ECLI:NL:TGZRZWO:2026:42 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8458
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-03-2026 |
| Datum publicatie: | 17-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8458 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een arts in een abortuskliniek. Klaagster heeft een intakegesprek gehad met de arts en aansluitend heeft zij een abortus ondergaan. Klaagster verwijt de arts onder meer dat zij een verkeerde inschatting heeft gemaakt van haar mentale toestand en dat er niet is gesproken over mogelijke alternatieven. Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 17 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. M.A. Smits, werkzaam in Nijmegen,
tegen
D,
arts,
werkzaam in F,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft een intakegesprek gehad met de arts en aansluitend heeft zij
een abortus ondergaan in een abortuskliniek. Klaagster verwijt de arts onder meer
dat zij een verkeerde inschatting heeft gemaakt van haar mentale toestand en dat er
niet is gesproken over mogelijke alternatieven.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna licht
het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 mei 2025;
- de e-mail van de gemachtigde van klaagster van 23 juli 2025 met bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 augustus 2025;
- de repliek;
- de dupliek;
- de aanvullende bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van verweerster op
21 januari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 februari 2026. De partijen
zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen hebben hun
standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerster heeft een pleitnotitie
voorgelezen en aan de andere partij en het college overhandigd.
2.4 Gelijktijdig met deze klacht zijn (samenhangende) klachten ingediend tegen
een medisch coördinator en verpleegkundige van de kliniek. Deze klachten zijn ingeschreven
onder de kenmerken Z2025/8441 en Z2025/8459. In alle zaken wordt afzonderlijk uitspraak
gedaan.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerster is sinds 2002 arts en vanaf 2016 werkzaam bij G in F
(verder: de kliniek).
3.2 Klaagster werd op vrijdag 10 november 2023 door de huisarts verwezen naar
de de kliniek. Diezelfde dag nam klaagster telefonisch contact op met de kliniek en
sprak met de receptioniste. Aan klaagster werd verzocht om een medische vragenlijst
in te vullen. Verder noteerde de receptioniste onder meer dat de eerste dag van de
laatste menstruatie 12 augustus 2023 was. Er werd een afspraak gepland voor behandeling
op woensdag
15 november 2023 om 8.30 uur.
3.3 Op 15 november 2023 had klaagster een intakegesprek met verweerster.
Verweerster noteerde in het elektronisch patiëntendossier (EPD), voor zover relevant en letterlijk weergegeven:
“*Toelichting reden abortus
Zwanger van een tinderdate, bekend met PCOs, geen bescherming, dacht moeilijk zwanger.
Heeft al tijd geen contact meer met deze man. Wil er niet alleen voor staan, hij wil
echt niet. Wil ook echt geen kind met hem. Woont op zichzelf, heeft een baan. Weet
het nog maar kort, maar besluit is duidelijk. Broer of schoonzus komt haar ophalen”
3.4 Voorafgaand aan de behandeling (dilatatie en evacuatie met priming) werd door verweerster een echo gemaakt. Hieruit bleek een zwangerschapsduur van dertien weken en vijf dagen, passend bij 12 augustus 2023 als eerste dag van de laatste menstruatie. Er werden geen bijzonderheden genoteerd. Verder vermeldt het dossier, voorzover relevant en letterlijk weergegeven:
“Dagen bedenktijd: 0
Type behandeling: 2A”
3.5 Klaagster tekende een toestemmingsverklaring voorafgaande aan de behandeling.
Klaagster kreeg vervolgens voormedicatie (misoprostol) om de baarmoederhals te verzachten (primen) en verder naproxen en paracetamol. Op de recovery kreeg klaagster van de verpleegkundige medicatie (ondansetron) tegen de misselijkheid.
3.6 Om 10.24 uur startte de time-out procedure voorafgaand aan de uitvoering van de behandeling. De behandeling verliep zonder complicaties en klaagster werd teruggebracht naar de recovery. Bij ontslag dezelfde dag werd klaagster geïnformeerd over de nazorg-instructies en op verzoek van klaagster werd een kopie van de echobeelden meegegeven.
3.7 Op 17 november 2023 nam klaagster telefonisch contact op met de huisarts.
Uit het huisartsendossier blijkt dat klaagster aangaf spijt te hebben van de abortus en dat alles heel snel was gegaan. Diezelfde dag belde klaagster ook naar de kliniek en sprak met de receptioniste. Klaagster liet weten spijt te hebben van haar beslissing en dat ze graag meer tijd had gehad om na te denken.
3.8 Naar aanleiding van het bericht van klaagster belde verweerster klaagster op 18 november 2023. Hierover werd het volgende genoteerd, voor zover relevant en letterlijk weergegeven:
“heeft veel spijtgevoelens, voelt nu als allemaal veel te snel gegaan. Zegt nu ook al net na inname van de medicijnen die gevoelens te gekregen te hebben, heeft dit niet met verpleging gedeeld. Zegt nu een soort van waas te hebben gehad. Heeft er nu echt moeilijk mee.Snapt dat het niet meer terug draaien is, is bij ons niet eerlijk geweest. heeft niet gezegd dat het lastig voor haar was, dat het te snel ging, ook niet gezegd dat de verwekker haar op kan halen ipv haar broer/schoonzus. Begrijpt dat het dan voor ons lastig is om dat te doorzien. heeft ook geen verwijt naar ons nu. Wilde het graag delen. Heeft ook angst dat ze niet meer zwanger kan worden. Gesproken met clte, aangehoord, gezegd dat ik het heel jammer vind dat ze haar twijfels niet heeft kunnen laten zien en we het niet hebben opgemerkt en dat ze nu zo veel verdriet heeft. Tip gegeven toch dingen op te schrijven en niet alleen te blijven. Aangeboden nog evt nagesprek te plannen, ook hulp zoeken bij de huisarts.”
3.9 Op 15 december 2023 nam klaagster telefonisch contact op met de kliniek en verzocht om inzage in haar dossier. Op 16 december 2023 diende klaagster schriftelijk een klacht in bij de kliniek en op 21 december 2023 haalde klaagster haar medisch dossier op. Op 9 januari 2024 vond een gesprek plaats met klaagster en haar moeder en de medisch coördinator van de kliniek over de door klaagster ingediende klacht. Op 24 januari 2024 spraken klaagster en de medisch coördinator elkaar telefonisch en werd onder meer de behandeling van de klacht aan klaagster teruggekoppeld. Per brief van 5 februari 2024 werd de inhoudelijke reactie op de klacht aan klaagster bevestigd.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Volgens klaagster heeft de arts in strijd gehandeld met de regelgeving zoals o.a. de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) alsmede met (de strekking van) de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) en de daarbij behorende algemene maatregel van bestuur, het Besluit afbreking zwangerschap (Besluit Wafz), doordat:
- verkeerde inschattingen zijn gemaakt over mentaal aspect van abortus;
- er geen overleg is gevoerd over de benodigde bedenktijd;
- er vooraf niet is gesproken over mogelijke alternatieven, zoals de Stichting Fiom (expertisecentrum ongewenste zwangerschappen, verwantschapsvragen en adoptie), of andere medische methoden (medicamenteuze behandeling);
- er onvoldoende tijd is gesproken met klaagster (géén twee gesprekken) waardoor klaagster onvoldoende professioneel is uitgevraagd;
- er onvoldoende tijd is genomen om te bespreken/te laten lezen waardoor klaagster ‘blind’ iets tekende: geen wezenlijk informed consent;
- is nagelaten te vragen of klaagster de echo wilde zien;
- er tijdens de ingreep gezellig gekletst werd over de kinderen van de daarbij aanwezige medewerksters waaronder verweerster;
- het dossier lacunair en onbetrouwbaar is: de dossiervoering voldoet o.a. niet aan artikel 7:454 van de WGBO;
zij niet bevoegd was om de (tweede trimester) behandeling uit te voeren, omdat zij
op dat moment nog nog niet het certificaat had behaald voor een ingreep in het tweede
trimester.
4.2 Verweerster voert - zakelijk weergegeven - aan dat klaagster uitgebreid is
voorgelicht en geïnformeerd over de behandeling, zoals klaagster ook verklaart in
het door haar ondertekende toestemmingsformulier. Er is tijdens het intakegesprek
nagegaan of klaagster zeker was van haar besluit en er waren geen aanwijzingen dat
klaagster langer de tijd nodig had. Vanwege een duidelijk geuite wens bestond er geen
aanleiding om klaagster door te verwijzen naar de Stichting Fiom (expertisecentrum
ongewenste zwangerschappen, verwantschapsvragen en adoptie) en omdat klaagster zich
in het tweede trimester bevond, was er geen alternatief mogelijk in de zin van een
medicamenteuze behandeling. Hoewel klaagster gesloten en verdrietig overkwam tijdens
het gesprek, is dit niet beschouwd als ‘verborgen twijfel’. Verweerster kan zich niet
meer herinneren of klaagster verzocht om de echobeelden te zien, maar meent dat het
patiënten altijd vrij staat om mee te kijken naar de echobeelden, ook als verweerster
dit niet zelf ter sprake brengt. Verweerster heeft lering getrokken uit het verwijt
over het voeren van een persoonlijk gesprek op de werkvloer, maar meent hiermee niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld. Er zijn geen aanwijzingen dat het
dossier lacunair, onbetrouwbaar en niet integer is. Verweerster was bevoegd en bekwaam
om de tweede trimester A-behandeling bij klaagster uit te voeren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Het is duidelijk dat klaagster nog steeds veel last heeft van de abortusverwerking. Zonder hier afbreuk aan te willen doen, moet het college op een zakelijke manier beoordelen of de arts binnen de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsbeoefening is gebleven. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
De beoordeling van de klacht
Klachtonderdelen a) t/m f) onzorgvuldige intake, informed consent en echobeelden
De beoordeling van de klacht Klachtonderdelen a) t/m f) onzorgvuldige intake, informed
consent en echobeelden
5.2 Het college ziet aanleiding om de klachtonderdelen a) tot en met f) gezamenlijk
te bespreken. Concreet verwijt klaagster verweerster dat zij een verkeerde inschatting
heeft gemaakt over het mentale aspect van een abortus, er geen overleg is gevoerd
over de benodigde bedenktijd, niet is gesproken over mogelijke alternatieven of andere
medische methoden, er onvoldoende tijd met klaagster is gesproken waardoor zij onvoldoende
professioneel is uitgevraagd en waardoor zij ‘blind’ een toestemmingsverkaring tekende
en is nagelaten om te vragen of zij de echobeelden wilde zien.
5.3 Verweerster meent expliciet te hebben gevraagd aan klaagster of zij voldoende tijd heeft gehad om na te denken over haar besluit en of ze het zeker wist. Klaagster uitte geen twijfel en leek zeker te zijn van haar besluit. Klaagster vroeg ook niet om meer bedenktijd en had zij dit wel gedaan, of laten merken dat zij twijfelde, dan had verweerster besloten om de behandeling niet uit te voeren en klaagster verwezen naar de Stichting Fiom .
5.4 Sinds 1 januari 2023 geldt op grond van artikel 3 lid 1 van de Wafz een flexibele bedenktermijn. Dit betekent dat de arts en de vrouw in gezamenlijk overleg een termijn vaststellen die nodig is om tot een weloverwogen besluit te komen. In artikel 5 van de Wafz staat dat er nadere eisen gelden met betrekking tot hulpverlening en besluitvorming. Hieronder valt ook de eis dat de arts tenminste één gesprek met de vrouw dient te voeren om te komen tot een zorgvuldige besluitvorming (artikel 3 lid 1 Besluit Wafz). Dit om te verzekeren dat de vrouw is voorgelicht over andere oplossingen dan het afbreken van de zwangerschap en dat zij haar verzoek in vrijwilligheid heeft gedaan na een zorgvuldige afweging en in het besef van haar veranwoordelijkheid voor ongeboren leven.
5.5 Uit een door klaagster opgestelde verklaring blijkt dat zij op 8 november 2023 bekend werd met haar zwangerschap door een positieve zwangerschapstest. Klaagster heeft op vrijdag 10 november 2023 met de huisarts haar voornemen tot het afbreken van de zwangerschap besproken. Klaagster kreeg een verwijsbrief mee en nam daarna zelf contact op met kliniek voor het maken van een afspraak voor behandeling. Verder staat vast dat klaagster op woensdag 15 november 2023, vijf dagen na het gesprek met de huisarts en één week sinds bekendheid met de zwangerschap, terecht kon in de kliniek. In de kliniek spraken klaagster en verweerster elkaar. Er geldt geen minimale tijd voor het voeren van een intakegesprek. Niet ter discussie staat dat de totale intake ongeveer een half uur duurde. Het college overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat verweerster onvoldoende tijd met klaagster heeft gesproken waardoor klaagster onvoldoende professioneel is uitgevraagd en er verkeerde inschattingen zijn gemaakt over het mentale aspect van abortus. Hoewel verweerster tijdens het gesprek opmerkte dat klaagster gesloten en verdrietig was, is dit niet opgevat als verborgen twijfel. Het college vindt het spijtig dat klaagster ter zitting aangaf niet te weten waarom zij geen ruimte voelde om haar twijfel te kunnen delen behalve via Whatsapp met de verwekker op de recovery en dat zij in een soort roes leefde, maar dit leidt niet tot het oordeel dat verweerster een verkeerde inschatting heeft gemaakt en dat klaagster hierdoor in haar keuzevrijheid met betrekking tot het al dan niet afbreken van de zwangerschap is beperkt. Het college is van oordeel dat uit de feiten niet blijkt dat er aanwijzingen waren dat klaagster toch verborgen twijfels had die verweerster had moeten opmerken. Hierbij speelt ook een rol dat klaagster al enige dagen eerder contact had met haar huisarts en tussen dat contact en het gesprek met verweerster ook nog vijf dagen lagen. Dit maakt de gedachte dat klaagster zich overvallen voelde en de indruk had dat zij geen kant meer op kon, niet voor de hand liggend. Klaagster tekende voor het uitvoeren van de behandeling een toestemmingsverklaring. Het tekenen van een ‘informed-consent formulier’ wordt niet door de WGBO of de Wafz verlangd en is daarmee niet verplicht. Wel bestaat voor de arts de plicht om in de status te vermelden dat er informed consent is verkregen. Dit is ook door verweerster gedaan. Klaagster nam vervolgens de voormedicatie in.
5.6 De richtlijn ‘Zwangerschapsafbreking tot 24 weken’ van de Nederlandse Vereniging
voor Obstetrie en Gynaecologie benoemt dat het belangrijk is om te vragen of de
vrouw het echobeeld wil zien. Verweerster verklaarde hierover dat gelet op de kameropstelling
het echobeeld buiten het gezichtsveld van de vrouw is, maar dat zij vraagt of de vrouw
de echo wil zien. Verweerster kan zich niet herinneren of zij dit destijds ook aan
klaagster heeft gevraagd. Klaagster heeft na de behandeling de echobeelden meegekregen
omdat zij daar om vroeg. Het door klaagster gestelde feit dat verweerster heeft nagelaten
om te vragen of zij de echobeelden wilde zien, kan het college niet vaststellen. Daarom
kan het college ook niet oordelen of verweerster hierin tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld.
5.7 Tot slot merkt het college op dat de ommissie op de website van de kliniek
waarop
vermeld stond dat een intakegesprek plaatsvindt met een arts én een verpleegkundige,
niet kan leiden tot het oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Vereist is dat een arts één of meer gesprekken met de vrouw voert om te
komen tot een zorgvuldige besluitvorming en dat is in de onderhavige situatie ook
gebeurd.
5.8 De klachtonderdelen a) tot en met f) zijn ongegrond.
Klachtonderdeel g) ongepast gesprek tijdens de behandeling
5.9 Dit klachtonderdeel ziet op een gesprek tijdens een moment van de ingreep
(de tijd die klaagster op de recovery was) over de kinderen van de daarbij aanwezige
medewerkers, waaronder verweerster. Verweerster vindt het spijtig dat klaagster het
gesprek met haar collega’s heeft kunnen opvangen en begrijpt dat dit vervelend kan
zijn. Zij heeft hier lering uit getrokken. Het college is van oordeel dat een dergelijk
gesprek niet passend is bij de setting, maar dat niet kan worden vastgesteld wat er
is gezegd, en daarmee ook niet kan worden geoordeeld dat de inhoud van het gesprek
tuchtrechtelijk verwijtbaar is aan verweerster. Klachtonderdeel g) is ongegrond.
Klachtonderdeel h) lacunair en onbetrouwbaar dossier
5.10 Het verwijt van klaagster houdt in dat het medisch dossier niet voldoet aan artikel 7:454 van de WGBO. Het medisch dossier is volgens klaagster onvolledig en op bepaalde punten onjuist. De naam, geboortedatum en een patiëntnummer ontbreken. Ook ontbreken de namen van de zorgverleners waardoor het dossier niet transparant is omdat niet is na te gaan wie wat heeft genoteerd of gewijzigd. Ten onrechte is door verweerster genoteerd dat klaagster geen contact meer heeft met de verwekker en dat zij door haar broer of schoonzus zou worden opgehaald. De controlevraag of de vrouw de echo wil zien en of het wettelijk voorgeschreven overleg over de bedenktijd heeft plaatsgevonden ontbreekt. Het medisch dossier kwalificeert zichzelf als onbetrouwbaar omdat er diverse keren “lijst onbetrouwbaar” staat.
5.11 Het college overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet
is gebleken wat klaagster verweerster precies verwijt. Het doel van het medisch dossier
is het waarborgen van goede en veilige zorg en dat continuïteit in de zorg aan klaagster
geboden kan worden. Klaagster is in het bezit van haar medisch dossier met daarin
NAW-gegevens en een patiëntnummer, de namen van de betrokken zorgverleners en aantekeningen
van de gegevens van klaagster voor zover dat voor een goede hulpverlening noodzakelijk
is. Het standpunt van klaagster mist dus feitelijke grondslag. Verweerster had geen
invloed op de werkwijze van het (digitale) systeem van de kliniek wat betreft de vermelding
“Categorie: lijst onbetrouwbaar” en dit kan haar dan ook niet persoonlijk verweten
worden. Het antwoord op de vraag wie klaagster na de behandeling zou komen ophalen
diende ter verificatie óf klaagster zou worden opgehaald gelet op het effect van de
medicatie (sedatie) op de rijvaardigheid. Dat het antwoord op de vraag van verweerster
(achteraf) niet blijkt te kloppen, omdat de verwekker klaagster kwam ophalen en niet
haar broer of schoonzus, betekent niet dat het medisch dossier onbetrouwbaar is. Daarmee
is klachtonderdeel h) ongegrond.
Klachtonderdeel i) niet bevoegd uitvoeren ingreep
5.12 In artikel 2 van de Wafz is bepaald dat een behandeling gericht op het
afbreken van een zwangerschap slechts mag worden verricht door een arts. Verweerster
is arts en daarmee bevoegd tot het verrichten van de ingreep. Dit klachtonderdeel
is ongegrond. Voor zover in de klacht moet worden gelezen dat verweerster voor deze
specifieke ingreep (nog) niet bevoegd was, faalt de klacht ook, omdat verweerster
al ruime ervaring had en zonodig kon terugvallen op haar supervisor.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
Publicatie
5.14 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere artsen kennis kunnen nemen van deze zaak. De publicatie
zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties
herleidbare gegevens.
Kostenveroordeling
5.15 Klaagster heeft verzocht de arts te veroordelen in de kosten die zij heeft
gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht
(gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Nu de
klacht ongegrond is kan van een kostenveroordeling geen sprake zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;
- wijst het verzoek van klaagster om een kostenveroordeling af;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften: Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door J. Sap, voorzitter, F. Boekkooi en H. de Haan, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door J.E.A. van Dooren-Gerding, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.