ECLI:NL:TNORDHA:2026:2 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-26
| ECLI: | ECLI:NL:TNORDHA:2026:2 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-02-2026 |
| Datum publicatie: | 16-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-26 |
| Onderwerp: | Registergoed, subonderwerp: Overig |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De kern van de klacht is dat de notaris in het kader van de executieveiling onvoldoende onderzoek heeft verricht, in het bijzonder met betrekking tot het cliëntenonderzoek op grond van de Wwft. De zorgplicht van de notaris brengt in een geval als het onderhavige niet mee dat hij gehouden is zelfstandig onderzoek te verrichten naar eerdere transacties, noch naar de herkomst van gelden die in het verleden bij die transacties zijn betrokken, zolang geen concrete aanwijzingen bestaan die een dergelijk nader onderzoek rechtvaardigen. De klacht is ongegrond. |
Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag
Beslissing d.d. 11 februari 2026 inzake de klacht onder nummer 25-26 van:
[klaagster] (hierna: [klaagster]),
gemachtigde: mr. dr. drs. P.H.J. Körver, advocaat te Den Haag,
hierna: klaagster,
tegen:
[notaris],
notaris, gevestigd te [vestigingsplaats],
gemachtigde: mr. W. Knoester, advocaat te Rotterdam,
hierna: de notaris.
1. Het procesverloop
1.1 De kamer heeft kennisgenomen van de klacht, met bijlagen, ingekomen op 2 april 2025.
1.2 De kamer heeft het antwoord van de notaris, met bijlagen, ontvangen.
1.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Daarbij waren aanwezig namens klaagster mr. Körver, en de notaris bijgestaan door mr. Knoester. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt. Beide partijen hebben een pleitnotitie overgelegd.
2. De feiten
2.1 Klaagster is een familievennootschap. De enig bestuurder van klaagster is [A] (hierna:[A]). De aandeelhouders zijn de vijf kinderen van [A]. [B] (hierna: de ex-echtgenote) is de ex-echtgenote van [A].
2.2 Klaagster is eigenaar van villa ‘[NAAM]’ te [plaats]. Ter financiering van de aankoop van de villa heeft [C] N.V. (hierna:[C]) in 2003 en 2005 geldleningen verstrekt aan klaagster van € 4.400.000,- respectievelijk € 500.000,-. Tot zekerheid van de geldleningen is aan [C] onder meer een hypotheekrecht verstrekt op de villa.
2.3 In 2015 heeft [C] de geldleningen overgedragen aan [D] B.V. (hierna:[D]). In oktober 2019 heeft [D] de geldleningen gecedeerd aan [E] GMBH (hierna: [E]).
2.4 Tussen klaagster en [E] is een geschil ontstaan over de rechtsgeldigheid van de cessie. Bij vonnis van 20 september 2023 heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat de overdracht van de geldleningen door [D] aan [E] rechtsgeldig is geschied. Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld.
2.5 Nadat klaagster in gebreke bleef met betaling van de renteverplichtingen heeft [E] bij brief van 5 april 2024 de geldleningen opgeëist en de executie in de vorm van een openbare executoriale veiling van de villa aangezegd.
2.6 Klaagster heeft in oktober 2024 een kort geding bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland aanhangig gemaakt en daarin onder meer gevorderd dat [E] wordt bevolen om de executie van de villa te staken en gestaakt te houden. Bij vonnis van 29 november 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van klaagster afgewezen. Klaagster is in hoger beroep gegaan.
2.7 Bij brief van 14 februari 2025 heeft het notariskantoor aan klaagster medegedeeld dat de veiling van de villa op 9 april 2025 zal plaatsvinden. Op 6 maart 2025 heeft het notariskantoor de akte vaststelling veilingvoorwaarden verzonden aan klaagster.
2.8 Bij brief van 24 maart 2025 heeft de advocaat van klaagster de notaris gesommeerd om de aanzegging tot executie in te trekken en geen verdere executiehandelingen te verrichten. Het notariskantoor heeft daar geen gehoor aan gegeven.
2.9 Klaagster heeft nogmaals een kort geding aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 8 april 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen.
2.10 Klaagster heeft op 1 april 2025 het notariskantoor gedagvaard. [E] is gevoegd als gedaagde partij. In het vonnis van 25 april 2025 staat het volgende:
“De beoordeling
(…)
Staking van executie en annulering van de veiling
4.2 [notaris kantoor] c.s. hebben gesteld dat de veiling die gepland stond op 9 april 2025 is komen te vervallen, omdat een onderhands bod was ontvangen. [E] heeft dat bod op de voet van artikel 3:268 lid 2 BW ter goedkeuring voorgelegd aan de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland. [klaagster] heeft dat niet bestreden.
4.3 Nu de veiling van de baan is, heeft [klaagster] geen belang meer bij annulering van de veiling. Gesteld noch gebleken is dat een nieuwe veiling aan de orde is.
(…)
4.5 Reeds om deze redenen worden de vorderingen van [klaagster] op alle onderdelen afgewezen. Voor enige belangenafweging is in dat kader geen ruimte.”
3. De klacht
3.1 Klaagster verwijt de notaris het volgende:
- het nalaten van een gedegen cliëntenonderzoek naar de ultimate beneficial owners (UBO’s) van [E];
- het nalaten van het onderzoeken of de UBO’s van [E] stromannen dan wel katvangers zijn;
- het nalaten van onderzoek naar de aanwezigheid van objectieve en subjectieve indicatoren in de zin van de Wwft;
- het nalaten van onderzoek naar de herkomst van gelden van [F], een Maltese brievenbusmaatschappij kantoorhoudende en gevestigd te Sliema (Malta), die in oktober 2024 de aandelen van [E] heeft verworven.
4. Het verweer
4.1 De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.
5. De beoordeling van de ontvankelijkheid
5.1 Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht kan toekomen, dient de kamer te beoordelen of de klacht ontvankelijk is. De notaris heeft aangevoerd dat klaagster niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 99 lid 1 Wna, omdat zij als derde geen rechten kan ontlenen aan de Wwft en de gestelde normschendingen uitsluitend betrekking hebben op de rechtsverhouding tussen de notaris en cliënt [E].
5.2 Op grond van die wetsbepaling kan een ieder die daarbij enig redelijk belang heeft een klacht indienen. Het begrip ‘enig redelijk belang’ moet ruim worden opgevat. De wetsgeschiedenis vermeldt hierover:
“(…) Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd; ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep. (…)” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 26-27).
5.3 Uit het voorgaande volgt dat de indiening van een klacht hetzij direct, hetzij indirect of afgeleid, verband dient te houden met het eigen belang van degene die de klacht indient.
5.4 De klacht heeft betrekking op het handelen en nalaten van de notaris in het kader van een executoriale verkoop van een registergoed waarvan klaagster eigenaar is. De notaris trad in dat verband op in opdracht van [E], de schuldeiser van klaagster. In een dergelijk veilingdossier rust op de notaris een zelfstandige wettelijke verplichting tot het verrichten van cliëntenonderzoek op grond van de Wwft. Deze verplichting maakt onderdeel uit van de kern van de notariële taakuitoefening. De kamer is van oordeel dat klager een voldoende redelijk belang heeft bij de klacht.
5.5 De klacht is ontvankelijk.
6. De beoordeling van de klacht
6.1 Ter beoordeling van de kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 Wna. Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.
6.2 De kern van de klacht is dat de notaris in het kader van de executieveiling onvoldoende onderzoek heeft verricht, in het bijzonder met betrekking tot het cliëntenonderzoek op grond van de Wwft. Vaststaat dat de notaris een cliëntenonderzoek heeft uitgevoerd, waarbij de identiteit van [E] en haar uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) is vastgesteld. Daarbij is gebruikgemaakt van een organogram waaruit bleek welke natuurlijke personen een aandelenbelang van meer dan 25% in [E] hielden. Uit dit cliëntenonderzoek zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding gaven tot verhoogde waakzaamheid of tot het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wwft. Evenmin zijn objectieve of subjectieve indicatoren vastgesteld die duidden op (een risico van) witwassen of financieren van terrorisme.
6.3 De kamer neemt verder in aanmerking dat uit meerdere rechterlijke uitspraken volgt dat [E] als (rechtsopvolgend) schuldeiser aanspraak heeft op betaling uit hoofde van de geldleningen. Dat klaagster de betalingsverplichtingen niet nakwam was voor de notaris aanleiding om over te gaan tot het verrichten van werkzaamheden ter voorbereiding van de executieveiling, ook indien en zolang de cessie van de vordering onderwerp was van (hoger) beroep.
De zorgplicht van de notaris brengt in een geval als het onderhavige niet mee dat hij gehouden is zelfstandig onderzoek te verrichten naar eerdere transacties, noch naar de herkomst van gelden die in het verleden bij die transacties zijn betrokken, zolang geen concrete aanwijzingen bestaan die een dergelijk nader onderzoek rechtvaardigen.
6.4 Er is dan ook geen grond te oordelen dat de notaris op grond van de Wwft of enige andere wettelijke bepaling tot nader of ander onderzoek gehouden was. De kamer is van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten geen sprake is. De klacht wordt derhalve ongegrond verklaard.
BESLISSING
De kamer voor het notariaat:
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.H.M. Smelt voorzitter, S.H. Poiesz en J.W.A.P. Michels, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.