ECLI:NL:TNORDHA:2026:1 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-42
| ECLI: | ECLI:NL:TNORDHA:2026:1 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-02-2026 |
| Datum publicatie: | 16-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-42 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | De kandidaat-notaris heeft bij de afwikkeling van de nalatenschap de scheidslijn tussen hetgeen tot de werkzaamheden van een kandidaat-notaris behoort en hetgeen daarbuiten valt uit het oog verloren. Daardoor is de zakelijkheid van de dienstverlening in het gedrang gekomen. Zij heeft in deze situatie te welwillend gehandeld en onvoldoende afstand bewaard tot cliënte. Juist daarom wordt haar aangerekend dat ze te weinig oog heeft gehad voor de processen en de zorgvuldige vastlegging van wat ze afsprak en deed. De kamer legt de maatregel van waarschuwing op. |
Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag
Beslissing d.d. 11 februari 2026 inzake de klacht onder nummer 25-42 van:
[klaagster],
hierna: klaagster,
en
A. Cevaal, handelend in de hoedanigheid van bewindvoerder van klaagster,
gemachtigde voor beiden: mr. E.Z. Anink, advocaat te Amsterdam,
hierna tezamen: klagers,
tegen:
[kandidaat-notaris],
kandidaat-notaris, gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de kandidaat-notaris.
1. Het procesverloop
1.1 De kamer heeft kennisgenomen van de klacht, met bijlagen, ingekomen op 2 juni 2025.
1.2 De kamer heeft het antwoord van de kandidaat-notaris, ontvangen.
1.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Daarbij waren aanwezig klaagster bijgestaan door [B] via videoverbinding en bewindvoerder [A] bijgestaan door mr. Anink , en de kandidaat-notaris bijgestaan door kantoorgenoot [C]. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt. Klagers hebben een pleitnotitie overgelegd.
2. De feiten
2.1 Eind 2022 is [D], de ex-echtgenoot van klaagster (hierna te noemen: erflater), overleden.
2.2 [E] (hierna: de zoon) was de zoon van erflater en klaagster. Op grond van het erfrecht bij versterf was hij enig erfgenaam van erflater.
2.3 De kandidaat-notaris was betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.
2.4 Op 5 mei 2023 is de zoon overleden.
2.5 Bij gebreke van een testament van de zoon was klaagster zijn enig erfgenaam en verkreeg zij het vermogen van erflater.
2.6 Op 29 mei 2023 heeft klaagster een overeenkomst van opdracht getekend betreft het opmaken van een verklaring van erfrecht en de afwikkeling van de nalatenschap van de zoon en de daarvan deel uitmakende nalatenschap van erflater.
2.7 Klaagster heeft een volmacht getekend voor de afwikkeling van de nalatenschap van de zoon.
2.8 Op 28 juni 2023 heeft de kantoorgenoot van de kandidaat-notaris, [F], notaris te [vestigingsplaats], een testament van klaagster gepasseerd.
2.9 Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2024 is [B&O Dienstverlening] benoemd tot bewindvoerder over het vermogen van klaagster.
2.10 Bij brief van 19 maart 2025 heeft klaagster een klachtbrief naar de kandidaat-notaris gestuurd en heeft zij de overeenkomst van opdracht vernietigd en de in rekening gebrachte notariskosten teruggevorderd.
2.11 Bij brief van 31 maart 2025 heeft de kandidaat-notaris een reactie gestuurd.
3. De klacht
3.1 De kandidaat-notaris heeft ondeugdelijk gehandeld ten aanzien van de inhoud van de overeenkomst van opdracht en de uitgevoerde werkzaamheden, waardoor de kosten voor klaagster niet voorzienbaar waren.
Dit blijkt uit het volgende:
- er was geen schatting opgenomen van de totale kosten van de werkzaamheden, waardoor de kosten niet inzichtelijk waren;
- de overeenkomst van opdracht zag uitsluitend op de werkzaamheden voor de afwikkeling van de nalatenschap van de zoon. Voor het opstellen van een nieuw testament door klaagster was geen opdrachtbevestiging gestuurd;
- er was een uurtarief opgenomen exclusief BTW, terwijl klaagster een consument is;
- er zijn werkzaamheden gedeclareerd tegen een hoger uurtarief (€ 215,- en € 250,-) dan in de overeenkomst van opdracht staat vermeld.
3.2 De kandidaat-notaris heeft onbehoorlijk gehandeld door op basis van een ondeugdelijk tot stand gekomen volmacht haar eigen honorarium uit de nalatenschap van de zoon te voldoen, zonder daarvoor verantwoording af te leggen aan klaagster en zonder declaraties te verstrekken.
Klaagster is op leeftijd (88 jaar) en verkeerde in een toestand van shock en diepe rouw door het overlijden van haar enige kind die bij haar inwoonde. Klaagster is niet in de gelegenheid gesteld om de volmacht voor ondertekening door te kunnen nemen. Voor haar is het onduidelijk wat er is gebeurd met haar financiën. De bewindvoerder van klaagster heeft meerdere malen verzocht om een urenregistratie-overzicht. Daaruit blijkt dat de kandidaat-notaris zeventien maal op huisbezoek is geweest, waarvan tenminste acht huisbezoeken in rekening zijn gebracht. De kosten voor een huisbezoek liepen op tot € 1.196,- per bezoek. In totaal is er 59 uur gedeclareerd voor een bedrag van € 9.672,67.
3.3 De kandidaat-notaris heeft niet onafhankelijk en onpartijdig gehandeld door klaagster te adviseren [Stichting] (hierna: de stichting) in haar testament op te nemen, terwijl de kandidaat-notaris ten tijde van het passeren van het testament voorzitter c.q. bestuurder van deze stichting was.
In het testament was de stichting benoemd als erfgenaam voor 1/4e deel van de nalatenschap. De stichting is op 25 mei 2023 ingeschreven in het handelsregister, vlak na het overlijden van de zoon.
3.4 De kandidaat-notaris heeft de eer en aanzien van haar ambt geschonden door zich dreigend uit te laten tegen klaagster.
Klaagster was angstig voor mogelijke (verdere) consequenties en schaamde zich. Nadat de kandidaat-notaris kennis had genomen van de onderbewindstelling liet zij zich boos en dreigend uit over de beschikking van de kantonrechter.
4. Het verweer
4.1 De kandidaat-notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.
5. De beoordeling van de klacht
5.1 Ter beoordeling van de kamer staat of de kandidaat-notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 Wna. Een kandidaat-notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als kandidaat-notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk kandidaat-notaris niet betaamt.
5.2 De kamer stelt voorop dat er onvoldoende reden is te twijfelen aan de door klaagster aan de kandidaat-notaris verstrekte opdracht en de inhoud en omvang daarvan. Ter zitting heeft klaagster op open vragen van de kamer geantwoord dat – kort gezegd – de kandidaat-notaris de afwikkeling van de nalatenschap zou doen en dat de voorhanden administratie nogal omvangrijk was. Evenmin is gebleken dat de kandidaat-notaris werkzaamheden heeft gedeclareerd die buiten de opdracht vielen.
5.3 Voor zover de klacht ziet op de opdrachtbevestiging en het uitvoeren van de werkzaamheden neemt de kamer het volgende in aanmerking. Onder verwijzing naar de toelichting bij artikel 10 lid 1 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 verdient het aanbeveling dat een notaris - als een opdracht wordt verstrekt zonder dat vooraf een offerte is opgemaakt - de opdracht bevestigt door middel van een opdrachtbevestiging aan de opdrachtgever. De kandidaat-notaris heeft een summiere opdrachtbevestiging verstrekt die te summier was opgesteld en waarin een omschrijving van de te verwachten werkzaamheden ontbrak en heeft die mondeling toegelicht.
5.4 Hoewel over het bestaan van de overeenkomst op zich geen twijfel is, had het juist in onderhavig geval op de weg van de kandidaat-notaris gelegen om een complete schriftelijke opdrachtbevestiging te sturen. Klaagster was 88 jaar oud en had kort na elkaar erflater en de zoon verloren. Zij was digibeet, had geen internetbankieren, terwijl de administratie ernstig ongeordend was, zo begrijpt de kamer. Van de kandidaat-notaris werd dan ook een verhoogde mate van zorgvuldigheid in de communicatie en informatievoorziening en -vastlegging verwacht. Voorstelbaar is dat een dergelijke bevestiging is gestuurd, maar dat die bij klaagster in het ongerede is geraakt. De kandidaat-notaris heeft, in het licht van het haar gemaakte verwijt, die toezending of verstrekking echter niet kunnen onderbouwen. Dit klachtonderdeel is gegrond.
5.5 Ten aanzien van de verrekeningen overweegt de kamer dat gebleken is dat klaagster de betreffende volmacht heeft getekend. Dat die ondeugdelijk tot stand zou zijn gekomen is, mede bezien in het licht van hetgeen is overwogen over het bestaan van de overeenkomst, onvoldoende onderbouwd. Er is evenmin concrete grond voor het oordeel dat de kandidaat-notaris meer heeft gedeclareerd dan haar voor haar werkzaamheden op grond van de overeenkomst toekwam.
5.6 Gelet op enerzijds de situatie van betrokkene en haar administratie en anderzijds de taak die de kandidaat-notaris had om die administratie en de hele financiële afwikkeling in orde te maken, had de kandidaat-notaris deze volmacht echter niet zonder meer mogen gebruiken om haar eigen declaraties te voldoen. In dit geval vereiste de zorgvuldigheid dat voor verrekening zo veel mogelijk goedkeuring vooraf van klaagster werd verkregen en ten minste vooraf aankondiging werd gedaan. Dit klachtonderdeel is gegrond.
5.7 Wat betreft de benoeming van de stichting in het testament oordeelt de kamer dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Uit de stukken blijkt dat zowel klaagster als de kandidaat-notaris een persoonlijke affiniteit met Curaçao hebben. Bovendien heeft de kandidaat-notaris het testament niet zelf gepasseerd; dit is gedaan door een ander. In deze procedure moet het ervoor worden gehouden dat die daarbij de nodige voorlichting (belehrung) heeft gegeven, de wil van klaagster heeft vastgesteld en ook overigens de te betrachten zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
5.8 Wat betreft de vermeende dreigementen overweegt de kamer dat klaagster onvoldoende concreet heeft gesteld welke uitlatingen zij als dreigend heeft ervaren. Gelet hierop is dit klachtonderdeel ongegrond.
6. Maatregel
6.1 De gegronde klachtonderdelen rechtvaardigen het opleggen van een maatregel.
6.2 Uit het dossier komt naar voren dat de kandidaat-notaris zich in bredere zin heeft willen bekommeren om de belangen van klaagster. Zo bracht ze haar naar afspraken bij Beter Horen en bij de bank. Klaagster had iemand nodig die met haar meeging, bijvoorbeeld ook bij de verkoop van de auto van haar zoon. De kandidaat-notaris handelde uit medemenselijkheid en heeft nooit ‘eigen kosten’ in rekening gebracht, aldus haar reactie. Dat ‘goed willen doen’ is op zich niet klachtwaardig of laakbaar.
6.3 De kandidaat-notaris heeft daarbij echter de scheidslijn tussen hetgeen tot de werkzaamheden van een kandidaat-notaris behoort en hetgeen daarbuiten valt uit het oog verloren. Daardoor is de zakelijkheid van de dienstverlening in het gedrang gekomen. Zij heeft in deze situatie te welwillend gehandeld en onvoldoende afstand bewaard tot cliënte. Juist daarom wordt haar aangerekend dat ze te weinig oog heeft gehad voor de processen en de zorgvuldige vastlegging van wat ze afsprak en deed.
6.4 Hoewel ter zitting is gebleken dat klaagster aanvankelijk haar belangen aan de kandidaat-notaris toevertrouwde, heeft zij thans het gevoel de regie over de afwikkeling te zijn kwijtgeraakt, hetgeen haar vertrouwen heeft geschaad. Onduidelijk is in welke mate dat aan de kandidaat-notaris te wijten is. In elk geval moet worden vastgesteld dat een nauwkeuriger en zorgvuldiger handelen harerzijds veel vragen en onrust had voorkomen.
6.5 Ter zitting is gebleken dat de bewindvoerder, die mede als klaagster optreedt, alle voor haar taak benodigde informatie heeft ontvangen en geen zelfstandige klachtgronden heeft. Haar betrokkenheid weegt dan ook niet mee bij de bepaling van de maatregel.
6.6 Het handelen van de kandidaat-notaris laat zich kenmerken als onhandig-onzorgvuldig. Gelet enerzijds op de geschonden zorgvuldigheidsnorm en de belangen die die norm beoogt te beschermen en anderzijds op de goede intentie van de kandidaat-notaris en het ontbreken van indicaties voor frauduleus of kwaadwillend handelen, acht de kamer een waarschuwing passend en geboden.
6.7 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de kandidaat-notaris op grond van artikel 99, vijfde lid, van de Wna het door klagers betaalde griffierecht van € 50,00 aan hen te vergoeden.
6.8 De kamer ziet aanleiding om de kandidaat-notaris, gelet op artikel 103b, eerste lid, onder a, van de Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat, te veroordelen in de kosten die klagers in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs hebben moeten maken voor het bijwonen van de zitting, forfaitair vastgesteld op een bedrag van € 50,00 alsmede de kandidaat-notaris te veroordelen in de kosten die klagers hebben moeten maken voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op in totaal € 1.050,00 (bestaande uit 1 punt voor het indienen van een klaagschrift en 1 punt voor de bijstand ter zitting met een waarde per punt van € 525,00). Voor de goede merkt de kamer op dat, nu de bewindvoerder geen zelfstandige grond voor deze klacht had, de kostenvergoeding voor klagers gezamenlijk is.
6.9 De kandidaat-notaris dient het griffierecht en de kosten genoemd onder 6.8 binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klagers te vergoeden. Klagers dienen daarvoor tijdig het rekeningnummer schriftelijk door te geven aan de kandidaat-notaris.
6.10 Verder ziet de kamer aanleiding om de kandidaat-notaris, gelet op artikel 103b, eerste lid, onder b, van de Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. De kamer acht termen aanwezig de kosten in dit concrete geval vast te stellen op € 1.000,00 (wegingsfactor 0,5). De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden betaald aan de kamer. De kandidaat-notaris ontvangt hiervoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) te Utrecht.
BESLISSING
De kamer voor het notariaat:
- verklaart de klacht deels ongegrond en deels gegrond;
- legt de kandidaat-notaris de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van het griffierecht van € 50,00 aan klagers;
- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van de kosten van klagers van € 1.050,-;
- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van de kosten in verband met de behandeling van de zaak, vastgesteld op € 1.000,-.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.H.M. Smelt, voorzitter, S.H. Poiesz en J.W.A.P. Michels, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.