ECLI:NL:TGZRZWO:2026:70 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9058
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:70 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-05-2026 |
| Datum publicatie: | 11-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/9058 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht over huisarts. Patiënte verwijt de huisarts dat er onjuiste aantekeningen staan in het medisch dossier van klaagster over de periode in 2011. Ook heeft huisarts klaagster in 2012 niet doorverwezen naar een GZ-psycholoog waardoor klaagster, volgens klaagster geruime tijd last heeft gehad van de gevolgen van PTSS. De huisarts heeft gevraagd om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren als het gaat om het handelen van voor 2 oktober 2015 en voor het overige de klacht ongegrond te verklaren. Oordeel college: klaagster deels niet-ontvankelijk en de klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ZWOLLE
Beslissing van 11 mei 2026 op de klacht van:
A ,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C ,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerster,
gemachtigde mr. A.C.I.J. Hiddinga.
- De zaak in het kort
1.1 Klaagster verwijt verweerster dat er onjuiste aantekeningen staan in het medisch dossier van klaagster over de periode in 2011. Ook heeft verweerster klaagster in 2012 niet doorverwezen naar een GZ-psycholoog waardoor zij geruime tijd veel last heeft gehad van de gevolgen van een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS).
1.2 Verweerster heeft gevraagd om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren als het gaat om de gebeurtenissen die voor 2 oktober 2015 hebben plaatsgevonden. Voor de overige klachtonderdelen is verweerster van mening dat deze ongegrond moeten worden verklaard.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat klaagster deels kennelijk niet-ontvankelijk is in haar klacht en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
- De procedure
2.1 Dit dossier bevat de volgende stukken:
-het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025;
-het verweerschrift, ontvangen op 24 december 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster stelt in 2011 financieel en seksueel te zijn misbruikt. Klaagster heeft de huisartsenpraktijk meermaals bezocht voor verschillende klachten waaronder psychische klachten.
3.2 In 2012 is klaagster verwezen voor psychische hulp naar zorgverlener D. In 2013 is klaagster op eigen verzoek nogmaals naar zorgverlener D verwezen. In september 2013 is deze behandeling gestopt nadat klaagster had aangegeven dat de behandeling van zorgverlener D klaagster goed had gedaan. In oktober 2013 heeft klaagster aangegeven ruzie te hebben met haar ouders en is klaagster geadviseerd om contact te zoeken met een maatschappelijk werkster. In november 2013 heeft klaagster aangegeven dat zij verbetering ziet in de relatie met haar ouders. In mei 2015 vraagt klaagster een verwijzing omdat klaagster aangaf niet lekker in haar vel te zitten en verwijst verweerster klaagster naar een therapeut. Op 1 juni 2015 gaf klaagster aan dat het beter met haar ging, dat zij blij was met de behandeling van de therapeut en dat haar relatie met haar ouders steviger werd. Daarna bezoekt klaagster verweerster enkel voor lichamelijke klachten tot 7 december 2017.
3.3 Op 7 december 2017 is het volgende genoteerd in het medisch dossier van klaagster,
(alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) S wil grg verw vr tdlk ondersteuning ivm familieomstandigheden, (…) loopt regelm
weer tegen dezelfde problemen aan , met name uit het haar v erladen toen zij contact
had met loverboys
E (…) gespannen
P ver POH GGZ (…) [naam POH GGZ]”
3.4
Op 15 januari 2018, het eerste consult na 7 december 2017 in de praktijk van verweerster,
is het volgende genoteerd in het medisch dossier van klaagster:
“ (…) S Voor nu vooral vraag op gebied van werk. jobcoach geadviseerd. (…)
E (…) psychische klachten
P Geen vervolg gepland, kan indien nodig afspraak inplannen.”
Later is op dezelfde dag in het dossier van klaagster genoteerd:
“(…) S gaat weer beter (…)”
3.5 Op 2 maart 2018, het eerste consult na 15 januari 2018, is het volgende
opgeschreven in het medisch dossier:
“(…) E (…) psychische klachten (…)”
3.6 Op 13 april 2018, het eerstvolgende consult in de praktijk van verweerster,
is genoteerd in het medisch dossier van klaagster:
“(…) S Nu goed, ze heeft haar doelstellingen bereikt. Heeft meer vertrouwen en is
emotioneel in balans. Heeft helderder waar haar interesses en mogelijkheden liggen.
We sluiten de behandeling af, mogelijk neemt ze over paar maand nog contact op.
E (…) psychische klachten”
3.7 Op 20 december 2018 is vervolgens in het medisch dossier opgeschreven:
“(…) S Vader belt: vanochtend aangereden door vrachtwagen, zat op de fiets. i s (…)
met ambu naar zh (…) gebracht, mocht naar huis met kneuzinge n, verder gaat het goed
met haar. (…) pijnstilling (…)
P (…) zn verwijs ik haar ook nog (…) naar een psycholoog voor traumatherapie als
ziij het nodig heeft”
Op 21 december 2018, de volgende dag, is genoteerd in het medisch dossier van klaagster:
“(…) S Conclusie hoogenergetisch trauma met trauma capitis zonder aanwijzingen voor
traumatisch letsel (…)”
3.8 Op 10 januari 2019 is het volgende aangetekend in het medisch dossier:
“(…) S (…) gaat verder prima, behalve dat zij ni et lekker in haar vel zit, slaapt
goed, snel emotioneel dan ook weer d (…)
P verw (…) [psychologische zorg]”
Op 11 januari 2019 is het volgende genoteerd in het medisch dossier van klaagster:
“(…) P Afspraak ‘verwijsafspraak’ gemaakt bij (…)- (…) [psychologische zorg] Reden:
Psychotraumatische klachten”
3.9 Op 17 januari 2019 is opgeschreven in het medisch dossier van klaagster:
“ (…) S (…) Je hebt haar verwezen naar (…) [psychologische zorg] echter heeft (…)
[psychologische zorg] een wa chttijd van 18 weken (…). Duurt haar te lang. Heb je
een alt ernatief? Of een overbruggingsmogelijkheid? Ze belt maandag eind vd mi ddag
terug (…)
P A: (…) [ambulante psychische hulpverlening] als zij dat wil, daar kan de brief
ook elektronisch naartoe gest uurd worden”
3.10 Op 28 januari 2019 is het in het medisch dossier van klaagster opgeschreven:
“(…) S slaapproblemen. na fiets ongeluk, op zich gaat het nu weer beter dan 2 weken
geleden, doet (…) body check/ meditatie oefeningen (…)”
3.11 Op 26 februari 2019 is het volgende genoteerd in het medisch dossier van
klaagster: “(…) S Bericht van basis naar specialistische zorg (…)”
Dezelfde dag heeft de GZ-psycholoog aan verweerster geschreven:
“(…) Bovenstaande cliënt heeft u naar ons verwezen voor diagnostiek en behandeling
in de Basis GGZ. Uit het intakegesprek blijkt dat er sprake is van complexere problematiek
wat een langer durend therapietraject indiceert. Daarom zullen wij client behandelen
in de Specialistische GGZ (…)”
3.12 Op 26 maart 2019 is in het medisch dossier van klaagster opgeschreven:
“(…) S iov (…) [ambulante psychische hulpverlening] voor EMDR (…)”
3.13 Op 4 oktober 2019 is het volgende geschreven in het medisch dossier:
“(…) Stress klachten werk gerelateerd (…)
P verw POH GGZ”
3.14 Op 8 oktober 2019 staat in het medisch dossier van klaagster:
“Stress klachten werk gerelateerd (…)
S gesprek POH-ggz. Sinds huisartsenbezoek is er een lichte verbetering. Wil ‘even’verwerken
(…) zodat ze verder kan. (…)
P inzicht geven en ondersteunen revisie over 4 weken.”
3.15 Op 4 november 2019 is genoteerd in het medisch dossier:
“(…) Stress klachten werk gerelateerd (…)”
Op 5 november 2019 is in het medisch dossier van klaagster geschreven:
“Stress klachten werk gerelateerd
S gesprek POH-ggz. conflict met werkgever leidt tot veel stress (…) Ze is zoekende
hoe hiermee om te gaan. Mevr. is ook een therapie om een ongeluk da vorig jaar heeft
plaatsgevonden te verwerken, hierin heeft ze een terugslag gehad door de situatie
op haar werk.
E nu ventilerend gesprek gehad hulpvraag voor vervolg is stressreductie
P revisie over 4 weken”
3.16 Op 25 november 2019 staat in het medisch dossier van klaagster:
“Stress klachten werk gerelateerd (…)”
Dezelfde dag op 25 november 2019 heeft de GZ-psycholoog van de psychologische zorg
aan verweerster geschreven:
“ (…) Concluderend kan gesteld worden dat de doelen voor de behandeling zijn behaald
en de behandeling met goed resultaat is beëindigd. Er is op dit moment geen sprake
meer van een posttraumatische stressstoornis. Clt. is ervan op de hoogte dat zij,
indien nodig en geïndiceerd, in de toekomst altijd opnieuw welkom is voor behandeling.
(…)”
3.17
Op 3 december 2019 is staat in het medisch dossier van klaagster:
“(…) Stress klachten werk gerelateerd (…)”
- De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klaagster verwijt verweerster:
a) dat er sprake is van onjuiste aantekeningen over gebeurtenissen in 2011 in het
medisch dossier van klaagster, die zijn gemaakt door anderen dan verweerster;
b) dat verweerster klaagster niet in 2012 maar pas in 2019 heeft doorverwezen naar
een GZ-psycholoog.
4.2 Verweerster heeft gevraagd om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren voor de klacht die betrekking heeft op het handelen van verweerster van voor 2 oktober 2015. Voor het overige verzocht verweerster de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder voor zover nodig verder in op de standpunten van partijen.
- De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Op grond van artikel 65 lid 5 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) vervalt de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift door tien jaren. Het klaagschrift is op 2 oktober 2025 ontvangen door het college.
5.2 Het college overweegt dat verweerster gezien de wettelijke bepalingen en volgens vaste jurisprudentie erop moet kunnen vertrouwen dat zij na het verstrijken van een termijn van tien jaar niet meer tuchtrechtelijk kan worden aangesproken voor beweerde tekortkomingen.
5.3 Het college is van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht voor zover de klacht ziet op het handelen van verweerster van vóór 2 oktober 2015. Dit betekent dat klachtonderdeel a) niet wordt besproken voor zover het gaat om aantekeningen die zijn gemaakt in de betreffende periode. Voor zover klaagster heeft bedoeld ook te klagen over aantekeningen na 2 oktober 2015 over de periode vanaf 2011, oordeelt het college hierna als volgt.
De criteria voor de beoordeling
5.4 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) onjuiste aantekening over de gebeurtenissen in 2011
5.5 Zoals hiervoor is opgemerkt, lijkt de klacht van klaagster betrekking te hebben op gemaakte aantekeningen die in en na 2015 zijn gemaakt over de periode 2011. Mocht daarvan sprake zijn dan is klaagster wel ontvankelijk in haar klacht. Het college constateert evenwel dat klaagster enkel heeft opgemerkt dat er aantekeningen zouden zijn gemaakt door andere zorgverleners dan verweerster. Hieruit kan niet worden opgemaakt dat verweerster op enig moment in de periode vanaf 2015 nog aantekeningen heeft gemaakt over de gebeurtenissen in 2011. Wat er ook zij van eventueel gemaakte aantekeningen op een later tijdstip, verweerster kan hiervoor in ieder geval niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Verweerster kan immers alleen tuchtrechtelijk worden aangesproken op haar eigen handelen. Dit klachtonderdeel is reeds daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) klaagster niet tijdig verwezen naar een GZ-psycholoog.
5.6 Het college stelt vast dat verweerster klaagster iedere keer waarin dat opportuun werd geacht, heeft verwezen voor behandeling van psychische klachten. Juist is dat deze verwijzing niet direct naar een psycholoog is geweest maar in eerste instantie naar de POH-GGZ. Uit het medisch dossier blijkt dat de klachten van klaagster binnen redelijke tijd nadat de behandeling door de betreffende zorgverlener was gestart, ook afnamen. Verweerster heeft in 2018, toen geen sprake was van een daadwerkelijke hulpvraag, geadviseerd aan klaagster om traumatherapie te volgen, zo blijkt uit de aantekeningen. Naar het oordeel van het college heeft verweerster in dezen steeds zorgvuldig gehandeld met inachtneming van de behoefte en de mogelijkheden die er waren om klaagster te begeleiden. Juist is dat verweerster klaagster in januari 2019 heeft verwezen naar meer gespecialiseerde psychologische zorg. Toen sprake was van een langere wachttijd, heeft verweerster direct zorggedragen voor overbruggingszorg en klaagster verwezen naar ambulante psychische hulpverlening. Het college is van oordeel dat verweerster de psychische klachten van klaagster zeer serieus heeft genomen. In eerste instantie is klaagster steeds verwezen voor een kortdurende praktische psychische begeleiding. De uitkomst van deze begeleiding was ook positief. Toen verweerster vaststelde dat klaagster langduriger psychische klachten hield, heeft zij de juiste stappen gezet door klaagster te verwijzen naar een psycholoog. Verweerster heeft steeds de vinger aan de pols gehouden over de psychische gezondheidstoestand van klaagster en daar waar nodig opgeschaald. Naar het oordeel van het college heeft verweerster zeer zorgvuldig gehandeld. Anders dan klaagster kennelijk veronderstelt, heeft verweerster hierbij wel degelijk oog gehad voor de traumatische gebeurtenissen in 2011. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster niet-ontvankelijk is voor zover de klacht betrekking heeft op het handelen van verweerster voor 2 oktober 2015 en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is.
- De beslissing
Het college verklaart:
- klaagster deels niet-ontvankelijk in haar klacht;
- de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
H.M. Kole en M. van Bergeijk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.
secretaris voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG):
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard, of
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het CTG, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te ‘s-Hertogenbosch. Het beroepschrift moet zijn ontvangen binnen zes weken nadat het RTG de beslissing aan u heeft verstuurd.
Vanwege mogelijke vertraging bij de bezorging van post, kunt u uw beroep ook per e-mail indienen. Dan weet u zeker dat het RTG uw beroep op tijd ontvangt. U stuurt dan binnen die zes weken uw e-mail naar TG-DenBosch@minvws.nl. U moet het originele beroepschrift nog wel per post nasturen.
U hoeft bij uw brief of e-mail niet meteen de reden(en) van uw beroep op te geven.
U ontvangt van het CTG bericht over de extra tijd die u krijgt om die redenen later
toe te sturen.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het CTG. U ontvangt
hierover bericht. Als u helemaal of voor een deel gelijk krijgt, ontvangt u het griffierecht
terug.