ECLI:NL:TGZRZWO:2026:52 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8921

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:52
Datum uitspraak: 27-03-2026
Datum publicatie: 27-03-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8921
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht van patiënte tegen huisarts kennelijk ongegrond. Klaagster verwijt de huisarts dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld bij klaagster en haar geen medicamenteuze behandeling heeft gegeven voor langdurige klachten na COVID.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 27 maart 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

huisarts,

(destijds) werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de huisarts,

gemachtigde: P.H.N. Keuning-Taapken, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam.

1. De zaak in het kort

1.1     Klaagster verwijt de huisarts dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld bij klaagster en haar in 2024 geen medicamenteuze behandeling heeft gegeven voor langdurige klachten na covid. De huisarts stelt zich op het standpunt dat hij voldoende zorgvuldig diagnostisch onderzoek heeft gedaan naar de gepresenteerde klachten van klaagster. De huisarts voert verder aan dat er geen reden was voor medicamenteuze behandeling (met levocarnitine) voor long covid. 
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 augustus 2025;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 september 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 november 2025.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1     Klaagster, geboren in 1955, kwam op 13 maart 2024 voor het eerst op het spreekuur bij een collega van de huisarts in verband met kuchen en keelschrapen sinds december 2023. Er werd door de huisarts een X-thorax aangevraagd en laboratoriumonderzoek. De uitslagen werden op 15 maart 2024 met klaagster besproken. Het laboratoriumonderzoek en de X-thorax lieten geen bijzonderheden zien.
 

3.2     Klaagster werd op 18 maart 2024 gezien door de huisarts waarbij klaagster het kuchen en keelschrapen benoemde. Dit werd door klaagster aangevuld met last van slikken, waarbij de klachten aanwezig waren bij praten en beweging. Bij platliggen namen de klachten juist af hoewel vaak rond 02.00 uur in de nacht klaagster refluxklachten ervoer. Deze refluxklachten namen af na innname van Pantozol 40mg (van haar partner). Het dieet van klaagster was onveranderd en er waren geen bijzonderheden in de ontlasting. Er werden geen duidelijke luchtwegklachten gemeld. De huisarts heeft lichamelijk onderzoek uitgevoerd waarbij een soepele buik, met lichte drukpijn werd geconstateerd. Bij ‘dd’ (diffentiaal diagnose) heeft de huisarts maagklachten genoteerd. Er werd gestart met Pantozol tweemaal daags 20mg.
 

3.3     Vanwege verdere achteruitgang kwam klaagster op 25 maart 2024 weer op het spreekuur. Klaagster meldde dat zij steeds meer achteruit ging, meer klachten ervoer, veel kuchen, schrapen en een verminderde eetlust. Het slikken ging wel goed, het eten zakte naar beneden en klaagster had lichte buikpijn in de maagregio. De Pantozol had onvoldoende effect. Klaagster had geen koorts maar meldde wel een lichte spierpijn in het hele lichaam. De huisarts constateerde bij lichamelijk onderzoek een soepele buik, geen weerstanden, lichte drukpijn in de maagregio. Veel schrapen, kuchen en slikken. In de differentiaal diagnose nam de huisarts op: “maagklachten”. Een X-thorax van hart en longen werd herhaald en laboratoriumonderzoek werd aangevraagd. Ook werd een ECG en echo bovenbuik aangevraagd. De Pantozol werd verhoogd naar tweemaal daags 40mg en geadviseerd werd Gaviscon of Maalox te nemen.
Uit de X-thorax, die werd vergeleken met maart 2024, bleek een slank mediastinum, normale corgrootte. Er waren heldere longvelden zonder pleuravocht, infiltraten of focale afwijkingen.
 

3.4     Op 27 maart 2024 kwam klaagster bij de huisarts om de uitslagen te bespreken. Deze waren niet afwijkend. Klaagster meldde klachten bij het platliggen en dat ze iets was afgevallen. Klaagster had geen Maalox of Gaviscon genomen. Het eten stond haar tegen.
 

3.5     Op 2 april 2024 werden de klachten van klaagster telefonisch geëvalueerd. Klaagster was gestopt met Pantozol omdat zij daardoor meer klachten kreeg. De klachten waren redelijk onder controle met gebruik van Gaviscon en Maalox. De echo van de bovenbuik werd besproken. De conclusie luidde: “Solitair levercyste. Geen tekenen van lithiasis, infectie/ontsteking of maligniteit”. Klaagster is verwezen naar de polikliniek Maag-, Darm- en Leverziekten en de polikliniek Keel-, Neus- en Oorheelkunde.
 

3.6     Op 8 april 2024 werden de conclusies van de KNO-arts, die klaagster op
4 april 2024 had bezocht, besproken tijdens een telefonisch gesprek tussen de huisarts en klaagster. Een spirometrie (longfunctieonderzoek) werd geadviseerd en een faecestest werd aangevraagd. Klaagster is vervolgens niet verschenen bij de huisarts op 18 april 2025 om de uitslagen van het consult bij de MDL-arts te bespreken.
 

3.7     Op 29 augustus 2024 zag de huisarts klaagster weer. Klaagster had in D een spirometrie, bronchoscopie, longscintigrafie en een MRI brein ondergaan. Aldaar was de diagnose long covid gesteld en klaagster meldde dat de klachten onder controle waren met levoceterizine, montelukast en famotidine. Deze medicatie werd door de huisarts herhaald.
 

3.8     Klaagster verzocht de huisarts op 14 april 2025 om levocarnitine voor te schrijven omdat zij dit in D van een behandelend arts had gekregen. De huisarts overlegde met de regionale apotheker diezelfde dag. De apotheker raadde af om het middel voor te schrijven, hetgeen de huisarts diezelfde dag telefonisch heeft gemeld aan klaagster.
 

3.9     Op 1 juli 2025 ontving de huisarts een schrijven, aangevuld met medische informatie uit D waar klaagster langere tijd verbleef. Klaagster maakte geen afspraak om het vervolg te te bespreken.  
 

3.10     Op 31 juli 2025 spraken klaagster en de huisarts over de informatie vanuit D. De huisarts heeft gemeld dat hij geen levocarnitine wenste voor te schrijven omdat dit buiten zijn expertise viel. De huisarts adviseerde klaagster desgewenst de medicatie in D te halen of online te bestellen.
 

3.11     Op 5 augustus 2025 heeft de huisarts contact gehad met een longarts. Hierover staat in het huisartsenjournaal, voor zover relevant en letterlijk weergegeven:

Advies LNGarts [naam longarts, RTG]: Geen voorschrift Levocarnitine maken. Dit middel valt onder alternatieve geneeskunde; geen indicatie voor long-COVID. Verwijzing naar behandelend arts in D voor voortzetting therapie. Geen verwijzing naar longarts of internist in E. Pt terug gemaild, zie documenten.”
 

3.12      Tussen de huisarts en klaagster heeft verdere e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen 4 augustus 2025 en 18 augustus 2025.
 

3.13     Op 6 augustus 2025 belde de partner van klaagster. De huisarts heeft aangeboden klaagster door te verwijzen naar de long covid polikliniek met de (medicatie)vraag.
 

3.14     Op 7 augustus 2025 heeft de huisarts telefonisch gesproken met klaagster over een second opinion en heeft de huisarts uitgelegd open te staan voor een second opinion naar een medisch specialist.

4. De klacht en de reactie van de huisarts

4.1     Klaagster verwijt de huisarts dat hij:

a.(vanaf maart 2024) een verkeerde diagnose heeft gesteld en;
b.klaagster geen behandeling geeft voor long covid, in het bijzonder betreft dit het niet voorschrijven van de medicatie levocarnitine.

4.2     De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.2     Het missen van een diagnose is niet doorslaggevend voor het slagen van de klacht. De klacht is pas gegrond, als vast komt te staan dat de wijze waarop de huisarts het diagnostisch traject heeft uitgevoerd in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts mag worden verwacht.

5.3     Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) (vanaf maart 2024) heeft de huisarts een verkeerde diagnose gesteld
5.4     Klaagster verwijt de huisarts dat hij de diagnose long covid heeft gemist. De huisarts stelt zich op het standpunt dat er geen harde criteria staan in de NHG-standaard “Langdurige klachten na COVID-19” en hij voldoende inspanningen heeft geleverd om de juiste diagnose te stellen bij klaagster.

5.5     Het tuchtcollege stelt het volgende vast op basis van het huisartsenjournaal en het medisch dossier zoals dat is ingebracht in de tuchtklachtprocedure. De huisarts heeft op 13 maart 2024 een X-thorax laten maken in verband met de gemelde klachten van kuchen en keelschrapen. Daaruit volgden geen afwijkingen. Bij het lichamelijk onderzoek op 18 maart 2024 bleek sprake van een lichte drukpijn in de maagregio en werd gestart met Pantozol (tweemaal daags 20 mg) voor een proefperiode van twee weken. Naar aanleiding van klaagsters bezoek op 25 maart 2024 heeft de huisarts het lichamelijk onderzoek verbreed en aanvullend onderzoek ingezet met een X-thorax, een ECG en laboratoriumonderzoek. Nadien werd ook een echo van de bovenbuik gepland (op 19 april 2024). Op 2 april 2024 werd de echo van de (vervroegde) echo van de bovenbuik besproken, waaruit geen bijzonderheden volgden. De huisarts heeft klaagster vervolgens bij de aanhoudende klachten (met een verkorte toegangstijd) verwezen naar de polikliniek MDL en naar de polikliniek KNO. De huisarts heeft de polikiniek KNO gebeld waarna de afspraak aldaar met klaagster werd vervroegd naar 4 april 2025. Op basis van de uitslagen bij de KNO-arts en de MDL-arts heeft de huisarts een spirometrie geadviseerd en een faecestest aangevraagd. Klaagster is vervolgens niet verschenen bij de huisarts op 18 april 2025 om de uitslagen van het consult bij de MDL-arts te bespreken. Klaagster is vervolgens naar D gegaan en heeft daar in een ziekenhuis meerdere onderzoeken, waaronder een spirometrie, ondergaan.

5.6     Het tuchtcollege is van oordeel, gelet op het voorgaande, dat de huisarts gelet op de gepresenteerde klachten het diagnostisch proces zorgvuldig heeft ingestoken en voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan om te komen tot een juiste diagnose. Daarmee is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. Dat een andere arts in D, waar klaagster verbleef, nadien tot een andere diagnose is gekomen, maakt het handelen van de huisarts nog niet onzorgvuldig. Door klaagster is onvoldoende onderbouwd dat de huisarts in zijn zorg voor een behandeling van klaagster is tekortgeschoten.

Klachtonderdeel b) de huisarts heeft klaagster geen behandeling gegeven voor long covid, in het bijzonder betreft dit het niet voorschrijven van de medicatie levocarnitine
5.7     Klaagster verwijt de huisarts dat hij klaagster geen behandeling heeft gegeven voor long covid en geen levocarnitine aan haar heeft willen voorschrijven. De huisarts stelt zich op het standpunt dat er voor hem geen verplichting was om levocarnitine aan klaagster voor te schrijven.

5.8     Het tuchtcollege overweegt als volgt. In de voor de huisartsenzorg geldende NHG-standaard “Langdurige klachten na COVID-19” (maart 2022) is het volgende weergegeven over medicatie:
“Er is geen wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van medicamenteuze therapie (systematische, corticosteroïden, inhalatiemedicatie, antitrombotica, pijnstillers, antifibrotische medicatie, vitaminesuppletie) op het bevordering van herstel bij patiënten met langdurige klachten na COVID-19. Het is ook onbekend of COVID-19-vaccintatie enig effect heeft op de bevordering van het herstel. Om deze reden bevelen we medicamenteuze therapie of een COVID-19-vaccinatie voor de bevordering van het herstel niet aan bij patiënten met aanhoudende klachten na COVID-19.”

5.9     Uit het huisartsenjournaal blijkt verder dat de huisarts het Farmacotherapeutisch Kompas heeft geraadpleegd en telefonische informatie van de apotheek heeft verkregen op 14 april 2025. Die informatie hield in dat het middel (levocarnitine) niet geregistreerd was voor langdurige klachten na covid, ook niet off-label. De huisarts heeft daarnaast ook overleg gevoerd met een collega-huisarts die de keuze van de huisarts beaamde om de medicatie levocarnitine niet voor te schrijven. Begin augustus 2025 vroeg de huisarts ook nog advies aan een longarts in het ziekenhuis. Het advies van de longarts was om geen voorschrift levocarnitine te maken. Het middel valt, blijkens het advies van de longarts, onder alternatieve geneeskunde en er bestond geen indicatie voor het voorschrijven van deze medicatie bij landurige klachten na covid.

5.10     Het tuchtcollege is op basis van het voorgaande van oordeel dat de huisarts als redelijk bekwaam en redelijk handelend huisarts heeft gehandeld door geen medicatie, in het bijzonder levocarnitine) voor langdurige klachten na covid aan klaagster voor te schrijven. Dit klachtonderdeel is ook kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.11     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 27 maart 2026door A.A.A.M. Schreuder, voorzitter,

R.J. Wolters en G.S.H. Vegt, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.