ECLI:NL:TNORAMS:2026:2 Kamer voor het notariaat Amsterdam 774069 / NT 25-25 774070 / NT 25-26
| ECLI: | ECLI:NL:TNORAMS:2026:2 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-03-2026 |
| Datum publicatie: | 21-04-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Ondernemingsrecht, subonderwerp: BV/NV |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de notaris en de kandidaat-notaris [de notarissen] onder meer dat zij klaagster - een besloten vennootschap - niet hebben geïnformeerd over de wetswijziging ten aanzien van de overdrachtsbelasting bij een zuivere juridische splitsing. Daarnaast verwijt klaagster de notarissen dat zij de vennootschap niet hebben gewezen op de fatale termijn voor het deponeren van het splitsingsvoorstel. Volgens klaagster hebben de notarissen ook onjuist - en te laat - geadviseerd over de splitsing van de vennootschap en de stappen die daarvoor nodig waren. Dat de splitsing nadrukkelijk was ingegeven door de fiscale vrijstellingsregeling, waaraan een maximale termijn is verbonden, benadrukt dat de notarissen de vennootschap tijdig hadden moeten informeren over de volgens hen benodigde stappen.Klacht tegen de notaris - ongegrond. De kandidaat-notaris heeft in deze zaak alle contacten met betrokkenen onderhouden en alle correspondentie gevoerd. (...) Naar het oordeel van de kamer kan de notaris in dit geval dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachten tegen de kandidaat-notaris - ongegrond. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM
Beslissing van 3 maart 2026 in de klachten met nummers 774069 / NT 25-25 en 774070
/ NT 25-26 van:
[X] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
vertegenwoordigd door: [C],
gemachtigde: mr. J.A.G. de Boer, advocaat te Haarlem,
tegen:
1. [notaris],
notaris te [vestigingsplaats]
en
2. [kandidaat-notaris],
kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],
gemachtigde: mr. W. Knoester, advocaat te Rotterdam.
Partijen worden hierna klaagster, de notaris en de kandidaat-notaris genoemd. De notaris
en de kandidaat-notaris worden hierna gezamenlijk de notarissen genoemd.
1. Ontstaan en loop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen van 9 augustus 2025;
- het verweerschrift met bijlagen van 22 september 2025;
- aanvullende stukken ontvangen van klaagster op 9 januari 2026;
- aanvullende stukken ontvangen van klaagster op 13 januari 2026.
1.2. Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 20 januari 2026 zijn klaagster,
vertegenwoordigd door haar bestuurder [C] (hierna: [C]) en vergezeld door haar gemachtigde
en de notarissen, vergezeld door hun gemachtigde, verschenen. Partijen hebben het
woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen en hebben vragen van
de kamer beantwoord. Uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
2.1. Bij e-mail van 15 september 2024 heeft [C], als bestuurder van [X] B.V.
(hierna: de vennootschap), aan de notaris geschreven:
“(…)We zijn bezig met de mogelijkheid van een juridische splitsing van onze vennootschap
[X] BV.
We worden daarin begeleid door (het kantoor van) [de fiscalist].
Indien het mogelijk is, en daarbij in aanmerking komen voor fiscale vrijstelling,
willen we de vennootschap splitsen. We beogen daarbij dat de kinderen van mijn zus
de certificaten houden van de ene BV (en [M] daar op enig moment de bestuursbevoegdheid
over krijgt) en mijn kinderen de certificaten houden van een andere BV (en ik daar
op enig moment bestuurder van wordt). De omstandigheden zijn thans zodanig dat een
dergelijke constructie zeer wenselijk is. (…)
We zouden daarom graag vast de zes kleinkinderen de volmachten laten tekenen zodat
we de juridische splitsing, zodra we daar groen licht voor hebben, terstond en zonder
verdere vertraging kunnen laten plaatsvinden.
Het verzoek aan jou is of jullie deze volmachten alvast kunnen opmaken zodat de
kleinkinderen deze op korte termijn kunnen komen ondertekenen.
Er is nog geen concreet splitsingsvoorstel, omdat het onroerend eerst getaxeerd
moet worden. De opdracht daartoe is inmiddels verstrekt.
Het uitgangspunt is dat de bezittingen en schulden van de vennootschap gelijk worden
verdeeld over de twee nieuwe vennootschappen. (…)”
2.2. Bij e-mail van 16 september 2024 heeft de kandidaat-notaris aan [C] geschreven:
“[de notaris] heeft mij verzocht de splitsing van [X] B.V. in behandeling te nemen
en stuurde mij uw mail van 15 september jl. door.
Het opmaken en laten ondertekenen van volmachten is in dit stadium nog niet mogelijk.
Daarvoor moet ik eerst de betreffende onderhandse en notariële akten opstellen om
aan de hand daarvan te kunnen bepalen wie welke volmacht moet tekenen. Ik stel voor
dat de zes kleinkinderen zich bij de receptie van ons kantoor melden met hun geldig
legitimatiebewijs en hun gegevens (e-mailadres, telefoonnummer en handtekening) invullen
op bijgevoegd formulier dat geprint klaarligt bi bij de receptie. (…)
Daarbij merk ik nog wel op dat één van de kleinkinderen ([B]) nog niet meerderjarig
is en voor hem wellicht toestemming van de kantonrechter moet worden verzocht, tenzij
e.e.a. pas na [datum] 2025 gaat plaatsvinden en hij inmiddels meerderjarig is geworden.
(…).”
2.3. Bij e-mail van 17 september 2024 (12:29u) heeft [C] aan de kandidaat-notaris
geschreven:
“(…) Met betrekking tot het legaliseren van de handtekeningen van de zes kleinkinderen
zal ik hun verzoeken het formulier bij jullie op kantoor te ondertekenen. (…)
Met betrekking tot mijn jongste zoon hebben we een ander probleem. Van de fiscalist
begrijpen wij dat er een mogelijkheid bestaat dat de wetgeving per 1 januari 2025
zal veranderen en dat we de splitsing voor 1 januari 2025 moeten laten plaatsvinden
om gebruik te kunnen maken van de fiscale vrijstellingsregeling.
Mijn jongste zoon wordt [datum] 2025 18 jaar. Ik weet niet of we de benodigde toestemming
van de kantonrechter zo snel kunnen krijgen nadat alle documenten klaar zijn om ondertekend
te worden. Is er een andere manier? Bijvoorbeeld dat zijn moeder en ik samen (wij
hebben samen het ouderschap over hem) de aktes voor hem ondertekenen?”
2.4. Bij e-mail van 17 september 2024 (21:24u) heeft de kandidaat-notaris aan
[C] geschreven:
“(…) Met betrekking tot uw jongste zoon: ik kan nog niet inschatten of toestemming
nodig is van de kantonrechter (zo op het eerste gezicht niet, maar ik wil het niet
bij voorbaat uitsluiten). Indien de toestemming nodig is, dan volstaat niet dat u
met zijn moeder tekent. In de regel wordt toestemming snel verleend, vooral als ik
bij het verzoek vermeld dat er haast bij geboden is.”
2.5. Bij e-mail van 21 april 2025 heeft [C] aan de notarissen geschreven:
“Met betrekking tot de door ons beoogde (zuivere) juridische splitsing van onze vennootschap
[X] BV, bericht ik jullie als volgt.
We hebben inmiddels van de belastingdienst bevestigingen ontvangen ter zake van
de vrijstellingen van de overdrachtsbelasting en vennootschapsbelasting ten behoeve
van de beoogde juridische (ruzie) splitsing. (…)
Graag willen we nu zo snel mogelijk deze (zuivere) juridische splitsing van onze
vennootschap bewerkstelligen. (…)
Graag vernemen we wat de vervolgstappen zijn, wat de doorloopsnelheid is en welke
stukken jullie daarvoor van ons nodig hebben.
In ieder geval doe ik jullie vast de volgende stukken toekomen, die wij ook aan
de belastingdienst hebben verstrekt in het kader van deze splitsing: (…)
We zien jullie reactie, stappenplan en de verder door jullie benodigde gegevens/documenten
graag tegemoet. (…)”
2.6. Bij e-mail van 2 mei 2025 (11:47u) heeft de kandidaat-notaris aan [C] geschreven:
“In reactie op uw mail van 21 april jl. bericht ik u hierbij als volgt. Ik heb de huidige
en beoogde structuur beoordeeld en intern met een collega besproken. Wij zijn van
mening dat voordat de splitsing in gang kan worden gezet, op het niveau van de aandeelhouder
(de huidige STAK) een stap moet worden gezet.
Bij de splitsing moeten de twee STAK's aandeelhouder worden: STAK A wordt aandeelhouder
van B.V. A en STAK B wordt aandeelhouder van B.V. B. Die beide STAK's moeten dan wel
bestaan en daar is nu geen sprake van. Ook moeten de beide STAK's ieder voor 50% aandeelhouder
van de splitsende B.V. zijn zodat bij de splitsing 50% van het vermogen kan worden
toegekend aan B.V. A waarvan de aandelen aan STAK A worden toegekend en zodat bij
de splitsing 50% van het vermogen kan worden toegekend aan B.V. B waarvan de aandelen
aan STAK B worden toegekend. (…)
Om de structuur neer te zetten zoals hiervoor beschreven, moeten de volgende handelingen
worden verricht:
1. oprichting van een 2e STAK (…)
De onder 1. t/m 4. gemelde handelingen kunnen belast zijn met overdrachtsbelasting.
De Belastingdienst heeft al geoordeeld dat ten aanzien van de splitsing een beroep
kan worden gedaan op de vrijstelling voor de overdrachtsbelasting.
Ik adviseer u om:
- het vorenstaande met uw fiscalist te bespreken (wellicht dat uw fiscalist een
ander inzicht heeft)
- indien het vorenstaande inderdaad moet worden gedaan voordat tot splitsing wordt
overgegaan, de Belastingdienst te verzoeken om te bevestigen dat de vrijstelling voor
de overdrachtsbelasting ook geldt ten aanzien van de onder 1. t/m 4. gemelde handelingen.
Intussen kunt u wellicht de volgende documenten/informatie aanleveren die ik nodig
heb voor het voorbereiden van de documenten voor de (zuivere) splitsing van [X] B.V.
(uw fiscalist en/of accountant zal u met aan aantal punten kunnen assisteren):
1. de naam van B.V. A (…) ”
2.7. Bij e-mail van 2 mei 2025 (16:35u) heeft [C] aan de notaris geschreven:
“In september vorig jaar heb ik jou gevraagd de juridische splitsing van onze vennootschap
[X] BV voor ons te verzorgen. (…)
Ik ging er daarbij vanuit, en uit de reactie vanuit jouw kantoor bleek ook niet
van het tegendeel, dat jullie dit voor ons zouden kunnen verzorgen.
Nadat wij de voor de beoogde splitsing benodigde fiscale vrijstellingen van de belastingdienst
hadden ontvangen, heb ik zulks op 21 april jl. aan de [kandidaat-notaris] (en in cc
aan jou) bericht en verzocht de juridische splitsing te gaan verzorgen.
In mijn emailbericht van 21 april, dat ik voor de volledigheid bij deze email heb
gevoegd, heb ik meermaals uitdrukkelijk melding gemaakt van de beoogde splitsingsvorm;
zuivere juridische splitsing c.q. ruzie splitsing.
Vervolgens heb ik vandaag onderstaande email van de [kandidaat-notaris] ontvangen.
Ondanks dat ik geen specialist ben op het gebied van juridische splitsingen, is
een aantal zaken mij in ieder geval wel bekend.
Zo is een ruzie splitsing uitsluitend mogelijk bij een zuivere juridische splitsing
en bij een zuivere juridische splitsing houdt de splitsende rechtspersoon van rechtswege
op te bestaan.
Daarenboven bevatten ook de brieven van de belastingdienst met de fiscale vrijstellingen,
die ik bij mijn email van 21 april jl. gevoegd had, uitdrukkelijk de vermelding van
een zuivere juridische splitsing en de bestaande en nieuwe eigendomssituatie waaruit
de beoogde splitsingsvorm eveneens blijkt.
Desondanks krijgen wij middels onderstaande emailbericht van de [kandidaat-notaris],
volgens het schrijven na overleg met een collega, een traject voorgeschoteld waarbij
sprake is van een afsplitsing, althans waarbij de bestaande – splitsende – rechtspersoon
blijft bestaan en de helft van de aandelen en bezittingen van de splitsende rechtspersoon
worden overgedragen aan een andere rechtspersoon.
Dat is overduidelijk niet in overeenstemming met hetgeen beoogd wordt.
Daarenboven komen de, volgens het onderstaand emailbericht, te nemen stappen op
ons over als of er bij jullie op kantoor geen ervaring bestaat en geen kennis aanwezig
is over de juridische splitsing. Daar hadden we wel graag vooraf over geïnformeerd
geweest.
Gezien het belang voor ons bij deze splitsing, trekken we hierbij de opdracht in
en zullen we een ander notariskantoor verzoeken deze splitsing voor ons te verzorgen.
Ik ga ervan uit dat jullie met het afsluiten van dit dossier met bovenstaand rekening
houden zodat we niet hoeven te betalen voor werkzaamheden die onjuist c.q. onnodig
zijn verricht.”
2.8. Bij e-mail van 6 mei 2025 heeft de notaris aan [C] geschreven:
“(…) Wat vervelend om te lezen.
Uit je bericht maak ik op dat je naar aanleiding van zijn mail zelf nog geen contact
met [kandidaat-notaris] hebt gehad
Ik heb inmiddels met [kandidaat-notaris] overlegd en begrijp dat het waarschijnlijk
is dat de mail een andere inhoud heeft dan jij eruit hebt gelezen.
Het verschil tussen een afsplitsing en een zuivere splitsing is volstrekt duidelijk,
maar in het vanuit de familie aangegeven plan miste een (juridische) tussenstap. Dat
is - zo begrijp ik- wat werd aangegeven.
Ik kan mij voorstellen dat je wel nog contact met [kandidaat-notaris] opneemt opdat
hij je de mail kan toelichten en hoop dat je het goed vindt dat ik tot dan niet op
het overige in ga.”
2.9. Bij e-mail van 14 mei 2025 heeft [C] aan de kandidaat-notaris geschreven:
“(…) Mijn excuses dat me dat niet eerder gelukt is, maar vanwege een medische aangelegenheid
was ik enkele weken uitgeschakeld.
Zoals u bekend heb ik met betrekking tot onderstaand emailbericht contact opgenomen
met [de notaris] en laten weten dat we de opdracht zullen intrekken.
De reden daarvoor is dat uw onderstaande email op geen enkele manier aansluit bij
de beoogde splitsingsvorm en het door u voorgestelde traject, met wederom toestemming
vragen bij de belastingdienst, ons ook niet de meest aangewezen route lijkt.
Wat de belastingdienst betreft, zijn we ruim een half jaar bezig geweest om de benodigde
toestemming te verkrijgen. Die toestemming is helder en duidelijk. Wij vinden het
dan ook niet opportuun om met betrekking tot de door u voorgestelde tussenstappen
eveneens de belastingdienst om instemming te verzoeken.
Daarenboven zijn de door u voorgestelde stappen volgens mij niet juist.
Wat u beschrijft is een juridische afsplitsing en geen zuivere juridische splitsing. Bij een zuivere juridische splitsing zal de te splitsen vennootschap ophouden te
bestaan.
Simpel redenerend is het enige wat thans nodig is, het volgende: (…)
We zien uw reactie op bovenstaande graag tegemoet.”
2.10. Bij e-mail van 15 mei 2025 heeft de kandidaat-notaris aan [C] geschreven:
“Dank voor uw reactie en goed om te lezen dat het inmiddels beter met u gaat.
Ik denk - zoals [de notaris] al schreef - dat u mijn mail onjuist hebt geïnterpreteerd.
Ik heb wel degelijk een zuivere juridische splitsing beschreven. Nergens beschrijf
ik dat de huidige vennootschap blijft bestaan. (…)
Mijns inziens biedt de Nederlandse wet niet de mogelijkheid voor de door u voorgestelde
(simpele) stappen. (…)
De wettelijke hoofdregel is namelijk dat de aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon
door de splitsing aandeelhouder van alle verkrijgende rechtspersonen worden. Op de
hoofdregel bestaan uitzonderingen, maar die zijn in deze casus allemaal niet van toepasing.
(…)
Is die tussenstap wellicht wel voorgesteld in de brief die aan de fiscus is gestuurd
en waarin het verzoek om toestemming is gedaan? Dan hoeft het verzoek wellicht niet
alsnog te worden gedaan voor de te nemen tussenstap.
Kennelijk bent u een andere mening toegedaan dan hetgeen ik hierboven en in mijn
eerdere mail heb geschreven. U schreef al dat u de opdracht zult intrekken. Ik zal
dan ook niet dieper op de materie ingaan om verdere tijdsbesteding en daarmee gemoeide
kosten te besparen. (…)
In overleg met [de notaris] zal ik voor de bestede tijd een declaratie sturen."
2.11. Bij e-mail van 11 juni 2025 heeft [C] aan de notarissen geschreven:
“Ik heb jullie declaratie met betrekking de werkzaamheden voor de juridische splitsing
ontvangen en op verzoek van mijn ouders zal ik terstond voor betaling daarvan zorgdragen.
(…)
Met betrekking tot jullie eerder schrijven, informeer ik jullie als volgt.
Het zou inderdaad mogelijk zijn op basis van het door jullie voorgestelde scenario
gebruik te maken van twee nieuwe BV’s.
Maar de door jullie voorgestelde procedure met betrekking tot de STAK’s en aandeelhouders
klopt niet. (…)
Het is dan ook zo dat bij de juridische splitsing de zes kleinkindere de certificaathouders-aandeelhouders
moeten blijven. (…)
Vorenstaande blijkt ook onmiskenbaar uit de brief van de inspecteur overdrachtsbelasting.
(…)
Ik heb jullie correspondentie voor de zekerheid ook ter beoordeling voorgelegd aan
onze fiscalist, [de fiscalist], die voor ons de fiscale kant van de splitsing begeleidt.
Hij heeft dit ook vaker bij de hand gehad.
Ondanks dat [de fiscalist] er in zijn reactie ten onrechte vanuit ging dat ik het
schrijven van de inspecteur overdrachtsbelasting niet aan jullie zou hebben verstrekt
– en hij jullie dus wat dat betreft het voordeel van twijfel gunde - is zijn conclusie
dat de voorgestelde procedure niet juist is. (…) Volgens het schrijven van [de fiscalist]
is het niet juist de bestaande STAK te behouden en daarnaast 1 nieuwe STAK op te richten.
Het schrijven van de inspecteur overdrachtsbelasting neemt ook de oprichting van twee
nieuwe STAK’s en de uitgifte van nieuwe certificaten als uitgangspositie.
Ook merkt [de fiscalist] op dat jullie een denkfout maken met betrekking tot de
fiscale gevolgen; immers als de verkrijging van de aandelen is vrijgesteld, geldt
dit ook voor de certificaten.
[de fiscalist] concludeert dat als jullie exact het spoor volgen zoals samengevat
door de inspecteur overdrachtsbelasting in zijn schrijven, er zich geen problemen
zouden moeten voordoen.
Bovenstaande geldt wat mij betreft als afronding van deze aangelegenheid.
Door mijn opname in het ziekenhuis is de beoogde afspraak met het andere notariskantoor
niet doorgegaan. Alvorens ik daar opnieuw een afspraak ga maken, verneem ik graag
of jullie, eventueel na overleg met [de fiscalist], alsnog mogelijkheden zien de juridische
splitsing op de gewenste wijze tot stand te brengen.”
2.12. Bij e-mail van 12 juni 2025 heeft de kandidaat-notaris aan [C] geschreven:
"Hartelijk dank voor uw reactie en de betaling van de declaratie.
Het is inderdaad zo dat het economisch belang van de aandelen niet bij de STAK berust,
maar bij de certificaathouders. De STAK is echter wel degelijk de aandeelhouder. De
STAK is immers een rechtspersoon (een stichting) met eigen rechten en verplichtingen
en één van die rechten is het houden van aandelen.
Civielrechtelijk kunnen we daar niet omheen in het kader van de voorgenomen splitsing.
Fiscaal kan dat anders zijn, maar "fiscaal" en "civiel" zijn twee verschillende rechtsgebieden.
U hebt informatie ingewonnen bij een fiscalist, niet bij een civilist. (…)
Ik zie dan ook niet de mogelijkheid om de voorgenomen splitsing op de door u beschreven
wijze tot stand te brengen.”
2.13. Op grond van art. 2 lid 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) is de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen, belast met overdrachtsbelasting. Dit geldt ook wanneer een juridische splitsing plaatsvindt waarbij onroerende zaken deel uitmaken van het vermogen dat onder algemene titel overgaat naar een verkrijgende vennootschap.
2.14. Tot 1 juli 2025 was een juridische splitsing op grond van artikel 15, lid 1, letter h WBR, in combinatie met artikel 5c Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (hierna: UBBR) vrijgesteld van overdrachtsbelasting indien de splitsing plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen en niet in overwegende mate gericht is op het ontgaan van overdrachtsbelasting.
De verkrijging van aandelen ten gevolge van de juridische splitsing was tot 1 juli 2025 onder bepaalde omstandigheden een belastbaar feit. De vraag of die verkrijging is vrijgesteld onder de splitsingsvrijstelling is momenteel nog onderwerp van een procedure bij de Hoge Raad.
2.15. Sinds 1 juli 2025 is de regelgeving ten aanzien van de splitsingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting gewijzigd. Op grond van art. 5c UBBR is, kort samengevat, de hoofdregel dat de vrijstelling enkel geldt indien er sprake is van de overgang van een onderneming. Vrijgesteld zijn alsdan de onroerende zaken die tot die onderneming behoren en daaraan dienstbaar zijn. Daarnaast geldt een soortgelijkbelangeis, een voortzettingseis en een aanhoudingseis.
Voor de zogenaamde ruziesplitsing zoals bedoeld in art. 2:334cc BW geldt sinds 1 juli 2025 op grond van art. 5c lid 2 UBBR een afwijkende regeling. De vrijstelling wegens de overgang van onroerende zaken in het kader van een ruziesplitsing geldt ook indien er geen onderneming overgaat. De vrijstelling is beperkt tot het (middellijke) belang bij de onroerende zaak dat de desbetreffende aandeelhouder vóór de splitsing had. Een en ander beoordeeld per onroerende zaak. Daarnaast geldt een soortgelijkbelangeis en een aanhoudingseis.
2.16. Bij e-mail van 10 juli 2025 heeft [C] aan de notarissen geschreven:
“De beoogde juridische splitsing van onze hierboven genoemde vennootschap is faliekant
misgelopen. De reden daarvoor is dat klaarblijkelijk de regelgeving voor de splitsingsvrijstelling
is gewijzigd bij het Eindejaarsbesluit 2024, waardoor met ingang van 1 juli 2025 nieuwe
regels hiervoor gelden. Als gevolg daarvan had voor de totstandbrenging van de beoogde
splitsing, met volledige vrijstelling van de overdrachtsbelasting (waarvoor we instemming
van de belastingdienst hadden), uiterlijk 1 juni 2025 het splitsingsvoorstel ter inzage
gelegd moeten zijn en de splitsing uiterlijk 1 juli 2025 geformaliseerd moeten zijn.
Wij vragen ons af waarom jullie ons op geen enkel moment hebben geïnformeerd over
deze wetgeving en de fatale data van 1 juni 2025 (voor het ter inzage leggen van het
splitsingsvoorstel) en tot 1 juli 2025 (voor het formaliseren van de splitsing). Indien
wij bekend waren geweest met deze regelgeving en fatale data hadden wij uiteraard
passende stappen genomen om de splitsing tijdig tot stand te brengen.
Ik verneem graag hoe jullie tegen vorenstaande aankijken.”
2.17. Bij e-mail van 16 juli 2025 heeft de kandidaat-notaris aan [C] geschreven:
“Op 2 mei jl. trok u de opdracht aan ons kantoor in.
U berichtte overigens als volgt:
"Ik heb jullie correspondentie voor de zekerheid ook ter beoordeling voorgelegd
aan onze fiscalist, [de fiscalist], die voor ons de fiscale kant van de splitsing
begeleidt. Hij heeft dit ook vaker bij de hand gehad."
Het lijkt mij dat u uw vraag zal moeten richten aan [de fiscalist] en indien van
toepassing het nieuwe kantoor waar u de opdracht heeft neergelegd. Gezien het vorenstaande
en ook in overleg met [notaris] is er voor ons kantoor geen aanleiding om verder op
uw mail in te gaan.”
2.18. Bij e-mail van 20 juli 2025 heeft [C] aan de notarissen geschreven:
“Met enige verbazing hebben mijn ouders en ik kennisgenomen van jullie onderstaande
inhoudsloze reactie. (…)
Wellicht dat het jullie niet voldoende duidelijk is waar mijn emailbericht van 10
juli jl. precies op doelt, zodat ik zulks hierbij zal verduidelijken. (…)
De zorgplicht die notarissen jegens hun cliënten in acht moeten nemen omvat tevens
een informatieplicht en waarschuwingsplicht. In de onderhavige aangelegenheid impliceert
deze zorgplicht dat jullie ons hadden moeten informeren over de relevante juridische
aspecten met betrekking tot de door ons beoogde zuivere (ruzie)splitsing, waaronder
de gewijzigde regelgeving en de fatale data. Deze waarschuwingsplicht blijkt ook uit
relevante jurisprudentie en impliceert dat een notaris de verplichting heeft te waarschuwen
voor fiscale en juridische consequenties die hij kent of behoort te kennen. De rol
van [de fiscalist] in deze aangelegenheid doet daar niets aan af. (…)
Als gevolg van vorenstaande zien wij ons genoodzaakt jullie in gebreke te stellen
en aansprakelijk te stellen voor onze schade. (…)”
3. De klacht
De vier klachtonderdelen richten zich zowel op de notaris als op de kandidaat-notaris. Klager meent dat uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat niet alleen de kandidaat-notaris, maar ook de notaris betrokken was bij het adviseren van de vennootschap en hem daarom eveneens een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
3.1. De notarissen hebben de vennootschap niet geïnformeerd over de wetswijziging
ten aanzien van de overdrachtsbelasting bij een zuivere juridische splitsing. Het
is niet relevant of de notarissen op de hoogte waren van de wetswijziging: zij hadden
hiervan op de hoogte moeten zijn.
Op een notaris rust een zwaarwegende zorgplicht en eigen verantwoordelijkheid om
de betrokkenen tijdig te informeren over fiscale consequenties. Het is dus onjuist
dat de notarissen [C] niet hadden hoeven informeren omdat de vennootschap werd bijgestaan
door een fiscaal adviseur.
Het feit dat de notarissen en de fiscaal adviseur volstrekt andere gedachten hadden
over de juridische splitsing, de complexiteit van de splitsing en de verstrekkende
financiële gevolgen ervan benadrukt bovendien dat op de notarissen tegenover de vennootschap
een verzwaarde zorgplicht rustte om op de wetswijziging te wijzen. Bovendien staat
nergens in de opdrachtbevestiging dat fiscale advisering uitdrukkelijk wordt uitgesloten
door de notarissen.
3.2. De notarissen hebben de vennootschap niet gewezen op de fatale termijn voor het deponeren van het splitsingsvoorstel. Op hen rustte de zelfstandige (informatie- en waarschuwings)verplichting om [C] erop te wijzen dat één maand voor de juridische splitsing het splitsingsvoorstel gedeponeerd en aangekondigd moest worden. Ze hadden daarom [C] moeten informeren dat vóór 1 juni 2025 het splitsingsvoorstel moest worden gedeponeerd.
3.3. De notarissen hebben onjuist geadviseerd over de splitsing van de vennootschap en de stappen die daarvoor nodig waren. Volgens de kandidaat-notaris zouden eerst aandelen aan een tweede STAK moeten worden uitgegeven. Hiervoor moest dan nog separaat toestemming worden gevraagd aan de Belastingdienst. Dit advies was echter onjuist. Uit het latere splitsingsvoorstel van [een derde notaris] blijkt namelijk dat het niet vereist was dat eerst aandelen aan een tweede STAK zouden worden uitgegeven. Als er direct juist was geadviseerd, was er niets aan de hand geweest en zou de splitsing tijdig hebben plaatsgevonden.
3.4. De notarissen hebben de vennootschap niet tijdig geïnformeerd over de 27
stappen die nodig zouden zijn voor de splitsing. Dit hebben ze veel te laat gedaan.
Dat de splitsing nadrukkelijk was ingegeven door de fiscale vrijstellingsregeling,
waaraan een maximale termijn is verbonden, benadrukt dat de notarissen de vennootschap
tijdig hadden moeten informeren over de volgens hen benodigde stappen.
4. Het verweer
De notarissen hebben de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt
hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 Wna zijn notarissen, toegevoegd notarissen
en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of
nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij
met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve
zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.
De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notarissen een verwijtbare
gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
klachten tegen de notaris
5.2. Blijkens artikel 1 Wna verricht een kandidaat-notaris zijn/haar notariële
werkzaamheden onder de verantwoordelijkheid van een notaris. Dit sluit niet uit dat
een kandidaat-notaris zelfstandig een zaak in behandeling heeft, waarbij zo nodig
overleg plaatsvindt tussen de kandidaat-notaris en de notaris. Afhankelijk van de
werkervaring van de kandidaat-notaris en de aard en omvang van de zaak die hij/zij
zelfstandig in behandeling heeft, heeft de kandidaat-notaris in meer of mindere mate
een eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid.
De kandidaat-notaris heeft in deze zaak alle contacten met betrokkenen onderhouden
en alle correspondentie gevoerd. Uitzondering hierop vormden de gevallen waarin [C]
de notaris direct aanschreef, waarop de notaris vervolgens reageerde. Daarnaast is
het de kamer ambtshalve bekend dat de kandidaat-notaris over ruime werkervaring beschikt.
Verder heeft de notaris voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen rol van betekenis
heeft gespeeld in deze zaak. Op grond van het voorgaande is de kamer van oordeel dat
de kandidaat-notaris hier als zelfstandig behandelaar kan worden aangemerkt. Aan de
kamer is ook niet gebleken dat sprake was van feiten of omstandigheden, die de notaris
noopten om in de werkzaamheden van de kandidaat-notaris in te grijpen c.q. zich actiever
met de zaak te bemoeien. Naar het oordeel van de kamer kan de notaris in dit geval
dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klacht jegens de notaris is
ongegrond.
klachten tegen de kandidaat-notaris - klachtonderdeel 1
5.3. In de eerste e-mail van [C] van 15 september 2024 aan de notaris (hiervoor
geciteerd onder 2.1) meldde [C] dat de vennootschap bij de juridische splitsing werd
begeleid door (het kantoor van) [de fiscalist]. [C] meldde vervolgens in zijn e-mail
van 17 september 2024 aan de kandidaat-notaris (hiervoor geciteerd onder 2.3) dat
hij van deze fiscalist had begrepen dat de mogelijkheid bestond dat de wetgeving per
1 januari 2025 zou veranderen en de splitsing vóór 1 januari 2025 plaats diende te
vinden om gebruik te kunnen maken van de fiscale vrijstellingsregeling. De kamer is
van oordeel dat, gezien het voorgaande, op de kandidaat-notaris geen zelfstandige
verplichting rustte om [C] van fiscaal advies te voorzien. [C] communiceerde immers
duidelijk dat hij werd bijgestaan door een fiscaal adviseur, die hem reeds op de hoogte
had gebracht van een aanstaande wetswijziging.
Klager stelt dat de betrokkenheid van een fiscaal adviseur de kandidaat-notaris
niet van zijn informatieverplichting ontslaat. De kamer gaat hier echter niet in mee.
De kandidaat-notaris heeft in zijn e-mail van 2 mei 2025 aan [C] (hiervoor geciteerd
onder 2.6) expliciet aan [C] geadviseerd om het door de kandidaat-notaris voorgestelde
“(stappen)plan” met zijn fiscalist te bespreken (met de mededeling: “wellicht dat uw fiscalist een ander inzicht heeft”). Hieruit blijkt dat de kandidaat-notaris ervan uitging, en ervan uit mocht gaan,
dat [C] en zijn fiscale adviseur verantwoordelijk bleven voor de fiscale aspecten
van de juridische splitsing. De kandidaat-notaris had daarom niet bedacht hoeven zijn
op de eventuele veranderingen in de splitsingsvrijstelling en de bijbehorende termijn,
noch hierover hoeven informeren. De kamer is daarom van oordeel dat de kandidaat-notaris
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en acht dit klachtonderdeel ongegrond.
klachten tegen de kandidaat-notaris - klachtonderdeel 2
5.4. Dat de deponering van het splitsingsvoorstel vóór 1 juni 2025 plaats diende
te vinden, klopt op zich, maar omdat [C] zich door een fiscaal adviseur liet bijstaan
en bovendien op 2 mei 2025 de opdracht had ingetrokken behoorde het signaleren van
die uiterste termijn niet (meer) tot de verantwoordelijkheid van de kandidaat-notaris.
De kamer acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.
klachten tegen de kandidaat-notaris - klachtonderdeel 3
5.5. Het is niet vast komen te staan dat het stappenplan van de kandidaat-notaris
ten behoeve van de juridische splitsing onjuist is. Dat [de derde notaris] voor een
andere route heeft gekozen, maakt dit niet anders en kan de kandidaat-notaris niet
verweten worden. Zoals hiervoor vermeld onder 5.3 heeft de kandidaat-notaris op 2
mei 2025 aan [C] geadviseerd om het door hem voorgestelde “stappenplan” met diens
fiscaal adviseur te bespreken. Na het toesturen van het “stappenplan” heeft [C] echter,
op dezelfde dag, aan de kandidaat-notaris geschreven dat hij de opdracht introk, vanwege
de (volgens [C]) onjuiste inhoud van het “stappenplan”. Er heeft hierover vervolgens
geen inhoudelijk gesprek meer kunnen plaatsvinden, nu de opdracht was ingetrokken.
Wanneer de splitsing plaats diende te vinden onder de fiscale wet- en regelgeving
van vóór 1 juli 2025 had het splitsingsvoorstel vóór 1 juni 2025 gedeponeerd dienen
te worden. Pas op 11 juni 2025, ná de vereiste deponeringstermijn, heeft [C] in een
e-mail aan de kandidaat-notaris (hiervoor geciteerd onder 2.11) aangegeven dat de
afspraak met het andere notariskantoor niet door is gegaan en gevraagd of de kandidaat-notaris,
eventueel na overleg met [de fiscalist], alsnog mogelijkheden ziet de juridische splitsing
op de gewenste wijze tot stand te brengen. In zijn e-mail van 12 juni 2025 (hiervoor
geciteerd onder 2.12) heeft de kandidaat-notaris hierop gereageerd en aangegeven dat
hij (nog steeds) geen mogelijkheid zag om de splitsing op de door [C] beschreven wijze
tot stand te brengen. De kandidaat-notaris heeft daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
gehandeld en de kamer acht dit klachtonderdeel derhalve ongegrond.
klachten tegen de kandidaat-notaris - klachtonderdeel 4
5.6. Allereerst stelt de kamer vast dat er geen sprake is van 27 stappen, maar
van een opsomming van 27 documenten en informatieverzoeken die van belang zijn bij
de notariële begeleiding om te komen tot de door [C] gewenste eindstructuur. In september
2024 hadden [C] en de kandidaat-notaris contact over het ondertekenen van volmachten.
Ondertekening hiervan was echter op dat moment nog niet mogelijk bij gebreke van de
betreffende onderhandse en notariële akten. Deze akten konden op dat moment nog niet
opgesteld worden omdat de inhoud ervan, bij gebrek aan onderliggende informatie, nog
niet kon worden vastgesteld. [C] was namelijk nog in afwachting van een bevestiging
van de Belastingdienst inzake de vrijstellingen voor de overdrachtsbelasting en vennootschapsbelasting.
Daarom bleven de werkzaamheden van de kandidaat-notaris op dat moment beperkt tot
het legaliseren van de handtekeningen van de kleinkinderen. De kandidaat-notaris wachtte
de verdere instructies van [C] af. Pas op 21 april 2025 kreeg de kandidaat-notaris
van [C] te horen dat hij verder kon gaan met het dossier, omdat C bericht had ontvangen
van de Belastingdienst. De kamer is dan ook van mening dat de kandidaat-notaris niet
verweten kan worden dat hij in afwachting van het bericht van de Belastingdienst een
stappenplan met [C] had moeten delen. Pas toen [C] op 21 april 2025 bevestigde dat
de juridische splitsing in gang gezet kon worden, was er voor het eerst aanleiding
een stappenplan met [C] te delen en nadere informatie over de vennootschap op te vragen.
De kandidaat-notaris heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld en de kamer
acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.
5.7. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
6. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
- verklaart de klacht(en) tegen de notarissen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, T.H. van Voorst Vader, E.F. van Bolhuis, E.W. Oosterbaan, en O. Schlaman, leden.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026 door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, in aanwezigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).