ECLI:NL:TGZRZWO:2026:45 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8237
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:45 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-03-2026 |
| Datum publicatie: | 24-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8237 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen orthopedisch chirurg kennelijk ongegrond. De orthopedisch chirurg heeft tweemaal een heupoperatie bij klaagster uitgevoerd. Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg, samengevat, nalatigheid in medisch handelen en het leveren van inadequate (na)zorg. Daarnaast is volgens klaagster sprake geweest van tekortkomingen in de communicatie. Het college oordeelt dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 24 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C ,
orthopedisch chirurg,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de orthopedisch chirurg,
gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De orthopedisch chirurg heeft tweemaal een heupoperatie bij klaagster uitgevoerd.
Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg, samengevat, nalatigheid in medisch handelen
en het leveren van inadequate (na)zorg. Daarnaast is volgens klaagster sprake geweest
van tekortkomingen in de communicatie.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 maart 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 april 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 juni 2025;
- de e-mail van klaagster met bijlagen, ontvangen op 9 september 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 16 september 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Op 26 april 2023 werd klaagster op eigen verzoek door de huisarts verwezen naar de orthopedisch chirurg. Klaagster had coxartrose[1] (familiair) en werd verwezen voor advies dan wel behandeling in verband met klikkende heupen en terugkerende pijn. Een röntgenfoto van de heupen was al gemaakt.
[1] Slijtage van het kraakbeen van de heup.
3.2 Klaagster werd op 15 mei 2023 gezien door verweerder. In zijn brief naar
de huisarts van dezelfde datum schreef verweerder dat uit het röntgenonderzoek bleek
dat sprake was van beduidende coxartrose beiderzijds. Er was een indicatie tot het
plaatsen van een totale heupprothese (THP) ongecementeerd rechts. Met klaagster werden
de risico’s en complicaties uitvoerig besproken, waaronder beenlengteverschil. Klaagster
ging akkoord en werd op de wachtlijst geplaatst voor een operatie.
3.3 De operatie vond plaats op 28 augustus 2023, waarbij rechts een THP werd
geplaatst. Omdat de heup lastig stabiel te krijgen was, werd tijdens de operatie besloten
tot het geven van meer offset en een beenverlenging. Na de operatie bezocht verweerder
klaagster en sprak met haar over het verschil in beenlengte.
3.4 Op 3 oktober 2023, eerder dan gebruikelijk, zag verweerder klaagster ter
controle op de polikliniek. Tijdens dit gesprek vertelde klaagster dat zij vanwege
het beenlengteverschil nu ook knieklachten had. Haar knie ging naar binnen staan,
en klaagster vroeg wanneer zij een THP links mocht. Verweerder besprak met klaagster
dat er bewust was gekozen voor beenlengteverschil vanwege de instabiele heup. Er was
sprake van invaliderende coxartrose links, waardoor er een indicatie was tot het plaatsen
van een THP links. Deze zou ook verlengd worden om een gelijke beenlengte na te streven.
Met klaagster werden de risico’s en complicaties besproken en klaagster werd weer
op de wachtlijst voor de operatie geplaatst.
3.5 De fysiotherapeut van klaagster stuurde verweerder op 7 november 2023
een e-mail, waarbij navraag werd gedaan naar het afwijkende looppatroon. Verweerder
reageerde hierop de volgende dag met de mededeling dat klaagster ook aan de andere
zijde een THP zou krijgen, waarmee het probleem van beenlengteverschil en de gevolgen
ervan zou verdwijnen.
3.6 De operatie waarbij links door verweerder een THP bij klaagster werd geplaatst,
was op 6 december 2023. Hierbij werd gestreefd naar het opheffen van het beenlengteverschil.
Met klaagster werd afgesproken dat zij de heupen mocht belasten onder begeleiding
van een fysiotherapeut.
3.7 Uit de brief van 20 december 2023 van verweerder aan de huisarts volgt
dat klaagster twee weken post-operatief gezien zou worden op de poli. Verweerder zelf
zag klaagster weer op 1 februari 2024. Tijdens dit consult vertelde klaagster dat
het steeds beter ging. De pijn was weg, maar het was allemaal nog wat stijf. Klaagster
vertelde dat zij het idee had dat het linker onderbeen wat gedraaid stond; de voet
stond naar binnen gedraaid. Klaagster had geen gevoel van beenlengteverschil. Uit
röntgenonderzoek van 1 februari 2024 bleek dat sprake was van een ongewijzigde goede
stand van de prothesecomponenten. Bij lichamelijk onderzoek bleek dat sprake was van
een antalgisch looppatroon.[2] Verweerder besprak met klaagster dat hij tevreden was over de situatie twee maanden
na de laatste operatie, en gaf uitleg over het te verwachten beloop. Klaagster moest
nu verder met opbouwend mobiliseren op geleide van de klachten, met aandacht voor
het looppatroon. Klaagster zou na een jaar voor revisie komen met röntgencontrole,
zo nodig eerder.
[2] Lopen op een manier waarmee het pijnlijke deel van het lichaam zo veel mogelijk
ontlast wordt.
3.8 Klaagster bezocht op 4 oktober 2024 de polikliniek orthopedie van de E
voor een second opinion. De diagnose die werd gesteld was dat sprake was van een rotatieafwijking
na THP beiderzijds, met forse kneeing in bij pre-existente miserabele malalignment.
Op röntgenfoto’s was geen uitgesproken beenlengteverschil te zien op het bekken en
lange been foto.
3.9 Op 23 oktober 2024 hoorde verweerder dat klaagster een klacht tegen hem
had ingediend bij het ziekenhuis. Verweerder reageerde via de klachtenfunctionaris
op deze klacht en bood aan om in gesprek met klaagster de situatie te bespreken. Eveneens
op
31 oktober 2024 ontving verweerder via de huisarts van klaagster het verzoek om haar
door te verwijzen naar een medisch psycholoog. Verweerder reageerde hierop als volgt:
“Al dan niet toevallig is er door patiënte een klacht over mij ingediend bij het ziekenhuis.
Als reactie op de klacht heb ik aangegeven dat ik het jammer vind dat ze nog steeds
klachten ervaart. Ze heeft mij niet de kans gegeven hier met haar over in gesprek
te gaan, en te onderzoeken waar het probleem ligt. Ze is direct over gegaan naar een
2nd opinion. Dat is haar keuze en uiteraard haar goed recht. Ik vraag mij af of een
her-operatie haar klachten zal doen verminderen, maar ik weet ook niet welke onderzoeken
er in E gedaan zijn. Via de Klachtenfunctionaris heb ik daar aangeboden alsnog met
mij in gesprek te gaan. Zij ziet hier vooralsnog vanaf.
Ik kan dus niet inschatten of medische psychologie is geïndiceerd, wellicht is een
verwijzing richting de revalidatie meer op zijn plaats (ook ipv een her-operatie).
Ook door haar keuze onze behandelrelatie te beëindigen, kan ik mede hierdoor geen
verwijzing richting de medische psychologie maken.”
3.10 Op 7 november 2024 ontving verweerder bericht van de klachtenfunctionaris
dat klaagster had gemaild dat zij ontevreden was over de reacties die ze had ontvangen
en dat ze niet met verweerder wilde praten. Klaagster besloot een schadeclaim in te
gaan dienen. Op 20 december 2024 diende klaagster nog een klacht in bij het ziekenhuis,
omdat verweerder geen verwijzing wilde maken voor de medisch psycholoog.
3.11 Bij brief van 17 mei 2025 berichtte de revalidatiearts van de E klaagster
(onder meer) als volgt:
“ Conclusie vraagstelling verwijzer:
Wat is reden voor versterkte protractie bekken tijdens lopen.
De anteversie stand van het bekken is waarschijnlijk compensatoir aan de standsafwijkingen
van de heupen (anteversie hoek) en de beperkte heupextensie bdz, mogelijk gecombineerd
met verminderde lumbale mobiliteit.
welke rol speelt de onderrugstijfheid op het lopen.
De verminderde mobiliteit van de LWK in versterkte lordose is mogelijk secundair
aan de standsafwijkingen van het bekken, waardoor tijdens het lopen een toegenomen
bekken rotatie ontstaat.
-advies t.a.v. multileveloperatie
Conservatieve adviezen voor pijnreductie
De pijnklachten zijn te verklaren door veranderde en compensatoire bewegingen in
bekken, heupen en knieen waardoor overbelasting van ligamentaire systeem. Patiente
heeft zeer goed spierkracht en mobiliteit getraind en onderhouden, dit zal in de toekomst
ook belangrijk blijven. Mogelijk zou een lichte handstok (type nordic walking) kunnen
ondersteunen. Vooralsnog lijkt correctie van de schoenen en inlays niet zinvol op
heuprotaties, helpt minimaal in valgisatie achtervoet.”
De conclusie die in de brief stond was dat er weinig chirurgische opties waren op
het niveau van de heup.
4. De klacht en de reactie van de orthopedisch chirurg
4.1 Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij:
- heeft nagelaten het beenlengteverschil van 3,4 centimeter postoperatief met klaagster te bespreken. Dit beenlengteverschil heeft blijvende schade veroorzaakt;
- de klachten heeft gebagatelliseerd/genegeerd en te weinig revalidatieondersteuning heeft geboden;
- het verzoek om een andere arts heeft geweigerd en de toegang tot psychische hulp heeft ontzegd;
- geen correcte diagnose heeft gesteld en door gebrek aan heldere communicatie het herstel
heeft vertraagd.
4.2 De orthopedisch chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te
verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de orthopedisch chirurg de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende orthopedisch chirurg. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de orthopedisch chirurg geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hieronder nader uitleggen.
Klachtonderdeel a) niet bespreken van beenlengteverschil na de operatie
5.3 Verweerder heeft zich ten aanzien van dit klachtonderdeel op het standpunt
gesteld dat een dergelijk beenlengteverschil niet volgt uit de dossierstukken en ook
niet wordt benoemd door de later door klaagster geconsulteerde specialisten. Wel is
met klaagster op verschillende momenten besproken dát er een beenlengteverschil zou
zijn. Op het mogelijk ontstaan van een beenlengteverschil is klaagster ook voor de
operatie gewezen.
5.4 Het college stelt allereerst vast dat niet ter discussie staat dat sprake
is van een beenlengteverschil na de operatie van 28 augustus 2023. Dat sprake is van
een beenlengteverschil van 3,4 centimeter (of 3,04 zoals door klaagster gesteld tijdens
het mondeling vooronderzoek) vindt geen enkele onderbouwing in de onderliggende stukken.
Dat klaagster, zoals zij stelt, nu drie centimeter langer is dan voor de operatie,
is niet objectief vastgesteld. Uit de brief aan de huisarts van 15 mei 2023 volgt
verder dat beenlengteverschil ook door verweerder met klaagster zelf is besproken.
Door klaagster is bovendien erkend dat het ontstane beenlengteverschil direct postoperatief
met haar is besproken. Ook bij de tweede operatie op 6 december 2023 heeft verweerder
expliciet rekening gehouden met het beenlengteverschil. Van blijvende fysieke gevolgen
voor klaagster veroorzaakt door het initiële beenlengteverschil (dus tussen de operatie
aan de rechterheup op 28 augustus 2023 en de operatie aan de linkerheup op 6 december
2023) is niet gebleken. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) terzijde schuiven klachten en gebrek aan revalidatieondersteuning
5.5 Verweerder schrijft dat hij geen signalen van onvrede van klaagster had
ontvangen en dat hij adequaat heeft gehandeld bij en na de operaties. Ook verwachtte
hij op dat moment nog effect van de fysiotherapie.
5.6 Naar het oordeel van het college heeft verweerder adequaat gereageerd op de klachten van klaagster. Op het moment dat de fysiotherapeut per e-mail contact met hem zocht vanwege het afwijkende looppatroon van klaagster, liet verweerder de volgende dag weten dat klaagster ook aan de andere zijde een THP zou krijgen waarmee het beenlengteverschil en de gevolgen daarvan zouden zijn verholpen. Verder heeft verweerder klaagster op 3 oktober 2023 (vervroegd) poliklinisch gezien en is in gezamenlijk overleg besloten tot een THP aan de linkerzijde. Dit zowel vanwege de eerder gestelde diagnose coxartrose als om te proberen het beenlengteverschil zoveel mogelijk op te heffen. Na de operatie aan de linkerheup onderging klaagster de reguliere controles en heeft zij verweerder op 1 februari 2024 voor het laatst gesproken. Op dat moment zei klaagster dat het steeds beter ging, en werd een nieuwe controleafspraak met verweerder over een jaar gemaakt, met de vermelding dat klaagster zich eerder kon melden bij klachten. Klaagster heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Ten aanzien van klaagsters stelling dat sprake zou zijn van een gebrek aan revalidatieondersteuning, overweegt het college dat dit verwijt feitelijke grondsldag mist. Op grond van de informatie die verweerder had, was er op dat moment geen reden voor uitgebreidere revalidatie/ondersteuning dan de gebruikelijke fysiotherapeutische ondersteuning.
Klachtonderdeel c) weigering overplaatsing andere arts en ontzeggen psychische zorg
5.7 Verweerder stelt dat hij de wens voor een second opinion nooit van klaagster
heeft ontvangen en dat hij geen verwijzing naar de medisch psycholoog kon maken, omdat
klaagster op dat moment niet meer bij hem onder behandeling was.
5.8 Klaagsters verwijt dat verzoeken tot overplaatsing naar een andere arts zouden zijn geweigerd door verweerder, vindt geen onderbouwing in de (medische) stukken. Klaagster is op eigen initiatief naar de E gegaan voor een second opinion. Verder is het standpunt van verweerder dat hij op dat moment geen verwijzing naar een medisch psycholoog kon maken, goed navolgbaar. Bovendien stond het de huisarts, ook nadat verweerder te kennen gaf geen verwijzing te kunnen geven, zelf vrij klaagster alsnog naar een regulier psycholoog te verwijzen als dit geïndiceerd was. Van het ontzeggen van psychische zorg was derhalve geen sprake, zodat dit verwijt niet slaagt.
Klachtonderdeel d) onjuiste diagnose en gebrek aan communicatie
5.9 Verweerder stelt dat op basis van onderzoek bij klaagster de diagnose symptomatische
coxartrose is gesteld. Deze diagnose is later door de door klaagster ingeschakelde
specialisten bevestigd. Verweerder ziet niet in op grond waarvan deze diagnose onjuist
zou zijn. Verder heeft verweerder geen signalen van onvrede ontvangen, zoals hiervoor
onder klachtonderdeel b) is genoemd. Als hij deze wel eerder dan in oktober 2024 had
ontvangen, was hij hierover met klaagster in gesprek gegaan. Nu heeft hij deze mogelijkheid
niet gehad, omdat klaagster al elders onder behandeling was.
5.10 Het college overweegt allereerst dat de diagnose coxartrose en het behandelplan waarbij een heupvervanging beiderzijds werd voorgesteld, niet ter discussie lijken te staan. Dat sprake zou zijn van een onjuiste diagnose volgt evenmin uit de door klaagster overgelegde stukken van de E. Verder heeft klaagster onvoldoende gespecificeerd waarom verweerder onvoldoende helder heeft gecommuniceerd, zodat verweerder reeds daarom geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Tot slot hebben de operaties niet het gewenste gevolg voor klaagster gehad, wat verweerder erkent en betreurt, echter vindt het college in de stukken geen ondersteuning voor tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 24 maart 2026 door W.P. Claus, voorzitter, C.G.M. Albers en T.S. Oei, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.
[1] Slijtage van het kraakbeen van de heup.
[2] Lopen op een manier waarmee het pijnlijke deel van het lichaam zo veel mogelijk ontlast wordt.