ECLI:NL:TNORARL:2026:10 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/ 454368 KL RK 25-108
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2026:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-03-2026 |
| Datum publicatie: | 31-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/05/ 454368 KL RK 25-108 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Testamenten |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | De notaris is benoemd tot opvolgend executeur in de nalatenschap van de broer van klager. De klacht is niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking heeft op andere personen dan de notaris. De klacht is voor het overige ongegrond. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: C/05/454368 / KL RK 25-108
beslissing van de kamer voor het notariaat
op de klacht van
[Naam klager],
wonende te [woonplaats],
klager,
tegen,
[Notaris],
aanvankelijk notaris te [plaatsnaam],
thans kandidaat-notaris aldaar.
Partijen worden hierna respectievelijk klager en de notaris genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de klacht, met bijlagen, van 11 juli 2025;
- het verweer van de notaris van 30 september 2025.
1.2. De klachtzaak is ter zitting van 13 februari 2026 behandeld, waarbij zijn verschenen:
- de notaris en mevrouw [naam notarisklerk], werkzaam als notarisklerk op het kantoor van de notaris.
1.3. Hoewel klager behoorlijk is opgeroepen, is hij niet verschenen op de zitting en heeft hij geen bericht van verhindering gestuurd.
2. De feiten
2.1. De notaris was tot 1 april 2025 notaris te [plaatsnaam]. Vanaf die datum is hij gedefungeerd en is hij daar werkzaam als kandidaat-notaris.
2.2. De vader van klager, de heer [naam vader] (hierna ook: erflater), is overleden op 21 april 2022. Klager heeft twee broers.
2.3. Erflater heeft op 1 maart 2019 ten overstaan van de notaris een testament opgemaakt met een zogenoemde tweetrapsmaking. Hij heeft zijn (tweede) echtgenote, mevrouw [naam echtgenote] (hierna: de echtgenote), tot zijn enige erfgenaam en executeur benoemd en hij heeft verwachters benoemd.
2.4. Klager heeft naar aanleiding van het overlijden van erflater het notariskantoor opdracht gegeven om een verklaring van erfrecht te maken.
2.5. Op 25 juli 2022 heeft de notaris de verklaring van erfrecht afgegeven.
2.6. De echtgenote is overleden in 2025. Erflater en de echtgenote waren gezamenlijk eigenaar van een appartement (hierna: het appartement), dat de executeurs van de echtgenote na haar overlijden wilden verkopen. Daarbij is naar voren gekomen dat de verklaring van erfrecht van 25 juli 2022 onjuist was.
2.7. Op 17 maart 2025 heeft de notaris een zogenoemd proces verbaal van verbetering afgegeven, waarin staat vermeld dat de verklaring van erfrecht van 25 juli 2022 onjuist was en er drie verwachters zijn, te weten de kinderen van klager, in plaats van zeven verwachters.
2.8. Op 19 mei 2025 heeft de opvolger van de notaris, [naam opvolger notaris], een proces verbaal van verbetering afgegeven, waarin staat vermeld dat het proces verbaal van verbetering van 17 maart 2025 onjuist was en er zeven verwachters zijn, te weten de kinderen van erflater, de kinderen van de echtgenote en twee kleinkinderen (de twee kinderen van klager).
3. De klacht en het verweer
3.1. Klager verwijt de notaris het volgende:
1. De notaris heeft een onjuiste verklaring van erfrecht opgesteld en er zijn twee correcties uitgevoerd, die tegenstrijdig zijn. De oorzaak daarvan is terug te voeren op het door de notaris opgestelde testament. Als een testament niet duidelijk en zonder vraagstelling is, leidt dit tot rechtsonzekerheid en schendt het klagers rechten als erfgenaam en verwachter;
2. De echtgenote was executeur in de nalatenschap van erflater, maar de notaris heeft niet gehandhaafd dat de executeur haar verplichtingen nakomt; zo heeft de executeur geen boedelbeschrijving opgemaakt;
3. Bij de verkoop van het appartement heeft de notaris onrechtmatige druk uitgeoefend, doordat hij in mei 2025 een “addendum bij de koopovereenkomst” heeft gefaciliteerd, waarin de kleinkinderen van erflater (de kinderen van klager) als verkoper werden toegevoegd, terwijl zij geen erfgenamen zijn;
4. De notaris heeft de privacy van klager en zijn zorgplicht geschonden, door de persoonsgegevens van klager zonder zijn volledige toestemming te gebruiken in de verklaring van erfrecht;
5. De notaris negeert het recht van klager op inzage in documenten, hetgeen essentieel is voor zijn positie als verwachter;
6. Er waren huwelijkse voorwaarden in het testament welke pas na drie jaar werden gedeeld, zelfs na meerdere keren verzoek om het delen van alle informatie aan klager als erfgenaam.
3.2. Klager verzoekt de kamer om:
- een maatregel op te leggen (een berisping of schorsing);
- een correctie verklaring van erfrecht af te dwingen die het testament respecteert;
- de executeur te verplichten om alsnog een boedelbeschrijving op te stellen;
- het addendum voor de woningverkoop ongeldig te verklaren;
- de (proces)-kosten van klager te vergoeden en een nog te berekenen schadevergoeding
op te leggen voor de geleden schade en de schade door een lagere erfenis door dit
handelen.
3.3. De notaris voert verweer. Op de toelichting op de klacht door klager en het verweer daartegen van de notaris zal de kamer hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingaan.
4. De beoordeling
4.1. Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en de andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.
4.2. Voor zover de klacht betrekking heeft op het handelen van [notarisklek] zal deze niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten aanzien van [notarisklerk] geldt dat zij als notarisklerk werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van de notaris. Dat betekent dat het notarieel tuchtrecht, zoals neergelegd in de Wna, niet op haar van toepassing is.
4.3. Verder overweegt de kamer dat bij een gegronde klacht uitsluitend de in artikel 103 lid 1 van de Wna genoemde tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd. Dat betekent dat de overige door klager verzochte sancties zich niet lenen voor een beoordeling door de kamer. Artikel 103 lid 1 sub c van de Wna vermeldt de mogelijkheid om een geldboete op te leggen, maar dit is niet hetzelfde als een schadevergoeding.
4.4. De kamer stelt vast dat er twee verbeteringen nodig waren voor de verklaring van erfrecht. Dat betekent dat het testament van erflater voor meerderlei uitleg vatbaar was. Het testament was dus onduidelijk, zowel voor de mensen die er in de praktijk mee te maken kregen, zoals de makelaar die betrokken was bij de verkoop van het appartement, als voor de notaris zelf. Het klachtonderdeel onder 1 is daarmee gegrond.
4.5. De kamer acht de overige klachtonderdelen ongegrond en overweegt daarover als volgt. Klager heeft het notariskantoor uitsluitend opdracht gegeven om een verklaring van erfrecht af te geven, zoals duidelijk naar voren komt uit de brief van [notarisklerk] aan klager van 13 juni 2022. Dat betekent dat de notaris geen bemoeienis heeft gehad met de afwikkeling van de nalatenschap en dat hij evenmin toezicht heeft hoeven houden op de werkzaamheden van de executeur.
4.6. In dezelfde brief van 13 juni 2022 heeft [notarisklerk] informatie gegeven over het inschrijven van de verklaring van erfrecht in de openbare registers van het kadaster, waardoor gegevens van klager bij het kadaster bekend zouden worden. Indien klager in verband met zijn privacy daartegen bezwaar had gehad, had het op zijn weg gelegen om op dat moment te reageren. Nu klager pas achteraf stelt dat de notaris zijn privacy heeft geschonden, zal hieraan voorbij worden gegaan.
4.7. De notaris was niet betrokken bij de verkoop en levering van het appartement. De notaris heeft tijdens de zitting verklaard dat de aanleiding om een verbetering van de verklaring van erfrecht op te stellen was, dat de betreffende makelaar had gevraagd of de verklaring van erfrecht wel klopte. Hij betwist dat hij enige druk heeft uitgeoefend.
4.8. Tot slot is onduidelijk op welke documenten klager doelt, bij het klachtonderdeel dat de notaris zijn recht op inzage zou negeren. Ook hiervoor geldt dat de bemoeienis van de notaris zich uitsluitend uitstrekte tot het afgeven van een verklaring van erfrecht. Volgens de notaris heeft klager alle documenten ontvangen waarbij hij belanghebbende was, waaronder de huwelijkse voorwaarden van erflater. Dat die akte pas drie jaar na het overlijden is verstrekt, komt volgens de notaris doordat klager daar pas na drie jaar om heeft verzocht.
4.9. Voor zover de klachtonderdelen nog feitelijke onduidelijkheden bevatten en de leden van de kamer klager om een nadere toelichting hadden willen vragen, is dit niet mogelijk geweest omdat klager niet is verschenen op de zitting. Dit komt voor risico van klager.
4.10. De kamer overweegt ten aanzien van het opleggen van een maatregel als volgt. Het testament is onduidelijk. Het is de taak van een notaris om een duidelijk testament te maken, waarover geen verwarring kan ontstaan en dat niet voor meerderlei uitleg vatbaar is. Dit is van belang voor de rechtszekerheid, zoals ook bij de levering van het appartement naar voren is gekomen. Dat het opstellen van een testament met de grootst mogelijke zorg moet gebeuren, klemt temeer omdat notarissen een wettelijke rol is toegekend bij het opstellen van een testament. Alleen notarissen mogen een testament opstellen. Zij zijn dus de deskundigen en een rechtszoekende is in dit opzicht van de inzet van een notaris afhankelijk.
4.11. Daarbij komt dat de notaris de indruk wekt niet te zijn doordrongen van de ernst van de situatie. Tijdens de zitting heeft hij verklaard dat de eerste verbetering van de verklaring van erfrecht volgens hem eigenlijk de juiste was. De kamer leidt hieruit af dat er dus nog steeds geen duidelijkheid bestaat over de uitleg van het testament. In zijn verweerschrift wijt de notaris de emoties van klager aan een mogelijk niet zo goede band van klager met zijn vader en diens tweede echtgenote. Volgens de notaris is het notariaat daar niet voor, en zeker een klachtenprocedure niet. Gelet op het feit dat het eerste klachtonderdeel gegrond wordt verklaard, heeft de notaris de situatie naar het oordeel van de kamer verkeerd ingeschat.
4.12. Gelet op al het voorgaande acht de kamer het opleggen van een maatregel geïndiceerd en de maatregel van waarschuwing passend en geboden.
4.13. Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de notaris het door klager betaalde griffierecht van € 50,00 op grond van artikel 99 lid 5 Wna aan hem te vergoeden.
4.14. Nu de kamer de klacht tegen de notaris (gedeeltelijk) gegrond verklaart en de notaris tevens een maatregel oplegt, zal de kamer de notaris op grond van artikel 103b lid 1 Wna en de (tijdelijke) richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat (Staatscourant 2020, nr. 67893), veroordelen in de kosten van klager, forfaitair vastgesteld op € 50,00.
4.15. De kamer bepaalt dat de notaris voornoemde bedragen binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klager moet betalen. Klager dient daarvoor tijdig schriftelijk zijn rekeningnummer aan de notaris door te geven.
4.16. Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, op grond van artikel 103b lid 1 Wna jo. de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893), te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak door de kamer zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.000,00 (wegingsfactor 1). De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De notaris ontvangt hiervoor een nota van het LDCR te Utrecht.
5. De beslissing
5.1. De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:
- verklaart de klacht tegen [notarisklerk] niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht ongegrond voor wat betreft klachtonderdelen 2 tot en met 6;
- verklaart de klacht gegrond voor wat betreft klachtonderdeel 1;
- legt de notaris de maatregel van waarschuwing op;
- bepaalt dat de notaris gehouden is het griffierecht van € 50,00 aan klager te vergoeden op de wijze en binnen de termijn als hiervoor onder 4.15 bepaald;
- veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van klager, forfaitair vastgesteld op € 50,00, te betalen op de wijze en binnen de termijn als hiervoor onder 4.15 bepaald;
- bepaalt dat de notaris gehouden is de kosten voor behandeling van deze zaak van € 2.000,00
te betalen op de wijze en binnen de termijn als hiervoor onder 4.16 bepaald.
|
Deze beslissing is gegeven door mr. M.L. Braaksma, voorzitter, mrs. T.A. Dantuma en V. Oostra, leden, en in tegenwoordigheid van mr. C. van Schelven, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026. | ||
|
De secretaris |
de voorzitter | |
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||