We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRZWO:2026:74 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8918

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:74
Datum uitspraak: 27-05-2026
Datum publicatie: 27-05-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8918
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen bedrijfsarts deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk van onvoldoende gewicht. Klager maakt de bedrijfsarts verschillende verwijten over de consulten en het door haar gegeven advies. De klacht is deels kennelijk van onvoldoende gewicht, voor zover de bedrijfsarts in een periodieke evaluatie (die tevens naar de werkgever is gestuurd) heeft omschreven dat klager boos van het consult is vertrokken. Weliswaar is deze omschrijving op zichzelf klachtwaardig te achten, echter de bedrijfsarts heeft zich, direct nadat klager nog diezelfde dag zijn onvrede hierover kenbaar had gemaakt, rekenschap gegeven van deze foutieve vermelding, dit direct adequaat gewijzigd en de aangepaste versie aan zowel klager als de werkgever gestuurd.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 27 mei 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

bedrijfsarts,

(destijds) werkzaam in D,

verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,

gemachtigde: mr. C. Velink, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort

1.1     Klager heeft meerdere consulten bij de bedrijfsarts gehad. Naar aanleiding hiervan heeft de bedrijfsarts een advies gegeven over klagers re-integratie. Klager maakt de bedrijfsarts verschillende verwijten over de consulten en het door haar gegeven advies.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels kennelijk van onvoldoende gewicht is en deels kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 12 augustus 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025;
  • de repliek van klager, ontvangen op 4 november 2025;
  • de dupliek van de bedrijfsarts, ontvangen op 18 november 2025;
  • een geluidsbestand, ontvangen van klager op 16 januari 2026;
  • het proces-verbaal van het op 9 februari 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek.
     

2.2     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1     Klager is 40 uur per week werkzaam als IT-officer als hij zich op 3 april 2025 ziek meldt vanwege overbelasting en uitputting.  

3.2       De bedrijfsarts is verbonden aan E en in die hoedanigheid bij de ziekmelding van klager betrokken. Op 25 april 2025 vindt het eerste telefonische consult plaats tussen klager en de bedrijfsarts. Hierbij komt klagers medische toestand en zijn privé- en werksituatie aan de orde.

3.3       Een tweede telefonisch consult vindt plaats op 30 april 2025. Besproken wordt hoe het nu met klager gaat vergeleken met de week ervoor. De bedrijfsarts concludeert op basis van dit consult dat bij klager sprake is van een depressieve episode en dat klager op dat moment nog arbeidsongeschikt is ten gevolge van ziekte die deels arbeidsgerelateerd is. Eveneens concludeert de bedrijfsarts dat klager op dat moment nog geen re-integratiemogelijkheden heeft. Afgesproken wordt dat een volgend consult op 17 juni 2025 zal plaatsvinden op locatie.

3.4       Tijdens het consult op 17 juni 2025 komt aan de orde dat klager zelfstandig naar het spreekuur kan reizen. De bedrijfsarts verbindt hieraan de conclusie dat klager ook naar het werk zou kunnen reizen. Daarnaast acht de bedrijfsarts het goed voor klager om weer in het ritme te komen en afleiding te hebben en weg te zijn uit huis. De bedrijfsarts adviseert op basis hiervan om twee keer twee uur per week te starten in werk zonder tijdsdruk en niet in de eigen functie. Klager is het hier niet mee eens en geeft aan een second opinion te willen. In dat verband wijst de bedrijfsarts klager erop dat een deskundigenoordeel van het UWV meer voor de hand ligt.

3.5     Na het consult van 17 juni 2025 neemt klager contact op met E, waarbij hij laat weten een klacht te willen indienen tegen de bedrijfsarts. Ook stuurt hij diezelfde avond nog een e-mail aan de bedrijfsarts waarin hij kenbaar maakt het consult als zeer onprettig te hebben ervaren en dat hij zich niet gehoord voelde door de bedrijfsarts.

3.6     De volgende dag, 18 juni 2025, heeft klager in de ochtend een gesprek met de HR-adviseur. Hierin laat klager weten dat hij wel wil starten met twee keer twee uur re-integratie maar nog wel een second opinion wil. De HR-adviseur koppelt dit terug aan de bedrijfsarts. Verder heeft klager telefonisch contact met de re-integratie en preventieadviseur (RPA) van E, aan wie hij eveneens laat weten het advies van de bedrijfsarts te zullen opvolgen maar nog steeds te staan op een second opinion.

3.7       Diezelfde ochtend stuurt de bedrijfsarts aan zowel klager als de werkgever een periodieke evaluatie, waarin zij bij de gemaakte afspraken vermeld heeft dat er geen vervolgafspraak is gemaakt en dat klager boos is vertrokken van het consult van
17 juni 2025.

3.8       Klager gaat vervolgens naar E. Omdat de deur gesloten is, neemt hij telefonisch contact op met de receptie, waarna hij op zijn verzoek wordt doorverbonden met de bedrijfsarts. In het telefoongesprek dat volgt, laat klager weten boos te zijn over de inhoud van de periodieke evaluatie en aanpassing van het verslag te eisen. Ook wil hij antwoord van de bedrijfsarts op zijn e-mail van de vorige dag. De bedrijfsarts zegt hierop toe de second opinion in gang te zetten, klager moet daarvoor zijn vraagstelling kenbaar maken. De bedrijfsarts bevestigt dit per e-mail. Klager stuurt hierop een boze e-mail terug, waarin hij onder meer dreigt om de volgende dag verhaal te halen bij het kantoor van E en waarin hij de bedrijfsarts beschuldigt van liegen en bedriegen en diverse verwijten maakt.

3.9       Ondertussen past de bedrijfsarts de tekst van de periodieke evaluatie aan, in die zin dat zij bij de gemaakte afspraken weghaalt dat klager boos is vertrokken en in plaats daarvan noteert dat klager ontevreden is over het gegeven advies maar dat zij elkaar wel de hand hebben gegeven bij vertrek. De aangepaste periodieke evaluatie wordt diezelfde dag aan klager en de werkgever gestuurd.

3.10     Klager dient nog diezelfde avond een klacht over de bedrijfsarts in bij E. Hierover vindt vervolgens contact plaats tussen klager en de RPA van E. Ook hebben klager en de bedrijfsarts e-mailcontact. Klager wil van de bedrijfsarts een reactie op zijn klacht en op zijn eerdere e-mail. De bedrijfsarts antwoordt dat zij de juridische afdeling om advies heeft gevraagd nu er een klacht ligt, een aanvraag voor een second opinion alsmede een e-mail waarin klager om een reactie vraagt. Zij laat weten dat zij pas na het advies van de juridische afdeling verder kan reageren.

3.11     Op 25 juni 2025 stuurt de rechtsbijstandsverlener van klager een e-mail aan de bedrijfsarts, waarin hij aandringt op een second opinion. De bedrijfsarts stuurt op
30 juni 2025 een e-mail terug, waarin zij laat weten na overleg met de juridische afdeling een second opinion in gang te zullen zetten en waarin ze aangeeft welke informatie in dat kader van klager nodig is.

3.12     Na ontvangst van de benodigde informatie meldt de bedrijfsarts klager op 3 juli 2025 aan voor een second opinion.

3.13     Op 18 juli 2025 wordt een second opinion verricht. De betreffende bedrijfsarts concludeert dat er sprake is van beperkingen van de belastbaarheid als rechtstreeks en medisch objectiveerbaar gevolg van ziekte en/of gebrek en acht het aannemelijk dat klager op dat moment nog steeds arbeidsongeschikt is. Wel adviseert hij om in het kader van het herstelproces en de re-integratie verbinding met het werk te houden, door bijvoorbeeld regelmatig langs te gaan.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts

4.1     Klager verwijt verweerster:

1. dat zij een onjuist rapport heeft opgesteld;

2. dat zij onvoldoende heeft geluisterd naar de problematiek van klager;

3. dat zij haar beroepsgeheim heeft geschonden, dus daarmee niet haar artseneed heeft nageleefd;

4. dat zij de second opinion heeft afgewezen zonder motivatie.
 

4.2     De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Ook is niet elke onvolkomenheid van voldoende gewicht om een zorgverlener daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.


Klachtonderdeel 1) onjuist rapport

5.2     Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij in de periodieke evaluatie heeft opgeschreven dat hij boos is vertrokken van het consult van 17 juni 2025 en dat zij ten onrechte heeft vermeld dat er geen vervolgafspraken waren gemaakt. Volgens klager was afgesproken dat ze elkaar over zes weken weer zouden zien.

5.3      Volgens de bedrijfsarts had zij opgeschreven dat klager boos was vertrokken omdat de stemming omsloeg toen ze vertelde dat hij twee keer twee uur zou kunnen gaan werken. Achteraf meent zij dat zij het misschien anders had moeten opschrijven, maar zij heeft dit meteen aangepast toen klager zijn ongenoegen daarover kenbaar maakte en daarbij ook gehoor gegeven aan de wensen van klager daaromtrent waarbij klager veel waarde hechtte aan het feit dat zij elkaar de hand hadden gegeven. Gelet op de sfeer tijdens het gesprek en omdat klager nadien aan de bedrijfsarts e-mailde “ik hoef je nooit meer te spreken” is de bedrijfsarts ervan uitgegaan dat hij niet meer bij haar op consult zou komen, daarom heeft zij genoteerd dat er geen vervolgafspraak was gemaakt.

    5.4       Het college volgt klager in zijn standpunt dat de bedrijfsarts de kwalificatie “boos” in haar periodieke evaluatie achterwege had moeten laten. Een dergelijke vermelding verbreekt namelijk de vertrouwelijkheid van het gesprek, wat op zichzelf klachtwaardig is te achten. Het college constateert echter dat de bedrijfsarts zich, direct nadat klager nog diezelfde dag zijn onvrede hierover kenbaar had gemaakt, rekenschap heeft gegeven van deze foutieve vermelding, dit direct adequaat heeft gewijzigd en de aangepaste versie aan zowel klager als de werkgever heeft gestuurd. Om die reden en mede gelet op het beperkte karakter van de normschending, ziet het college aanleiding te oordelen dat dit klachtonderdeel, alhoewel op zichzelf terecht voorgedragen, kennelijk van onvoldoende gewicht is in de zin van artikel 67a, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) om hiervoor de verdere reguliere tuchtprocedure geheel te doorlopen.  


    Klachtonderdeel 2) onvoldoende luisteren

    5.5     Klager meent dat de bedrijfsarts niet naar hem heeft geluisterd. Volgens klager heeft de bedrijfsarts zich gehouden aan het opbouwschema dat hij een week voorafgaand aan het consult van 17 juni 2025 had gemaakt, maar heeft zij niet gekeken naar hoe hij zich op het moment van het consult voelde. Op dat moment voelde hij zich niet stabiel genoeg om weer te gaan werken. Ook adviseerde zij hem om op een heftruck te re-integreren, terwijl hij achter een computer werkte en niet in het bezit is van een heftruck-certificaat. Verder was er tijdens het consult volgens klager geen oogcontact met de bedrijfsarts en was ze alleen bezig op haar computer.

    5.6     Volgens de bedrijfsarts heeft zij wel degelijk naar klager geluisterd. Het leek haar juist goed voor klager om wat afleiding te hebben en even de deur uit te gaan. Het noemen van het re-integreren op een heftruck was enkel bij wijze van voorbeeld. Er was volgens de bedrijfsarts wel sprake van oogcontact, maar zij moest ondertussen ook een verslag maken, zodat ze af en toe inderdaad op haar computer zat.

    5.7     Uit het verslag van het consult van 17 juni 2025 kan worden opgemaakt dat klagers persoonlijke omstandigheden van dat moment uitvoerig ter sprake zijn gekomen en ook dat het niet goed met hem ging. Het feit dat de bedrijfsarts dit heeft aangetekend, laat naar het oordeel van het college zien dat zij hier kennis van heeft genomen. Dat zij hieraan vervolgens een andere conclusie heeft verbonden dan klager zelf, namelijk dat het juist goed voor hem zou zijn om te starten met re-integreren, maakt niet dat zij niet goed zou hebben geluisterd. Niet blijkt dat zij in haar advies heeft betrokken dat klager op een heftruck zou moeten re-integreren. Verder kan het college niet vaststellen hoeveel oogcontact er tussen klager en de bedrijfsarts heeft plaatsgevonden. Zelfs wanneer echter geen of weinig oogcontact zou hebben plaatsgevonden, leidt dit nog niet tot de conclusie dat de bedrijfsarts niet zou hebben geluisterd.

    5.8       Voorgaande betekent dat klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond is.

    Klachtonderdeel 3) schending beroepsgeheim

    5.9     Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de telefonische consulten van 25 en 30 april 2025. Tijdens deze consulten waren er volgens klager verschillende achtergrondgeluiden hoorbaar bij de bedrijfsarts. Ook moest zij haar hond meerdere keren corrigeren. Volgens klager was duidelijk hoorbaar dat er een andere persoon in de ruimte was. Toen hij de bedrijfsarts hier later mee confronteerde, zou zij hebben toegegeven dat dit haar man was, maar gezegd hebben dat klager zich geen zorgen hoefde te maken omdat haar man de Nederlandse taal niet verstond.

    5.10     Volgens de bedrijfsarts klopt het dat zij de telefonische consulten vanuit haar huis heeft gevoerd en dat zij het eerste telefonische consult even heeft moeten onderbreken omdat de hond aansloeg en zij deze uit de kamer moest verwijderen. Er was echter geen andere persoon bij haar in de ruimte aanwezig en zij was werkzaam in een afgesloten studeerkamer. Ter geruststelling heeft zij aan klager uitgelegd dat hij tijdens het consult van 25 april 2025 mogelijk haar echtgenoot op de achtergrond heeft gehoord maar dat deze niet in dezelfde ruimte aanwezig was en dat deze bovendien F is en de Nederlandse taal niet machtig.

    5.11     Ondanks dat het college begrijpt dat het geluid van een andere persoon op de achtergrond voor klager mogelijk vragen heeft opgeroepen over de vertrouwelijkheid van het gevoerde gesprek, kan het college op basis van de beschikbare stukken niet vaststellen dat deze persoon bij de bedrijfsarts in dezelfde ruimte was. Dit betekent dat het college evenmin kan vaststellen dat de bedrijfsarts tijdens de telefonische consulten haar beroepsgeheim heeft geschonden. Klachtonderdeel 3) is hiermee kennelijk ongegrond.

    Klachtonderdeel 4) afwijzing second opinion

    5.12     Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij zijn verzoek om een second opinion heeft

    afgewezen. Hij moest eerst naar het UWV voor een deskundigenoordeel. Pas toen hij een jurist had ingeschakeld is de second opinion toegekend.

    5.13     Volgens de bedrijfsarts heeft zij klager conform de richtlijn eerst gewezen op een deskundigenoordeel. In het geval iemand dan nog steeds vasthoudt aan de wens om een second opinion dan wordt dat gedaan. In dit geval is dit ook gebeurd en heeft de bedrijfsarts klager verzocht om zijn vraagstelling.  

    5.14     Van een daadwerkelijke afwijzing van een second opinion is het college uit de stukken niet gebleken. Weliswaar heeft de bedrijfsarts klager in eerste instantie tijdens het consult van 17 juni 2025 gewezen op de mogelijkheid van een deskundigenoordeel, echter toen klager een dag later nog steeds een second opinion wilde, heeft zij via de e-mail laten weten daaraan te zullen meewerken en klager om een vraagstelling gevraagd. Hierop is door klager niet gereageerd met een vraagstelling, maar met onder meer een klacht, waarna de bedrijfsarts eerst met de juridische afdeling wilde overleggen. Toen de bedrijfsarts uiteindelijk op 1 juli 2025 de vraagstelling van klager had ontvangen, heeft zij hem twee dagen later aangemeld. Het college acht deze gang van zaken (waarbij de bedrijfsarts mede afhankelijk was van de input van klager) navolgbaar en is van oordeel dat zij adequaat op klagers verzoek heeft gereageerd en actie heeft ondernomen. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

    Slotsom

    5.15     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel 1) kennelijk van onvoldoende gewicht is en klachtonderdelen 2) en 3) kennelijk ongegrond zijn.

    Publicatie

    5.16     Omdat artikel 67a, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet BIG niet vaak wordt toegepast, is het voor de tuchtrechtpraktijk interessant om van deze uitspraak kennis te nemen. Daarom zal worden bepaald dat deze uitspraak (overeenkomst artikel 71 van de Wet BIG) zal worden gepubliceerd.

    6. De beslissing

    Het college:

    • verklaart klachtonderdeel 1) van kennelijk onvoldoende gewicht;
    • verklaart klachtonderdelen 2) en 3) kennelijk ongegrond;
    • bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact, Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, Gezondheidszorg Jurisprudentie en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht.

    Deze beslissing is gegeven op 27 mei 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter en M. Prenger en G. Koster, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris.

    secretaris                                                                                           voorzitter

     

    Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

    1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
    • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
    • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
    • het college kennelijk onbevoegd is, of
    • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
       

    Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

    1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
    1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


    U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
     

    Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.