ECLI:NL:TGZRZWO:2026:40 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8293
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:40 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-03-2026 |
| Datum publicatie: | 12-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8293 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog over de behandeling van klager. Klager was vanwege een depressieve stoornis onder behandeling bij de organisatie waar verweerder werkte. Verweerder was als regiebehandelaar bij de behandeling betrokken. Klager verwijt verweerder onder meer dat niet werd ingegrepen bij tekenen van suïcidaliteit, gemaakte afspraken niet werden nagekomen en dat de begeleiding tijdens het ECT-traject onvoldoende was. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 10 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
GZ-psycholoog,
destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. C. Grondsma, advocaat te Leeuwarden.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is vanaf eind 2019 tot en met 2021 vanwege een depressieve stoornis
onder behandeling geweest bij GGZ-E. Verweerder was regiebehandelaar. Klager verwijt
verweerder kort gezegd dat hij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de behandeling
van klager.
1.2 Verweerder is van oordeel dat de klacht ongegrond is.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 9 oktober 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek met de daaraan gehechte reactie van de zijde van verweerder van 10 december 2025;
- de op 15 januari 2026 ontvangen nagekomen stukken van de zijde van klager.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 januari 2026. Klager en verweerder zijn daarbij in persoon verschenen. Klager is tijdens de zitting bijgestaan door de heer F. Verweerder is bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Grondsma. Klager en de gemachtigde van verweerder hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
2.3 Klager heeft naast de tuchtklacht tegen verweerder, tuchtklachten ingediend
tegen een medebehandelaar. Deze tuchtklachten zijn geregistreerd onder kenmerk Z2025/8291
en Z2025/8292. De zaken zijn gelijktijdig ter zitting behandeld. In alle zaken wordt
vandaag uitspraak gedaan.
3. De feiten
3.1 Klager werd in oktober 2019 door G aangemeld bij GGZ-E vanwege een persisterende depressieve stoornis. Klager werd aangemeld voor Intensive Home Treatment (IHT) en dagbehandeling Angst en Stemming. Op 11 oktober 2019 werd tijdens een toewijzingsoverleg bij GGZ-E besloten dat klager zou worden uitgenodigd voor een intake bij Angst en Stemming.
3.2 Op 23 oktober 2019 kwam vanuit G het bericht dat klager op dat moment in crisis zat, met het verzoek aan IHT hem over te nemen tot de intake bij Angst en Stemming, die half november 2019 zou plaatsvinden. Op 24 oktober 2019 ontving GGZ-E een tweede bericht vanuit G waarin werd aangegeven dat klager die dag met spoed was gezien op verwijzing van een waarnemend huisarts in verband met toegenomen depressie en suïcidaliteit. Dezelfde dag mailde een verpleegkundige in opleiding tot specialist mede namens de behandelmanager IHT D aan G geen indicatie te zien voor overname. Dit omdat geen sprake was van een crisissituatie bij een chronisch depressieve en suïcidale patiënt, waarbij de suïcidaliteit op dat moment als licht werd ingeschat. Klager nam aan het eind van de middag en aan het begin van de avond van 24 oktober 2019 telefonisch contact op via ‘spoed’, waarbij klager werd terugverwezen naar G.
3.3 Het intakegesprek bij Angst en Stemming vond plaats op 13 november 2019. Naast klager en zijn begeleider, waren hierbij aanwezig een GZ-psycholoog in opleiding en de GZ-psycholoog. Tijdens de intake gaf klager onder meer aan dat hij ECT (Elektroconvulsie-therapie) wilde en een partij zocht die ervoor open stond af te wijken van de daarvoor geldende richtlijn. Ook vroeg klager om een verklaring van waarom hij niet serieus was genomen toen hij “spoed” belde en vroeg hij om een nummer dat hij kon bellen als hij in crisis was. Klager heeft hierop na overleg het nummer van de crisisdienst gekregen dat hij zo nodig kon bellen. Ook werd met klager afgesproken dat hij die avond nog zou worden gebeld door de crisisdienst en dat de GZ-psycholoog de volgende dag telefonisch contact zou opnemen met klager. Dit is ook gebeurd.
3.4 Op 29 november 2019 gaf klager bij de behandelend psychiater aan geen dagbehandeling te willen en ook geen voorwerkgroep, maar ECT. Afgesproken werd om te zien wat klager al wel had gedaan en te zien of verwijzing naar H zinvol was als ECT-verwijzing maar dat dit ook kon als second opinion.
3.5 Op 12 december 2019 noteerde de GZ-psycholoog in het dossier dat klager werd aangemeld voor een second opinion gericht op ECT. Op 19 december 2019 noteerde de psychiater “ook verwijzen naar I mits binnen 3 maanden. Anders H voor advies vragen aangaande ECT. Gezien suïcidaliteit IHT DB vragen mee te ondersteunen en [initialen GZ-psycholoog; toevoeging RTG] gaat dit regelen en mogelijk meneer ook nog zien komende week.”
3.6 Klager werd op 19 december 2019 door de GZ-psycholoog aangemeld voor IHT.
Op 24 december 2019 startte klager met (IHT) dagbehandeling (in een groep) en PMT. Op 9 januari 2020 startte klager met creatieve therapie (BT).
3.7 De GZ-psycholoog stuurde de verwijsbrief voor een second opinion op 8 januari 2020 naar I.
3.8 In de daaropvolgende periode kwam klager regelmatig niet op de (IHT) dagbehandeling. Ook was het niet altijd mogelijk contact met klager te krijgen. Wel was er regelmatig contact tussen klager enerzijds en de GZ-psycholoog, psychiater en/of andere behandelaren anderzijds.
3.9 Nadat bekend werd dat bij I geen ECT-behandeling zou kunnen plaatsvinden werd klager in maart 2020 aangemeld bij H voor ECT. De verwijzing naar I voor de second opinion bleef wel staan. Kort hierna had de zorg te maken met beperkingen in verband met de uitbraak van het coronavirus. Op 28 april 2020 nam de GZ-psycholoog contact op met I. Door I werd meegedeeld dat op dat moment geen afspraken werden gepland en dat niet bekend was wanneer er weer gepland zou worden. De GZ-psycholoog nam dezelfde dag ook contact op met H. H liet weten binnen een paar weken meer duidelijkheid te kunnen verschaffen over het openstellen van de poli ziekenhuispsychiatrie en dat ECT-behandelingen vermoedelijk weer binnen een aantal weken opgestart zouden kunnen worden. Op 11 juni 2020 nam de GZ-psycholoog contact op met H. Naar aanleiding van dat contact noteerde de GZ-psycholoog dat de vermoedelijke wachttijd voor ECT-behandeling twee maanden bedroeg. De volgende dag nam de GZ-psycholoog contact op met I. Van dat contact noteerde hij dat zij de zorg weer aan het opschalen waren maar geen indicatie van de wachttijd konden geven. De ECT-behandeling startte in juli 2020 en eindigde op 9 november 2020.
3.10 In juli 2020 volgde een kennismaking bij K voor dagbesteding tijdens de zomervakantie.
3.11 Vanaf 7 oktober 2020 kreeg klager ook individuele creatieve therapie.
3.12 Naar aanleiding van de verwijzing naar I voor een second opinion vond in december 2020 een gesprek plaats bij I over behandelmogelijkheden. I adviseerde eerst uitgebreide diagnostiek te doen.
3.13 Klager werd verwezen naar FACT. In maart 2021 werd duidelijk dat FACT niet werd opgestart. Hierna werd de behandeling van klager bij GGZ-E afgesloten.
4. De klacht en de reactie van de GZ-psycholoog
4.1 Klager verwijt de GZ-psycholoog dat hij:
a) geen verklaring heeft gegeven voor de afwijzing van het vervroegen van de intake
bij GGZ E/inzet van ondersteuning ter overbrugging van de wachttijd;
b) gemaakte afspraken heeft gebroken en de vraag van klager om duidelijkheid en
afspraken niet serieus heeft genomen;
c) bij tekenen van suïcidaliteit niet heeft ingegrepen;
d) heeft verzuimd bij het in gang zetten en vervolgen van de aanmeldingen bij H
en L; klager niet op de hoogte heeft gehouden van de voortgang en hem niet heeft betrokken
bij de redenen voor zijn inactieve en afwachtende houding tijdens toenemende ernst
van zijn situatie; en de aanwezige aangedragen spoedopties niet heeft benut;
e) zijn hulpvraag heeft afgewezen en de zorgen van klager over deeltijdbehandeling
heeft genegeerd met nare conflicten tot gevolg;
f) de klacht over bejegening deeltijdbehandeling niet heeft doorgezet en dat de
afspraak zonder verklaring niet is doorgegaan;
g) onvoldoende fysieke afspraken heeft gepland; het beleid over opschalen naar fysieke
contactmomenten niet is nagekomen; expliciete verzoeken van collega’s om klager zelf
in persoon te zien heeft genegeerd; en fysieke huisbezoeken van de IHT heeft afgeschaald
naar telefoongesprekken;
h) beleid over dagelijkse contacten herhaaldelijk niet heeft nageleefd;
i) geen interventie of opschaling in gang heeft gezet nadat de omgeving van klager
aan de bel trok en klagers en andermans verzoeken om een klinische opname van klager
keer op keer weigerde of negeerde;
j) zich schuldig heeft gemaakt aan victim blaming, zwartmakerij en onterechte beschuldigingen;
en zijn verantwoordelijkheid als regiebehandelaar verwaarloosde door dit toe te laten
en klager hier niet tegen te beschermen;
k) geen begeleiding heeft gegeven/geregeld/gefaciliteerd tijdens het ECT-traject;
l) afwezig was bij MDO/H;
m) niet heeft ingegrepen bij geheugenklachten, verwarring en gevaarlijk gedrag.
4.2 De GZ-psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Verweerder is niet betrokken geweest bij de beoordeling of IHT D als overbrugging ingezet moest worden. Klager werd in eerste instantie aangemeld voor dagbehandeling van vier dagen per week. Ongeveer twee weken na de intake gaf klager aan geen dagbehandeling te willen en ook geen voorwerkgroep en dat hij wilde inzetten op een ECT-behandeling. Aan deze wens is gehoor gegeven en klager heeft nooit deelgenomen aan de deeltijdbehandeling bij Angst en Stemming. Omdat klager niet voldeed aan de voorwaarden voor een ECT-behandeling is hij eerst voor een second opinion verwezen naar I bij L. Daarnaast werd klager aangemeld voor een ECT-behandeling, waarvoor een wachttijd gold. De GZ-psycholoog en andere behandelaren hadden regelmatig contact met klager. Gedurende de behandeling zijn signalen (van suïcidaliteit) altijd serieus genomen. Als dit nodig was werd IHT ingezet. In dit kader is klager aangemeld voor IHT-DB (dagbehandeling). Van beschuldigingen en spot over klager vanwege het niet (altijd) aanwezig zijn bij deze dagbehandeling is geen sprake. De GZ-psycholoog heeft de klacht van klager over het gevoel niet serieus genomen te worden door de hulpverleners van IHT intern besproken in een bijeenkomst met hulpverleners en de manager algemene zaken IHT. IHT maakt zelfstandig een inschatting en bepaalt vervolgens of en welke interventies nodig zijn. Klager wijst erop dat collega’s van IHT hebben gerefereerd aan de afspraak dat de behandelaar een patiënt fysiek moet spreken voor verwijzing naar IHT. In dit geval was op basis van de telefonische contacten duidelijk dat IHT-inzet nodig was, dus kon daarvan worden afgezien. In de daaropvolgende periode is er ook veelvuldig contact geweest met klager, in het weekend vaak met IHT, doordeweeks met de GZ-psycholoog, de psychiater of de creatief therapeut. In geval van signalen van klager of zijn omgeving, is telkens gekozen voor crisisinterventies door IHT. IHT maakt daarbij een eigen beoordeling. De door de GZ-psycholoog opgestelde rapportages zijn neutraal en zakelijk. Van het zwartmaken van klager is geen sprake. De ECT-behandeling vond in H plaats onder verantwoordelijkheid van de gespecialiseerde behandelaren aldaar. Elke dinsdag vond in H overleg plaats over de ECT. Hierbij was vrijwel altijd iemand vanuit GGZ-E aanwezig, fysiek of telefonisch.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de GZ-psycholoog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) geven van een verklaring voor de beslissing de intake niet te vervroegen/niet
over te gaan tot ondersteuning ter overbrugging
5.2 Uit het behandeldossier blijkt niet dat de GZ-psycholoog op enigerlei wijze
betrokken is geweest bij de beoordeling of klager eerder dan de geplande intake bij
Angst en Stemming, zorg zou moeten worden aangeboden. Om die reden lag het ook niet
op de weg van de GZ-psycholoog klager een verklaring te geven voor de uitkomst van
deze beoordeling.
Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond. Klachtonderdelenl b) breken gemaakte afspraken/niet
serieus nemen van vraag van klager om duidelijkheid en afspraken en h) beleid over
dagelijkse afspraken
5.3 Op basis van wat in het dossier is vastgelegd kan niet worden geconcludeerd
dat klager in zijn vraag om duidelijkheid en afspraken onvoldoende serieus is genomen.
Met klager zijn op verschillende momenten afspraken gemaakt over inzet en wie met
hem contact zou opnemen en hoe dat contact zou plaatsvinden. Het uitgangspunt is dat
zoveel mogelijk wordt gehandeld overeenkomstig dergelijke principe-afspraken. Het
is echter niet altijd te voorkomen dat gemaakte afspraken over contact niet volledig
kunnen worden nagekomen. Door verwachte en onverwachte omstandigheden kan een contactmoment
soms (toch) niet haalbaar zijn. In geval van klager is er veelvuldige inzet van hulpverlening
geweest. Hierover zijn met klager ook duidelijke afspraken gemaakt. Deze afspraken
over contact in een bepaalde periode zijn ook telkens grotendeels nagekomen. Dit geldt
ook voor de afspraken over dagelijkse contacten. Dat niet altijd de principeafspraak
werd gehaald is onvoldoende voor het oordeel dat de GZ-psycholoog onzorgvuldig heeft
gehandeld. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het contact niet altijd plaatsvond
met de GZ-psycholoog of de psychiater maar met een andere behandelaar zoals de creatief
therapeut. Klachtonderdelen b) en h) zijn dan ook ongegrond.
Klachtonderdelen c) niet ingrijpen bij tekenen van suïcidaliteit en i) geen interventie
of opschaling bij signalen en negeren van verzoeken om opname
5.4 Al bij de intake heeft klager een telefoonnummer gekregen van de crisisdienst
waarmee hij contact op kon nemen in geval dat nodig was. Ook werd op 14 november 2019
een “formulier diagnostiek suïcidaal gedrag” ingevuld. Daarnaast is aan het begin
van de behandeling bij GGZ-E een signaleringsplan opgesteld en is dit ook bijgesteld
toen dit nodig was. Monitoring vond regelmatig plaats door middel van vragenlijsten
depressie. Wanneer er vanuit klager, zijn omgeving of vanuit de hulpverlening zelf,
signalen kwamen van toegenomen suïcidaliteit bij klager werd beoordeeld of en welke
extra hulp moest worden ingezet. Gedurende de behandelperiode is ook regelmatig IHT
ingeschakeld en is er veelvuldig contact geweest met klager. Het college constateert
dat de (soort) zorg waarmee werd ingegrepen niet altijd overeenkwam met de (soort)
zorg die klager of zijn omgeving voor ogen had (zoals een opname). Het is echter aan
de professionele beoordeling van de behandelaars om af te wegen welke zorg passend
en geboden is. Dat het ingrijpen onvoldoende was of niet paste bij de toestand van
klager op dat moment heeft het college niet kunnen vaststellen. Dat betekent dat ook
de klachtonderdelen c) en i) ongegrond zijn.
Klachtonderdeel d) verwijzing I en H en voortgang
5.5 Klager is op 8 januari 2020 aangemeld voor een second opinion en mogelijk
ECT bij I. Deze aanmelding volgde op de aantekeningen van de GZ-psycholoog van 12
december 2019 en de psychiater van 19 december 2019. Tussen deze notities en de uiteindelijke
aanmelding op 8 januari 2020 is niet onredelijk veel tijd verstreken. Toen I aangaf
dat ECT-therapie alleen in de eigen regio kon worden gegeven, is klager daar in maart
2020 voor aangemeld. Kort hierop brak de coronacrisis uit en werden zowel bij I als
bij H geen afspraken ingepland. De GZ-psycholoog heeft op 28 april 2020 zowel bij
I als bij H geïnformeerd naar de stand van zaken en dat op 11 en 12 juni 2020 nogmaals
gedaan. Hiermee is door de GZ-psycholoog voldoende voortvarend gehandeld naar aanleiding
van de verwijzing. Klachtonderdeel d) is daarmee ongegrond.
Klachtonderdelen e) afwijzen hulpvraag en inzet deeltijdbehandeling en klachtonderdeel f) niet doorzetten klacht over bejegening deeltijdbehandeling
5.6 Van het afwijzen van de hulpvraag is geen sprake. Klager gaf aan ECT te wensen. De behandelaars hebben vervolgens met klager meegedacht en gekeken wat nodig was om deze behandelwens van klager te kunnen realiseren. Desondanks bleek het niet mogelijk de ECT-behandeling direct te starten. In de periode tot aan de ECT zou klager onder meer medicamenteus behandeld worden. Ook werd hem deeltijdbehandeling en deelname aan een voorwerkgroep aangeboden bij Angst en Stemming. Klager heeft uitgelegd waarom hij van deze vorm van behandeling geen gebruik zou maken. Toen de toestand van klager verslechterde is een inschatting gemaakt van wat in de situatie nodig en mogelijk was. Dit leidde tot de inzet van IHT DB, onder meer bestaande uit deeltijdbehandeling. Het college begrijpt dat klager het vervelend vond dat hem weer een deeltijdbehandeling werd aangeboden, ondanks zijn ervaring en vrees dat hij regelmatig niet in staat zou zijn aan de verplichtingen van deze behandeling te voldoen. Dat betekent echter niet dat de inzet van IHT DB niet passend was in de situatie van klager. Klachtonderdeel e) is dan ook ongegrond.
5.7 Ook klachtonderdeel f) is ongegrond. Op 7 februari 2020 besprak klager met de GZ-psycholoog dat de bejegening door een verpleegkundige bij de deeltijdbehandeling hem dwars zat. Volgens de dossiernotitie zou klager hierover in gesprek gaan met de patiëntvertrouwenspersoon. Op 10 maart 2020 noteerde de GZ-psycholoog de klacht door te hebben gegeven aan de manager van de deeltijdbehandeling en deze ook mondeling met haar te zullen bespreken. Op 29 april 2020 noteerde de GZ-psycholoog wederom dat de klacht richting IHT werd doorgezet naar de behandelmanager. Uit een dossiernotitie van 28 juni 2020 blijkt dat de daaropvolgende dinsdag naar aanleiding van de klacht een gesprek zou plaatsvinden van klager met deeltijd IHT. Wat hiervan de uitkomst was kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld, ook niet dat klager hierover ontevreden was of nog nadere bemoeienis van de GZ-psycholoog wenste. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de GZ-psycholoog voldoende heeft gedaan naar aanleiding van de klacht van klager over de deeltijdbehandeling.
Klachtonderdeel g) onvoldoende fysieke afspraken
5.8 Bij de vraag of een afspraak met een patiënt fysiek moet plaatsvinden of
ook telefonisch kan, is leidend wat nodig is. Het is aan de behandelaar de professionele
inschatting te maken wat in een bepaalde situatie nodig is. Dat kan een fysiek contact
met de patiënt zijn maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Ook in gevallen waarin
een protocol uitgaat van een face-to-face contact met de patiënt of hier door een
collega om wordt gevraagd, kan een behandelaar besluiten dat in de gegeven omstandigheden
met een andere wijze van contact kan worden volstaan. Zoals hiervoor onder 5.3 ook
is overwogen, is het daarnaast zo dat gemaakte principeafspraken over hoe afspraken
zouden plaatsvinden in de praktijk niet altijd kunnen worden nagekomen. Dit is niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel g) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel j) victim blaming, zwartmakerij, onterechte beschuldigingen
5.9 De klacht dat sprake is van victim blaming, zwartmakerij en onterechte beschuldigingen
is onvoldoende onderbouwd. Klager heeft voorbeelden van verslaglegging overgelegd
waaruit volgens hem blijkt dat van hem een bepaald (negatief) beeld wordt geschetst.
De verslaglegging is, ook in de door klager aangedragen voorbeelden, echter neutraal
en zakelijk. Dat uit een verslaglegging een beeld naar voren komt van het verloop
van een behandeling, eventuele complicerende factoren bij een behandeling en blijkt
dat de patiënt en behandelaars niet altijd op één lijn zitten, is niet te voorkomen
en juist van belang voor de continuïteit van zorg. Dat betekent dat het verwijt dat
de GZ-psycholoog zich schuldig heeft gemaakt aan victim blaming, zwartmakerij en onterechte
beschuldigingen niet slaagt. Ook is er geen grond voor de conclusie dat de GZ-psycholoog
klager niet heeft beschermd tegen victim blaming, zwartmakerij en onterechte beschuldigingen
door anderen. Klachtonderdeel j) is ongegrond.
Klachtonderdelen k), begeleiding tijdens ECT-traject, l) aanwezigheid MDO met H en
m) ingrijpen bij geheugenklachten, verwarring en gevaarlijk gedrag
5.10 Vanaf het begin van de ECT-behandeling is door de GZ-psycholoog en andere
behandelaren frequent contact onderhouden met klager om de toestand van klager en
het effect van de ECT op het toestandsbeeld van klager te monitoren en te bespreken.
Ook is gehandeld naar aanleiding van de behoefte van klager aan meer begeleiding.
Zo is individuele creatieve therapie ingezet en werd klager (opnieuw) aangemeld voor
K. Uit de notities blijkt dat klager ook vragen had over hoe ECT precies werkte. Dat
klager hiervoor naar de uitvoerend (ECT)behandelaren werd verwezen is niet onzorgvuldig.
Klachtonderdeel k) is ongegrond.
5.11 Het college kan niet vaststellen hoe vaak de GZ-psycholoog of een van de medebehandelaars hebben deelgenomen aan een MDO van H. Klager stelt dat dit onvoldoende is gebeurd. De GZ-psycholoog stelt dat nooit is toegezegd dat hij of een medebehandelaar bij alle MDO’s aanwezig zou zijn, maar dat desalniettemin bij nagenoeg alle MDO’s een (mede)behandelaar aanwezig was. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat het contact dat vanuit GGZ E met H werd onderhouden onvoldoende was. Uit het dossier blijkt ook dat belangrijke zaken bij overleggen met H aan de orde kwamen, zoals het overschakelen van bilaterale op unilaterale ECT in verband met geheugenproblemen, maar ook de hartritmestoornis die op enig moment optrad tijdens een ECT-sessie. Dat H bij de GZ-psycholoog of andere behandelaren heeft aangegeven niet tevreden te zijn over de frequentie van overleg wordt door de GZ-psycholoog betwist en blijkt ook niet uit het dossier. Gezien het voorgaande heeft het college niet kunnen vaststellen dat de aanwezigheid op het MDO onvoldoende is geweest, klachtonderdeel l) is daarom ongegrond.
5.12 Fysieke verschijnselen die een direct gevolg zijn van de ECT, zoals (tijdelijke) verwardheid, hartritmestoornissen en tongbeet worden normaliter gemonitord door de instelling die de ECT-behandeling uitvoert. De instelling zal moeten beoordelen of het verantwoord is een patiënt na een ECT-sessie naar huis te laten gaan. Langer aanhoudende bijwerkingen van ECT, zoals geheugenproblemen, zijn zaken die aan de orde komen in een MDO of kunnen door de patiënt zelf aan de orde worden gesteld. In dit geval zijn de geheugenproblemen en de verwardheid besproken en is de ECT in verband met de geheugenproblemen ook omgezet van bilateraal naar unilateraal. Dat de GZ-psycholoog op dit punt onvoldoende voortvarend heeft gehandeld kan niet worden vastgesteld. Klachtonderdeel m) is ongegrond.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door W.P. Claus, voorzitter, L.P.T. Raijmakers en R. van
der Ree, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.