ECLI:NL:TGZRZWO:2026:78 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9439
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:78 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-05-2026 |
| Datum publicatie: | 22-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/9439 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing, kennelijk ongegrond. Klacht van dochter van (inmiddels overleden) patiënte. Klaagster verwijt de huisarts dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door de naam van de instelling waar patiënte verbleef te delen met een familielid. Verweerder ontkent dit. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Voorzittersbeslissingvan 22 mei 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te D,
verweerder.
1. De zaak in het kort
-
- Klaagsters moeder, overleden in 2023, leed aan dementie en had een alcoholprobleem, waarvoor zij werd opgenomen in een GGZ-instelling. Verweerder is huisarts bij de praktijk waar moeder patiënte was. Klaagster verwijt verweerder dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door de naam van de instelling waar moeder verbleef te delen met een aangetrouwde achternicht, die vervolgens van moeder zou hebben geprofiteerd. Verweerder ontkent dit.
-
- Klaagster heeft ook een klacht ingediend tegen verweerders collega-huisarts (zaaknummer Z2025/9440). In die zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan op dezelfde uitspraakdatum.
-
- De voorzitter komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. Hierna licht de voorzitter toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 9 december 2025;
- de brief van 3 februari 2026 van de secretaris aan klaagster;
- de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 10 februari 2026;
- het verweerschrift, ontvangen op 8 april 2026;
- de repliek en aanvulling daarop, ontvangen op 2 respectievelijk 4 mei 2026.
3. De beoordeling
3.1. Volgens klaagster leed haar moeder aan dementie en had zij een alcoholprobleem. Zij is daarvoor opgenomen geweest in een GGZ-instelling. Moeder is overleden in 2023. Verweerder is huisarts bij de praktijk waar moeder patiënt was. Klaagster verwijt verweerder dat hij de verblijfplaats van moeder heeft gedeeld met een aangetrouwde achternicht, die vervolgens, met anderen, van moeder zou hebben geprofiteerd. Het delen van moeders verblijfplaats zou blijken uit een whatsappbericht dat klaagster heeft ontvangen, waarin de aangetrouwde achternicht zou hebben gezegd dat de huisarts zich had “verluld”.
3.2 Verweerder meent primair dat de klacht niet-ontvankelijk is, omdat deze in strijd met de wet niet de feiten en gronden bevat waarop deze berust. Niet blijkt hoe verweerder betrokken zou zijn geweest. Subsidiair meent verweerder dat de klacht ongegrond is. Verweerder kent de persoon niet op wie klaagster doelt en heeft ook nooit vertrouwelijke informatie gedeeld.
3.3 De voorzitter acht de klacht voldoende onderbouwd om in behandeling te nemen. Het verwijt is voldoende concreet en de onderbouwing, zij het summier, is in de aanvulling verduidelijkt.
3.4 Klaagster baseert haar verwijt op een in een bijlage bij het klaagschrift uitgeschreven tekstbericht, dat afkomstig zou zijn van de aangetrouwde achternicht. Dit bericht is als volgt weergegeven:
“Uiteindelijk verlulde de huisarts zich en hebben we haar [de voorzitter begrijpt: klaagsters moeder] gevonden”
De voorzitter merkt op dat uit dit bericht (ervan uitgaande dat het citaat correct is weergegeven) niet blijkt wie met “de huisarts” wordt bedoeld en wat precies de informatie is geweest die door “de huisarts” blijkbaar is gedeeld. Daarnaast is onduidelijk of de bewering die de achternicht hier doet feitelijk wel klopt. Enig aanvullend bewijs ontbreekt en verweerder ontkent vertrouwelijke informatie te hebben gedeeld.
3.5 Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld of de bewering van de achternicht klopt, of verweerder degene is die hier wordt bedoeld en wat dan precies als informatie zou zijn gedeeld. Dit leidt tot de conclusie dat aan verweerder redelijkerwijs geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De voorzitter zal de klacht dan ook kennelijk ongegrond verklaren.
4. De beslissing
De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 22 mei 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, bijgestaan
door
J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.
secretaris voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.