ECLI:NL:TGZRZWO:2026:4 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8194

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:4
Datum uitspraak: 09-01-2026
Datum publicatie: 13-01-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8194
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een neuroloog kennelijk ongegrond. Verweerster heeft in haar hoedanigheid van neuroloog de situatie van klaagsters moeder beoordeeld. Patiënte heeft in het buitenland een herseninfarct gehad en werd daarna overgeplaatst naar een ziekenhuis in Nederland. Daar verslechterde haar situatie. Patiënte is in het ziekenhuis overleden. De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerster voorafgaand aan het overlijden van patiënte.Klacht tegen een neuroloog kennelijk ongegrond. Verweerster heeft in haar hoedanigheid van neuroloog de situatie van klaagsters moeder beoordeeld. Patiënte heeft in het buitenland een herseninfarct gehad en werd daarna overgeplaatst naar een ziekenhuis in Nederland. Daar verslechterde haar situatie. Patiënte is in het ziekenhuis overleden. De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerster voorafgaand aan het overlijden van patiënte.

                 REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 9 januari 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

F,

neuroloog,

(destijds) werkzaam in J,

verweerster, hierna ook: de neuroloog,

gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek.


1.     De zaak in het kort
 

1.1     Verweerster heeft in haar hoedanigheid van neuroloog de situatie van klaagsters moeder beoordeeld. Patiënte heeft in K een herseninfarct gehad en werd daarna overgeplaatst naar een ziekenhuis in Nederland. Daar verslechterde haar situatie. Patiënte is in het ziekenhuis overleden. De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerster voorafgaand aan het overlijden van patiënte.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is, maar kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2.     De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift, ontvangen op 6 januari 2025;
  • de brief van de secretaris van 28 januari 2025, met het verzoek het klaagschrift aan te vullen;
  • het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 20 februari 2025;
  • het medisch dossier, ontvangen per e-mailbericht van klaagster op 17 maart 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 juni 2025.

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

2.4     Klaagster heeft gelijktijdig met deze klacht, klachten ingediend tegen andere zorgverleners. Deze zaken staan geregistreerd onder zaaknummers: Z2025/7975, Z2025/8192, Z2025/8193, Z2025/8195 en Z2025/8196 en Z2025/8197. In alle zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
 

3.     De feiten

3.1     Klaagster dient een klacht in namens haar moeder, L (patiënte). Patiënte is geboren in 1947 en overleden in het ziekenhuis op 21 november 2024.
 

3.2     Voorafgaand aan het verblijf in het ziekenhuis in Nederland was patiënte opgenomen in het ziekenhuis in K. Daar werd een groot herseninfarct geconstateerd in de rechter hersenhelft, waarna op 20 augustus 2024 in een kliniek een trombectomie (een ingreep waarbij een stolsel in een bloedvat wordt verwijderd) werd uitgevoerd, welke werd gecompliceerd door een slagaderlijke bloeding in de rechter hersenhelft. In verband met de noodzaak van behandeling en bewaking op de Intensive Care (IC) werd patiënte overgeplaatst naar een ander ziekenhuis. Als gevolg van het herseninfarct welke gecompliceerd werd door de hersenbloeding trad bij patiënte een volledige verlamming van de linkerzijde op in combinatie met slik- en spraakproblemen. Patiënte was tot 9 oktober 2024 opgenomen op de IC van het ziekenhuis in K, waar zij onder meer longklachten had. Onder andere ten behoeve van de langdurige beademing bij meerdere luchtweginfecties van patiënte werd een tracheacanule geplaatst in de luchtpijp.

3.3     Op 13 oktober 2024 werd patiënte, op verzoek van de familie, overgeplaatst naar het ziekenhuis in Nederland. In haar medisch dossier staat, voor zover van belang (alle citaten letterlijk weergegeven en bij weergave van namen degene die het betreft), bij opnamestatus IC op 13 oktober 2024:
Probleemlijst: 77-jarige vrouw met in de voorgeschiedenis hypertensie, DM2, astma, atriumfibrilleren, AVNRT, heden met:
1. Overname uit K, media infarct rechts (20-08) waarna trombectomie, gecompliceerd met SAB en hematoom rechter hemisfeer.
2. Tracheacanule na langdurige beademing
3. Forse decubitus wond stuit
4. MRSA verdenking
Beleid: SV M
- Opname lab
- Morgen wondvpk en logopedie icc
- Morgen canulewissel wegens niet passende canule op onze tussenstukken.
- Familie reeds vertrokken naar huis zonder te kunnen spreken, morgen nog FG met familie plannen.”

3.4     Op 14 oktober 2024 werd tijdens een multidisciplinair overleg (MDO) besproken dat patiënte de volgende dag, na een canulewissel, van de IC naar de Medium Care (MC) zou gaan. Patiënte werd hier multidisciplinair behandeld vanwege haar problematiek.

3.5     Tijdens een familiegesprek op 17 oktober 2024 werd besproken dat patiënte een nog lange weg te gaan had om te herstellen/verbeteren. Zolang ze een gecuffte[1] canule had, bleef ze op de MC. Na een eventuele decanulatie zou ze worden ontslagen naar de afdeling neurologie.

[1] Een opgeblazen ballonnetje dat ertoe diende het deel van de luchtpijp af te sluiten dat zich boven de tracheacanule bevindt.


3.6     Op 22 oktober 2024 werd op het MDO van de IC en de MC besproken dat het ontcuffen goed ging, en dat ze probeerden de cuff 24 uur ontlucht te laten. Als dat goed zou verlopen, kon de canule de volgende dag worden verwijderd. Op 23 oktober 2024 werd geprobeerd om de canule te verwijderen. In het dossier van patiënte staat:
Poging tot verwijderen canule osv [naam arts]. Bij verwijderen ontwikkelde pte een stridor en desatureerde zij tot 50%. Hierop werd een NRM met 15L O2 gegeven waarop de saturatie herstelde en werd besloten om een nieuwe canule te plaatsen (maat 6). Vooraf aan herplaatsen canule is door dr [RTG: de anesthesioloog] nog middels scopie de trachea beoordeeld. In de trachea zit uitgebreid granulatieweefsel (..).” De anesthesioloog overlegde met de afdeling KNO. Geadviseerd werd te starten met dexamethason en vernevelingen met corticosteroïden, en patiënte enkele dagen later te herbeoordelen. Op 24 oktober 2024 was er een familiegesprek, waarin onder meer de gang van zaken rondom de canulewissel werd besproken. Uitgelegd werd dat rondom de tracheacanule ontstekingsweefsel is ontstaan waarvoor patiënte nu wordt behandeld met ontstekingsremmers. Helaas kenden deze ontstekingsremmers ook weer complicaties maar waren er geen alternatieve behandelingen. Door de ontstekingsremmers ontregelde de glucosewaarde. Patiënte kreeg hiervoor een insulinepomp. Op 25 oktober 2024 werd er een tweede scopie verricht. Hierop was te zien dat het granuloom (ontstekingsweefsel) leek te slinken.
 

3.7     Op 28 oktober 2024 werd opnieuw een scopie verricht. In het dossier staat hierover:

Nieuwe scopie: zwelling afgenomen. Ook klinisch meer ruimte rondom canule. Besloten tot decanulatie, gaat goed.” Tijdens een MDO diezelfde dag werd besloten dat patiënte na de verwijdering nog één dag ter observatie zou blijven en dan naar de afdeling neurologie zou gaan voor verder herstel. In de overdracht aan de afdeling neurologie stond het beloop van de opname tot dan toe beschreven. Patiënte had nog ongeveer eenmaal per dienst een uitzuigbehoefte nu haar hoest- en slikfunctie nog beperkt was.

3.8     Op 29 oktober 2024 werd patiënte opgenomen op de afdeling neurologie met volledige verlamming van de linkerzijde, een spraak- en slikstoornis (waarvoor zij sondevoeding kreeg), ICU acquired weakness (IC-verworven spierzwakte), dagelijkse uitzuigbehoefte en een decubituswond. Op 30 oktober 2024 besprak een zaalarts de situatie van patiënte met de afdeling IC. Patiënte kon het slijm niet goed ophoesten en werd op dat moment drie keer per dag uitgezogen. Er werd geen verdere neurologische verbetering verwacht. In overleg met een intensivist werd besloten dat er geen indicatie was voor terugplaatsing op de afdeling IC. Op 1 november 2024 was er een familiegesprek over patiënte waarbij onder meer een zaalarts aanwezig was en de kwetsbare positie van patiënte werd besproken.

3.9     Patiënte startte op 2 november 2024 met antibiotica vanwege een longontsteking. Zij had onvoldoende kracht om op te hoesten en mocht zo nodig bij behoefte uitgezogen worden.

3.10     Op 4 november 2024 werd een van de specialisten van de IC (een anesthesioloog) in de beoordeling betrokken. In het medisch dossier staat:
“Conclusie: Bijgevraagd omdat familie achteruitgang bij patient detecteert. Vraag van consult is wat de bijdrage van de IC/MC kan zijn.

Sinds MC-ontslag:
- regelmatig diep uitzuigen door IC.
- desondanks pneumonie ontwikkeld.
- niet revalideerbaar, geen verder herstel gezien in week na ontslag.

Bij beoordeling:
- reutelende ademhaling, geen teken van stridor.
- rustige ademfrequentie
- helder en wakker, spreekt. Merkt zelf ook geen verbetering, vindt het uitzuigen verschrikkelijk.
- niet anders dan op de IC/MC qua functionaliteit.

Besproken met neurologie dat:
- gezien geen revalideerbaarheid, is IC/MC opname in de toekomst onwenselijk. Er is geen verdere vooruitgang, en dus geen overbrugbaar probleem. Patiente is te zwak om haar longen zelfstandig sputumvrij te houden, waardoor constant pneumonie-gevaar is.
- uitzuigen is gebleken dat het niet helpt om een pneumonie te voorkomen, daarom is het geen zinnige handeling. Daarbij heeft het wel veel ziekte lasten.
- als ik een en ander in een familiegesprek moet uitleggen, doe ik dat graag.

Beleid: Geen IC/MC-opname, niet reanimeren.
Niet meer uitzuigen.

Dit alles in het kader van geen nuttige handelingen bij een patiente met uitgebreide hersenschade.”

3.11     Een neuroloog had op 4 november 2024 een familiegesprek met de zoon en dochter van patiënte. Besproken werd de onvrede van de familie over de zorg op de afdeling neurologie. De familie gaf aan dat patiënte alleen maar zieker was geworden. Door de neuroloog werd uitleg gegeven en werden vragen beantwoord.

Patiënte had pijnklachten die haar verdere mobilisatie verhinderden en het pijnteam was betrokken in de behandeling van de pijn. Deze neuroloog legde het belang uit van het toedienen van pijnmedicatie, echter de familie wilde niet dat er morfine(-achtige) middelen gestart werden. De dochter wenste een spoedovername naar N, de betreffende neuroloog vertelde dat er overleg was geweest met N die patiënte niet over wilde nemen maar wel een papieren second opinion wilden verrichten. Besproken werd dat de kans reëel aanwezig was dat patiënte niet verder zou herstellen en mogelijk verder zou verslechteren. Tevens werden mogelijke complicaties besproken.

3.12     Op 8 november 2024 werd, na een MRI (voor uitsluiten van een botinfectie in het bekken) gestart met een vacuümpomp op de slecht helende wond op het stuitbeen. De familie gaf toestemming voor het gebruik van fentanyl als pijnstiller rondom het plaatsen en verwisselen van de pomp. Omdat patiënte nog steeds pijn aangaf werd de pijnmedicatie (o.a. pregabaline) verder opgehoogd (na overleg met de familie). Hierbij werd nogmaals de reële kans op verslechtering besproken. Op 12 november 2024 spraken onder meer een zaalarts en verweerster met de familie. Tijdens dit gesprek kwam het doel van de behandeling ter sprake, namelijk het voor patiënte nastreven van een zo goed mogelijke kwaliteit van leven. De pijn leek iets beter dragelijk te zijn na ophoging van de pregabaline. De decubituswond moest eerst genezen omdat deze anders ernstige infecties kon geven. De familie van patiënte had de wens voor meer fysiotherapie maar dat was lastig in combinatie met de vacuümpomp, waardoor patiënte alleen op haar linker- of rechterzij kon liggen. In overleg met een fysiotherapeut zou gekeken worden of het mogelijk was toch dagelijks met patiënte te oefenen. De familie gaf opnieuw aan graag te zien dat patiënte weer terugging naar de MC of werd overgeplaatst naar N. Door een neuroloog werd uitgelegd dat beide opties reeds uitvoerig besproken waren en er geen indicatie was voor terugplaatsing of overname.

3.13     Tijdens de visite van verweerster op 14 november 2024 bleek dat de gezondheidstoestand van patiënte verslechterde. Op een longfoto werden aanwijzingen voor een longontsteking gezien. De IC werd gevraagd patiënte te beoordelen. De IC noteerde in het medisch dossier:
77-jarige vrouw met in de voorgeschiedenis hypertensie, DM2, astma, atriumfibrilleren, AVNRT, nu langdurig opname bij de neurologie Hemiparalyse links. Facialis parese, dysartrose en slikproblemen. Tevens ICU aquired weakness, nu consult ivm
1. opnieuw verhoogde ademarbeid en dyspneu klachten met toename zuurstofbehoefte, meest verdacht voor (aspiratie) pneunomie

14-11-2024 aspiratiepneunomie

Reeds eerder besproken no return beleid naar MC/IC gezien neurologische beeld zie notitie van [RTG: de anesthesioloog] op 4-11

advies aan hoofdbehandelaar
- X-thorax
- lab BB, KNUK, CRP
- mogelijk nog een keer uitzuigen naar IC
- morfine 2,5 ms sc ter comfort
- advies met familie bespreken over hoe verder

3.14     Op 14 november 2024 was tevens een gesprek tussen een neuroloog met de dochter en twee zoons van patiënte. In het dossier werd, samenvattend, genoteerd:
Familie verhaal laten doen. Ze willen dat pte nu naar N of anders MC gaat. Noemen dat wij haar ziek gemaakt hebben. In K konden ze de longen wel schoon houden. En dat wij niet luisteren naar de wens van patiënt.
Benoemd dat pte erg ziek is, zoals overdag besproken nu longontsteking bijgekomen. Doel is haar zo comfortabel mogelijk te laten zijn. Overplaatsing naar N of MC zien we niet van toegevoegde waarde en gaan we ook vanavond/vannacht niet doen. Voor morgen staan gesprekken gepland om dit nader toe te lichten. Dochter bezorgd dat ze geen 24/7 toezicht en 1-op-1 verpleging heeft. Uitleg over huidige controles incl tussendoor binnenlopen. Dochter noemt geen gerust gevoel te hebben. Erkend dat pte erg ziek is. Gevraagd of familie blijft slapen, dat willen/kunnen ze niet. Willen wel gebeld worden bij achteruitgang. Benoemd dat voor nu stabiel lijkt maar dat ze hieraan kan komen te overlijden. Dit is helaas voor ons geen onbekend beloop na een herseninfarct. 1 zoon lijkt dit goed te begrijpen, dochter geeft aan ‘dat een zh toch is om je beter te maken’. Gevraagd om de vpk dan ook hun werk te laten doen, zoals controles en evt uitzuigen.

3.15     Op 15 november 2024 ontving het ziekenhuis de papieren second opinion (gedateerd 12 november 2024) van N. Op deze dag was er wederom een familiegesprek met de dochter, schoondochter, intensivist, verpleegkundige en een zaalarts. Tijdens dit gesprek werd besproken dat N geen indicatie zag patiënte over te nemen, kreeg de familie uitleg waarom patiënte niet naar de IC/MC werd overgeplaatst en waarom er geen nieuwe canule werd geplaatst. Dit was omdat dit geen medisch zinvolle handeling was en het probleem zou terugkeren zodra de canule weer werd verwijderd. Ook werd door de intensivist aangegeven dat de IC/MC niet meer zou komen uitzuigen. De artsen vertelden dat het feit dat patiënte steeds zieker werd kwam door de neurologische schade die patiënte had opgelopen en alle gevolgen daarvan (o.a. slikken, bedlegerigheid, longontsteking). De familie vroeg nu om overplaatsing naar O. In samenspraak met de familie werd een communicatieplan opgesteld voor het contact met de naasten en de hulpverleners.

3.16     Op 15 november 2024 werd overlegd met een neuroloog van O. Deze neuroloog zag geen indicatie om patiënte over te nemen. Ook in O zou patiënte niet naar de IC/MC gaan en zou zij dezelfde behandeling krijgen als in het ziekenhuis waar patiënte verbleef.
 

3.17     Op 16 november 2024 was er weer een familiegesprek, waaraan onder andere een zaalarts deelnam. In het verslag van dit gesprek staat genoteerd:
Concluderend doen wij dus alles binnen onze medische macht wat we kunnen, terug naar de MC en IC en een tracheacanule en uitzuigen horen hier niet bij, dit verlengt alleen maar haar lijdensweg en lost de longontsteking niet op, want de hoestkracht en kracht om dit op te lossen heeft ze niet. Familie zegt dat ze dit begrijpen maar willen nog steeds dat ze uitgezogen wordt. Als IC hier wordt geweigerd omdat het medisch niet zinnige zorg is. Vragen zich af waarom dit eerder wel is gedaan ,uitleg dat het toen was om het probleem te overbruggen en ook op wens van familie maar dit probleem niet meer te overbruggen is.” Verder werd tijdens dit gesprek besproken dat met patiënte haar neurologische ziektebeeld, met een canule leven geen optie was en dat uit coulance naar de familie en patiënte toe vanuit de IC de zorg werd geboden om uit te zuigen. Nu dit te frequent moest gebeuren en er niets mee opgelost werd en patiënte bovendien pijn had als het gebeurde, is besloten hiermee te stoppen. De familie eiste dat patiënte terugging naar de MC om een canule te krijgen, maar de artsen legden uit dat dit de maximale behandeling was die zij patiënte konden geven.

3.18     In overleg met de familie werd op 16 november 2024 besloten tot andere antibiotica en het incidenteel toedienen van morfine, om het patiënte comfortabel te kunnen maken en de prikkel van benauwdheid weg te nemen.

3.19     Tijdens de visite van 17 november 2024 sprak een neuroloog samen met een zaalarts met de familie. Patiënte ging achteruit, en reageerde niet meer op aanspreken. Het beleid werd gericht op comfort en er werden geen formele controles meer uitgevoerd. Ook het vernevelen werd stopgezet.

3.20     Op 19 november 2024 had verweerster een gesprek met de familie, in bijzijn van een zaalarts. Hier werd onder andere gesproken over het comfort van patiënte, het palliatieve team zag geen mogelijkheid voor andere acties. Verder werd gesproken over het aantal bezoekers dat patiënte per keer mocht bezoeken.

3.21     Tijdens de daarop volgende dagen verslechterde de situatie van patiënte. Patiënte overleed op 21 november 2024.
 

4. De klacht en de reactie van de neuroloog
 

4.1     Klaagster verwijt verweerster dat zij:

  1. patiënte niet heeft overgeplaatst naar de IC/MC afdeling van het ziekenhuis;
  2. heeft geweigerd het vocht uit de luchtwegen van patiënte te verwijderen;
  3. patiënte geen inhalerspray heeft gegeven en geen zorgmaatregelen heeft genomen, waardoor patiënte een longontsteking heeft opgelopen;
  4. de familie niet op de hoogte heeft gehouden van veranderingen in de zorg zoals toedienen van nieuwe pijnstillers en het verhogen van medicatie;
  5. de familie van patiënte hoop heeft gegeven op het langzaam beter worden van patiënte, maar deze belofte niet is nagekomen.
     

4.2     Verweerster heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het klachtonderdeel b) betreft en de overige klachtonderdelen ongegrond te verklaren. Subsidiair verzoekt verweerster ook klachtonderdeel b) ongegrond te verklaren. Op hetgeen verweerster heeft aangevoerd wordt hieronder, voor zover van belang, nader ingegaan.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5.     De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     Het college stelt voorop dat het heel triest is dat klaagster haar moeder heeft verloren. Duidelijk is dat zij daar nog dagelijks verdriet en gemis van ondervindt. Zonder hier afbreuk aan te willen doen, moet het college op een zakelijke manier beoordelen of verweerster binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
 

5.2     De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende neuroloog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de neuroloog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
 

5.3     Het college stelt vast dat uit het medisch dossier blijkt van betrokkenheid van verweerster op de afdeling neurologie op 9, 10 (voorafgaand aan de formele overdracht), 11, 12, 14, 15, 18, 19 en 21 november 2024. Vanaf 11 november 2024 kreeg zij de zorg overgedragen en was zij als afdelingssupervisor en hoofdbehandelaar betrokken bij de zorg aan patiënte. Onder supervisie van verweerster werd patiënte voornamelijk gezien door de zaalarts.
 

5.4     Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hieronder nader toelichten.

Klachtonderdeel a) weigering overplaatsing naar IC/MC

5.5     De vraag of een opname op de IC/MC voor patiënte toegevoegde waarde had, is diverse keren geëvalueerd en besproken met de familie van patiënte. Voordat verweerster betrokkenheid kreeg bij de behandeling van patiënte, namelijk op 4 november 2024, is door de anesthesioloog geëvalueerd wat de toegevoegde waarde van de IC/MC zou kunnen zijn. Met de afdeling neurologie is toen besloten dat IC/MC opname in de toekomst onwenselijk was omdat patiënte niet revalideerbaar was. Nu er geen verdere vooruitgang van haar medische conditie was, was er geen sprake van een overbrugbaar probleem. Bovendien was de afdeling neurologie gelet op haar medische situatie de passende en juiste afdeling voor patiënte. Nu deze beslissing is genomen voorafgaand aan de betrokkenheid van verweerster, is zij daarvoor niet tuchtrechtelijk aansprakelijk. Met de familie bespraken de specialisten daarna meerdere keren waarom patiënte niet terug zou keren naar de IC/MC. Zo sprak verweerster op 12 november 2024 met de familie over hun wens patiënte over te plaatsen, waarbij ook door verweerster is aangegeven dat een overname door de IC/MC geen meerwaarde voor patiënte had. Het college acht dat standpunt van verweerster navolgbaar, nu er gedurende de betrokkenheid van verweerster geen aanleiding voor haar was om af te wijken van het eerder ingezette beleid. Ook in de second opinion van N van 12 november 2024 heeft verweerster naar het oordeel van het college geen aanleiding hoeven zien om patiënte terug te plaatsen naar de IC/MC, nu daaruit juist bleek dat er ten tijde van de eerdere overplaatsing naar de afdeling neurologie medisch gezien geen indicatie was om langer op de IC/MC te blijven. Verweerster heeft ten tijde van haar betrokkenheid dan ook geen indicatie hoeven zien om patiënte terug te plaatsen op de IC/MC. Verweerster heeft zorgvuldig gehandeld. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) weigeren luchtwegen uit te zuigen

5.6     Verweerster heeft primair naar voren gebracht dat klaagster met deze klacht niet de wil van patiënte vertegenwoordigt en niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel, omdat patiënte zelf aangaf het uitzuigen ‘verschrikkelijk’ te vinden. Het college komt tot het oordeel dat klaagster wel ontvankelijk is in dit klachtonderdeel. Uit de notitie van de anesthesioloog van 4 november 2024 in het medisch dossier[2] volgt, zoals verweerster terecht stelt, dat patiënte in dat gesprek heeft aangegeven dat ze het uitzuigen van haar longen verschrikkelijk vond. Uit deze notitie blijkt ook dat de anesthesioloog met neurologie heeft besproken dat gebleken is dat uitzuigen niet helpt om een longontsteking te voorkomen, het daarom geen zinnige handeling is maar wel veel ziektelast geeft. Uit het feit dat patiënte het uitzuigen van de longen verschrikkelijk vond, kan echter niet worden afgeleid dat in samenspraak met patiënte is besloten de longen niet langer uit te zuigen of dat patiënte zelf het niet langer wilde. Het college vindt hiervoor onvoldoende concrete aanwijzingen in het dossier, anders dan notities die als kernbron het gesprek van de anesthesioloog met patiënte op 4 november 2024 lijken te hebben. Dat klaagster niet kan worden ontvangen in dit klachtonderdeel nu zij niet de wil van patiënte zou vertegenwoordigen, volgt het college dan ook niet. Het college zal dit klachtonderdeel hieronder inhoudelijk beoordelen.
 

[2] Notitie vervolgconsult IC op 4 november 2024.

5.7     Het college constateert dat er op 4 november 2024 door de anesthesioloog is aangegeven dat er niet meer wordt uitgezogen omdat dit geen zinnige handeling voor patiënte is, maar haar wel veel ziektelast geeft. Op 16 november 2024 heeft er een familiegesprek plaatsgevonden met één van de betrokken intensivisten. In dat gesprek is wederom uitgelegd waarom zowel het uitzuigen van de luchtwegen alsmede een opname op de IC/MC niet meer bijdroegen aan de zorg van patiënte. Een collega-neuroloog heeft dit op 17 november 2024 herhaald in het gesprek met klaagster en aangegeven dat de longen van patiënte niet meer uitgezogen zouden worden. Uit het medisch dossier blijkt dat in de gesprekken tussen verweerster en de familie van patiënte op 18 en 19 november 2024 het uitzuigen van de longen van patiënte ook aan de orde is gesteld door de familie. Door verweerster is in die gesprekken wederom uitgelegd dat het uitzuigen geen zinvolle medische behandeling meer is, waarbij verwezen is naar de eerdere uitlatingen daarover door de IC-arts. Het college volgt verweerster in haar handelwijze en is van oordeel dat verweerster zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de longen van patiënte op 18 en 19 november 2024 niet meer zouden worden uitgezogen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is dan ook geen sprake. Dit klachtonderdeel is, gelet op het voorgaande, kennelijk ongegrond.
 

Klachtonderdeel c) niet geven inhalerspray en onvoldoende zorgmaatregelen

5.8     In het verweerschrift stelt verweerster dat zij volgens het protocol heeft gehandeld en de algemene voorzorgsmaatregelen heeft nageleefd terwijl zij zorg verleende aan patiënte. Klaagster heeft dit verwijt onvoldoende onderbouwd, zodat het college geen aanleiding ziet te twijfelen aan het door verweerster gestelde. Bovendien is, zoals verweerster terecht stelt, het oplopen van een longontsteking, hoe spijtig ook, een veelvoorkomend gevolg bij patiënten zoals patiënte en had dit niet voorkomen kunnen worden door het dragen van een mondmasker en/of handschoenen. Ten aanzien van het verwijt dat ten onrechte is gestopt met het toedienen van de inhalerspray, overweegt het college als volgt. Uit het medisch dossier[3] volgt dat patiënte niet meer in staat was de inhalerspray (beclometason) effectief te inhaleren. Op de IC, dus voordat verweerster betrokken was bij de behandeling, is daarom reeds gestart met een ander geneesmiddel (salbutamol/ipratropium) als alternatief, dat door verneveling in de luchtwegen terechtkwam. Dat betreft dus niet een handelen van verweerster zodat zij daarvoor om die reden ook niet tuchtrechtelijk aansprakelijk is. Op advies van de IC werd vanaf 2 november 2024 ook acetylcysteïne toegediend via verneveling. Hiermee werd het slijm in de luchtwegen verdund en kon dit makkelijker worden opgehoest. Het blijven toedienen van de beclometason, terwijl patiënte niet in staat was dit te inhaleren, was gelet op het voorgaande zinloos en patiënte is een goed alternatief geboden. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.
 

[3] Bijvoorbeeld de aantekeningen van 30 oktober 2024 en 2 november 2024.

Klachtonderdelen d) en e) op de hoogte houden en bejegening familie

5.9     Voor zover klaagster het verweerster verwijt dat zij de familie van patiënte onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van alle relevante ontwikkelingen en de familie hoop heeft gegeven op verbetering van de situatie, wordt als volgt overwogen. Naar het oordeel van het college biedt het medisch dossier onvoldoende feitelijke grondslag voor deze verwijten. Uit het dossier blijkt dat er intensief contact is onderhouden met de familie van patiënte, om hen actief op de hoogte te stellen van de relevante ontwikkelingen. Niet gebleken is dat verweerster hierbij in haar zorgplicht tekort is geschoten. Uit de aantekeningen, zoals deze onder meer volgen uit het feitenverloop, volgt tot slot niet dat een verkeerd of te positief beeld is geschetst van de situatie. Deze klachtonderdelen zijn eveneens kennelijk ongegrond.

Slotsom

5.10     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6.     De beslissing

De klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 9 januari 2026door M.J.C. Dijkstra, voorzitter, D.G. Snijdelaar en M. Beudel, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.