ECLI:NL:TGZRZWO:2026:7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8197
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-01-2026 |
| Datum publicatie: | 13-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8197 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een arts kennelijk ongegrond. Verweerster heeft in haar hoedanigheid van anios (zaalarts) de situatie van klaagsters moeder beoordeeld. Patiënte heeft in het buitenland een herseninfarct gehad en werd daarna overgeplaatst naar een ziekenhuis in Nederland. Daar verslechterde haar situatie. Patiënte is in het ziekenhuis overleden. De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerster voorafgaand aan het overlijden van patiënte. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 9 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
I,
arts (niet in opleiding tot specialist),
(destijds) werkzaam in J,
verweerster, hierna ook: de anios,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek.
1. De zaak in het kort
1.1 Verweerster heeft in haar hoedanigheid van anios (zaalarts) de situatie van
klaagsters moeder beoordeeld. Patiënte heeft in K een herseninfarct gehad en werd
daarna overgeplaatst naar een ziekenhuis in Nederland. Daar verslechterde haar situatie.
Patiënte is in het ziekenhuis overleden. De klacht heeft betrekking op het handelen
van verweerster voorafgaand aan het overlijden van patiënte.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 6 januari 2025;
- de brief van de secretaris van 28 januari 2025, met het verzoek het klaagschrift aan te vullen;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 20 februari 2025;
- het medisch dossier, ontvangen per e-mailbericht van klaagster op 17 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 juni 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
2.4 Klaagster heeft gelijktijdig met deze klacht, klachten ingediend tegen andere
zorgverleners. Deze zaken staan geregistreerd onder zaaknummers: Z2025/7975, Z2025/8192,
Z2025/8193, Z2025/8194, Z2025/8195 en Z2025/8196. In alle zaken wordt afzonderlijk
uitspraak gedaan.
3. De feiten
3.1 Klaagster dient een klacht in namens haar moeder, L (patiënte). Patiënte is
geboren in 1947 en overleden in het ziekenhuis op 21 november 2024.
3.2 Voorafgaand aan het verblijf in het ziekenhuis in Nederland was patiënte opgenomen in het ziekenhuis in K. Daar werd een groot herseninfarct geconstateerd in de rechter hersenhelftrechterhersenhelft, waarna op 20 augustus 2024 in een kliniek een trombectomie (een ingreep waarbij een stolsel in een bloedvat wordt verwijderd) werd uitgevoerd, welke werd gecompliceerd door een slagaderlijke bloeding in de rechterhersenhelft. In verband met de noodzaak van behandeling en bewaking op de Iintensive Ccare (IC) werd patiënte overgeplaatst naar een ander ziekenhuis. Als gevolg van het herseninfarct welke gecompliceerd werd door de hersenbloeding trad bij patiënte een volledige verlamming van de linkerzijde op in combinatie met slik- en spraakproblemen. Patiënte was tot 9 oktober 2024 opgenomen op de IC van het ziekenhuis in K, waar zij onder meer longklachten had. Onder andere ten behoeve van de langdurige beademing bij meerdere luchtweginfecties van patiënte werd een tracheacanule geplaatst in de luchtpijp.
3.3 Op 13 oktober 2024 werd patiënte, op verzoek van de familie, overgeplaatst
naar het ziekenhuis in Nederland. In haar medisch dossier staat, voor zover van belang
(alle citaten letterlijk weergegeven en bij weergave van namen degene die het betreft),
bij opnamestatus IC op 13 oktober 2024:
“Probleemlijst: 77-jarige vrouw met in de voorgeschiedenis hypertensie, DM2, astma,
atriumfibrilleren, AVNRT, heden met:
1. Overname uit K, media infarct rechts (20-08) waarna trombectomie, gecompliceerd
met SAB en hematoom rechter hemisfeer.
2. Tracheacanule na langdurige beademing
3. Forse decubitus wond stuit
4. MRSA verdenking
Beleid: SV M
- Opname lab
- Morgen wondvpk en logopedie icc
- Morgen canulewissel wegens niet passende canule op onze tussenstukken.
- Familie reeds vertrokken naar huis zonder te kunnen spreken, morgen nog FG met familie
plannen”.
3.4 Op 14 oktober 2024 werd tijdens een multidisciplinair overleg (MDO) besproken dat patiënte de volgende dag, na een canulewissel, van de IC naar de Medium Care (MC) zou gaan. Patiënte werd hier multidisciplinair behandeld vanwege haar problematiek.
3.5 Tijdens een familiegesprek op 17 oktober 2024 werd besproken dat patiënte een nog lange weg te gaan had om te herstellen/verbeteren. Zolang ze een gecuffte[1] canule had, bleef ze op de MC. Na een eventuele decanulatie zou ze worden ontslagen naar de afdeling neurologie.
[1] Een opgeblazen ballonnetje dat ertoe diende het deel van de luchtpijp af te sluiten dat zich boven de tracheacanule bevindt.
3.6 Op 22 oktober 2024 werd op het MDO van de IC en de MC besproken dat het
ontcuffen goed ging, en dat ze probeerden de cuff 24 uur ontlucht te laten. Als dat
goed zou verlopen, kon de canule de volgende dag worden verwijderd. Op 23 oktober
2024 werd geprobeerd om de canule te verwijderen. In het dossier van patiënte staat:
“Poging tot verwijderen canule osv [naam arts]. Bij verwijderen ontwikkelde pte een
stridor en desatureerde zij tot 50%. Hierop werd een NRM met 15L O2 gegeven waarop
de saturatie herstelde en werd besloten om een nieuwe canule te plaatsen (maat 6).
Vooraf aan herplaatsen canule is door dr [RTG: de anesthesioloog] nog middels scopie
de trachea beoordeeld. In de trachea zit uitgebreid granulatieweefsel (..).” De anesthesioloog overlegde met de afdeling KNO. Geadviseerd werd te starten met
dexamethason en vernevelingen met corticosteroïden, en patiënte enkele dagen later
te herbeoordelen. Op 24 oktober 2024 was er een familiegesprek, waarin onder meer
de gang van zaken rondom de canulewissel werd besproken. Uitgelegd werd dat rondom
de tracheacanule ontstekingsweefsel is ontstaan waarvoor patiënte nu wordt behandeld
met ontstekingsremmers. Helaas kenden deze ontstekingsremmers ook weer complicaties
maar waren er geen alternatieve behandelingen. Door de ontstekingsremmers ontregelde
de glucosewaarde. Patiënte kreeg hiervoor een insulinepomp. Op 25 oktober 2024 werd
er een tweede scopie verricht. Hierop was te zien dat het granuloom (ontstekingsweefsel)
leek te slinken.
3.7 Op 28 oktober 2024 werd opnieuw een scopie verricht. In het dossier staat hierover:
“Nieuwe scopie: zwelling afgenomen. Ook klinisch meer ruimte rondom canule. Besloten
tot decanulatie, gaat goed.” Tijdens een MDO diezelfde dag werd besloten dat patiënte na de verwijdering nog
één dag ter observatie zou blijven en dan naar de afdeling neurologie zou gaan voor
verder herstel. In de overdracht aan de afdeling neurologie stond het beloop van de
opname tot dan toe beschreven. Patiënte had nog ongeveer eenmaal per dienst een uitzuigbehoefte
nu haar hoest- en slikfunctie nog beperkt was.
3.8 Op 29 oktober 2024 werd patiënte opgenomen op de afdeling neurologie met
volledige verlamming van de linkerzijde, een spraak- en slikstoornis (waarvoor zij
sondevoeding kreeg), ICU acquired weakness (IC-verworven spierzwakte), dagelijkse
uitzuigbehoefte en een decubituswond. Op 30 oktober 2024 besprak een zaalarts de situatie
van patiënte met de afdeling IC. Patiënte kon het slijm niet goed ophoesten en werd
op dat moment drie keer per dag uitgezogen. Er werd geen verdere neurologische verbetering
verwacht. In overleg met een intensivist werd besloten dat er geen indicatie was voor
terugplaatsing op de afdeling IC. Op 1 november 2024 was er een familiegesprek over
patiënte waarbij onder meer een zaalarts aanwezig was en de kwetsbare positie van
patiënte werd besproken.
3.9 Patiënte startte op 2 november 2024 met antibiotica vanwege een longontsteking.
Zij had onvoldoende kracht om op te hoesten en mocht zo nodig bij behoefte uitgezogen
worden.
3.10 Op 4 november 2024 werd een van de specialisten van de IC (een anesthesioloog)
in de beoordeling betrokken. In het medisch dossier staat:
“Conclusie: Bijgevraagd omdat familie achteruitgang bij patient detecteert. Vraag
van consult is wat de bijdrage van de IC/MC kan zijn.
Sinds MC-ontslag:
- regelmatig diep uitzuigen door IC.
- desondanks pneumonie ontwikkeld.
- niet revalideerbaar, geen verder herstel gezien in week na ontslag.
Bij beoordeling:
- reutelende ademhaling, geen teken van stridor.
- rustige ademfrequentie
- helder en wakker, spreekt. Merkt zelf ook geen verbetering, vindt het uitzuigen
verschrikkelijk.
- niet anders dan op de IC/MC qua functionaliteit.
Besproken met neurologie dat:
- gezien geen revalideerbaarheid, is IC/MC opname in de toekomst onwenselijk. Er is
geen verdere vooruitgang, en dus geen overbrugbaar probleem. Patiente is te zwak om
haar longen zelfstandig sputumvrij te houden, waardoor constant pneumonie-gevaar is.
- uitzuigen is gebleken dat het niet helpt om een pneumonie te voorkomen, daarom is
het geen zinnige handeling. Daarbij heeft het wel veel ziekte lasten.
- als ik een en ander in een familiegesprek moet uitleggen, doe ik dat graag.
Beleid: Geen IC/MC-opname, niet reanimeren.
Niet meer uitzuigen.
Dit alles in het kader van geen nuttige handelingen bij een patiente met uitgebreide
hersenschade.”
3.11 Een neuroloog had op 4 november 2024 een familiegesprek met de zoon en dochter van patiënte. Besproken werd de onvrede van de familie over de zorg op de afdeling neurologie. De familie gaf aan dat patiënte alleen maar zieker was geworden. Door de neuroloog werd uitleg gegeven en werden vragen beantwoord.
Patiënte had pijnklachten die haar verdere mobilisatie verhinderden en het pijnteam was betrokken in de behandeling van de pijn. Deze neuroloog legde het belang uit van het toedienen van pijnmedicatie, echter de familie wilde niet dat er morfine(-achtige) middelen gestart werden. De dochter wenste een spoedovername naar N, de betreffende neuroloog vertelde dat er overleg was geweest met N die patiënte niet over wilde nemen maar wel een papieren second opinion wilden verrichten. Besproken werd dat de kans reëel aanwezig was dat patiënte niet verder zou herstellen en mogelijk verder zou verslechteren. Tevens werden mogelijke complicaties besproken.
3.12 Op 8 november 2024 werd, na een MRI (voor uitsluiten van een botinfectie in het bekken) gestart met een vacuümpomp op de slecht helende wond op het stuitbeen. De familie gaf toestemming voor het gebruik van fentanyl als pijnstiller rondom het plaatsen en verwisselen van de pomp. Omdat patiënte nog steeds pijn aangaf werd de pijnmedicatie (o.a. pregabaline) verder opgehoogd (na overleg met de familie). Hierbij werd nogmaals de reële kans op verslechtering besproken. Op 12 november 2024 spraken onder meer een zaalarts en een neuroloog met de familie. Tijdens dit gesprek kwam het doel van de behandeling ter sprake, namelijk het voor patiënte nastreven van een zo goed mogelijke kwaliteit van leven. De pijn leek iets beter dragelijk te zijn na ophoging van de pregabaline. De decubituswond moest eerst genezen omdat deze anders ernstige infecties kon geven. De familie van patiënte had de wens voor meer fysiotherapie maar dat was lastig in combinatie met de vacuümpomp, waardoor patiënte alleen op haar linker- of rechterzij kon liggen. In overleg met een fysiotherapeut zou gekeken worden of het mogelijk was toch dagelijks met patiënte te oefenen. De familie gaf opnieuw aan graag te zien dat patiënte weer terugging naar de MC of werd overgeplaatst naar N. Door een neuroloog werd uitgelegd dat beide opties reeds uitvoerig besproken waren en er geen indicatie was voor terugplaatsing of overname.
3.13 Tijdens de visite van een zaalarts op 14 november 2024 bleek dat de gezondheidstoestand
van patiënte verslechterde. Op een longfoto werden aanwijzingen voor een longontsteking
gezien. De IC werd gevraagd patiënte te beoordelen. De IC noteerde in het medisch
dossier:
“77-jarige vrouw met in de voorgeschiedenis hypertensie, DM2, astma, atriumfibrilleren,
AVNRT, nu langdurig opname bij de neurologie Hemiparalyse links. Facialis parese,
dysartrose en slikproblemen. Tevens ICU aquired weakness, nu consult ivm
1. opnieuw verhoogde ademarbeid en dyspneu klachten met toename zuurstofbehoefte,
meest verdacht voor (aspiratie) pneunomie
14-11-2024 aspiratiepneunomie
Reeds eerder besproken no return beleid naar MC/IC gezien neurologische beeld zie
notitie van [RTG: de anesthesioloog] op 4-11
advies aan hoofdbehandelaar
- X-thorax
- lab BB, KNUK, CRP
- mogelijk nog een keer uitzuigen naar IC
- morfine 2,5 ms sc ter comfort
- advies met familie bespreken over hoe verder”
3.14 Op 14 november 2024 was tevens een gesprek tussen een neuroloog met de dochter
en twee zoons van patiënte. In het dossier werd, samenvattend, genoteerd:
“Familie verhaal laten doen. Ze willen dat pte nu naar N of anders MC gaat. Noemen
dat wij haar ziek gemaakt hebben. In K konden ze de longen wel schoon houden. En dat
wij niet luisteren naar de wens van patiënt.
Benoemd dat pte erg ziek is, zoals overdag besproken nu longontsteking bijgekomen.
Doel is haar zo comfortabel mogelijk te laten zijn. Overplaatsing naar N of MC zien
we niet van toegevoegde waarde en gaan we ook vanavond/vannacht niet doen. Voor morgen
staan gesprekken gepland om dit nader toe te lichten. Dochter bezorgd dat ze geen
24/7 toezicht en 1-op-1 verpleging heeft. Uitleg over huidige controles incl tussendoor
binnenlopen. Dochter noemt geen gerust gevoel te hebben. Erkend dat pte erg ziek is.
Gevraagd of familie blijft slapen, dat willen/kunnen ze niet. Willen wel gebeld worden
bij achteruitgang. Benoemd dat voor nu stabiel lijkt maar dat ze hieraan kan komen
te overlijden. Dit is helaas voor ons geen onbekend beloop na een herseninfarct. 1
zoon lijkt dit goed te begrijpen, dochter geeft aan ‘dat een zh toch is om je beter
te maken’. Gevraagd om de vpk dan ook hun werk te laten doen, zoals controles en evt
uitzuigen.”
3.15 Op 15 november 2024 ontving het ziekenhuis de papieren second opinion (gedateerd 12 november 2024) van N. Op deze dag was er wederom een familiegesprek met de dochter, schoondochter, intensivist, verpleegkundige en verweerster. Tijdens dit gesprek werd besproken dat N geen indicatie zag patiënte over te nemen, kreeg de familie uitleg waarom patiënte niet naar de IC/MC werd overgeplaatst en waarom er geen nieuwe canule werd geplaatst. Dit was omdat dit geen medisch zinvolle handeling was en het probleem zou terugkeren zodra de canule weer werd verwijderd. Ook werd door de intensivist aangegeven dat de IC/MC niet meer zou komen uitzuigen. De artsen vertelden dat het feit dat patiënte steeds zieker werd kwam door de neurologische schade die patiënte had opgelopen en alle gevolgen daarvan (o.a. slikken, bedlegerigheid, longontsteking). De familie vroeg nu om overplaatsing naar O. In samenspraak met de familie werd een communicatieplan opgesteld voor het contact met de naasten en de hulpverleners.
3.16 Op 15 november 2024 werd overlegd met een neuroloog van O. Deze neuroloog
zag geen indicatie om patiënte over te nemen. Ook in O zou patiënte niet naar de IC/MC
gaan en zou zij dezelfde behandeling krijgen als in het ziekenhuis waar patiënte verbleef.
3.17 Op 16 november 2024 was er weer een familiegesprek, waaraan onder andere
verweerster deelnam. In het verslag van dit gesprek staat genoteerd:
“Concluderend doen wij dus alles binnen onze medische macht wat we kunnen, terug naar
de MC en IC en een tracheacanule en uitzuigen horen hier niet bij, dit verlengt alleen
maar haar lijdensweg en lost de longontsteking niet op, want de hoestkracht en kracht
om dit op te lossen heeft ze niet. Familie zegt dat ze dit begrijpen maar willen nog
steeds dat ze uitgezogen wordt. Als IC hier wordt geweigerd omdat het medisch niet
zinnige zorg is. Vragen zich af waarom dit eerder wel is gedaan ,uitleg dat het toen
was om het probleem te overbruggen en ook op wens van familie maar dit probleem niet
meer te overbruggen is.” Verder werd tijdens dit gesprek besproken dat met patiënte haar neurologische ziektebeeld,
met een canule leven geen optie was en dat uit coulance naar de familie en patiënte
toe vanuit de IC de zorg werd geboden om uit te zuigen. Nu dit te frequent moest gebeuren
en er niets mee opgelost werd en patiënte bovendien pijn had als het gebeurde, is
besloten hiermee te stoppen. De familie eiste dat patiënte terugging naar de MC om
een canule te krijgen, maar de artsen legden uit dat dit de maximale behandeling was
die zij patiënte konden geven.
3.18 In overleg met de familie werd op 16 november 2024 besloten tot andere antibiotica en het incidenteel toedienen van morfine, om het patiënte comfortabel te kunnen maken en de prikkel van benauwdheid weg te nemen.
3.19 Tijdens de visite van 17 november 2024 sprak een neuroloog samen met verweerster met de familie. Patiënte ging achteruit, en reageerde niet meer op aanspreken. Het beleid werd gericht op comfort en er werden geen formele controles meer uitgevoerd. Ook het vernevelen werd stopgezet.
3.20 Op 19 november 2024 had een neuroloog een gesprek met de familie, in bijzijn van verweerster. Hier werd onder andere gesproken over het comfort van patiënte, het palliatieve team zag geen mogelijkheid voor andere acties. Verder werd gesproken over het aantal bezoekers dat patiënte per keer mocht bezoeken.
3.21 Tijdens de daaropvolgende dagen verslechterde de situatie van patiënte. Patiënte overleed op 21 november 2024.
4. De klacht en de reactie van de anios
4.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij:
- haar beloftes niet nakwam, zoals terugplaatsing van patiënte naar de IC/MC-afdeling en het doen van actieve oefeningen;
- patiënte niet serieus heeft genomen.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Op
hetgeen verweerster heeft aangevoerd wordt hieronder, voor zover van belang, nader
ingegaan.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Het college stelt voorop dat het heel triest is dat klaagster haar moeder
heeft verloren. Duidelijk is dat zij daar nog dagelijks verdriet en gemis van ondervindt.
Zonder hier afbreuk aan te willen doen, moet het college op een zakelijke manier beoordelen
of verweerster binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
5.2 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.3 Het college stelt op basis van het medisch dossier vast dat verweerster vanaf
30 oktober tot en met 8 november 2024 als zaalarts betrokken was bij de zorg van patiënte
op de afdeling neurologie. Ook was verweerster op 16 en 17 november 2024 bij de zorg
aan patiënte betrokken. Verweerster zag patiënte dagelijks in de periode 11 tot en
met 15 en 18 tot en met 21 november 2024.
5.4 Verweerster stond sinds januari 2024 geregistreerd als arts en was per februari
2024 werkzaam als arts niet in opleiding tot (medisch) specialist (anios) op de afdeling
neurologie van het ziekenhuis.
5.5 Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hieronder nader toelichten.
Klachtonderdelen a) en b) valse beloftes en patiënte niet serieus nemen
5.6 Klaagster stelt dat verweerster had beloofd patiënte terug te plaatsen naar de afdeling IC/MC en dat er actief oefeningen zouden worden gedaan, maar dat deze beloftes niet werden nagekomen en patiënte niet serieus werd genomen.
5.7 Op grond van het medisch dossier van patiënte stelt het college vast dat meerdere
keren met klaagster en haar familie is gesproken over de wens van de familie om patiënte
terug te plaatsen naar de IC/MC. Daaruit blijkt dat tegen de familie telkens is gezegd
dat overplaatsing naar de IC/MC geen optie was. Dit onderwerp kwam ook aan bod bij
een gesprek op 16 november 2024, waar verweerster bij aanwezig was. Uit het dossier
blijkt eveneens dat toen wederom tegen de familie is gezegd dat overplaatsing geen
optie was, omdat dit patiënte haar lijdensweg verlengde en de longontsteking niet
oploste. De stelling van klaagster dat verweerster op dit punt valse beloftes heeft
gedaan, volgt het college dan ook niet. Verder blijkt uit het medisch dossier dat
er meerdere specialisaties bij de zorg aan patiënte betrokken waren, en patiënte onder
meer fysiotherapie, ergotherapie en logopedie kreeg. Dat verweerster met het plan
kwam om patiënte alles te gaan leren zodat ze snel naar een revalidatiecentrum kon
en vervolgens naar huis, zoals door klaagster is gesteld, volgt nadrukkelijk niet
uit het medisch dossier. Wel heeft het college er begrip voor dat bij de familie van
patiënte deze wens bestond. Dat maakt echter niet dat patiënte door verweerster niet
serieus is genomen. Er zitten grote discrepanties tussen de beleving van klaagster
en verweerster over wat er beloofd en besproken zou zijn. Het college overweegt dat
in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid van het medisch dossier, tenzij er concrete
aanknopingspunten zijn die duiden op het tegendeel. Van dergelijke aanknopingspunten
is in dit geval niet gebleken. Het college heeft dan ook geen reden om te twijfelen
aan de inhoud van het medisch dossier. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen aan
de zijde van verweerster is geen sprake.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 9 januari 2026 door M.J.C. Dijkstra, voorzitter, D.G. Snijdelaar en M. Beudel, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.