ziet deels op dezelfde feiten en gedragingen van de notarissen als een eerdere klacht. Voor zover is de klacht niet-ontvankelijk. De resterende klachtonderdelen zien – kort gezegd – op onjuiste verklaringen en opmerkingen van de notarissen in stukken en op zittingen van de eerdere tuchtrechtelijke procedure bij kamer en gerechtshof. Voor het overige is de klacht ongegrond.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 11 februari 2026 inzake de klacht onder nummer 25-63 en 25-64 van:

[klager],

hierna: klager,

tegen:

[notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

hierna: de notaris,

en

[kandidaat-notaris],

kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],

hierna: de kandidaat-notaris,

hierna tezamen te noemen: de notarissen,

gemachtigde voor de notarissen mr. S.F. Knijnenburg, advocaat te Amsterdam.

1. Het procesverloop

1.1       De kamer heeft kennisgenomen van de klacht, met bijlagen, ingekomen op 5 september 2025.

1.2       De kamer heeft het antwoord van de notarissen, met bijlagen, ontvangen.

1.3       De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarbij waren aanwezig klager, en de notarissen bijgestaan door mr. Knijnenburg. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd.

2. De feiten

2.1       Klager was gehuwd met mevrouw [A] (hierna: ex-echtgenote). Zij waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2       Op 8 augustus 2023 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden door inschrijving van de beschikking tot echtscheiding van de rechtbank Den Haag van 6 april 2023 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3       Op 22 september 2023 is de akte van verdeling en een bijbehorende hypotheekakte door de kandidaat-notaris, als waarnemer van de notaris, gepasseerd. Klager was hierbij aanwezig. De ex-echtgenote had een volmacht afgegeven aan een medewerker van het notariskantoor om de akte van verdeling namens haar te tekenen.

2.4       Klager heeft eerder klachten ingediend tegen de notarissen en hun kantoorgenoot [B]. Bij beslissing van de kamer van 15 mei 2025 zijn de klachten, voor zover gericht tegen [B] en de notaris, ongegrond verklaard. De klacht tegen de kandidaat-notaris is deels ongegrond en voor het overige gegrond verklaard, onder oplegging van de maatregel van waarschuwing. Klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 6 mei 2025 heeft het hof de beslissing van de kamer bevestigd.

3. De klacht

3.1       Klager verwijt de notarissen het volgende:

1.         Onjuiste vermelding verschijning gemachtigde (valsheid in geschrifte)

In tenminste één akte is vermeld dat de gemachtigde van de ex-echtgenote was verschenen. Er was geen gemachtigde bij het passeren aanwezig en er is niet namens de ex-echtgenote getekend.

2.         Onjuiste/achteraf ingevulde tijdstippen en onware voorstelling van de volgorde van passeren

In de akte van verdeling is het tijdstip van 15:50 uur vermeld en in de hypotheekakte 16:07 uur. Deze tijdstippen zijn niet tijdens het passeren vastgesteld, maar achteraf ingevuld. Ook de gestelde volgorde van passeren is daardoor ongeloofwaardig en niet verifieerbaar.

3.         Onjuiste en misleidende verklaringen in schriftelijk verweer

In het verweerschrift en nadere correspondentie heeft de kandidaat-notaris meerdere feitelijk onjuiste en onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd.

4.         Tegenstrijdige verklaringen over aanwezigheid gemachtigde

Het notariskantoor heeft wisselende verklaringen gegeven. Enerzijds was er sprake van onderbezetting, anderzijds was de gemachtigde verschenen.

5.         Misleidende voorstelling van rechtsgeldigheid

Ondanks de hiervoor genoemde gebreken heeft de notaris verklaard dat de akten rechtsgeldig zijn, waarbij de vastgestelde onvolledigheden door de notaris zijn gebagatelliseerd met de kwalificatie dat deze “geen schoonheidsprijs” verdienen.

6.         Onjuiste voorstelling over moment van de eerste klacht

De kandidaat-notaris heeft verklaard dat de eerste klacht “pas vier weken later” zou zijn ingediend, terwijl al op 26 september 2024 (vier dagen na passeren) door de notaris schriftelijk was gereageerd op de klacht van klager.

7.         Misleidende verklaringen ter zitting over tijdstippen

Ter zitting is verklaard dat het passeren “ook om 15:55 uur kan hebben plaatsgevonden” en dat het in de akten vermelde tijdstip door het secretariaat is ingevuld. Deze verklaring is innerlijk tegenstrijdig met de eigen mededeling van de kandidaat-notaris dat zij om 16:00 uur door de receptie is gebeld. Deze gang van zaken is onverenigbaar met de wettelijke taak van de (kandidaat-)notaris om het tijdstip van passeren en de verschijning van partijen zelf vast te stellen.

8.         Ondeugdelijke weergave geldstroom (derdengelden)

De mededeling dat “conform de ingeschreven akten de gelden op 26 september 2023 aan de daartoe gerechtigden zijn uitgekeerd” is gedaan zonder dat verificatoire bescheiden, zoals betalingsbewijzen, bankafschriften, betalingsopdrachten of kwitanties, zijn overgelegd.

4. Het verweer

4.1       De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.

5. De beoordeling van de ontvankelijkheid

5.1       De notarissen hebben aangevoerd dat de klacht niet-ontvankelijk is op grond van het ne bis in idem-beginsel.

5.2       Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht kan toekomen, moet eerst worden beoordeeld of de klacht ontvankelijk is. Daarbij stelt de kamer voorop dat volgens vaste rechtspraak van het hof (ook) in het notariële tuchtrecht het ne bis in idem-beginsel van toepassing is. Dit beginsel brengt mee dat na beoordeling van een klacht door de tuchtrechter, een latere klacht over “hetzelfde feit” niet opnieuw kan worden behandeld. Bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” is of de notaris over wie geklaagd wordt in redelijkheid heeft kunnen menen dat met de beoordeling van het tuchtrechtelijk aspect in de eerdere zaak, de tuchtrechtelijke beoordeling van het desbetreffende handelen is geëindigd.

5.3       Klager heeft op 16 november 2023 een eerste klacht ingediend bij de kamer. Op 6 mei 2025 heeft het hof onherroepelijk over deze klacht beslist.

5.4       De huidige klacht van klager ziet deels op dezelfde feiten en gedragingen van de notarissen als de eerdere klacht. Het gaat dan over – kort gezegd – de akten van 22 september 2023. De bijlagen die klager daarover bij de onderhavige klacht heeft gevoegd, betreffen (delen van) stukken die ook deel uitmaakten van de eerste klacht. Voor zover de klacht ziet op de handelwijze van de notarissen bij het passeren van de akten op 22 september 2023 en op de wijze waarop zij zijn omgegaan met vragen, verzoeken en klachten van klager, zal de klacht daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.5       Voor zover de klacht ziet op in strijd met de waarheid verklaren op de vorige zitting van de kamer, heeft het hof dat in de eerste procedure als uitbreiding van de klacht geduid en die in hoger beroep geformuleerde uitbreiding niet-ontvankelijk verklaard. Nu daarover nadrukkelijk geen beslissing is genomen, is bij dat deel van de klacht van een tweede tuchtrechtelijke beoordeling van hetzelfde feit geen sprake.

6. De beoordeling van de klacht

6.1       Ter beoordeling van de kamer staat of de notarissen hebben gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 van de Wet op het notarisambt (Wna). Notarissen zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat behoorlijk notarissen niet betaamt.

6.2       De resterende klachtonderdelen zien – kort gezegd – over onjuiste verklaringen en opmerkingen van de notarissen in stukken en op zittingen van de eerdere tuchtrechtelijke procedure bij kamer en gerechtshof. Die lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.3       In een tuchtrechtelijke procedure heeft een kandidaat-notaris, toegevoegd notaris of notaris het recht zich te verweren. Daarbij komt hem of haar, net als aan iedere andere beklaagde, ruime vrijheid toe om de verdediging tegen de klacht naar eigen goeddunken in te richten en aan te voeren wat van belang wordt geacht. Zo geldt voor de geheimhoudingsplicht een uitzondering ten opzichte van de kamers voor het notariaat en het gerechtshof.

6.4       Ook in tuchtrechtelijke procedures geldt echter de gedragsnorm van artikel 93 Wna. Bij de uitoefening van hun verdedigingsrecht dienen de notarissen te handelen zoals het een behoorlijk notaris betaamt. Gelet op de ruime vrijheid zich te verdedigen zijn mededelingen, opmerkingen, veranderingen van inzicht of correcties van eerdere uitingen niet snel onbetamelijk of anderszins tuchtrechtelijk laakbaar.

6.5       In dit geval zijn de uitingen van de notarissen in de (hele) eerste tuchtrechtelijke procedure hun eigen lezing van de gebeurtenissen bij en rondom het passeren van de akten. Dat geldt ook voor de door klager gestelde discrepanties. In elk geval ontbreken aanwijzingen dat de notarissen bewust hebben gehandeld in strijd met hun plichten, kamer of gerechtshof hebben trachten te misleiden of doelbewust onwaarheden hebben verkondigd.  

6.6       De resterende klachtonderdelen zijn dan ook ongegrond.

BESLISSING

De kamer voor het notariaat:

verklaart de klacht deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.H.M. Smelt, voorzitter, R.R. Roukema en J.W.A.P. Michels, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.