ECLI:NL:TGZRZWO:2026:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8602
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:77 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-05-2026 |
| Datum publicatie: | 22-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8602 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht over de zorg aan de dochter van klaagster (cliente). Cliente verbleef in een woonvoorziening. De klacht gaat er onder meer over dat de huisarts namens zijn college een verklaring heeft afgegeven die volgens klaagster heeft geleid tot het toepassen van onvrijwililge zorg onder de Wet zorg en dwang. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 22 mei 2026 op de klacht van:
A, als mentor en met toestemming van B,
wonende in Almelo,
klaagster,
tegen
K,
huisarts,
werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S. Dik, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Kort nadat de dochter van klaagster (hierna: cliënte) was gaan verblijven
in een woonvoorziening ontstonden door haar gedrag problemen met de buurt. Vanwege
de ontstane problemen stemde klaagster in met een vrijwillige opname van cliënte bij
F. De huisarts heeft namens een collega een verwijzing voor F getekend. Klaagster
verwijt de huisarts onder meer dat hij namens zijn collega een verklaring heeft afgegeven
die heeft geleid tot het toepassen van onvrijwillige zorg onder de Wet zorg en dwang
(hierna: Wzd).
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna licht
het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 juni 2025;
- het verweerschrift;
- de repliek;
- de dupliek;
- de brief met bijlagen van klaagster van 22 december 2025;
- het proces-verbaal van het op 14 januari 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek met daaraan gehecht de op 13 februari 2026 van de zijde van verweerder ontvangen aanvullingen;
- de brief met bijlage van klaagster van 5 februari 2026;
- de brief met bijlagen van klaagster van 27 maart 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 april 2026. De partijen zijn verschenen. De huisarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Klaagster werd vergezeld door haar echtgenoot, vader van cliënte. Klaagster en de gemachtigde van de huisarts hebben pleitaantekeningen voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd. Partijen hebben daarnaast hun standpunt mondeling toegelicht.
2.3 Klaagster heeft naast de tuchtklacht tegen de huisarts nog een samenhangende
tuchtklacht ingediend tegen een collega-huisarts (geregistreerd onder kenmerk Z2025/8601).
Beide zaken zijn gelijktijdig op zitting behandeld. In beide zaken wordt vandaag afzonderlijk
uitspraak gedaan.
3. De feiten
3.1 Cliënte verbleef sinds half april 2024 in een woonvoorziening van G (hierna: de woonvoorziening). Cliënte heeft onder meer een autismespectrumstoornis. Zij verbleef in de woonvoorziening op basis van een ZZP GGZ 5 indicatie. Cliënte was daarnaast onder behandeling bij GGZ-instelling H (ambulant team). In het verleden werd meermaals ten aanzien van cliënte verplichte zorg toegepast op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
3.2 De huisartsen binnen de huisartsenpraktijk van verweerder verlenen huisartsenzorg aan cliënten die verblijven op een andere locatie van de organisatie waar de woonvoorziening van cliënte onder viel. Daarnaast was een collega-huisarts binnen de praktijk beschikbaar als overkoepelend teamarts voor de verstandelijk gehandicaptenzorg (hierna: VG-zorg) binnen de organisatie. Verweerder en zijn collega’s waren niet de huisarts van cliënte.
3.3 Het gedrag van cliënte zorgde voor onrust in de buurt van de woonvoorziening. Ook de politie was bezorgd over de risico’s die het gedrag van cliënte met zich meebracht. In mei 2024 was het gedrag van cliënte regelmatig onderwerp van overleg tussen H, de woonvoorziening en de politie. Hierbij werd vanuit H gewezen op het belang van het uitvoeren van het afgesproken autonomie bevorderend beleid. Een opname in een gesloten setting werd door H afgewezen. Van een overleg op 22 mei 2024 tussen H, I en de woonvoorziening werd genoteerd: “de vraag vanuit G is dan is er een gesloten setting mogelijk vanuit H om patiënte te beschermen. In overleg en afstemming met het IHT toch geconcludeerd dat deze optie er op psychiatrisch toestandsbeeld niet is maar dit per keer beoordeeld dient te worden hoe om te gaan met de situatie. De 4 dagen vrijwillige opname (borplus) is wel een optie maar alleen vrijwillig. G zelf is zoekend naar een time-out plek binnen G waar ze evt. kort naar toe kan bij heftige agressie.”
3.4 Klaagster stemde in met een vrijwillige opname van cliënte voor de duur van één week.
3.5 In een e-mail van 23 mei 2024 liet de crisisregisseur van het Zorgkantoor aan de behandelcoördinator van de woonvoorziening weten dat cliënte op 24 mei om 15.00 uur kon worden opgenomen op de crisislocatie van F. In de e-mail staat dat de opname op vrijwillige basis was en voor de tijdsduur van maximaal drie weken.
3.6 Op 24 mei 2024 werd in het dossier van cliënte bij F genoteerd “plaatsing voor 3 weken, hier wel dagprogramma neerzetten, wzd zal wel worden toegepast dus moet nog een briefje van de arts voor komen dat ze onder de wzd valt hier. Afwachten hoe ze het doet op een meer restrictief beleid, zou kunnen dat de oude gedragingen dan wel weer meer naar boven komen.”
3.7 Eerdergenoemde collega-huisarts werd benaderd door J, de behandelcoördinator
van de woonvoorziening, met het verzoek een en ander op papier te zetten ten behoeve
van de opname bij F. De behandelcoördinator leverde ten behoeve daarvan op 24 mei
2024 informatie aan over cliënte. Verweerder tekende vervolgens een brief namens eerdergenoemde
collega huisarts, die zelf die dag niet op de praktijk was.
3.8 In deze brief van 24 mei 2024 staat (voor zover van belang):
“Bovengenoemde patiënte wordt naar u verwezen in verband met het volgende:
[…] is bekend met een gemiddelde intelligentie en een lage verwerkingssnelheid. […]
Zij is gediagnosticeerd met een ernstige autismespectrumstoornis […]
[…] ontvangt VG zorg, omdat dit aansluit bij haar basisbehoeftes vanuit het zeer lage
sociaal emotionele niveau en de ernstige problemen in de prikkelverwerking vanuit
haar autismespectrumstoornis. Er is een onderzoek gedaan naar de best passende zorg
door het I, zij hebben advies gegeven voor een plaatsing binnen de Verstandelijk gehandicaptensector.”
3.9 H werd op 24 mei 2024 door de woonvoorziening geïnformeerd over de opname en dat klaagster toestemming had gegeven voor één week crisisplaatsing.
3.10 Bij aankomst van cliënte in F werden maatregelen genomen die niet pasten bij vrijwillige zorg. Cliënte is vervolgens later op de dag vertrokken naar haar ouders.
3.11 In het dossier van F werd op 27 mei 2024 genoteerd: “Volgens H[…] brief met verklaring eigen arts vrijdag op ons verzoek geregeld waarbij arts verklaart dat cliënte onder WZD geschaard kan worden qua toepassing VBM. Is vrijdagavond alweer vertrokken naar ouders, zou weggelopen zijn, niet exact duidelijk hoe. […].”
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij namens zijn collega een valselijke verklaring heeft afgegeven, terwijl hij daartoe niet bevoegd was en waardoor bij de opname van cliënte onterecht onvrijwillige zorg is toegepast.
4.2 Het spijt verweerder als cliënte geconfronteerd is geweest met ten onrechte toegepaste onvrijwillige zorg. Voor verweerder was niet duidelijk dat de verwijsbrief een rol zou spelen in het toepassen van onvrijwillige zorg en voor zover daar sprake van was kan dat niet aan verweerder worden toegerekend. Hij heeft slechts gefaciliteerd in een vrijwillige opname en had geen rol in de besluitvorming over de aard van de zorg. De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 De betrokkenheid van de huisarts heeft zich beperkt tot het op verzoek van zijn collega ondertekenen en (laten) versturen van een verwijsbrief ten behoeve van een vrijwillige opname van cliënte voor dezelfde dag. Het college komt tot het oordeel dat de huisarts met zijn handelen is gebleven binnen de grenzen van een behoorlijke beroepsbeoefening. Het college vindt daarbij het volgende van belang.
Verwijzing of verklaring in de zin van de Wzd
5.3 Het college stelt voorop dat de door de huisarts namens zijn collega ondertekende brief niet kan worden aangemerkt als een verklaring van een ter zake kundige arts dat cliënte is aangewezen op zorg in de zin van de Wzd. Bovenaan de brief staat namelijk duidelijk dat het gaat om een verwijzing. Ook verklaart de collega huisarts in de verwijzing niet dat cliënte naar zijn oordeel is aangewezen op zorg in de zin van de Wzd. In de verwijzing wordt wél een beschrijving gegeven van de bij cliënte bestaande problematiek en wordt uitgelegd waarom cliënte VG-zorg ontvangt. De omstandigheid dat een verwijzing achteraf bezien (kennelijk, zo blijkt uit de ingebrachte stukken van onder meer de zorgverzekeraar) niet nodig was, maakt niet dat de door de huisarts namens zijn collega ondertekende brief niet als een verwijsbrief kan worden aangemerkt. Het college acht het zeer voorstelbaar dat de collega van de huisarts (en met hem de huisarts zelf) op het moment dat hij het verzoek kreeg om nog voor dezelfde dag een verwijzing te verzorgen, in de veronderstelling verkeerde dat deze nodig was.
Omstandigheden waaronder de verwijzing plaatsvond
5.4 De collega van de huisarts was vanwege zijn afwezigheid niet in de gelegenheid zelf de verwijzing in orde te maken, terwijl deze in de veronderstelling verkeerde dat een verwijzing noodzakelijk was om de vrijwillige opname van klaagster op diezelfde dag mogelijk te maken. Er was dus sprake van een spoedsetting waarin nog dezelfde dag een crisisplaatsing mogelijk moest worden gemaakt en waarbij alle betrokkenen met deze – vrijwillige – opname akkoord waren. De huisarts mocht er verder op vertrouwen dat zijn collega de inhoud van de verwijzing zorgvuldig had afgestemd met de behandelcoördinator. Onder deze omstandigheden was het niet onzorgvuldig dat de huisarts de verwijzing op verzoek van zijn collega namens hem ondertekende. Dat bij de verwijzing een verkeerd briefpapier en onjuiste AGB-code zou zijn gebruikt is onvoldoende voor een gegrond tuchtrechtelijk verwijt. Helder is dat de verwijzing door de huisarts namens zijn collega is ondertekend en afgegeven in diens hoedanigheid van teamarts van G. Dat de verwijzing bewust buiten het medisch dossier is gehouden is niet gebleken.
Inhoud van de verwijzing
5.5 Ook de inhoud van de verwijzing hoefde voor de huisarts geen aanleiding te zijn deze niet namens zijn collega te ondertekenen. Zoals hiervoor al is overwogen mocht de huisarts erop vertrouwen dat zijn collega de inhoud van de verwijzing zorgvuldig had afgestemd met de behandelcoördinator. In de verwijzing was een beschrijving gegeven van de bij cliënte bestaande problematiek en een uitleg waarom cliënte VG-zorg ontving. Deze informatie hoefde voor de huisarts geen aanleiding te zijn voor twijfel over de (juistheid van de) inhoud van deze verwijzing.
Grondslag voor onvrijwillige zorg?
5.6 Anders dan klaagster is het college van oordeel dat de (inhoud van de) verwijzing geen grondslag bood voor onvrijwillige zorg op grond van de Wzd. Met de verwijzing was namelijk niet voldaan aan de in de Wzd opgenomen voorwaarden voor toepassing van onvrijwillige zorg. Dat F (kennelijk) in de veronderstelling verkeerde dat dit wel zo was, kan de huisarts niet worden verweten. De huisarts mocht er immers van uitgaan F als aanbieder van VG-zorg op de hoogte was van de voor het toepassen van onvrijwillige zorg onder de Wzd geldende voorwaarden.
Slotsom
5.7 Uit het voorgaande volgt dat van een door de huisarts namens zijn collega afgegeven valselijke verklaring geen sprake was. Zoals hiervoor uiteengezet was geen sprake van een verklaring, maar een verwijzing. Ook hoefde de inhoud van de verwijzing geen aanleiding te zijn voor twijfel over de juistheid van deze inhoud. Het was verder niet onzorgvuldig dat de huisarts de verwijsbrief namens zijn collega ondertekende. De omstandigheid dat F kennelijk in de – onterechte – veronderstelling verkeerde dat met de verwijzing was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van onvrijwillige zorg in de zin van de Wzd, kan de huisarts niet worden verweten. De klacht is daarom ongegrond.
Kostenveroordeling
5.8 Klaagster heeft verzocht de huisarts te veroordelen in de kosten (reiskosten)
die klaagster heeft gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is alleen mogelijk
als het college een klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en een maatregel oplegt.
Omdat de klacht ongegrond zal worden verklaard zal het verzoek om een proceskostenveroordeling
niet worden toegewezen.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond;
- wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze beslissing is gegeven door Th.A. Wiersma, voorzitter, M.H. Erich, lid-jurist,
R.J. Wolters, H.M. Kole en J. Schuur, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M. Keukenmeester, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.