ECLI:NL:TNORARL:2026:4 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/452755 KL RK 25-89
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2026:4 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-01-2026 |
| Datum publicatie: | 11-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/05/452755 KL RK 25-89 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Testamenten |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klagers hebben onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom erflater het testament taalkundig niet (voldoende) heeft kunnen begrijpen. Een beëdigde tolk is niet vereist. Klagers hebben onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat de bij de notaris bekende (gezondheids)omstandigheden van erflater aanleiding hadden moeten zijn om verder onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflater te doen. Daarnaast is het testament ruim voor het overlijden van erflater gepasseerd en achtten klagers erflater kort na het passeren van het testament blijkbaar wel in staat tot het verrichten van een andere rechtshandeling. Klagers hebben onvoldoende onderbouwd waarom de notaris met de gesprekken onder vier ogen niet heeft gewaarborgd dat erflater zijn wil op onafhankelijke wijze aan de notaris heeft kunnen overbrengen. Ten slotte heeft de notaris voldoende inzichtelijk gemaakt, binnen de grenzen van zijn geheimhouding, hoe het testament tot stand is gekomen. De klacht ten aanzien van het testament is daarom ongegrond. De klacht is niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op het levenstestament. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: C/05/452755 / KL RK 25-89
beslissing van de kamer voor het notariaat
op de klacht van
1. [naam klager 1],
wonende te [plaats],
2. [naam klager 2],
wonende te [plaats],
klagers,
gemachtigde: [naam gemachtigde]
tegen
[naam notaris],
notaris te [plaats],
gemachtigde: mr. V.J.N. van Oijen
Partijen worden hierna respectievelijk klagers en de notaris genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de klacht, met bijlage, van 4 juni 2025;
- het verweer van de notaris, met bijlagen, van 22 juli 2025;
- het aanvullende stuk van de notaris van 3 november 2025.
1.2 Namens klagers is op 28 oktober 2025 een aanvullend klaagschrift ingediend. Dit stuk is niet door de kamer geaccepteerd. De bij dit stuk gevoegde bijlagen zijn, na op de zitting van 14 november 2025 gegeven toelichting, geaccepteerd.
1.3 De klachtzaak is ter zitting van 14 november 2025 behandeld, waarbij zijn verschenen
klagers enerzijds en de notaris anderzijds. Zowel klagers als de notaris hebben hun
standpunten mede toegelicht aan de hand van een pleitnotitie, welke aan de kamer is
overhandigd.
2. De feiten
2.1 Op 2 januari 2025 is de vader van klagers, de heer [naam] (hierna: erflater), overleden.
2.2 Erflater was de Nederlandse taal niet voldoende machtig en was analfabeet.
2.3 Erflater had gezondheidsproblemen. Hij stond onder meer onder behandeling bij een cardiologiecentrum (in ieder geval sinds 2016) en maakte de laatste jaren van zijn leven meerdere cerebrovasculaire accidenten door, waarvan de eerste in 2020 plaatsvond.
2.4 Op 22 januari 2021 heeft de notaris ten behoeve van erflater een levenstestament (hierna: het levenstestament) en een testament (hierna: het testament) gepasseerd.
2.5 Ten tijde van het passeren van het levenstestament en het testament stond erflater niet onder bewind, curatele of mentorschap en volgens de gemeentelijke basisadministratie woonde hij zelfstandig.
2.6 In het testament zijn klagers en de overige kinderen van erflater onterfd en is de heer [naam], de zoon van een broer van klagers (hierna: de kleinzoon), aangewezen als enig erfgenaam. In het levenstestament is de kleinzoon aangewezen als gevolmachtigde.
2.7 Op 3 februari 2025 hebben klagers een uittreksel van het testament van de notaris ontvangen. Daarin ontbrak de erfstelling.
2.8 Op 13 mei 2025 hebben klagers, middels een brief van hun rechtsbijstandsverzekeraar, inzage verzocht in het dossier van de notaris betreffende erflater.
2.9 De notaris heeft dit verzoek, met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht, op
20 mei 2025 geweigerd, maar heeft wel een toelichting gegeven op de gang van zaken
rondom de totstandkoming van het levenstestament en het testament.
3. De klacht en het verweer
3.1 Klagers verwijten de notaris onzorgvuldig te hebben gehandeld bij de totstandkoming van het levenstestament en het testament en niet te hebben voldaan aan zijn informatieplicht. De klacht valt uiteen in de volgende klachtonderdelen (hierbij zijn aanvullingen van na 4 juni 2025 niet meegenomen):
I. de notaris heeft geen gebruik gemaakt van een beëdigde tolk Berbers (Tamazigt) bij het toelichten van het testament;
II. de notaris heeft het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid van de KNB (hierna: het Stappenplan) niet toegepast bij het beoordelen van de wilsbekwaamheid van erflater;
III. de notaris is niet alert geweest op signalen van mogelijke beïnvloeding van erflater en heeft in dat kader geen kritisch onderzoek verricht;
IV. de notaris heeft klagers geen inzage gegeven in het levenstestament en het testament.
3.2 De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op het verweer van de notaris zal
de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.
4. De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1 Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht kan toekomen, moet eerst (ambtshalve) worden beoordeeld of klagers als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. In artikel 99 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) staat dat klachten tegen notarissen door een ieder met enig redelijk belang kunnen worden ingediend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een rechtstreeks belang bij de klacht niet zonder meer is vereist. Ook een indirect of afgeleid belang kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure door de wetgever beoogd.
4.2 De notaris meent dat klagers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard wegens een gebrek aan redelijk belang bij hun klacht.
4.3 De kamer volgt het verweer van de notaris voor zover dat betrekking heeft op het levenstestament. Klagers zijn in het levenstestament niet als gevolmachtigde van erflater aangewezen en klagers hebben geen vermogensrechtelijke of andere belangen aangevoerd waarin zij door de handelwijze van de notaris ten aanzien van het levenstestament geraakt zouden zijn. De kamer zal de klacht voor zover deze ziet op het levenstestament dan ook niet-ontvankelijk verklaren bij gebrek aan enig redelijk belang.
4.4 Nu klagers in het testament onterfd zijn en zodoende geraakt zijn in hun vermogensrechtelijke
belangen, is de kamer van oordeel dat zij een redelijk belang hebben bij het deel
van hun klacht dat ziet op het testament. Ten aanzien daarvan zal de kamer de klacht
dan ook ontvankelijk verklaren.
Inhoudelijke beoordeling
4.5 Op grond van artikel 93 lid 1 Wna zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en de andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen. Deze toetsing omvat niet de beoordeling van eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid als door klagers nog genoemd.
Klachtonderdeel I
4.6 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel stellen klagers dat erflater analfabeet was en slechts zeer beperkt Nederlands sprak. Hij communiceerde voornamelijk in het Berbers (Tamazigt) en sprak slechts een klein beetje Arabisch. Door de afwezigheid van een professionele tolk Berbers kon erflater de inhoud van het testament waarschijnlijk dus niet overzien of begrijpen, aldus klagers.
4.7 De notaris stelt dat er op grond van artikel 42 Wna geen wettelijke verplichting bestaat tot gebruikmaking van een beëdigde tolk. De notaris heeft advies bij de KNB ingewonnen en volgens dat advies mag een notaris ook zelf als tolk optreden indien hij een bepaalde taal voldoende spreekt. De notaris wijst erop dat dit later ook is bevestigd in het Notariaat Magazine. Daarin wordt wel aangegeven dat een notaris dit op eigen risico doet. Als cliënten later melden het toch niet helemaal te hebben begrepen, is het aan de betreffende notaris om te bewijzen dat ze deugdelijk door hem zijn voorgelicht. Erflater heeft hier echter nimmer over geklaagd, aldus de notaris.
4.8 De notaris stelt verder dat het Marokkaans-Arabisch zijn moedertaal is. Tijdens de twee afspraken met erflater op het kantoor van de notaris – de afspraak waarbij de wensen van erflater in kaart werden gebracht en de passeerafspraak – heeft de notaris moeiteloos met erflater in die taal kunnen communiceren. Er was sprake van een vloeiend gesprek over verschillende onderwerpen en erflater maakte zelfs grapjes in die taal. Erflater heeft niet gekozen voor een toelichting in het Berbers, terwijl er wel een medewerker op het kantoor van de notaris werkzaam is die een toelichting in het Berbers had kunnen verschaffen. Deze medewerker is ook even binnen geweest bij de eerste afspraak om deze vraag voor te leggen aan erflater.
4.9 Omdat erflater de Nederlandse taal wel enigszins maar niet voldoende machtig was, heeft de notaris de akte verleden in het Nederlands maar gekozen voor een extra vertolking. Met betrekking tot de vertolking heeft de notaris het volgende in de akte opgenomen:
“Ten slotte verklaar ik, notaris, dat mede in verband met het bepaalde in artikel 42 van de
Notariswet en in verband met het feit dat de comparant de Nederlandse taal niet
voldoende machtig is, ik hem de zakelijke inhoud van de akte tevens in de Arabische taal
(Marokkaans dialect) heb opgegeven en toegelicht. De comparant heeft mij medegedeeld
de zakelijke inhoud en strekking van deze akte volledig te hebben begrepen, in te
stemmen met de inhoud en de rechtsgevolgen van deze akte en in te stemmen met het
feit dat deze akte in de Nederlandse taal is opgesteld en de toelichting/uitleg mede in het
Arabisch (Marokkaans dialect) is gegeven.”
4.10 De kamer overweegt dat de notaris uitgebreid beschreven heeft hoe de communicatie met erflater verlopen is en in welke taal hij het testament heeft toegelicht. Bovendien heeft de notaris zich er telkens van vergewist dat erflater goed begreep wat er besproken werd tijdens de afspraken en wat er in het testament stond. De notaris heeft dit vervolgens ook vastgelegd in de akte. Naar het oordeel van de kamer hebben klagers daartegenover onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom erflater het testament taalkundig niet (voldoende) heeft kunnen begrijpen. Daarnaast volgt de kamer het verweer van de notaris dat een beëdigde tolk niet vereist is. De klacht is op dit punt dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel II
4.11 De kamer stelt het volgende voorop. Als uitgangspunt geldt dat iedereen aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd bij testament uiterste wilsbeschikkingen kan maken. Een notaris dient daaraan in beginsel zijn ministerie te verlenen en moet op verlangen van een testateur doen wat is vereist om diens uiterste wilsbeschikkingen in een testament vast te leggen. Zoals bij elke akte moet de notaris de wilsbekwaamheid van de betrokkene beoordelen. Volgens vaste jurisprudentie van de kamers voor het notariaat moet bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van een betrokken cliënt primair worden uitgegaan van de eigen waarneming van de notaris, aan wie in dat kader beoordelingsruimte toekomt. Pas bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid is verder onderzoek aangewezen. Het Stappenplan biedt hiervoor een handreiking. In het Stappenplan staan indicatoren benoemd die aanleiding kunnen zijn voor een nadere beoordeling van de wilsbekwaamheid. Indien een notaris – ook al heeft hij kennis van het bestaan van een of meer indicatoren – geen aanleiding behoeft te hebben om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, dan hoeft hij het Stappenplan niet te volgen. Van belang hierbij is onder meer de indruk die een cliënt in een gesprek maakt. Ook als achteraf uit een rapport van een deskundige of uit getuigenverklaringen valt af te leiden dat een cliënt op het moment van een bespreking of passeren van de akte (mogelijk) niet als wilsbekwaam kon worden aangemerkt, betekent dit nog niet zonder meer dat dit dan ook aan de notaris duidelijk moest zijn geweest. Of dit zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval.
4.12 Het gaat in deze zaak niet om de vraag of erflater ten tijde van de afspraken met de notaris en het passeren van het testament wilsbekwaam was, maar of de notaris daaraan in de gegeven omstandigheden had moeten twijfelen en het Stappenplan had moeten volgen.
4.13 Klagers stellen, kort gezegd, dat de medische en cognitieve kwetsbaarheid van erflater voor de notaris aanleiding had moeten zijn om het Stappenplan te volgen. Klagers merken daarbij ook op dat erflater van hoge leeftijd was, 88 jaar ten tijde van het passeren van het testament en 92 jaar bij overlijden.
4.14 De notaris stelt dat hij op basis van de afspraken met erflater op zijn kantoor geen redenen had om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflater. Erflater maakte tijdens de afspraken een normale en heldere indruk en wist duidelijk en resoluut zijn wensen en zijn redenen daarvoor te verwoorden. Daarnaast stond erflater niet onder bewind, curatele of mentorschap, woonde hij (volgens de gemeentelijke basisadministratie) zelfstandig en was hij relatief niet van al te hoge leeftijd. Ook voert de notaris aan dat het opvallend is dat erflater vier maanden na het passeren van het testament een rechtshandeling verricht heeft met betrekking tot de nalatenschap van zijn vrouw. Klagers hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. De door klagers ingebrachte verklaring van de cardioloog van erflater bewijst ook niet dat er aan de zijde van de notaris gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid van erflater had moeten zijn.
4.15 De kamer benadrukt nogmaals dat het in deze klachtprocedure niet gaat om de vraag of erflater ten tijde van het passeren van het testament op 22 januari 2021 wilsbekwaam was, maar of de notaris daaraan in de gegeven omstandigheden had moeten twijfelen. Erflater maakte tijdens de afspraken met de notaris, waarbij de notaris erflater op verschillende momenten alleen en uitgebreid heeft gesproken, een normale en heldere indruk. De kamer is van oordeel dat klagers onvoldoende hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat de bij de notaris bekende (gezondheids)omstandigheden van erflater voor hem aanleiding hadden moeten zijn om verder onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflater te doen. De kamer acht hierbij ook van belang dat het testament dateert van geruime tijd voor het overlijden van erflater (ongeveer vier jaar) en dat klagers erflater kort na het passeren van het testament blijkbaar wel in staat achtten tot het verrichten van een andere rechtshandeling. De kamer acht het voldoende aannemelijk dat klagers van het verrichten van die andere rechtshandeling door erflater op de hoogte waren. De klacht is op dit punt dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel III
4.16 Volgens vaste rechtspraak is het de verantwoordelijkheid van de notaris om te waken voor de vrije en onafhankelijke wilsvorming van een testateur. De notaris dient dan ook al het nodige te doen om zich ervan te vergewissen dat de testateur bij het vormen en uiten van zijn wil niet op ongewenste wijze is beïnvloed door (de aanwezigheid van) een derde. Het is aan de notaris overgelaten om te bepalen op welke wijze hij uitvoering geeft aan deze verplichting. De hoogste notariële tuchtrechter heeft bepaald dat een notaris in beginsel aan deze verplichting voldoet indien hij op enig moment bij de voorbereiding of het passeren van het testament met de testateur afzonderlijk de relevante aspecten van het testament bespreekt. Van de notaris die daarvoor niet kiest, mag worden verwacht dat hij zijn keuze en de daarbij gemaakte afwegingen achteraf (als daarover vragen rijzen) kan verantwoorden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval (zie onder andere gerechtshof Amsterdam 1 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2704).
4.17 Aan de orde is de vraag of de notaris voldoende heeft gewaarborgd dat erflater zijn wil op onafhankelijke wijze aan de notaris heeft kunnen overbrengen, zonder beïnvloeding door de kleinzoon en diens vader.
4.18 Klagers stellen dat erflater, in afwijking van de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie, vanaf 2018 in het huishouden van de kleinzoon en diens vader verbleef. Zij verzorgden structureel zijn administratie, post en communicatie met derden. Deze afhankelijkheid had voor de notaris een duidelijk waarschuwingssignaal moeten zijn om extra alert te zijn op mogelijke beïnvloeding.
4.19 De notaris stelt geen indicatie te hebben gehad dat sprake was van ongeoorloofde beïnvloeding, mede in het licht van de door erflater aangegeven motieven voor zijn keuzes. Daarnaast heeft de notaris erflater, conform vaste regel op zijn kantoor, twee keer op zijn kantoor onder vier ogen gesproken – een keer voorafgaand aan de toezending van het concept van het testament en een keer tijdens het passeren van de akte.
4.20 De kamer overweegt dat de notaris erflater twee keer onder vier ogen op zijn kantoor heeft gesproken. Klagers hebben onvoldoende onderbouwd waarom de notaris met deze gesprekken niet heeft gewaarborgd dat erflater zijn wil op onafhankelijke wijze aan de notaris heeft kunnen overbrengen. De kamer oordeelt dan ook dat de klacht ook ten aanzien van dit onderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel IV
4.21 Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel meent de notaris klagers alle informatie gegeven te hebben die zijn geheimhoudingsplicht hem toestaat.
4.22 De kamer volgt dit verweer en is van oordeel dat de notaris voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, binnen de grenzen van zijn geheimhouding, hoe het testament tot stand gekomen is. De klacht is op dit punt dan ook ongegrond.
Conclusie
4.23 Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden
- verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op het levenstestament en ongegrond voor zover deze ziet op het testament.
|
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, voorzitter, mr. T.P. Hoekstra en mr. H.R. Grievink, leden, en in tegenwoordigheid van mr. A.D. Meijer, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026. | ||
|
De secretaris |
De voorzitter | |
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||