ECLI:NL:TGZRZWO:2026:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9240
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:68 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-05-2026 |
| Datum publicatie: | 11-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/9240 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verzekeringsarts kennelijk ongegrond. Klaagster was bij een ongeval betrokken. De schadebehandelaar van de verzekeraar vroeg aan de verzekeringsarts of hij iets kon zeggen over het percentage blijvende invaliditeit, waarop de verzekeringsarts een medisch advies heeft uitgebracht. Klaagster verwijt de verzekeringsarts, samengevat, dat hij een onzorgvuldig advies heeft gegeven. Het college oordeelt dat het onderzoek door de verzekeringsarts vakkundig en zorgvuldig is uitgevoerd en conform de algemeen aanvaarde werkwijze in de verzekeringsbranche. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 11 mei 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
verzekeringsarts,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. Y.R. Koorevaar.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster was bij een ongeval betrokken. De schadebehandelaar van de verzekeraar
vroeg aan de verzekeringsarts of hij iets kon zeggen over het percentage blijvende
invaliditeit, waarop de verzekeringsarts een medisch advies heeft uitgebracht. Klaagster
verwijt de verzekeringsarts, samengevat, dat hij een onzorgvuldig advies heeft gegeven.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, op 11 november 2025 binnengekomen bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam en op 25 november 2025 ontvangen door bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle;
- aanvullende bewijsstukken van klaagster, te weten het medisch advies van 27 maart 2025, ontvangen per e-mail op 12 december 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 januari 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 20 maart 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster was op 20 juli 2023 betrokken bij een verkeersongeval. Klaagster
heeft multiple sclerose (MS) en zij werd, terwijl ze reed op haar driewielfiets, aangereden
door een auto die door rood reed. Klaagster kwam terecht op de SEH en had pijnklachten,
waaronder veel pijn in haar linkerbeen/linkerheup en lies. De orthopedisch chirurg
constateerde een scheur in het labrum van haar linkerheupgewricht.
3.2 Met de verzekeraar van de automobilist werd de schade op de WA-polis afgewikkeld.
In september 2023 werd een traplift bij klaagster geplaatst op indicatie van de Wet
Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Hiervoor werd mede de fietsverzekering van klaagster
aangesproken. Klaagster had een fietsverzekering met ongevallendekking bij Unigarant
(hierna: de verzekering) met een verzekerd bedrag van € 10.000,--. De schadebehandelaar
van de verzekering vroeg aan de verzekeringsarts of hij iets kon zeggen over het percentage
blijvende invaliditeit (BI).
3.3 De vraagstelling van deze schadebehandelaar was als volgt (alle citaten
letterlijk weergegeven):
“Fiets, VB is € 10.000,-. Mevrouw van 63, op 20-7-2023 kreeg ze geen voorrang van een
auto die vermoedelijk hard door rood is gereden. Mevrouw heeft MS en heeft daarvoor
een driewielfiets. Mevrouw is eerder 2 keer geopereerd aan een hernia. Door het ongeval
aanhoudende pijn in linker heup. Haar been zat vast tussen de fiets en de auto. Er
zit een scheur in haar linkerheupgewricht labrum. Daarnaast rugpijn, hoofdpijn en
nekpijn. Ze zakt vanuit haar heup door haar been heen en komt er angst bij. Er is
een optie om geprikt te worden onder narcose. Dit zou minder pijn en irritatie geven.
Mevrouw durft dit alleen niet aan i.v.m. MS, het is niet duidelijk wat voor uitwerking
het daarop gaat hebben. Mevrouw kan geen lange stukken meer fietsen. Ze voelt het
aankomen als het pijnlijk wordt en gaat dan zitten of anders bewegen met de stok.
Er speelt veel, is er iets over het % BI te zeggen?”
Indien mogelijk ontvang ik graag de uitkomst schriftelijk. Mocht er meer informatie
nodig zijn verneem ik dit graag.”
3.4 De verzekeringsarts reageerde als volgt in zijn advies van 27 maart 2025:
Samenvatting (medische) stukken: Diagnose/overweging/advies:
“Betrokkene heeft pre-existant MS en kan naar ik van u vernomen heb moeilijk lopen
(heeft een driewielfiets). BI van de diagnose is plus minus 20%
Maar MS zal ook andere locaties aandoen. Armen geven mogelijk ook nog wel 20%
Daarnaast heeft betrokkene 2 hernia’s dit geeft mogelijk 5% (hernia is 7% maar ik
ken de restverschijnselen niet)
Een labrumscheur van de heup is reparabel, maar met MS breng je mensen niet graag
onder narcose omdat de MS kan verergeren.
(…)
Een dergelijke scheur geeft 2% of 3% been en dat is beiden 1% BI mens.
Rug- hoofd en nekpijn die niet het gevolg zijn van anatomische veranderingen geven
geen BI.
De bovenkant van de BI is dan 1% mens, maar door de voorgeschiedenis hooguit nog
(100-20-20-5) een half procent mens afgerond.
Met de 1% is de BI dan wel bepaald op basis van wat ik nu weet, niet op basis van
medisch verkregen informatie.”
3.5 Klaagster diende vervolgens een klacht in bij de verzekeraar over de wijze
van totstandkoming van het medisch advies. Na deze klacht werd een herbeoordeling
voorgesteld op basis van het complete medisch dossier over het voorval en de relevante
pre-existente gezondheidsstituatie van klaagster. Een collega van de verzekeringsarts
heeft de (uitvoerige) medische vervolgroute opgepakt. Klaagster diende vervolgens
deze tuchtklacht in.
4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
4.1 Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij:
- een onzorgvuldig medisch advies heeft uitgebracht, zonder dit te baseren op medische stukken, en enkel op basis van telefonische informatie van de schadebehandelaar en zonder te kijken naar de gevolgen van de aanrijding;
- in zijn advies ten onrechte heeft opgenomen dat de MS ook andere locaties zal gaan
aandoen, er sprake is van twee hernia’s en dat je mensen met MS niet graag onder narcose
brengt omdat de MS dan kan verergeren.
4.2 De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
Hij heeft conform de algemeen aanvaarde werkwijze in de verzekeringsbranche gehandeld
en na de klacht van klaagster heeft een herbeoordeling op basis van het complete medisch
dossier over het voorval en de relevante pre-existante gezondheidssituatie van klaagster
plaatsgevonden door een collega van de verzekeringsarts.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de verzekeringsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders
had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder
geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn
voor hun eigen handelen.
5.2 Bij de beoordeling stelt het college het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg moet een rapport van een medisch adviseur aan de volgende eisen voldoen:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur.
5.3 Het college toetst daarbij inhoudelijk of het onderzoek door de medisch
adviseur voldoende vakkundig en zorgvuldig is uitgevoerd. Met betrekking tot de conclusie
van de rapportage beoordeelt het college of de medisch adviseur in redelijkheid tot
zijn conclusie heeft kunnen komen.
5.4 Bij de beoordeling van de klacht is verder van belang dat een medisch advies
in juridische zin moet worden onderscheiden van een medische expertise (of keuring),
zoals bedoeld in artikel 7:446 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. Het medisch advies
is een (in principe intern) advies aan één van de partijen, die betrokken zijn bij
de afwikkeling van de schade na het ongeval. De gezondheidstoestand van klaagster
is weliswaar onderwerp van het advies ten aanzien van de vraag of er letsel is dat
in een causaal verband staat met het ongeval, maar de gang van zaken betreft een ‘papieren
exercitie’ buiten betrokkenheid van klaagster en is niet op één lijn te stellen met
een medische keuring.
5.5 De partij die in dit geval een beoordeling wenste van de schade als gevolg
van het ongeval was de verzekeraar. Aan de verzekeringsarts is door de schadebehandelaar
de vraag voorgelegd om aan de hand van de informatie in de vraagstelling een beoordeling
te geven van het percentage BI. In de polisvoorwaarden is bepaald hoe verschillende
lichaamsdelen een bepaald percentage van de verzekerde som vertegenwoordigen. De vertaalslag
van het ongevalsletsel in een percentage BI gebeurt door de medisch adviseur. Uiteindelijk
stelt de schadebehandelaar de uitkering vast. Dit is dan een percentage van het verzekerde
bedrag dat maximaal aan het verlies van het getroffen lichaamsdeel kan worden toegerekend.
De regie in dit proces blijft liggen bij de schadebehandelaar en met het indicatieve
advies van de verzekeringsarts kan de schadebehandelaar een financiële afweging gaan
maken over de afhandeling van de schade. Als een pragmatische regeling waarin beide
partijen zich kunnen vinden niet mogelijk blijkt, kan alsnog een medisch traject worden
opgestart. Dat is in dit geval uiteindelijk ook gebeurd door een collega van de verzekeringsarts.
Van toepassing zijn de Beroepscode voor Medisch Adviseurs van de GAV (Geneeskundig
Adviseurs Verzekeringszaken) en de Medische Paragraaf van de GBL (Gedragscode Behandeling
Letselschade).
5.6 Met inachtneming van het voorgaande zal het college de klacht beoordelen.
Is het advies zorgvuldig tot stand gekomen?
5.7 Het college zal de klachtonderdelen gezamenlijk behandelen nu deze er, samengevat, op neerkomen dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen.
5.8 In dit geval heeft de schadebehandelaar de verzekeringsarts geïnformeerd
over de toedracht van het ongeval, medische aandoeningen, de klachten en ervaren beperkingen.
Zo heeft de schadebehandelaar onder andere de scheur in het linkerheupgewricht (labrum)
beschreven. In dit geval is het labrumletsel te beschouwen als direct letsel ten gevolge
van het ongeval waar het in de claim in de ongevalsverzekerings om gaat. In zijn algemeenheid
heeft de verzekeringsarts beschreven dat een labrumscheur van de heup reparabel is,
maar dat een operatie bij MS vaak niet wenselijk is. De verzekeringsarts zegt hiermee
niets over de specifieke situatie van klaagster en bovendien komt deze informatie
deels uit de vraagstelling, afkomstig van de schadebehandelaar. De beschrijving van
de verzekeringsarts dat ‘de MS mogelijk ook andere locaties zal aandoen’, acht het
college wat ongelukkig, omdat klaagster stelt dat de MS al jaren stabiel was. Echter,
doordat de verzekeringsarts in het advies de nodige terughoudendheid betracht met
formuleringen als ‘plus minus’ en ‘mogelijk’ en door aan te geven dat hij de restverschijnselen
na de doorgemaakte hernia’s niet kent, maakt de verzekeringsarts voldoende duidelijk
dat de genoemde percentages indicatief zijn. Het college acht de beschrijving dan
ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verder heeft de verzekeringsarts in zijn advies
expliciet benadrukt dat de BI is bepaald op basis van wat hij nu weet, niet op basis
van medisch verkregen informatie.
5.9 Het onderzoek door de medisch adviseur is naar het oordeel van het college gelet op het voorgaande vakkundig en zorgvuldig uitgevoerd, en conform de algemeen aanvaarde werkwijze in de verzekeringsbranche. De verzekeringsarts heeft als medisch adviseur in redelijkheid tot zijn conclusie (namelijk 1% BI) kunnen komen. De klacht is, gelet op het voorgaande, kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is. Het rapport van de verzekeringsarts voldoet in alle opzichten aan de eisen die daarvoor gelden.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 11 mei 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, H.A.M. Veneman en M.L.A. Kleinjan-Lüschen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.