We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRZWO:2026:75 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2026/9507

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:75
Datum uitspraak: 22-05-2026
Datum publicatie: 22-05-2026
Zaaknummer(s): Z2026/9507
Onderwerp: Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen verzekeringsarts. Klaagster heeft in het kader van een Ziektewetbeoordeling twee telefonische consulten gehad bij de verzekeringsarts. Klaagster maakt de verzekeringsarts verschillende verwijten over deze consulten en de verslaglegging daarvan. Het college verklaart de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 22 mei 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

verzekeringsarts,

(destijds) werkzaam in D,

verweerster, hierna ook: de verzekeringsarts,

gemachtigde: mr. A.B. Schippers-Juergens, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort

1.1     Klaagster heeft in het kader van een Ziektewetbeoordeling twee telefonische consulten gehad bij de verzekeringsarts. Klaagster maakt de verzekeringsarts verschillende verwijten over deze consulten en de verslaglegging daarvan.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 6 januari 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026.

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 

3. De feiten

3.1     Klaagster heeft zich op 8 mei 2023 ziekgemeld vanuit de Werkloosheidswet met een combinatie van knieklachten en vermoeidheid. In het kader van die ziekmelding is de verzekeringsarts verzocht een Ziektewetbeoordeling te verrichten. Op 11 september 2023 heeft de verzekeringsarts klaagster telefonisch gesproken. Hiervan heeft zij op 13 september 2023 een medisch onderzoeksverslag opgesteld. De conclusie luidde dat klaagster op dat moment nog ongeschikt was voor de maatgevende arbeid. Ook werd een indicatie voor een medische interventie (MI) geduid. Klaagster zou hiervoor een kennismakingsgesprek hebben bij hulpaanbieder E.

3.2       Een volgend telefonisch gesprek vond plaats op 19 september 2023. Hiervan is een telefoonrapport opgemaakt. Besproken werd dat klaagster contact had gehad met mevrouw F van E en dat klaagster de geboden begeleiding niet passend vond. Klaagster had nu via haar zorgverzekeraar een aanvraag gedaan voor een begeleidingstraject.

4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts

4.1     Klaagster verwijt de verzekeringsarts:

  1. onjuiste en onvolledige verslaglegging;
  2. onvolledige medische vastlegging knieproblematiek;
  3. inzet extern bureau en onduidelijke rolafbakening;
  4. verleggen van medische beoordeling naar extern bureau;
  5. niet-medisch relevante en grensoverschrijdende uitlatingen.
     

4.2     De verzekeringsarts stelt zich op het standpunt dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en heeft het college verzocht overeenkomstig te oordelen.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de verzekeringsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Klachtonderdeel a) onjuiste en onvolledige verslaglegging

5.2     Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij in het telefoonrapport van 19 september 2023 heeft vermeld dat sprake zou zijn van:

  • het volgen van een cursus in een buurthuis;
  • het ondergaan van massages.

Deze vermeldingen zijn volgens klaagster feitelijk onjuist. Zij zou tijdens het gesprek hebben toegelicht dat zij opleidingen volgt en heeft afgerond bij onder andere de LOI, hetgeen relevant is voor haar belastbaarheid en re-integratie. Deze informatie is niet in het verslag opgenomen. Door het opnemen van onjuistheden en het weglaten van relevante feiten ontstaat volgens klaagster een vertekend en onvolledig medisch dossier, hetgeen in strijd is met de vereiste zorgvuldigheid bij medische dossiervorming.

5.3     Volgens de verzekeringsarts betreft het informatie die verkregen was van de

potentiële therapeut van E, mw. F. Overigens heeft deze informatie geen nadelige gevolgen gehad voor klaagsters Ziektewetuitkering.

5.4     In het telefoonrapport staat over dit punt het volgende genoteerd:

“F: telgesprek 18 9 23:

2 maand voor revalidatie knie nemen (manuele therapie en haptonomie, noemt revalidatie)

Dan wel/niet F? Is welkom!!!

November beginnen

Anders komt niet door punt heen.

Kent alleen presteren onder druk.

Nu: Cursus in buurthuis,1/x masseren

Ruimte voor andere deel van zichzelf nemen”

5.5       Duidelijk is dat het telefoongesprek betrekking had op het contact dat had plaatsgevonden met E. Uit de hierboven aangehaalde aantekening kan naar het oordeel van het college worden afgeleid dat dit, conform de uitleg van de verzekeringsarts, informatie betreft die is verkregen van mevrouw F van E tijdens een telefoongesprek op 18 september 2023. Verder kan het college op basis van de beschikbare stukken niet vaststellen dat er relevante zaken zijn besproken die ten onrechte niet in het telefoonrapport zijn opgenomen. Dit betekent dat klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond is.


Klachtonderdeel b) onvolledige medische vastlegging knieproblematiek

5.6     Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat in het telefoonrapport is vermeld dat voor de knieklachten een revalidatieperiode van circa twee maanden zou worden aangehouden, met inzet van onder meer manuele therapie en haptotherapie. Inmiddels is echter medisch vastgesteld dat sprake is van artrose. Deze relevante medische ontwikkeling is volgens klaagster niet (tijdig) en niet adequaat verwerkt in haar dossier. Hierdoor wordt uitgegaan van een onjuiste en te optimistische herstelverwachting, hetgeen van invloed kan zijn geweest op de beoordeling van haar belastbaarheid en re-integratiemogelijkheden.

5.7     Volgens de verzekeringsarts is de knieproblematiek, voor zover bekend tijdens de Ziektewetbeoordeling, omschreven in het medisch onderzoeksverslag. Het kan de verzekeringsarts niet verweten worden dat zij de later vastgestelde artrose niet heeft genoteerd. Het college volgt de verzekeringsarts hierin. Niet blijkt dat de artrose al bekend was ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsarts. Ook blijkt niet dat de verzekeringsarts betrokken is geweest bij het op een later moment niet tijdig verwerken van de artrose in het dossier. Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.

Klachtonderdelen c) en d) inzet extern bureau en verleggen medisch oordeel naar extern bureau

5.8     Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat zij tijdens het telefoongesprek op 19 september 2023 heeft voorgesteld een extern bureau, F, in te zetten. Klaagster heeft hier aanvankelijk mee ingestemd omdat zij in de veronderstelling was dat het om reguliere begeleiding ging, maar tijdens het contact met dit bureau bleek onder meer dat het om regressietherapie ging, waar klaagster tegen is. De omstandigheden en gemotiveerde bezwaren van klaagster zijn volgens haar niet dan wel onvoldoende vastgelegd in het telefoonrapport van 19 september 2023. In aanvulling hierop verwijt zij de verzekeringsarts dat pas tijdens het gesprek met het externe bureau duidelijk werd dat sprake was van een beoogde medische behandeling, terwijl dit vooraf niet expliciet door de verzekeringsarts was meegedeeld. Ook is volgens klaagster vooraf niet duidelijk gecommuniceerd dat deze behandeling door het UWV zou worden gefinancierd.

5.9     Deze klacht is voor de verzekeringsarts niet herkenbaar. Besproken is dat een begeleidingstraject op mentaal vlak (MI) voor klaagster bijdragend zou kunnen zijn. In onderling overleg is toen besloten om klaagster hiervoor aan te melden. Klaagster heeft vervolgens contact gehad met de therapeut en is tot de slotsom gekomen dat dit traject niet bij haar zou passen. Via de zorgverzekeraar heeft klaagster zelf een ander traject aangevraagd. Deze keuze is door de verzekeringsarts zonder meer geaccepteerd, zoals ook blijkt uit de verslaglegging van het gesprek van 19 september 2023.

5.10     Ook hierin volgt het college de verzekeringsarts. Uit het medisch onderzoeksverslag van 13 september 2023 kan worden afgeleid dat tijdens het eerste telefoongesprek van 11 september 2023 is gesproken over een mogelijk traject bij E en het kennismakingsgesprek dat zou plaatsvinden. Klaagster was hiermee akkoord. Uit niets blijkt dat de verzekeringsarts daarbij specifiek naar regressietherapie heeft verwezen dan wel dat zij het medisch oordeel naar een extern bureau heeft verlegd. Klaagster heeft dit ook niet onderbouwd. Toen klaagster zelf op basis van het gesprek met E concludeerde dat het aangeboden traject niet bij haar paste, heeft zij via de zorgverzekeraar een ander traject aangevraagd. Niet blijkt dat de verzekeringsarts hiermee niet akkoord zou zijn, zodat het college ook niet inziet waarom de verzekeringsarts hier uitgebreider aantekening van had moeten maken. Verder kan het college niet vaststellen dat de verzekeringsarts tijdens het eerste gesprek onvoldoende duidelijk heeft gecommuniceerd over de inhoud van het traject. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is het tuchtcollege dan ook niet gebleken. Ook de klachtonderdelen c) en d) zijn kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel e) niet-medisch relevante en grensoverschrijdende uitlatingen

5.11     Het laatste klachtonderdeel betreft het verwijt dat de verzekeringsarts tijdens het telefoongesprek van 19 september 2023 uitlatingen zou hebben gedaan over salarisverschillen, gender en maatschappelijke ongelijkheid. Deze onderwerpen zijn volgens klaagster niet relevant voor een verzekeringsgeneeskundige beoordeling en behoren niet tot de professionele taakopvattingen van een verzekeringsarts. Ook dit is volgens klaagster niet zorgvuldig en evenwichtig vastgelegd.

5.12     Het klopt volgens de verzekeringsarts dat de door klaagster genoemde zaken tijdens het telefoongesprek van 19 september 2023 ter sprake zijn gekomen. Dit had ermee te maken dat klaagster had aangegeven dat ze een trauma had opgelopen door de wijze van contracteinde en dat zowel fysieke (boodschappen doen) als mentale inspanning (artikel schrijven) haar zwaar vielen. Hierop heeft de verzekeringsarts naar eigen zeggen in algemene zin aangegeven dat vrouwen vaak harder moeten werken dan mannen om hun waarde aan te kunnen tonen en dat dit des te meer kan gelden voor vrouwen van niet-Nederlandse afkomst. Zij heeft dit gedaan om begrip en empathie te tonen voor de spanningen die klaagster ervoer. Toen de verzekeringsarts begreep dat dit bij klaagster anders was opgevat dan zij het had bedoeld, heeft zij uitgelegd wat de intentie van haar opmerking was geweest en dat het juist als steunbetuiging was bedoeld. Zij heeft zich op dat punt verontschuldigd en klaagster heeft haar excuses geaccepteerd. Het klopt dat dit niet in het rapport is vermeld, omdat het een zijdelingse opmerking betrof die inhoudelijk niet belangrijk was voor het oordeel of klaagster al dan niet ongeschikt was voor de maatgevende arbeid.

5.13     Uit de door de verzekeringsarts gegeven uitleg kan het college niet afleiden dat de door haar gemaakte opmerking ongepast is geweest. Daarnaast acht het college het navolgbaar dat de verzekeringsarts geen aantekening van haar opmerking (en het daaruit voortvloeiende gesprek) heeft gemaakt, omdat zij de opmerking inhoudelijk niet relevant achtte voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Dit is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Hiermee is ook klachtonderdeel e) kennelijk ongegrond.

Slotsom

5.14     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 22 mei 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, J.M. Hoevers
en F.J. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.