ECLI:NL:TNORARL:2026:7 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/449604 KL RK 25-47
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2026:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-02-2026 |
| Datum publicatie: | 15-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/05/449604 KL RK 25-47 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Samenlevingscontract |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klager ontvankelijk, ondanks handelen notaris uit 2020. Uitzonderingstermijn is van toepassing.De kamer kan niet vaststellen dat de notaris klager heeft voorgelicht over het finaal verrekenbeding en op basis van welke gegevens dit geweest is. De notaris heeft verklaard geen aantekeningen te hebben gemaakt tijdens het gesprek dat hij gevoerd heeft met klager over de op te stellen samenlevingsovereenkomst. Klager was bovendien de meest vermogende partij. De notaris heeft geen vermogensoverzicht gemaakt, terwijl dit wel op zijn plek was gezien de omstandigheden. De notaris had klager schriftelijk moeten informeren over het finaal verrekenbeding zoals dit is opgenomen in de samenlevingsovereenkomst. Niet is komen vast te staan dat de notaris zijn informatieplicht op dit onderdeel heeft vervuld. De kamer legt aan de notaris de maatregel van berisping op. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: C/05/449604 / KL RK 25-47
beslissing van de kamer voor het notariaat
op de klacht van
[Naam klager],
wonende in [woonplaats],
klager,
gemachtigde: mr. F.F. Aarts
tegen
[naam notaris] ,
notaris in [plaats]
gemachtigde: mr. R. Bosman.
Partijen worden hierna respectievelijk klager en de notaris genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit
- de klacht, met bijlagen, van 20 maart 2025
- het verweer van de notaris van 4 juni 2025
1.2 De klachtzaak is ter zitting van 1 december 2025 behandeld, waarbij zijn verschenen klager en zijn gemachtigde enerzijds en de notaris en zijn gemachtigde anderzijds. De gemachtigde van klager heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen
2. De feiten
2.1 Klager woonde sinds 2013 met zijn toenmalige partner, thans ex-partner (hierna: zijn ex-partner) en haar dochter samen in zijn woning. De kosten van de samenwoning werden door klager en zijn ex-partner gezamenlijk voldaan. Er was destijds geen sprake van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of een samenlevingsovereenkomst.
2.2 Op 20 maart 2020 hebben klager en zijn ex-partner een gesprek gevoerd met de notaris, omdat zij een samenlevingsovereenkomst wilden laten opstellen.
2.3 Op 27 maart 2020 heeft klager een concept van de samenlevingsovereenkomst van de notaris ontvangen met daarbij een aanbiedingsbrief waarin een toelichting werd gegeven op het concept.
2.4 In de concept-samenlevingsovereenkomst was onder meer opgenomen een finaal verrekenbeding bij beëindiging van de samenleving anders door overlijden. In de aanbiedingsbrief werd dit beding niet vermeld of toegelicht.
2.5 Op 8 april 2020 is de samenlevingsovereenkomst ten overstaan van de notaris gepasseerd in aanwezigheid van zowel klager als zijn ex-partner. In de samenlevingsovereenkomst is het finaal verrekenbeding opgenomen, met de volgende tekst:
‘Ingeval de overeenkomst tot samenleving wordt beëindigd als bedoeld in artikel 12 lid 1 van deze overeenkomst, vindt er tussen de partijen verrekening plaats, zo, dat ieder gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij/zij gerechtigd zou zijn geweest indien er de algehele gemeenschap van goederen tussen partijen had bestaan (…)’
2.6 In 2023 is de samenleving tussen klager en zijn ex-partner formeel beëindigd.
2.7 Op 12 juli 2024 heeft klager een brief van de advocaat van zijn ex-partner ontvangen waarin hem werd medegedeeld dat zijn ex-partner aanspraak maakt op de geldsom die haar conform de afspraken in de samenlevingsovereenkomst toekomt.
2.8 Op 12 september 2024 is klager vervolgens met zijn adviseur bij de notaris geweest om het finaal verrekenbeding, zoals opgenomen in de samenlevingsovereenkomst, te bespreken.
2.9 Naar aanleiding van dat gesprek heeft de notaris op 18 oktober 2024 een e-mail aan klager gezonden met daarin opgenomen de tekst van zijn aantekeningen van het gesprek dat hij destijds met klager en zijn ex-partner voerde. Over het finaal verrekenbeding heeft de notaris het volgende genoteerd.
‘Bij huwelijk en geregistreerd partnerschap kan er wel een gemeenschappelijk vermogen worden gecreëerd, in een samenlevingsovereenkomst niet. Bij samenwoning kan er wel gemeenschappelijk vermogen worden gecreëerd maar dan is wel schenkbelasting of overdrachtsbelasting verschuldigd,
Om dit te voorkomen is het mogelijk om overeen te komen bij einde samenwoning er afgesproken wordt dat de waarde van het vermogen aan jullie gezamenlijk toekomt (50/50).’
2.10 Op grond van het finaal verrekenbeding in de samenlevingsovereenkomst kon klager door zijn ex-partner in rechte worden aangesproken voor een bedrag ad € 243.000,00. Eind 2024 heeft hij met zijn ex-partner een schikking getroffen voor een bedrag van € 130.000,00.
2.11 Klager heeft op 23 januari 2025 een klacht ingediend bij de klachtenfunctionaris van het notariskantoor van de notaris. Er is zowel telefonisch als per e-mail met de klachtenfunctionaris contact geweest. Een inhoudelijke reactie heeft klager echter niet ontvangen.
3. De klacht en het verweer
3.1 Klager verwijt de notaris dat hij niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht en informatieplicht. Klager stelt daartoe dat de notaris hem onvoldoende heeft geadviseerd en geïnformeerd over de gevolgen en de voor hem aanwezige risico’s van het opnemen van het finaal verrekenbeding. Bovendien was het niet de bedoeling van klager en zijn ex-partner om een dusdanig vergaand verrekenbeding op te nemen in hun samenlevingsovereenkomst.
3.2 Klager stelt dat hij nooit heeft begrepen dat een finaal verrekenbeding in de samenlevingsovereenkomst zou worden opgenomen. Uit de gespreksaantekeningen van de notaris blijkt niet dat het finaal verrekenbeding ter sprake is gekomen in het adviesgesprek met de notaris. Het was ook niet de bedoeling van partijen dat dit beding op deze manier in de samenlevingsovereenkomst terecht zou komen. Bovendien was een dergelijk verrekenbeding, met afrekening alsof sprake was van een algehele gemeenschap van goederen, niet in lijn met het wettelijk systeem dat toen gold. Immers, op dat moment was het nieuwe huwelijksvermogensrecht van toepassing, waarin een beperkte gemeenschap van goederen het uitgangspunt is. Klager is hier niet op gewezen. Tenslotte heeft de notaris geen vermogensoverzicht opgesteld of opgevraagd, zodat hij zich onvoldoende bewust was van de risico’s van een dergelijk finaal verrekenbeding voor klager. De notaris kon hem daarover dus ook niet voldoende voorlichten.
3.3 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.
4. De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1 Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht kan toekomen, moet ambtshalve worden beoordeeld of de klacht ontvankelijk is. Op grond van artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde (hierna: de klager) kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na die dag, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
4.2 Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële tuchtrechter) dat de wettelijke driejaarstermijn begint te lopen op de dag na de dag waarop de klager daadwerkelijk bekend is met het verweten handelen of nalaten van de notaris. Voor de aanvang van de klachttermijn is de feitelijke (objectieve) kennis van klager van het handelen of nalaten van de notaris bepalend en niet de persoonlijke (subjectieve) kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn (vergelijk Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:354). Anders gezegd: de driejaarstermijn begint niet pas te lopen op het moment dat klager zich realiseert dat de notaris mogelijk een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.
4.3 De kamer overweegt dat de driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna is gaan lopen op 9 april 2020. Op die datum heeft de laatste bespreking met de notaris plaatsgevonden, waarin ook de samenlevingsovereenkomst is gepasseerd. De notaris heeft volgens klager nagelaten om hem in dit gesprek juist en volledig te adviseren over het in de samenlevingsovereenkomst opgenomen finaal verrekenbeding. Dit betekent dat klager zijn klacht in beginsel te laat heeft ingediend.
4.4 In artikel 99 Wna is echter ook bepaald dat de beslissing tot niet-ontvankelijkheid achterwege blijft als de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaarstermijn aan klager bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
4.5 De kamer is van oordeel dat klager redelijkerwijs pas op de hoogte is geraakt van de gevolgen van het in de samenlevingsovereenkomst opgenomen finaal verrekenbeding, toen hij op 12 juli 2024 een brief van de advocaat van zijn ex-partner ontving. In die brief stond vermeld dat klager op grond van dat beding nog met zijn ex-partner moest afrekenen. Dat betekent dat naar het oordeel van de kamer van de uitzonderingstermijn als hiervoor onder 4.4 vermeld, sprake is. Nu de klacht is ingediend binnen een jaar nadat klager op de hoogte kwam van de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris, namelijk op 20 maart 2025, heeft klager de klacht tijdig ingediend.
4.6 De kamer verklaart klager daarom ontvankelijk in zijn klacht.
Inhoudelijke beoordeling
4.7 Op grond van artikel 93 lid 1 Wna zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en de andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.
4.8 De kamer overweegt dat een notaris op grond van artikel 43 lid 1 Wna, voordat hij overgaat tot het passeren van een akte, aan de verschijnende personen mededeling moet doen van de zakelijke inhoud van de akte en daarop een toelichting moet geven. Zo nodig wijst hij daarbij ook op de gevolgen die voor partijen of één of meer van hen uit de inhoud van de akte voortvloeien. Hierbij mag van een notaris een actieve rol worden verwacht. Volgens de wetsgeschiedenis van artikel 43 lid 1 Wna (Kamerstukken II 1995-1996, 23706, nr. 6, p. 50) mag een notaris aannemen dat hij op juiste wijze aan zijn voorlichtingsplicht heeft voldaan indien hij ervan overtuigd is dat de verschijnende personen hebben begrepen wat de inhoud van de akte is. Het vervullen van de voorlichtingsplicht behoort volgens vaste rechtspraak tot de essentie van het notariële ambt en dient als integraal onderdeel van het passeren van de akte te worden beschouwd.
4.9 In onderhavige procedure stelt de notaris dat het finaal verrekenbeding en de inhoud van dit beding op meerdere momenten uitgebreid onderwerp van gesprek zijn geweest. Daarbij heeft de notaris naar eigen zeggen ook de gevolgen van dit beding voor partijen met hen besproken. Vanwege de wens van klager en zijn ex-partner om gezamenlijk vermogen te creëren, is het finaal verrekenbeding in hun samenlevingsovereenkomst opgenomen. Er is bovendien in het verlengde daarvan ook besproken dat erfenissen en schenkingen buiten het finaal verrekenbeding moesten vallen.
In de aanbiedingsbrief, die is meegestuurd bij het concept van de samenlevingsovereenkomst, is aan klager en zijn ex-partner expliciet verzocht om aan te geven of zij akkoord gaan met het concept. Per abuis is het finaal verrekenbeding niet apart in deze brief genoemd. Dat maakt echter nog niet dat klager destijds niet volledig en juist is voorgelicht over de inhoud en betekenis van het beding, aldus de notaris. Bovendien is klager zelf akkoord gegaan met de concept-samenlevingsovereenkomst waarin dit beding was opgenomen. Dat concept is uiteindelijk ook gepasseerd. Ook tijdens de passeerafspraak is het finaal verrekenbeding nog aan de orde gekomen. Klager heeft er nooit blijk van gegeven dat het finaal verrekenbeding of de gevolgen ervan voor hem niet duidelijk waren.
4.10 De kamer oordeelt als volgt.
Uit de documenten in het dossier blijkt dat de woning waarin klager en zijn ex-partner woonden, klager alleen in eigendom toebehoorde en dat hij ook de hypotheeklast droeg. Verder had klager ook nog een vakantiehuisje in eigendom. De kamer stelt vast dat op grond hiervan het finaal verrekenbeding op basis van een algehele gemeenschap van goederen, van beide partijen het meest risicovol was voor klager. Op de notaris rustte dan ook een verzwaarde verantwoordelijkheid om zich ervan te vergewissen dat klager de risico’s van het opnemen van een dergelijk beding en de gevolgen voor zijn vermogenspositie goed heeft begrepen.
4.11 De kamer heeft niet kunnen vaststellen dat de notaris klager heeft voorgelicht over het finaal verrekenbeding en op basis van welke gegevens. De notaris heeft gesteld dat hij de risico’s en gevolgen van het finaal verrekenbeding heeft besproken in de gesprekken die hij met klager en zijn ex-partner heeft gehad. Uit de gespreksaantekeningen van de notaris kan dit echter niet worden afgeleid. Bij de mondelinge behandeling heeft de notaris verklaard dat hij tijdens het gesprek met klager en zijn ex-partner geen aantekeningen heeft gemaakt over wat hij op dat moment met partijen heeft besproken over het finaal verrekenbeding. Dit dient evenwel voor zijn risico te blijven. De kamer kan dan ook niet vaststellen dat de notaris in dit gesprek over het finaal verrekenbeding heeft gesproken, laat staan dat hij de risico’s en gevolg voor klager voldoende met hem heeft besproken.
4.12 Ter zitting heeft de notaris aangegeven dat het hem bekend was dat klager van beide partners de meest vermogende partij was. De notaris heeft echter in het kader van het opstellen van de samenlevingsovereenkomst en de wens van klager en zijn ex-partner om gezamenlijk vermogen te creëren, geen vermogensoverzicht gemaakt. Evenmin heeft hij bij klager stukken opgevraagd om diens vermogenspositie in kaart te brengen. Nu het ging om een beding met verstrekkende gevolgen voor de vermogenspositie van klager, mocht naar het oordeel van de kamer van de notaris worden verlangd dat hij klager schriftelijk, bijvoorbeeld in de toelichtingsbrief bij de conceptovereenkomst, zou hebben geïnformeerd over inhoud en strekking van het finaal verrekenbeding dan wel dat hij de aan klager mondeling verstrekte informatie nadien schriftelijk aan hem zou bevestigen. In de aanbiedingsbrief bij de concept- samenlevingsovereenkomst is echter geen toelichting omtrent het finaal rekenbeding opgenomen. Sterker nog, het finaal verrekenbeding is in deze brief niet eens benoemd. Ook overigens is niet gebleken dat de notaris klager schriftelijk heeft geïnformeerd over de strekking en gevolgen van het finaal verrekenbeding. Naar het oordeel van de kamer is daarom niet komen vast te staan dat de notaris zijn informatieplicht op dit onderdeel heeft vervuld.
4.15 De kamer verklaart de klacht dan ook gegrond.
Conclusie en maatregel
4.14 De kamer is van oordeel dat de notaris met zijn handelwijze zijn kerntaken als notaris heeft veronachtzaamd. De notaris heeft voor wat betreft zijn informatieplicht ten aanzien van het finaal verrekenbeding niet gehandeld zoals een zorgvuldig notaris betaamt. Doordat de notaris klager onvoldoende heeft voorgelicht, was klager er niet op bedacht dat de afrekening ook gold voor het gehele vermogen dat hij heeft opgebouwd vóór het begin van de relatie met zijn ex-partner. Hierdoor is hij onverwachts geconfronteerd met een claim van zijn ex-partner voor een aanzienlijk bedrag. De notaris heeft onvoldoende oog gehad voor de positie van klager. De notaris heeft door zo te handelen de belangen van klager onvoldoende behartigd. De kamer zal aan de notaris de maatregel van een berisping opleggen, nu zij dit passend en geboden acht.
4.15 Omdat de kamer de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet de notaris het door klagers betaalde griffierecht van € 50,00 op grond van artikel 99 lid 5 Wna aan hen vergoeden.
4.16 Omdat de kamer de klacht tegen de notaris gedeeltelijk gegrond verklaart en de notaris tevens een maatregel oplegt, zal de kamer de notaris op grond van artikel 103b lid 1 Wna en de (tijdelijke) richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat (Staatscourant 2020, nr. 67893), veroordelen in de kosten van klager, forfaitair vastgesteld op € 50,00.
4.17 De kamer bepaalt dat de notaris voornoemde bedragen binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klager moet betalen. Klager moet daarvoor tijdig schriftelijk zijn rekeningnummer aan de notaris door geven.
4.18 Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, op grond van artikel 103b lid 1 Wna jo. de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893), te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak door de kamer zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.000,00 (wegingsfactor 1). De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De notaris ontvangt hiervoor nota van het LDCR te Utrecht.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de notaris de maatregel van berisping op;
- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van € 50,00 griffierecht en € 50,00 aan andere kosten, op de wijze en binnen de termijn als onder 4.17 bepaald;
- veroordeelt de notaris tot betaling van € 2.000,00 in de kosten van behandeling van de klacht door de kamer, op de wijze en binnen de termijn als onder 4.18 bepaald.
|
Deze beslissing is gegeven door mr. M.L. Braaksma, voorzitter, mr. A.E. Zweers en mr. B.B. van Dis, leden, en in tegenwoordigheid van mr. E.W.A Nabbe, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026. | ||
|
De secretaris |
De voorzitter | |
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||