ECLI:NL:TNORARL:2026:1 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/449857 / KL RK 25-52
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2026:1 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/05/449857 / KL RK 25-52 |
| Onderwerp: | Registergoed, subonderwerp: Overig |
| Beslissingen: | Klacht gegrond zonder maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Klacht deels gegrond. De oud-notaris heeft niet vastgelegd welke onderzoekshandelingen zij in haar dossiers heeft verricht, om vast te stellen of zij haar ministerie al dan niet moest weigeren. De kamer neemt dit haar kwalijk en stelt dat de dossiervoering van de notaris onvoldoende was en in strijd met de notariële zorgplicht. Nu de oud-notaris is gedefungeerd per 1 januari 2025, zij gedurende haar volledige loopbaan nooit in aanraking is gekomen met het tuchtrecht en niet door één van haar cliënten in de onderzochte dossiers is geklaagd noch door één van hen enige onvrede is geuit over de handelwijze van de oud-notaris in de dossiers legt de kamer geen maatregel aan haar op. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: C/05/449857 / KL RK 25-52
beslissing van de kamer voor het notariaat
op de klacht van
[klager],
gevestigd te [plaats]
klager
gemachtigden: mr. S. Bong en mr. C.S.M. Sikkens
tegen
[naam oud-notaris],
oud-notaris te [plaats]
gemachtigde: mr. L.H. Rammeloo
Partijen worden hierna respectievelijk klager en de oud-notaris genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit
- de klacht, met bijlagen, van 31 maart 2025
- het verweer van de notaris van 6 juni 2025
1.2 De klachtzaak is ter zitting van 3 oktober 2025 behandeld, waarbij zijn verschenen klager enerzijds en de oud-notaris anderzijds.
2. De feiten
2.1 Ìn 2018 is de heer [A] (hierna: [A]) door de gemeente [B] benaderd. Er zijn gesprekken gevoerd over het upgraden van het bungalowpark [C] (hierna: het park). [A] had plannen om het park om te dopen tot [D] en hierbij het achterland van het park te betrekken. Hiertoe hebben de gemeente [B] en [A] op 1 juli 2018 een intentieverklaring getekend.
2.2 Samen met [A] was de heer [E] (hierna: [E]) UBO van [F]. [E] had ook zeggenschap in de plannen voor het [D].
2.3 Het grootste deel van het achterland is op 30 september 2020 ten overstaan van de oud-notaris door [G] ([A] en [E]) aangekocht. Door middel van twee akten van ruiling is het overige deel door [G] verkregen. Deze akten zijn op 29 april 2021 ook door de oud-notaris gepasseerd. Daarna is een deel van het achterland door een grote zakelijke investeerder van [G] overgenomen. Op een later moment is nog een tweede zakelijke investeerder betrokken.
2.4 Door de gemeente [B] is een informatiebijeenkomst georganiseerd voor potentiële investeerders, waarin ook is besproken dat de bestemming van het achterland nog stond op ‘agrarisch’. Het bestemmingsplan moest dus nog gewijzigd worden om de plannen voor het [D] door te kunnen laten gaan.
2.5 De heer [H] (hierna: [H]) en mevrouw [I] (hierna: [I]), eigenaar van kavels op het park sinds 2017, besloten in 2020 te investeren in kavels op het achterland. Zij hebben hiertoe op eigen initiatief een overeenkomst van geldlening voor € 20.000,00 gesloten met [A]. Het notariskantoor van de oud-notaris (hierna: het notariskantoor) kreeg opdracht om ter uitvoering van de tussen partijen gemaakte afspraken een officiële hypotheekakte op te stellen, en zo geschiedde. De oud-notaris heeft daarnaast de tussen partijen gemaakte afspraken over de geldlening schriftelijk vastgelegd in een door het notariskantoor opgestelde (model)geldleningsovereenkomst.
2.6 Op 30 september 2020 is de door de oud-notaris opnieuw opgestelde geldleningsovereenkomst tussen [H] en [I] ondertekend en is de hypotheekakte ten overstaan van de oud-notaris gepasseerd. [H], [I] en [A] waren hierbij in persoon aanwezig.
2.7 Meerdere particulieren sloten vervolgens – zonder tussenkomst van het notariskantoor – geldleningsovereenkomsten met [G] en kwamen overeen dat ter zekerheid voor terugbetaling van hun geldlening een hypotheekrecht op een of meer kavels op het achterland moest worden gevestigd.
2.8 Vanaf 2022 kreeg het notariskantoor verschillende dossiers in verband met reeds verstrekte geldleningen in behandeling, met de opdracht de tussen de partijen zelf overeengekomen zekerheidsrechten daadwerkelijk te vestigen. De oud-notaris constateerde destijds dat er regelmatig al geld was overgemaakt voordat het notariskantoor werd betrokken.
2.9 Op 8 september 2022 ontving de oud-notaris ook de tussen de heer [K] (hierna: [K]) en [G] gesloten onderhandse overeenkomst van geldlening van mevrouw [M], betrokken bij [D] (hierna: [M]). Dit betrof een geldlening van € 50.000,00 voor de ontwikkeling en uitbreiding van het bungalowpark en modernisering van het huidige park. De oud-notaris heeft deze overeenkomst opnieuw vastgelegd in het daarvoor gebruikte kantoormodel.
2.10 Tot zekerheid van terugbetaling van de geldlening moest een hypotheekrecht ten gunste van [K] gevestigd worden op twee percelen, onderverdeeld in zes kavels op het achterland. Het overeengekomen geldbedrag is al op 19 september 2022 door [K] en zijn vrouw [N] betaald aan [G] Op 31 oktober 2022 heeft de oud-notaris de concept hypotheekakte en de concept geldleningsovereenkomst zonder schriftelijke toelichting aan [K] en [N] en [A] – als vertegenwoordiger van [G]. – gestuurd. Op 15 november 2022 zijn de hypotheekakte en de geldleningsovereenkomst gepasseerd in het bijzijn van [K] en [N]. [G] liet zich vertegenwoordigen door een kantoorgenoot van de oud-notaris.
2.11 Op 3 oktober 2022 stuurde [M] de onderhandse getekende geldleningsovereenkomst van 1 oktober 2022 tussen de heer [O] (hierna: [O]), destijds 80 jaar oud, en [G] aan de oud-notaris. De oud-notaris was bij de totstandkoming van deze overeenkomst niet betrokken. Dit betrof een geldlening van € 50.000,00 voor de ontwikkeling en uitbreiding van het bungalowpark en modernisering van het huidige park. De oud-notaris heeft deze overeenkomst opnieuw vastgelegd in het daarvoor gebruikte kantoormodel.
2.12 Tot zekerheid van terugbetaling van de geldlening moest een hypotheekrecht ten gunste van [O] gevestigd worden op twee percelen, onderverdeeld in zes kavels op het achterland. Op 21 oktober 2022 heeft een voorlopige kadastrale splitsing van de percelen plaatsgevonden door de oud-notaris. De oud-notaris heeft vervolgens een concept hypotheekakte opgesteld en dit concept op 31 oktober 2022 zonder uitvoerige toelichting naar [O] en [A] – als vertegenwoordiger van [G]– verzonden. Het overeengekomen geldbedrag ad € 50.000,00 was al op 5 oktober 2022 door [O] aan [G] betaald. Op 14 november 2022 is de hypotheekakte gepasseerd in het bijzijn van [O]. [G] liet zich vertegenwoordigen door een kantoorgenoot van de oud-notaris.
2.13 In 2022 wilden [H] en [I] opnieuw investeren in het te realiseren [D]. Op 14 oktober 2022 hebben zij daartoe een onderhandse geldleningsovereenkomst gesloten met [G] De oud-notaris ontving deze overeenkomst op dezelfde dag. De oud-notaris was niet bij de totstandkoming van deze overeenkomst betrokken. Dit betrof een geldlening van € 30.000,00 voor de ontwikkeling en uitbreiding van het bungalowpark en modernisering van het huidige park.
2.14 Tot zekerheid van terugbetaling waren [H] en [I] met [G] overeengekomen dat een hypotheekrecht zou worden gevestigd op twee kavels op het achterland. Op 14 oktober 2022 is vervolgens een bedrag van € 28.000,00 tussen partijen onderling voldaan, waarbij had te gelden dat een bedrag van € 2.000,00 als vergoeding was opgenomen omdat de zaak zolang op zich had laten wachten. Dit is direct door partijen verrekend.
2.15 Tussen [H] en [I] en [G] is op 16 maart 2023 besproken dat op twee kavels een zekerheidsrecht zou worden gevestigd. Op 21 maart 2023 is tussen hen een nieuwe onderhandse geldleningsovereenkomst gesloten. Op 22 maart 2023 ontving de oud-notaris van [M] een afschrift van deze overeenkomst. Bij de geldlening is een rente op jaarbasis van 10% afgesproken en een looptijd van 15 maanden.
2.16 Tussen de oud-notaris en [A] – als vertegenwoordiger van [G] – werd besproken dat in verband met de oude geldlening van € 20.000,00 en de nieuwe investering van € 30.000,00, een hypotheekrecht ter waarde van € 50.000,00 moest worden gevestigd. Ook moest worden vastgelegd dat een terugbetalingsverplichting van dat totale bedrag bestond. Het contact over de details van deze afspraken verliep rechtstreeks tussen [A], [H] en [I]. Op 24 mei 2023 werden de concept hypotheekakte en de concept geldleningsovereenkomst aan partijen verzonden. Op 30 mei 2023 lieten [H] en [I] weten akkoord te zijn met de documenten en op 19 juli 2023 zijn de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakten uiteindelijk gepasseerd ten overstaan van de oud-notaris in aanwezigheid van [H] en [I]. [G] liet zich vertegenwoordigen door een kantoorgenoot van de oud-notaris.
2.17 Op 1 november 2022 ontving de oud-notaris een e-mail van de heer [P] (hierna: [P]) met het verzoek om een derdenrekening nummer voor het storten van gelden ten behoeve van een hypothecaire zekerheid op een grondkavel in het park. Op 14 november 2022 ontving de oud-notaris de tussen [P] en [G] gesloten onderhandse geldleningsovereenkomst van 9 november 2022. Zij was bij de totstandkoming van deze overeenkomst niet betrokken. Dit betrof een geldlening van € 25.000,00 voor de ontwikkeling en uitbreiding van het bungalowpark en modernisering van het huidige park.
2.18 Op 23 november 2022 heeft een voorlopige kadastrale splitsing van percelen plaatsgevonden, waarbij het perceel is gevormd waarop uit hoofde van de geldleningsovereenkomst ten behoeve van [P] een hypotheekrecht zou worden gevestigd. Op 25 november 2022 heeft de oud-notaris de concept hypotheekakte en het formulier herkomst eigen middelen per e-mail aan [P] gestuurd. Op 28 november 2022 heeft [P] gereageerd met een akkoord op de akte en de gevraagde gegevens. Op diezelfde datum is het bedrag ad € 25.000,00 op de derdenrekening van de oud-notaris gestort en heeft de oud-notaris een afschrift van de geldleningsovereenkomst van 17 november 2022 ontvangen zoals deze was aangegaan door [P] en zijn vrouw [Q].
2.19 Op 7 december 2022 is de hypotheekakte gepasseerd ten overstaan van de oud-notaris in aanwezigheid van [P]. [G] liet zich vertegenwoordigen door een kantoorgenoot van de oud-notaris.
2.20 Op 26 november 2022 verscheen een artikel in de Leeuwarder Courant waarin het nieuwe [D] in negatieve zin wordt gekoppeld aan de van faillissementsfraude verdachte [E], [F].
2.21 In november 2023 heeft de gemeente [B] toegezegd om op korte termijn een beslissing te nemen over het ter inzage leggen van het bestemmingsplan voor wat betreft het [D]. Het uitgangspunt was en bleef dat het [D] zou worden gerealiseerd. Een maand later heeft de gemeente onverwachts toch besloten de stekker uit de plannen te trekken.
2.22 Klager heeft een onderzoek ingesteld naar de oud-notaris op grond van artikel 110, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna). De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het definitieve onderzoeksrapport van 11 november 2024 van klager dat in deze procedure is overgelegd bij het klaagschrift.
3. De klacht en het verweer
3.1 Klager verwijt de oud-notaris dat zij heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door zich niet de houden aan de zorgvuldigheidsplicht (artikel 17 Wna), de informatieplicht (artikel 43 Wna, lid 1, Wna), en de opschortings- en weigeringsplicht (artikel 21 lid 2 Wna) omdat:
1. de oud-notaris onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar diverse bijzonderheden, waaronder de waarde van onderliggende percelen grond, de achtergrond van partijen (beweegredenen om te investeren) en de kennis en ervaring van haar cliënten;
2. de oud-notaris particulieren onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen en risico’s van de transacties, en
3. de oud-notaris zichzelf de kans heeft ontnomen om af te kunnen wegen of zij haar dienst moest weigeren of opschorten, door onvoldoende onderzoek te doen.
3.2 Volgens klager heeft de oud-notaris onvoldoende onderzoek gedaan in de dossiers waarin zij geldleningsovereenkomsten heeft opgesteld en hypotheekakten heeft gepasseerd, terwijl dit nader onderzoek wel op zijn plek was. Eén van de UBO’s van [G] – [E] – was een partij die verdacht werd van/veroordeeld is voor faillissementsfraude en witwassen en anderzijds betroffen het particuliere investeerders die geld uitleenden voor een ontwikkelingsproject waarvan onzeker was of dit wel gerealiseerd zou worden. Om onder meer achter de motieven van de investeringen te kunnen komen, was nader onderzoek door de oud-notaris dan ook aangewezen.
Het wordt niet duidelijk of de waarde van het perceel waarop het hypotheekrecht ten behoeve van een investeerder werd gevestigd wel het geïnvesteerde bedrag benaderde. Niet blijkt immers dat de oud-notaris hier onderzoek naar heeft gedaan.
Klager stelt dat de oud-notaris onvoldoende zicht had op de feiten en risico’s die [Q]lden bij het passeren van de hypotheekakten. Zij kon haar cliënten hierover dus ook onvoldoende informeren. De oud-notaris heeft de hypotheeknemers niet of onvoldoende geïnformeerd over de gevolgen en risico’s behorende bij de transactie, zoals dat het hypotheekrecht mogelijk onvoldoende zekerheid bood voor de verstrekte geldlening.
De oud-notaris heeft partijen bovendien niet geïnformeerd over de gevolgen als de hypotheekgever niet meer aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen én de extra (executie)kosten die het uitwinnen van dit zekerheidsrecht met zich zou brengen. Met name bij hypotheeknemer [O], van 80 jaar oud, was het op zijn plek geweest om extra aandacht te besteden aan de voorlichting en Belehrung.
Tenslotte heeft de oud-notaris door onvoldoende onderzoek naar de beoogde transacties te doen zichzelf in een positie gebracht waarin zij onvoldoende kon afwegen of haar diensten verleend of geweigerd moesten worden. Zij heeft onvoldoende inspanningen geleverd om vast te kunnen stellen dat haar cliënten goed geïnformeerd waren over de transactie, dan wel dat zij bewust instemden met de bijbehorende risico’s. Indien de oud-notaris wel een gedegen onderzoek had gedaan naar de betreffende achtergronden had zij volgens klager gebruik moeten maken van haar opschortingsplicht, gelet op de risico’s die verbonden waren aan de beoogde transacties.
3.3 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.
4. De beoordeling
Reikwijdte van het tuchtrecht
4.1 Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en de andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.
4.2 De oud-notaris is gedefungeerd met ingang van 1 januari 2025. Notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen die niet meer als zodanig werkzaam zijn, blijven aan de tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig in artikel 93 lid 1 Wna bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat zij als zodanig werkzaam waren (artikel 93 lid 2 Wna). De kamer dient te beoordelen of de handelwijze van de oud-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van artikel 93 lid 1 Wna oplevert.
Inhoudelijke beoordeling
4.3 De oud-notaris erkent dat haar vastlegging in de dossiers, zoals genoemd onder de feiten, niet optimaal is geweest. In de dossiers zijn niet alle gegevens op zodanige wijze vastgelegd, dat de oud-notaris haar werkwijze en het vervullen van haar informatie- en zorgplicht kan onderbouwen. De oud-notaris was al geruime tijd betrokken bij het park, waardoor er veel algemene kennis aanwezig was over de plannen voor het ‘[D]’ en de afspraken over investeringen tussen de parkeigenaar en nieuwe of bestaande eigenaren. De geldverstrekkers/hypotheeknemers waren goed op de hoogte van de risico’s van hun investeringen, zij hebben daar bewust voor gekozen en zij hebben daar rechtstreeks – zonder tussenkomst van de oud-notaris – afspraken over gemaakt met [G] die werd vertegenwoordigd door [A]. Vanuit de gemeente [B] heeft ook een voorlichtingsavond plaatsgevonden waardoor de investeerders wisten dat de bestemmingswijziging nog niet had plaatsgevonden en dat de opbrengst in geval van executie uiteraard lager was dan bij vrije verkoop. Tijdens de passeerbesprekingen van de hypotheekakten heeft de oud-notaris telkens aan de aanwezigen gevraagd of de inhoud van de akte helder was en of er nog vragen of onduidelijkheden waren. Dit was in geen van de gevallen aan de orde.
4.4 De oud-notaris benadrukt dat zij wel degelijk bekend was met de beweegredenen van de particuliere geldverstrekkers. Vanwege haar langdurige betrokkenheid was zij immers goed op de hoogte van hoe er tegen investeren in het ‘[D]’ werd aangekeken. Het was heel aannemelijk dat dit [D] er zou komen. De afspraken die partijen onderhands hadden gemaakt over de onderpanden voor de geldleningen kwamen de oud-notaris niet onredelijk of exceptioneel voor. Bovendien werden deze afspraken door partijen onderling gemaakt, zonder betrokkenheid van de oud-notaris. De oud-notaris heeft er enkel voor gezorgd dat de gewenste afspraken die de betrokkenen onderling met [G] hadden gemaakt op de juiste wijze werden vastgelegd en zij heeft ervoor gewaakt dat geen misbruik werd gemaakt van een ‘zwakkere’ partij. Bovendien heeft de oud-notaris zich ingespannen om de geldverstrekkers te beschermen door hun geldlening zo goed mogelijk vast te leggen en het ten behoeve van hen vestigen van een hypotheekrecht. De oud-notaris is van mening dat zij destijds geen aanleiding had om de van haar verzochte dienstverlening te weigeren, althans op te schorten.
4.5 Achteraf bezien vindt de oud-notaris het uitermate spijtig dat er geen uitvoeriger aantekeningen zijn gemaakt van wat tijdens de behandeling van de verschillende dossiers – zoals opgenomen onder ‘de feiten’ – met de betrokkenen is besproken. Zij betreurt dat het een en ander niet voldoende in haar dossiers is vastgelegd. Voor het niet (voldoende) schriftelijk vastleggen van de wijze waarop zij haar cliënten heeft geïnformeerd, neemt de oud-notaris haar volle verantwoordelijkheid.
4.6 De kamer overweegt dat de opdracht van de oud-notaris per dossier, zoals genoemd onder ‘de feiten’, enkel het opmaken en passeren van een hypotheekakte. De geldelijke afspraken waren al door partijen onderling gemaakt, zonder dat de notaris hierbij betrokken was. De kamer stelt vast dat de partijen die betrokken waren bij de te vestigen hypotheken door de oud-notaris, nimmer bij de oud-notaris hierover hebben geklaagd. Ook klager heeft deze betrokkenen niet gesproken in het kader van haar onderzoek. Noch de kamer noch klager kan aldus vaststellen dat de oud-notaris bepaalde handelingen, zoals het informeren van betrokkenen en het wijzen op de risico’s van de investeringen, niet heeft gedaan. Klager heeft dit ook niet nader onderbouwd, anders dan te benoemen dat uit de dossiers niet blijkt dat de oud-notaris voldoende onderzoek heeft gedaan naar de betreffende transacties, de beweegredenen om te investeren en dat zij partijen voldoende heeft geïnformeerd.
4.7 Wat wel vaststaat is dat de oud-notaris onvoldoende heeft vastgelegd wat haar handelingen in de dossiers, zijn geweest. De kamer stelt dan ook vast dat zij daarin niet zorgvuldig genoeg heeft gehandeld en dat daarom ook niet vastgesteld kan worden wat wel en niet in de dossiers heeft plaatsgevonden. Dat de oud-notaris onvoldoende aan vastlegging heeft gedaan zegt echter niets over de wijze waarop zij haar akten heeft gepasseerd, noch over de wijze waarop zij haar cliënten heeft geïnformeerd en of zij al dan niet heeft voldaan aan haar Belehrungsplicht. Gelet op de toelichting van de oud-notaris op de mondelinge behandeling bij de kamer en de bekendheid van de investeerders met de situatie van het [D], acht de kamer het aannemelijk dat de oud-notaris heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht, informatieplicht en daarmee ook aan haar opschortings- en weigeringsplicht.
4.8 De kamer stelt aldus enkel vast dat de oud-notaris niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, omdat zij niet althans onvoldoende heeft vastgelegd dát zij conform voormelde verplichtingen heeft gehandeld in de onderzochte dossiers. Het standpunt van klager dat de oud-notaris niet aan haar onderzoeksplicht, informatieplicht en opschortings- en weigeringsplicht heeft voldaan omdat zij dit niet kan aantonen volgt de kamer niet. De kamer kan op grond van het dossier immers enkel vaststellen dat de oud-notaris niet heeft vastgelegd dat zij aan deze verplichtingen heeft voldaan. Dit wil echter nog niet zeggen dat de kamer ook kan vaststellen dat zij hier níet aan heeft voldaan. De kamer acht dan ook enkel de klacht gegrond voor zover deze ziet op het niet voldoen aan de zorgplicht door de gebrekkige vastlegging van haar handelen in de betreffende dossiers. Voor al het overige oordeelt de kamer de klacht ongegrond.
Maatregel
4.10 Als de kamer een klacht gegrond verklaart, kan de kamer, afhankelijk van de aard en de ernst van het klachtwaardige handelen aan de notaris een tuchtmaatregel opleggen. Dit hoeft echter niet. De functie van het tuchtrecht kan onder omstandigheden immers ook zijn om helderheid te verschaffen over de toelaatbaarheid of laakbaarheid van een handelen dan wel nalaten.
4.11 Vaststaat dat de oud-notaris inmiddels per 1 januari 2025 is gedefungeerd en haar kantoor heeft gesloten. Zij is gedurende haar volledige loopbaan nimmer in aanraking gekomen met het tuchtrecht en bovendien is door géén van haar cliënten uit de uitgelichte dossiers geklaagd over haar handelen noch is door één van hen enige onvrede geuit over de handelwijze van de oud-notaris in de dossiers. Enkel klager – een partij die niet aanwezig was bij de besprekingen met de cliënten – heeft gesteld dat de oud-notaris onvoldoende onderzoek heeft gedaan en dat zij haar cliënten onvoldoende heeft geïnformeerd. Dit kan echter, zoals overwogen, niet vastgesteld worden.
4.12 Gelet op al het voorgaande ziet de kamer in dit geval aanleiding om de oud-notaris geen maatregel op te leggen.
4.13 Ook zal de kamer de oud-notaris geen kostenveroordeling opleggen, nu zij dat in dit kader niet passend acht.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden
- verklaart de klacht gegrond voor zover deze ziet op schending van de zorgplicht door de gebrekkige vastlegging van haar handelen in de betreffende dossiers.
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt de oud-notaris geen maatregel op;
- veroordeelt de oud-notaris niet tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht door de kamer.
|
Deze beslissing is gegeven door mr. D. Vergunst, voorzitter, mr. L.T. de Jonge, mr M.M.M. Oors, mr. H.R. Grievink en mr V. Oostra, leden, en in tegenwoordigheid van mr. E.W.A Nabbe, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026. | ||
|
De secretaris |
De voorzitter | |
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||