ECLI:NL:TGZRZWO:2026:44 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8441

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:44
Datum uitspraak: 17-03-2026
Datum publicatie: 17-03-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8441
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een arts/medisch coördinator van een abortuskliniek. Klaagster heeft een intakegesprek gehad met een andere arts en aansluitend heeft zij een abortus ondergaan. Klaagster verwijt de medisch coördinator dat het dossier onvolledig en onbetrouwbaar is en dat de abortuskliniek niet voldeed aan de wettelijke eisen die gelden voor het mogen uitvoeren van abortussen bij een zwangerschapsduur van meer dan dertien weken. Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.  


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 17 maart 2026 op de klacht van:

A ,

wonende in B,

klaagster,

gemachtigde: mr. M.A. Smits, werkzaam in Nijmegen,

tegen

C ,

arts,

destijds werkzaam in F,

verweerder, hierna ook: de arts,

gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort

1.1     Klacht tegen een arts/medisch coördinator in een abortuskliniek. Klaagster heeft een intakegesprek gehad met een andere arts en aansluitend heeft zij een abortus ondergaan. Klaagster verwijt de arts dat het dossier onvolledig en onbetrouwbaar is en dat de kliniek niet voldeed aan de wettelijke eisen die gelden voor het mogen uitvoeren van abortussen bij een zwangerschapsduur van meer dan dertien weken.

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 mei 2025;
-de e-mail van de gemachtigde van klaagster van 23 juli 2025 met bijlagen;
-het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 augustus 2025;
-de repliek;
-de dupliek;
- de aanvullende bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van verweerster op 21 januari 2026.

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 februari 2026. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerder heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan de andere partij en het college overhandigd.

2.4     Gelijktijdig met deze klacht zijn (samenhangende) klachten ingediend tegen een arts en verpleegkundige van de kliniek. Deze klachten zijn ingeschreven onder de kenmerken Z2025/8458 en Z2025/8459. In alle zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
 

3. Wat is er gebeurd?

3.1     Verweerder was van 2017 tot aan zijn pensionering in juni 2024 arts en medisch
coördinator bij G in F (verder: de kliniek).

3.2     Klaagster werd op vrijdag 10 november 2023 door de huisarts verwezen naar de
kliniek. Diezelfde dag nam klaagster telefonisch contact op met de kliniek en sprak met de receptioniste. Aan klaagster werd verzocht om een medische vragenlijst in te vullen. Verder noteerde de receptioniste onder meer dat de eerste dag van de laatste menstruatie
12 augustus 2023 was. Er werd een afspraak gepland voor behandeling op woensdag 15 november 2023 om 8.30 uur.

3.3     Op 15 november 2023 had klaagster een intakegesprek met een collega-arts van
verweerder. De collega-arts noteerde in het elektronisch patiëntendossier (EPD), voor zover relevant en letterlijk weergegeven:
“*Toelichting reden abortus Zwanger van een tinderdate, bekend met PCOs, geen bescherming, dacht moeilijk zwanger. Heeft al tijd geen contact meer met deze man. Wil er niet alleen voor staan, hij wil echt niet. Wil ook echt geen kind met hem. Woont op zichzelf, heeft een baan. Weet het nog maar kort, maar besluit is duidelijk. Broer of schoonzus komt haar ophalen”

3.4      Voorafgaand aan de behandeling (dilatatie en evacuatie met priming) werd een
echo bij klaagster gemaakt. Hieruit bleek een zwangerschapsduur van dertien weken en vijf dagen, passend bij 12 augustus 2023 als eerste dag van de laatste menstruatie. Er werden geen bijzonderheden genoteerd. Verder vermeldt het dossier, voorzover relevant en letterlijk weergegeven:

“Dagen bedenktijd: 0 Type behandeling: 2A”

3.5     Klaagster tekende een toestemmingsverklaring voorafgaande aan de behandeling.
Klaagster kreeg vervolgens voormedicatie (misoprostol) om de baarmoederhals te verzachten (primen) en verder naproxen en paracetamol. Op de recovery kreeg klaagster van de verpleegkundige medicatie (ondansetron) tegen de misselijkheid.

3.6     Om 10.24 uur startte de time-out procedure voorafgaand aan de uitvoering van de
behandeling. De behandeling verliep zonder complicaties en klaagster werd teruggebracht naar de recovery. Bij ontslag dezelfde dag werd klaagster geïnformeerd over de nazorg-instructies en op verzoek van klaagster werd een kopie van de echobeelden meegegeven.

3.7     Op 17 november 2023 nam klaagster telefonisch contact op met de huisarts.
Uit het huisartsendossier blijkt onder meer dat klaagster aangaf spijt te hebben van de abortus en dat alles heel snel was gegaan. Diezelfde dag belde klaagster ook naar de kliniek en sprak met de receptioniste. Klaagster liet weten spijt te hebben van haar beslissing en dat ze graag meer tijd had gehad om na te denken. Naar aanleiding van het bericht van klaagster belde de collega-arts klaagster op 18 november 2023.

3.8    Op 15 december 2023 nam klaagster telefonisch contact op met de kliniek en
verzocht om inzage in haar dossier. Op 16 december 2023 diende klaagster schriftelijk een klacht in bij de kliniek en op 21 december 2023 haalde klaagster haar medisch dossier op.

3.9     Op 9 januari 2024 vond een gesprek plaats met klaagster, haar moeder, en
verweerder over de door klaagster ingediende klacht. Op 24 januari 2024 spraken klaagster en verweerder elkaar telefonisch en werd onder meer de behandeling van de klacht aan klaagster teruggekoppeld. Per brief van 5 februari 2024 werd de inhoudelijke reactie op de klacht aan klaagster bevestigd.

4. De klacht en de reactie van de arts

4.1     Volgens klaagster heeft de arts in strijd gehandeld met de regelgeving zoals o.a. de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) alsmede met (de strekking van) de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) en de daarbij behorende algemene maatregel van bestuur, het Besluit afbreking zwangerschap (Besluit Wafz), doordat:
a)het dossier lacunair en onbetrouwbaar is: de dossiervoering voldoet o.a. niet aan artikel 7:454 van de WGBO;
b)op 15 november 2023 de kliniek niet voldeed aan de zwaardere wettelijke eisen indien sprake is van een zwangerschap van meer dan 13 weken, zoals in de onderhavige situatie.

4.2     De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1     Het is duidelijk dat klaagster nog steeds veel last heeft van de abortusverwerking. Zonder hier afbreuk aan te willen doen, moet het college op een zakelijke manier beoordelen of verweerder als medisch coördinator de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Tuchtnormen

5.2     Uit de stukken blijkt niet dat verweerder op enig moment betrokken is geweest bij de behandeling van klaagster op 15 november 2023. Verweerder kan daarom niet op grond van het bepaalde in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) in tuchtrechtelijke zin verantwoordelijk worden gehouden voor enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als beroepsbeoefenaar diende te betrachten ten opzichte van zijn patiënt of diens naasten (de eerste tuchtnorm).

5.3     Het college dient vervolgens de vraag te beantwoorden of wat klaagster verweerder verwijt, onder de tweede tuchtnorm valt en, zo ja, of verweerder in strijd met die norm heeft gehandeld. De tweede tuchtnorm omvat “enig ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt” (artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet BIG). Het handelen van beroepsbeoefenaren in een coördinerende functie kan op grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk worden beoordeeld, als dit handelen een weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en de beroepsbeoefenaar zich met zijn handelen heeft begeven op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort. Verweerder was in zijn functie als medisch coördinator verantwoordelijk voor de (algemene) naleving van de wet- en regelgeving in de kliniek. De klacht gaat over de dossiervoering en het zorg dragen voor (beschikbare) deskundigen op psychologisch en maatschappelijk gebied bij de abortusbehandeling van klaagster en gaat daarmee over handelen dat weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Verweerder heeft zich ook begeven op het deskundigheidsgebied van een (abortus)arts nu het door klaagster aan de arts verweten handelen ziet op de dossiervoering en het in voldoende mate zorg dragen voor beschikbare (externe) deskundigen rondom abortuszorg. Dit betekent dat het college het handelen van verweerder zal beoordelen onder de tweede tuchtnorm.

5.4     Dat laat onverlet dat bij de toepassing van het tuchtrecht terughoudendheid dient te worden betracht als er sprake is van handelen in bestuurs- en coördinerende functies, dat wil zeggen als het handelen van de arts niet een individuele patiënt betreft maar veeleer betrekking heeft op de organisatie van de zorg en de randvoorwaarden waaronder die zorg wordt verleend. Met name moet worden voorkomen dat de betrokken arts tuchtrechtelijk aansprakelijk wordt gehouden voor keuzes in de bedrijfsvoering waarvoor hem in zijn coördinerende functie in beginsel beleidsvrijheid toekomt, ook al kunnen die keuzes gevolgen hebben voor de individuele gezondheidszorg.

De beoordeling van de klacht
Klachtonderdeel a) lacunair en onbetrouwbaar dossier

5.5     Het verwijt van klaagster houdt in dat het medisch dossier niet voldoet aan artikel 7:454 van de WGBO. Zij voert daartoe het volgende aan. Het dossier is onvolledig en op sommige punten onjuist. De naam, geboortedatum en een patiëntnummer ontbreken. Ook ontbreken namen van de betrokken zorgverleners waardoor het dossier niet transparant is omdat niet kan worden nagegaan wie wat heeft genoteerd of gewijzigd. Ten onrechte is genoteerd dat klaagster geen contact meer heeft met de verwekker en dat zij door haar broer of schoonzus zou worden opgehaald. De controlevraag of de vrouw de echo wil zien en of het wettelijk voorgeschreven overleg over de bedenktijd heeft plaatsgevonden ontbreekt. Het medisch dossier kwalificeert zichzelf als onbetrouwbaar omdat er diverse keren “lijst onbetrouwbaar” staat.

5.6     Het college overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken wat klaagster verweerder hierin precies verwijt. Het doel van het medisch dossier is het waarborgen van goede en veilige zorg en dat continuïteit in de zorg aan klaagster geboden kan worden. Klaagster is in het bezit van haar medisch dossier met daarin NAW-gegevens en een patiëntnummer, de namen van de betrokken zorgverleners en aantekeningen van de gegevens van klaagster voor zover dat voor een goede hulpverlening noodzakelijk is. Het standpunt van klaagster mist dus feitelijke grondslag. Ten aanzien van de vermelding “Categorie: lijst onbetrouwbaar”, volgt het college het standpunt van verweerder dat dit een ongebruikte functie in het softwaresysteem betreft. Dit leidt niet tot het oordeel dat het medisch dossier onbetrouwbaar is. Feiten of omstandigheden waaruit die onbetrouwbaarheid zou blijken, zijn niet gebleken.

Klachtonderdeel a) is ongegrond. Klachtonderdeel b) niet voldaan aan de zwaardere wettelijke eisen
5.7     Ten aanzien van dit klachtonderdeel is door de gemachtigde van klaagster ter zitting toegelicht dat de kliniek niet voldeed aan artikel 2 lid 1 en 2 van het Besluit Wafz, omdat op 15 november 2023 geen deskundige psychologische en maatschappelijke zorg beschikbaar was.

5.8     Artikel 2 lid 1 en 2 van het Besluit Wafz luidt als volgt:
1. Het ziekenhuis dat behandelingen verricht en de abortuskliniek dragen ervoor zorg dat medewerking van deskundigen op psychologisch en maatschappelijk gebied in voldoende mate beschikbaar is. 2. Aan deze deskundigen wordt voldoende tijd en ruimte in het ziekenhuis of de kliniek ter beschikking gesteld.

5.9     Het college oordeelt dat de manier waarop de kliniek invulling geeft aan artikel 2 lid 1 en 2 van het Besluit, zodanig is gebeurd dat voldoende zorgvuldigheid is betracht. Verweerder heeft toegelicht dat de beschikbaarheid van deskundigen op psychologisch en maatschappelijk gebied op verschillende manieren kan worden gewaarborgd, zoals inschakeling van deskundigen op het terrein van maatschappelijk werk, psychologie, pedagogiek en gezinsbegeleiding, pastoraat en anderen. De kliniek geeft aan deze verplichting uitvoering door bij behoefte aan (aanvullend) advies en ondersteuning te verwijzen naar de Stichting Fiom (expertisecentrum ongewenste zwangerschappen, verwantschapsvragen en adoptie) of de huisarts. Dit gebeurt in de kliniek in het geval er (een vermoeden van) twijfel bestaat bij de vrouw over haar keuze voor abortus en de kliniek heeft contactpersonen die zij snel en laagdrempelig kunnen contacteren. De keuze of een verwijzing naar externe hulp plaatsvindt ligt niet bij verweerder maar bij de betrokken arts. Niet is vereist dat de kliniek deskundigen op psychologisch en maatschappelijk gebied ‘in huis’ heeft. Het verwijzen naar hulpverleners (al dan niet via de huisarts) volstaat. Namens verweerder is ook aangegeven dat de kliniek zonodig bemiddelt bij het vlot maken van een verwijsafspraak. Klachtonderdeel b) is ongegrond.

Slotsom
5.10     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

Publicatie
5.11     In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners die medisch coördinator zijn kennis kunnen nemen van deze zaak. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

Kostenveroordeling
5.12     Klaagster heeft verzocht de arts te veroordelen in de kosten die zij heeft gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Nu de klacht ongegrond is kan van een kostenveroordeling geen sprake zijn.

  1. De beslissing

Het college:

  • verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;  
  • wijst het verzoek van klaagster om een kostenveroordeling af;
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door J. Sap, voorzitter, F. Boekkooi en H. de Haan, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door J.E.A. van Dooren-Gerding, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 .

secretaris                                                                                           voorzitter



 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.