ECLI:NL:TGZRZWO:2026:57 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8339

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:57
Datum uitspraak: 10-04-2026
Datum publicatie: 10-04-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8339
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen bedrijfsarts. De bedrijfsarts was betrokken bij klager in het kader van zijn verzuimbegeleiding. Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij zijn begeleiding, vooringenomen was en zijn recht op een second opinion onvoldoende heeft gefaciliteerd. Niet gebleken is dat de bedrijfsarts niet onafhankelijk handelde en/of vooringenomen was. De bedrijfsarts heeft zorgvuldig gehandeld, adequaat onderzoek gedaan en desgevraagd het verzoek tot second opinion gehonoreerd toen dit aan de orde was.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 10 april 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

gemachtigde: mr. R.M. van der Horn werkzaam in Groningen,

tegen

C,

bedrijfsarts,

werkzaam in D,

verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts,

gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
 

1.1     De bedrijfsarts was betrokken bij klager in het kader van zijn verzuimbegeleiding. Volgens de bedrijfsarts had klager benutbare mogelijkheden en kon hij zijn werk (gedeeltelijk) hervatten.
 

1.2     Klager verwijt de bedrijfsarts, samengevat, dat hij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij zijn begeleiding, vooringenomen was en zijn recht op een second opinion onvoldoende heeft gefaciliteerd.
 

1.3     Het college komt tot het oordeel dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
 

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift, ontvangen op 28 maart 2025;
  • de brief van de secretaris van 28 april 2025, met het verzoek het klaagschrift te ondertekenen en de klacht aan te vullen;
  • aanvullende bewijsstukken van klager, per e-mail ontvangen op 20 mei 2025;
  • de brief van de secretaris van 3 juni 2025, met het herhaalde verzoek het klaagschrift te ondertekenen en de periode waarover geklaagd wordt, te verduidelijken;
  • het aanvullende (en ondertekende) klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 juni 2025;
  • aanvullende bewijsstukken van klager, per e-mail ontvangen op 30 juli 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 september 2025;
  • de repliek van de gemachtigde van klager, ontvangen op 22 oktober 2025;
  • de dupliek, ontvangen op 27 november 2025;
  • de brief van de gemachtigde van klager, met de aankondiging E als getuige mee te nemen naar de zitting, per post ontvangen op 27 februari 2026.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2026. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klager heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
Ter zitting is op verzoek van klager E als getuige gehoord.
 

3. De feiten
 

3.1       Volgens de stukken in het dossier was de bedrijfsarts vanaf juni 2023 betrokken bij de verzuimbegeleiding van klager. Van juni 2023 tot juli 2025 heeft de bedrijfsarts klager veertien keer fysiek gezien en één keer telefonisch gesproken. Klager werkte in een callcenter. Op 26 juni 2023 zag de bedrijfsarts klager op het spreekuur. Klager had onder andere een klompvoet en daarnaast spanningsklachten. Klager meldde zich ziek met klachten in het persoonlijk functioneren; dit gaf hem fysieke klachten. De bedrijfsarts adviseerde klager op dat moment om halve dagen te gaan werken. Op 5 juli 2023 had klager telefonisch contact met de bedrijfsarts en vertelde hij dat hij een second opinion wilde. Zijn behandelaar vond, volgens klager, dat hij niet kon werken en was het niet eens met het advies van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts besprak met klager dat het in zijn ogen te vroeg was voor een second opinion, nu hij op basis van nieuwe medische informatie zijn mening en advies kon herzien. Het was belangrijker dat de bedrijfsarts de medische informatie zou ontvangen en eerst op korte termijn contact legde met klagers behandelaar, voordat dit middel ingezet zou worden. Klager stemde hiermee in. Tijdens het spreekuur bij de bedrijfsarts op 15 augustus 2023 vanwege een nieuwe ziekmelding werd weer het verzoek van de second opinion besproken; de bedrijfsarts wilde daar wel aan meewerken, maar het was nu niet meer van toepassing. De bedrijfsarts stond open voor informatie van de behandelaar. Besproken werd dat klager verder kon. Het advies was om opnieuw op te starten en geleidelijk de taken en uren weer op te bouwen.

3.2       Klager kwam op 15 april 2024 weer bij de bedrijfsarts op het spreekuur. Hij was op dat moment drie weken thuis vanwege pijn in de wreef/enkel van zijn linkervoet. Hij had sinds zes maanden nieuwe (orthopedische) schoenen, maar sinds enkele weken plotseling toename van de pijnklachten. De bedrijfsarts verrichtte lichamelijk onderzoek en concludeerde dat de beweeglijkheid van de enkel en voet beperkt was. De volgende dag zou klager naar zijn behandelaar gaan voor verder advies over de behandeling. Tot er meer bekend was, adviseerde de bedrijfsarts rekening te houden met de beperkte mobiliteit van klager. Met dergelijke forse beperkingen was het niet haalbaar om zonder hulp van huis naar het werk te komen. De bedrijfsarts zou ook informatie opvragen bij de behandelaar.

3.3       Op 27 augustus 2024 kwam klager weer naar de bedrijfsarts voor een fysiek consult. Klager was bij de revalidatiearts geweest, maar die kon volgens klager de pijn niet verklaren en stuurde hem door naar de orthopeed. De bedrijfsarts sprak met klager over het reizen; klager ging dagelijks naar F naar een vriend. Deze vriend was mee naar het consult. Ook ging klager af en toe naar zijn moeder in G, dit had de werkgever ontdekt omdat klager met zijn werk OV-kaart reisde. Klager was boos dat zijn salaris hierdoor gekort was. De bedrijfsarts besprak met klager dat als hij privé kon reizen, hij dan ook naar zijn werk kon komen. Verder besprak de bedrijfsarts dat klager op basis van de huidige gegevens benutbare mogelijkheden had en in staat werd geacht zijn (zittende) werk te kunnen doen, in ieder geval voor een deel van de dag. Uiteindelijk vertelde klager dat hij stress kreeg van het werk, hij voelde zich onder spanning gezet. In het nagesprek met klager, zijn vriend en de werkgever, kwam naar boven dat klager moeite had met enkele zaken in het werk. Klager zou deze op een rij zetten en met zijn werkgever bespreken. Dit stond los van het medisch advies over de werkmogelijkheden en wijzigde dit niet, aldus de bedrijfsarts.

3.4       Klager bezocht op 15 oktober 2024 weer het spreekuur van de bedrijfsarts. Hij had op dat moment twee begeleiders mee, allebei maatschappelijk werkers. Zij begeleidden klager in zijn agressiebeheerstraject. Klager had nog steeds pijn in zijn voet, maar de revalidatiearts kon op de foto geen afwijkingen vinden. Wel was er op de botscan activiteit in de enkel waarvoor klager was doorverwezen naar de chirurg. Klager was met de trein op het werk gekomen en ging nog steeds regelmatig met de bus naar F en met de trein naar H/G. De bedrijfsarts besprak met klager dat het mogelijk was om van huis naar kantoor te reizen. Wat er qua belemmering overbleef voor het werk, was de manier hoe klager zich behandeld voelde bij de werkgever. Hierover zou het gesprek aangegaan worden. Het advies over de belastbaarheid bleef ongewijzigd. De bedrijfsarts adviseerde de werkgebonden problemen op korte termijn te bespreken en de re-integratie nog niet op te pakken, maar op korte termijn te bespreken hoe dit op te starten.

3.5       Klager werd opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 18 november 2024 voor het opstellen van een inzetbaarheidsprofiel (IZP). De werkproblemen waren opgelost. Klager vertelde dat hij heel moeilijk van de trein naar kantoor kon lopen, dit was ongeveer 500 meter. Maar hij ging nog vaak naar zijn vriend in F met het openbaar vervoer. De bedrijfsarts noteerde de volgende beperkingen:

  • Lang en ver lopen (maar voldoende om OV te kunnen gebruiken);
  • Lang staan;
  • Hardlopen;
  • Veel traplopen of op ladders actief zijn;
  • Concentratie en aandacht: oxycodon;
  • Omgaan met drukte en prikkels: oxycodon;
  • Omgaan met agressie: omgaan met conflicten: kan conflicten niet afhandelen;
  • Omgaan met emoties? Boosheid neemt hij over van zijn omgeving;
  • Verwerkingsvermogen.

De bedrijfsarts concludeerde dat er benutbare mogelijkheden waren en een beperking voor inzet in werk, maar niet voor inzet in eigen werk. Eigen werk was gezien zijn beperkingen en de aard van het werk (zittend, bureauwerk, te woord staan van cliënten of potentiële cliënten) als passend te beschouwen. De bedrijfsarts adviseerde op te starten met 2x2 uur eigen werk op kantoor en na 5 december 2024 een nieuw spreekuur te plannen. Verder was het advies om per week te evalueren hoe het ging.

3.6       In januari 2025 fietste de bedrijfsarts van een cliënt naar huis en kwam hij klager lopend tegen op een ventweg in D. De bedrijfsarts herkende klager tijdens het langsfietsen en keerde terug om hem te complimenteren met zijn looppatroon. Klager bevestigde dat hij beter liep. Hij was op dat moment niet aan het werk. De bedrijfsarts gaf hem aan dat hij verwachtte dat het dan ook weer moest lukken naar het werk te komen en de re-integratie weer op te pakken.

3.7       Op 5 februari 2025 kwam klager weer op het spreekuur van de bedrijfsarts samen met zijn vriend. Hij had na het vorige spreekuur één keer geprobeerd te werken en was toen naar huis gegaan en niet meer terug gekomen vanwege de spanningen en stress. Klager vertelde dat de orthopeed hem had doorgestuurd voor een röntgengeleide prik in zijn voet. Die had hij de week ervoor gehad, maar klager merkte weinig resultaat. In het dossier noteerde de bedrijfsarts:
geeft aan dat toen ik hem zag hij aan het wandelen was met de hond van zijn compaan. Toen ik hem zag liep hij goed in een symetrisch patroon en goede snelheid. Op zich geen reden voor arbeidsongeschiktheid voor zijn werk bij [RTG: naam werkgever].” Klager vertelde verder over het conflict met de werkgever. De bedrijfsarts adviseerde wederom het gesprek met de werkgever aan te gaan en als beiden zouden beslissen dat terugkeer gewenst was dan een plan te maken voor terugkeer en in zes weken op te bouwen. Op het moment van het spreekuur had klager geen vragen voor een second opinion bedrijfsarts, deze hoefde volgens klager nu niet ingezet te worden. De bedrijfsarts noteerde dat het hem beter leek om deze second opinion achter de hand te houden als besloten werd dat klager terug zou moeten keren en hij daar problemen mee had. Als er geen basis was voor terugkeer, adviseerde de bedrijfsarts afspraken te maken hoe uit elkaar te gaan.

3.8       Klager bezocht de bedrijfsarts weer op 2 april 2025. Zowel de orthopeed als de revalidatiearts konden niets meer voor zijn enkel/voet doen, vertelde klager. De orthopeed dacht dat een arthodese ervoor kon zorgen dat hij van zijn pijn af kwam, maar dat wilde klager voorlopig niet. Het werk had hij weer opgebouwd tot 3x5 uur per week, het opbouwschema vond hij niet duidelijk. Klager wilde toch graag een second opinion omdat hij zich onvoldoende gehoord voelde door de bedrijfsarts en de werkgever. De bedrijfsarts gaf uitleg en zegde klager toe dit uit te zetten bij de landelijke pool second opinion artsen. De vraagstelling die klager opstuurde luidde: “[RTG: naam klager] wil graag serieus genomen worden met zijn klachten: zijn voet en mentale gezondheid. Er was een plan voor opbouw en daar houdt hij zich niet aan. Hij voelt zich niet gehoord door WG en BA.”
De second opinion bedrijfsarts adviseerde dat er sprake was van adequate dossiervorming en rapportage. Verder adviseerde hij klager met zijn werkgever en de bedrijfsarts zijn indruk te bespreken dat er niet objectief werd geadviseerd. Dit advies bereikte de bedrijfsarts pas in augustus 2025.

3.9       Klager zette zijn re-integratie voort en was bijna volledig aan het werk toen hij uitviel vanwege een bursitis in zijn knie na een harde val bij een fietsongeluk. De bedrijfsarts zag klager op 3 juni 2025 op het spreekuur en onderzocht zijn knie. Op 11 juli 2025 ging het beter met de knie van klager, maar had klager nog wel klachten aan zijn linkerenkel waarvoor hij was verwezen naar een specialist. De bedrijfsarts adviseerde klager de re-integratie weer op te pakken, met een aangepast opbouwschema.

4.    De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
 

4.1     Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij in de periode juni 2023 tot medio 2025 zijn beperkingen voor werk als gevolg van psychische en chronische klachten door een klompvoet en bijwerkingen van pijnstillende medicatie daarvoor onvoldoende serieus heeft genomen waardoor een arbeidsconflict is ontstaan dan wel verergerd. Meer in het bijzonder verwijt klager de bedrijfsarts:

  1. onvoldoende waarborgen van de onafhankelijkheid;
  2. vooringenomenheid/onprofessioneel handelen;
  3. te laat en gebrekkig faciliteren van een second opinion;
  4. onjuist medisch onderzoek en onjuiste beoordeling.

4.2     De bedrijfsarts heeft onder andere aangegeven dat hij klager en zijn klachten en beperkingen wel degelijk serieus heeft genomen en heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) Waarborgen onafhankelijkheid
5.2     Volgens klager heeft de bedrijfsarts verzuimd zijn onafhankelijkheid te waarborgen en de schijn van partijdigheid te vermijden. Dit doordat het spreekuur werd gehouden op locatie bij de werkgever, af en toe te laat begon en de bedrijfsarts daaraan voorafgaand sprak met de werkgever, die hij niet alleen zakelijk kende. De bedrijfsarts betwist dit. De spreekuren lopen soms uit, dit is voor hem een aandachtspunt. Het uitlopen wordt vaak veroorzaakt omdat de bedrijfsarts de tijd neemt in zijn spreekuren voor het voeren van een gesprek, als dat nodig is. Verder is het heel normaal dat het spreekuur op het bedrijf van de werkgever plaatsvindt en geeft dit geen schijn van partijdigheid. De bedrijfsarts heeft een aparte spreekkamer, die niet zichtbaar is vanaf de werkvloer. Ook is niet hoorbaar voor derden wat daar besproken wordt. De bedrijfsarts heeft periodiek overleg met de werkgever over ontwikkelingen bij de werkgever en in de branche en ontwikkelingen op bedrijfsgeneeskundig gebied. Het overleg met de directeur/eigenaar leidt evenmin tot partijdigheid. De directeur/eigenaar kent de bedrijfsarts alleen zakelijk. Hij kent haar pas sinds hij als bedrijfsarts voor het bedrijf werkzaam is en heeft en had geen privécontacten met haar. Het college kan op basis van het bovenstaande niet vaststellen dat de bedrijfsarts zijn onafhankelijkheid niet zou hebben gewaarborgd of de schijn van partijdigheid zou hebben gewekt. Het is gebruikelijk en voor alle partijen vaak praktisch om spreekuur op de locatie van de werkgever te houden. Dat de bedrijfsarts de werkgever privé zou kennen en zelfs op school met haar zou hebben gezeten, heeft klager niet aannemelijk gemaakt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel b) Vooringenomenheid/onprofessioneel handelen
5.3     De bedrijfsarts zou volgens klager en de getuige, toen hij hem toevallig op straat tegenkwam, gezegd hebben: “Dit is goed om te weten, je hebt me belazerd”. Daarna fietste de bedrijfsarts weg en pakte hij volgens de getuige tegelijkertijd zijn telefoon. Dit zou tussen december 2024 en 20 januari 2025 gebeurd zijn. De bedrijfsarts heeft aan deze toevallige observatie buiten het spreekuur vergaande conclusies verbonden. Daarnaast zijn er volgens klager aanwijzingen dat de bedrijfsarts deze conclusie en waarneming in januari 2025 al met de werkgever heeft gedeeld, zoals blijkt uit het WhatsApp gesprek van werkgever met werknemer van 22 januari 2025, vóórdat de bedrijfsarts dit met klager had besproken. Werkgever en de bedrijfsarts vonden klager voor de bewuste observatie al niet geloofwaardig en de bedrijfsarts zag het wandelen van klager op straat als bewijs daarvan, aldus klager. De bedrijfsarts stelt niet vooringenomen te zijn geweest en elke keer tijdens het spreekuur zijn visie te hebben heroverwogen. Verder was de getuige niet aanwezig bij de ontmoeting tussen klager en de bedrijfsarts. De bedrijfsarts schrijft dat klager alleen liep toen hij hem zag (er was geen getuige of iemand anders te zien), de bedrijfsarts heeft niet gezegd dat klager hem belazerd heeft en de bedrijfsarts heeft ook niemand daarna gebeld. Verder was de informatie die de bedrijfsarts verkreeg door klager te zien lopen, informatie die een completer beeld gaf over de benutbare mogelijkheden van klager. Die informatie kon hij niet negeren. Klager had een normaal looppatroon en wandeltempo. De bedrijfsarts heeft dit tijdens de ontmoeting op het moment zelf onmiddellijk besproken met klager, klager bevestigde dit en de bedrijfsarts besprak het later op het spreekuur van 5 februari 2025 nogmaals. Ook met de werkgever is hierover gesproken tijdens een regulier overleg in januari 2025. Het college heeft niet kunnen vaststellen wat er gedurende bovengenoemde toevallige ontmoeting op straat precies is gezegd. De getuige heeft op zitting verklaard daarvoor op een te grote afstand te zijn geweest maar wel op een afstand van circa 50 à 60 meter door een open autoraam de bedrijfsarts hebben horen zeggen: ”je verneukt de boel”. Voorts bevestigde de getuige dat hij klager een paar honderd meter heeft zien lopen. Dat de bedrijfsarts de informatie die hij gedurende deze toevallige ontmoeting heeft vergaard, heeft gebruikt bij zijn advisering acht het college niet onjuist, nu hij direct tijdens deze ontmoeting zijn bevindingen met klager besproken heeft. Verder heeft de bedrijfsarts zijn eerdere advies, namelijk dat klager benutbare mogelijkheden had, niet fundamenteel gewijzigd. Dat dit tijdens een regulier overleg met de werkgever aan de orde is gekomen, voordat de bedrijfsarts een formeel verzuimgesprek met klager had gehad, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het kan de bedrijfsarts niet verweten worden dat de werkgever klager vervolgens een Whatsapp-bericht heeft gestuurd. Uit deze gang van zaken kan niet worden opgemaakt dat de bedrijfsarts vooringenomen zou zijn en/of onprofessioneel gehandeld heeft en/of klager niet serieus heeft genomen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c) Faciliteren second opinion
5.4     Klager stelt primair dat de bedrijfsarts al veel eerder de second opinion in gang had moeten zetten, en er bovendien op toe had moeten zien dat de vraagstelling toereikend zou zijn. De second opinion had nu geen meerwaarde voor klager. De bedrijfsarts kwam er in eerste instantie op 5 juli 2023 in overleg met klager op uit dat het te vroeg was voor een second opinion en daarna, op 15 augustus 2023, was het niet meer van toepassing omdat een conflict met de werkgever was opgelost. In april 2025 kwam klager opnieuw met het verzoek om een second opinion en is dit traject in gang gezet. Klager heeft zelf de vraagstelling gemaakt. De uitkomst heeft de conclusie van de
bedrijfsarts niet veranderd. Wel erkent de bedrijfsarts dat het bij nader inzien beter was geweest klager te adviseren ook andere vraagstellingen mee te nemen en dat hij in het vervolg met werknemers minder discussie zal aangaan of een second opinion op dat moment het juiste middel is. Het college stelt vast dat de bedrijfsarts het verzoek om een second opinion niet heeft geweigerd, maar wel twee keer om begrijpelijke redenen niet (onmiddellijk) heeft gehonoreerd. De bedrijfsarts heeft ter zitting als reden waarom hij de vraagstelling niet heeft aangepast of aangevuld gegeven dat de second opinion was op verzoek van klager en dat hij niet beschuldigd wilde worden van beïnvloeding. Het college kan deze gedachtegang volgen. Hoewel het achteraf gezien wellicht beter was geweest als de bedrijfsarts klager iets meer had begeleid met het stellen van de vragen voor de second opinion, is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat hij dit heeft nagelaten. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d) Onjuist medisch onderzoek en onjuiste beoordeling
5.5     Klager betwist dat de bedrijfsarts zelf lichamelijk onderzoek heeft gedaan bij hem, de getuige kan dit volgens klager bevestigen. Volgens klager is zijn schoen nooit uit geweest tijdens het spreekuur. De bedrijfsarts had verder volgens klager expertise moeten inschakelen. De bedrijfsarts stelt onder verwijzing naar het door hem ingebrachte dossier dat hij de voet/enkel van klager wel heeft onderzocht, op 15 april 2024 ook zonder schoen.
Op 27 augustus 2024 heeft de bedrijfsarts informatie van de behandelaar gekregen.
Op 18 november 2024 is er een Inzetbaarheidsprofiel (IZP) opgesteld en op 2 april 2025 een bijstelling van het IZP. Hierbij is rekening gehouden met de beperkingen van klager.
Op 27 augustus 2024 is op het spreekuur informatie van de behandelaar gekregen (revalidatiearts I d.d. 23-08), deze geeft bevindingen van lichamelijk onderzoek weer. De bedrijfsarts ziet op dat moment geen toegevoegde waarde in het onderzoeken van de voet met uittrekken van de schoen. Op 3 juni 2025 heeft de bedrijfsarts de knie van klager onderzocht.
Het college stelt vast dat in de dossieraantekeningen van 15 april 2024 melding wordt gemaakt van een lichamelijk onderzoek. Daarbij staat het volgende aangetekend: “LO; geeft aan een klompvoet te hebben; staat wel op zijn voetzool. Bewegelijkheid enkel en voet is beperkt. Hij heeft links een doorgezakt voetgewelf en zijn hak steekt verder naar achteren uit; op de aangegeven pijnplek (eigenlijk ter hoogte van de gewrichtsbanden buitenzijde enkel) geen roodheid, warmte of zweling. Ziet er rustig uit.”
Uit de hierboven geciteerde aantekeningen blijkt dat de bedrijfsarts klager wel degelijk lichamelijk onderzocht heeft. De verklaring van de getuige is niet doorslaggevend, hij is niet bij alle consulten aanwezig geweest, zo ook niet bij het consult van 15 april 2024. Verder heeft de bedrijfsarts informatie bij de behandelaren van klager opgevraagd en telkens als daartoe aanleiding bestond het werkhervattingsadvies bijgesteld. Op 23 augustus 2024 heeft de bedrijfsarts informatie van de behandelend revalidatiearts ontvangen waarbij melding werd gemaakt van een lichamelijk onderzoek. Dat de bedrijfsarts op 27 augustus 2024 klager zijn voet heeft bekeken maar heeft geoordeeld dat het uittrekken van zijn schoen hem geen aanvullende informatie zou geven en voor klager alleen onnodig belastend zou zijn, is invoelbaar. Voor het inschakelen van externe expertise bestond geen aanleiding. De bedrijfsarts heeft zorgvuldig gehandeld en een aantal beperkingen voor het functioneren van klager aangenomen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Slotsom
5.6     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ongegrond is.

Kostenveroordeling
5.7      Klager heeft verzocht de bedrijfsarts te veroordelen in de kosten die hij heeft gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Nu het college heeft geoordeeld dat de klacht in al zijn onderdelen ongegrond is, zal het college het verzoek tot kostenveroordeling afwijzen.

6. De beslissing
 

Het college:

  • verklaart de klacht ongegrond;
  • wijst het verzoek tot kostenveroordeling af.

Deze beslissing is gegeven door J.G.W. Lootsma-oude Nijeweme, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, M. Prenger, F.J. Perquin en M.L.A. Kleinjan-Lüschen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

secretaris                                                                                           voorzitter



 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.