ECLI:NL:TGZRZWO:2026:39 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8291 en Z2025/8292

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:39
Datum uitspraak: 10-03-2026
Datum publicatie: 12-03-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8291 en Z2025/8292
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een psychiater/psychotherapeut. Klager was vanwege een depressieve stoornis onder behandeling bij de organisatie waar verweerder werkte. Verweerder was bij de behandeling betrokken. Klager verwijt verweerder onder meer dat niet werd ingegrepen bij tekenen van suïcidaliteit, gemaakte afspraken niet werden nagekomen en dat de begeleiding tijdens het ECT-traject onvoldoende was.  


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 10 maart 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

psychiater en psychotherapeut,

destijds werkzaam in D,

verweerder,

gemachtigde: mr. C. Grondsma, advocaat te Leeuwarden.

1. De zaak in het kort
 

1.1     Klager is vanaf eind 2019 tot en met 2021 vanwege een depressieve stoornis onder behandeling geweest bij GGZ-E. Verweerder was bij de behandeling betrokken. Klager verwijt verweerder kort gezegd dat hij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de behandeling van klager.
 

1.2     Verweerder is van oordeel dat de klacht ongegrond is.
 

1.3     Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
 

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 maart 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen;
  • het proces-verbaal van het op 9 oktober 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek met de daaraan gehechte reactie van de zijde van verweerder van 10 december 2025;
  • de op 15 januari 2026 ontvangen nagekomen stukken van de zijde van klager.

2.2    De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 januari 2026. Klager en verweerder zijn daarbij in persoon verschenen. Klager is tijdens de zitting bijgestaan door de heer F. Verweerder is bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Grondsma. Klager en de gemachtigde van verweerder hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

2.3     Klager heeft tuchtklachten ingediend tegen verweerder in de hoedanigheid van psychiater (zaak met kenmerk Z2025/8291) en in de hoedanigheid van psychotherapeut (zaak met kenmerk Z2025/8292). Klager heeft daarnaast een tuchtklacht ingediend tegen een medebehandelaar (zaak met kenmerk Z2025/8293). De zaken zijn gelijktijdig ter zitting behandeld. In alle zaken wordt vandaag uitspraak gedaan.
 

3. De feiten
 

3.1       Klager werd in oktober 2019 door G aangemeld bij GGZ-E vanwege een persisterende depressieve stoornis. Klager werd aangemeld voor Intensive Home Treatment (IHT) en dagbehandeling Angst en Stemming. Op 11 oktober 2019 werd tijdens een toewijzingsoverleg bij GGZ-E besloten dat klager zou worden uitgenodigd voor een intake bij Angst en Stemming.

3.2       Op 23 oktober 2019 kwam vanuit G het bericht dat klager op dat moment in crisis zat, met het verzoek aan IHT hem over te nemen tot de intake bij Angst en Stemming, die half november 2019 zou plaatsvinden. Op 24 oktober 2019 ontving GGZ-E een tweede bericht vanuit G waarin werd aangegeven dat klager die dag met spoed was gezien op verwijzing van een waarnemend huisarts in verband met toegenomen depressie en suïcidaliteit. Dezelfde dag mailde een verpleegkundige in opleiding tot specialist mede namens de behandelmanager IHT D aan G geen indicatie te zien voor overname. Dit omdat geen sprake was van een crisissituatie bij een chronisch depressieve en suïcidale patiënt, waarbij de suïcidaliteit op dat moment als licht werd ingeschat. Klager nam telefonisch contact op via ‘spoed’ waarbij klager werd terugverwezen naar G.

3.3       Het intakegesprek bij Angst en Stemming vond plaats op 13 november 2019. Naast klager en zijn begeleider, waren hierbij aanwezig een GZ-psycholoog in opleiding en H, GZ-psycholoog en regiebehandelaar. Tijdens de intake gaf klager onder meer aan dat hij ECT (Elektroconvulsietherapie) wilde en een partij zocht die ervoor open stond af te wijken van de daarvoor geldende richtlijn. Ook vroeg klager om een verklaring van waarom hij niet serieus was genomen toen hij “spoed” belde en vroeg hij om een nummer dat hij kon bellen als hij in crisis was. Klager heeft hierop na overleg het nummer van de crisisdienst gekregen dat hij zo nodig kon bellen. Ook werd met klager afgesproken dat hij die avond nog zou worden gebeld door de crisisdienst en dat de GZ-psycholoog de volgende dag telefonisch contact zou opnemen met klager. Dit is ook gebeurd.

3.4       Op 29 november 2019 gaf klager bij verweerder aan geen dagbehandeling te willen en ook geen voorwerkgroep, maar ECT. Afgesproken werd om te zien wat klager al wel had gedaan en te zien of verwijzing naar I zinvol was als ECT-verwijzing maar dat dit ook kon als second opinion.

3.5       Op 12 december 2019 noteerde de regiebehandelaar in het dossier dat klager werd aangemeld voor een second opinion gericht op ECT. Op 19 december 2019 noteerde de psychiater “ook verwijzen naar J mits binnen 3 maanden. Anders I voor advies vragen aangaande ECT. Gezien suïcidaliteit IHT DB vragen mee te ondersteunen en [initialen regiebehandelaar; toevoeging RTG] gaat dit regelen en mogelijk meneer ook nog zien komende week.”

3.6       Klager werd op 19 december 2019 door de regiebehandelaar aangemeld voor IHT.

Op 24 december 2019 startte klager met (IHT) dagbehandeling (in een groep) en PMT. Op 9 januari 2020 startte klager met creatieve therapie (BT).

3.7       De regiebehandelaar stuurde de verwijsbrief voor een second opinion op 8 januari 2020 naar het J.

3.8       In de daaropvolgende periode kwam klager regelmatig niet op de (IHT) dagbehandeling. Ook was het niet altijd mogelijk contact met klager te krijgen. Wel was er regelmatig contact tussen klager enerzijds en de regiebehandelaar, verweerder en/of andere behandelaren anderzijds.

3.9       Nadat bekend werd dat bij J geen ECT-behandeling zou kunnen plaatsvinden werd klager in maart 2020 aangemeld bij I voor ECT. De verwijzing naar J voor de second opinion bleef wel staan. Kort hierna had de zorg te maken met beperkingen in verband met de uitbraak van het coronavirus. Op 28 april 2020 nam de regiebehandelaar contact op met J. Door J werd meegedeeld dat op dat moment geen afspraken werden gepland en dat niet bekend was wanneer er weer gepland zou worden. De regiebehandelaar nam dezelfde dag ook contact op met het I. Het I liet weten binnen een paar weken meer duidelijkheid te kunnen verschaffen over het openstellen van de poli ziekenhuispsychiatrie en dat ECT-behandelingen vermoedelijk weer binnen een aantal weken opgestart zouden kunnen worden. Op 11 juni 2020 nam de regiebehandelaar contact op met I. Naar aanleiding van dat contact noteerde de regiebehandelaar dat de vermoedelijke wachttijd voor ECT-behandeling twee maanden bedroeg. De volgende dag nam de regiebehandelaar contact op met J. Van dat contact noteerde hij dat zij de zorg weer aan het opschalen waren maar geen indicatie van de wachttijd konden geven. De ECT-behandeling startte in juli 2020 en eindigde op 9 november 2020.

3.10     In juli 2020 volgde een kennismaking bij L voor dagbesteding tijdens de zomervakantie.

3.11     Vanaf 7 oktober 2020 kreeg klager ook individuele creatieve therapie.

3.12     Naar aanleiding van de verwijzing naar J voor een second opinion vond in december 2020 een gesprek plaats bij J over behandelmogelijkheden. J adviseerde eerst uitgebreide diagnostiek te doen.

3.13     Klager werd verwezen naar FACT. In maart 2021 werd duidelijk dat FACT niet werd opgestart. Hierna werd de behandeling van klager bij GGZ-E afgesloten.

4. De klacht en de reactie van verweerder
 

4.1     Klager verwijt verweerder dat hij:

a) de intake van klager bij GGZ E niet heeft vervroegd en geen ondersteuning als overbrugging van de wachttijd heeft geboden terwijl klager in crisis zat én dat hij geen verklaring heeft gegeven voor de afwijzing van het vervroegen van de intake bij GGZ E/inzet van ondersteuning ter overbrugging van de wachttijd;
b) de vraag om duidelijkheid en afspraken van klager niet serieus heeft genomen en gemaakte afspraken heeft gebroken;
c) bij tekenen van suïcidaliteit niet heeft ingegrepen;
d) heeft verzuimd bij het in gang zetten en vervolgen van de aanmeldingen bij I en het M; klager niet op de hoogte heeft gehouden van de voortgang en hem niet heeft betrokken bij de redenen voor zijn inactieve en afwachtende houding tijdens toenemende ernst van zijn situatie; de aanwezige aangedragen spoedopties niet heeft benut;
e) onvoldoende fysieke afspraken heeft geboden; eigen beleid over zowel toegezegde als geplande fysieke afspraken niet is nagekomen; het beleid over opschalen naar fysieke contactmomenten niet is nagekomen; expliciete verzoeken van collega’s om klager zelf in persoon te zien heeft genegeerd; fysieke huisbezoeken van de IHT heeft afgeschaald naar telefoongesprekken;
f) beleid over dagelijkse contacten herhaaldelijk niet heeft nageleefd;
g) geen interventie of opschaling in gang heeft gezet nadat de omgeving van klager aan de bel trok; klagers en andermans verzoeken om een klinische opname van klager keer op keer weigerde of negeerde;
h) zich schuldig heeft gemaakt aan victim blaming, zwartmakerij en onterechte beschuldigingen;
i) geen begeleiding heeft gegeven/geregeld/gefaciliteerd tijdens het ECT-traject en de verantwoordelijkheid hiervoor constant naar collega’s, I of klager verschuift;
j) afwezig was bij MDO/I;
k) niet heeft ingegrepen bij geheugenklachten, verwarring en gevaarlijk gedrag.

4.2     Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Verweerder is niet betrokken geweest bij de beoordeling of IHT D als overbrugging ingezet moest worden. Klager werd in eerste instantie aangemeld voor dagbehandeling van vier dagen per week. Het verzoek van klager om frequente contacten ontstond vooral doordat hij het programma van de dagbehandeling niet volledig oppakte en daardoor contactmomenten miste. Klager werd aangemeld voor een ECT-behandeling waarvoor een wachttijd was. Die is benut om klager medicamenteus te behandelen. Met klager was regelmatig contact met verweerder, de regiebehandelaar en de andere behandelaren. Gedurende de behandeling zijn signalen (van suïcidaliteit) altijd serieus genomen. Als dit nodig was werd IHT ingezet. IHT maakt zelfstandig een inschatting en bepaalt vervolgens of en welke interventies nodig zijn. Daarbij was verweerder dus niet betrokken. Klager wenste een ECT-behandeling, maar voldeed niet aan de voorwaarden daarvoor. Daarom is klager eerst voor een second opinion verwezen naar J bij M. Op 18 maart 2020 werd klager ook aangemeld bij I. De regiebehandelaar heeft telkens contact onderhouden met J om te overleggen over de wachttijd en de mogelijkheid die te verkorten. Vanaf maart 2020 golden richtlijnen van het RIVM in verband met de coronapandemie. Verweerder heeft deze maatregelen in acht genomen. Klager wijst erop dat collega’s van IHT hebben gerefereerd aan de afspraak dat de behandelaar een patiënt fysiek moet spreken voor verwijzing naar IHT. In dit geval was op basis van de telefonische contacten duidelijk dat IHT-inzet nodig was, dus kon daarvan worden afgezien. In de daaropvolgende periode is er ook veelvuldig contact geweest met klager, in het weekend vaak met IHT, doordeweeks met de psychiater, de regiebehandelaar of de creatief therapeut. In geval van signalen van klager of zijn omgeving, is telkens gekozen voor crisisinterventies door IHT. De door verweerder opgestelde rapportages zijn neutraal en zakelijk. Van het zwartmaken van klager is geen sprake. De ECT-behandeling vond in I plaats onder verantwoordelijkheid van de gespecialiseerde behandelaren aldaar. Elke dinsdag vond in I overleg plaats over de ECT. Hierbij was vrijwel altijd iemand vanuit GGZ-E aanwezig, fysiek of telefonisch.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater/psychotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) niet vervroegen van de intake/niet bieden van ondersteuning ter overbrugging en daarvoor geen verklaring geven

5.2     Na de aanmelding van klager door G werd op 11 oktober 2019 in het toewijzingsoverleg besloten dat klager zou worden uitgenodigd voor een intake bij Angst en Stemming. Uit het dossier blijkt dat de verzoeken vanuit G om klager ter overbrugging tot de intake bij Angst en Stemming vast over te nemen zijn beoordeeld door een verpleegkundige in opleiding tot specialist en de Manager behandelzaken IHT D. Uit het behandeldossier blijkt niet dat verweerder op enigerlei wijze bij deze beoordeling betrokken is geweest. Dat dit anders is blijkt ook niet uit de door klager gegeven onderbouwing van dit klachtonderdeel. Gelet hierop volgt het college verweerder in zijn standpunt dat hij bij de bewuste beoordeling niet betrokken is geweest, zodat hem hiervan ook geen verwijt in tuchtrechtelijke zin kan worden gemaakt. Aangezien verweerder niet betrokken is geweest bij de beoordeling of klager eerder dan de geplande intake bij Angst en Stemming zorg zou moeten worden aangeboden, lag het ook niet op de weg van de psychiater klager een verklaring te geven voor de uitkomst van deze beoordeling. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond.


Klachtonderdelen b) niet serieus nemen van vraag van klager om duidelijkheid en afspraken/breken gemaakte afspraken en f) beleid over dagelijkse afspraken

5.3     Op basis van wat in het dossier is vastgelegd kan niet worden geconcludeerd dat klager in zijn vraag om duidelijkheid en afspraken onvoldoende serieus is genomen. Met klager zijn op verschillende momenten afspraken gemaakt over inzet en wie met hem contact zou opnemen en hoe dat contact zou plaatsvinden. Het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk wordt gehandeld overeenkomstig dergelijke principe-afspraken. Het is echter niet altijd te voorkomen dat gemaakte afspraken over contact niet volledig kunnen worden nagekomen. Door verwachte en onverwachte omstandigheden kan een contactmoment soms (toch) niet haalbaar zijn. In geval van klager is er veelvuldige inzet van hulpverlening geweest. Hierover zijn met klager ook duidelijke afspraken gemaakt. Deze afspraken over contact in een bepaalde periode zijn ook telkens grotendeels nagekomen. Dit geldt ook voor de afspraken over dagelijkse contacten. Dat niet altijd de principeafspraak werd gehaald is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het contact niet altijd plaatsvond met de GZ-psycholoog of verweerder maar met een andere behandelaar zoals de creatief therapeut. Verder kan niet worden vastgesteld dat klager in zijn behoefte aan duidelijkheid en afspraken niet serieus werd genomen. Klachtonderdelen b) en f) zijn dan ook ongegrond.

Klachtonderdelen c) niet ingrijpen bij tekenen van suïcidaliteit en g) geen interventie of opschaling bij signalen en negeren van verzoeken om opname

5.4     Al bij de intake heeft klager een telefoonnummer gekregen van de crisisdienst waarmee hij contact op kon nemen in geval dat nodig was. Ook werd op 14 november 2019 een “formulier diagnostiek suïcidaal gedrag” ingevuld. Daarnaast is aan het begin van de behandeling bij GGZ-E een signaleringsplan opgesteld en is dit ook bijgesteld toen dit nodig was. Monitoring vond regelmatig plaats door middel van vragenlijsten depressie. Wanneer er vanuit klager, zijn omgeving of vanuit de hulpverlening zelf, signalen kwamen van toegenomen suïcidaliteit bij klager werd beoordeeld of en welke extra hulp moest worden ingezet. Gedurende de behandelperiode is ook regelmatig IHT ingeschakeld en is er veelvuldig contact geweest met klager. Het college constateert dat de (soort) zorg waarmee werd ingegrepen niet altijd overeenkwam met de (soort) zorg die klager of zijn omgeving voor ogen had (zoals een opname). Het is echter aan de professionele beoordeling van de behandelaars om af te wegen welke zorg passend en geboden is. Dat het ingrijpen onvoldoende was of niet paste bij de toestand van klager op dat moment heeft het college niet kunnen vaststellen. Dat betekent dat ook de klachtonderdelen c) en g) ongegrond zijn.

Klachtonderdeel d) verwijzing J en I en voortgang

5.5     Klager is op 8 januari 2020 aangemeld voor een second opinion en mogelijk ECT bij J. Deze aanmelding volgde op de aantekeningen van de regiebehandelaar van 12 december 2019 en verweerder van 19 december 2019. Tussen deze notities en de uiteindelijke aanmelding op 8 januari 2020 is niet onredelijk veel tijd verstreken. Toen J aangaf dat ECT-therapie alleen in de eigen regio kon worden gegeven is klager daar in maart 2020 voor aangemeld. Kort hierop brak de coronacrisis uit en werden zowel bij J als bij I geen afspraken ingepland. De regiebehandelaar heeft op 28 april 2020 zowel bij J als bij I geïnformeerd naar de stand van zaken en dat op 11 en 12 juni 2020 nogmaals gedaan. Hiermee is voldoende voortvarend gehandeld naar aanleiding van de verwijzing. Klachtonderdeel d) is daarmee ongegrond.

Klachtonderdeel e) onvoldoende fysieke afspraken

5.6     Bij de vraag of een afspraak met een patiënt fysiek moet plaatsvinden of ook telefonisch kan, is leidend wat nodig is. Het is aan de behandelaar de professionele inschatting te maken wat in een bepaalde situatie nodig is. Dat kan een fysiek contact met de patiënt zijn maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Ook in gevallen waarin een protocol uitgaat van een face-to-face contact met de patiënt of hier door een collega om wordt gevraagd, kan een behandelaar besluiten dat in de gegeven omstandigheden met een andere wijze van contact kan worden volstaan. Zoals hiervoor onder 5.3 ook is overwogen is het daarnaast zo dat gemaakte principeafspraken over hoe afspraken zouden plaatsvinden in de praktijk niet altijd kunnen worden nagekomen. Dit is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel e) is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel h) victim blaming, zwartmakerij, onterechte beschuldigingen

5.7     De klacht dat sprake is van victim blaming, zwartmakerij en onterechte beschuldigingen is onvoldoende onderbouwd. Klager heeft voorbeelden van verslaglegging overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat van hem een bepaald (negatief) beeld wordt geschetst. De verslaglegging is, ook in de door klager aangedragen voorbeelden, echter naar het oordeel van het college neutraal en zakelijk. Dat uit een verslaglegging een beeld naar voren komt van het verloop van een behandeling, eventuele complicerende factoren bij een behandeling en blijkt dat de patiënt en behandelaars niet altijd op één lijn zitten, is niet te voorkomen en juist van belang voor de continuïteit van zorg. Dat betekent dat het verwijt dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan victim blaming, zwartmakerij en onterechte beschuldigingen niet slaagt en klachtonderdeel h) ongegrond is.

Klachtonderdelen i) begeleiding tijdens ECT/afschuiven verantwoordelijkheid, j) aanwezigheid MDO met I en k) ingrijpen bij geheugenklachten, verwarring en gevaarlijk gedrag

5.8     Vanaf het begin van de ECT-behandeling is door de regiebehandelaar, verweerder en andere behandelaren frequent contact onderhouden met klager om de toestand van klager en het effect van de ECT op het toestandsbeeld van klager te monitoren en te bespreken. Ook is gehandeld naar aanleiding van de behoefte van klager aan meer begeleiding. Zo is individuele creatieve therapie ingezet en werd klager (opnieuw) aangemeld voor L. Uit de notities blijkt dat klager ook vragen had over hoe ECT precies werkte. Dat klager hiervoor naar de uitvoerend (ECT)behandelaren werd verwezen is niet onzorgvuldig en is geen afschuiven van verantwoordelijkheid. Klachtonderdeel i) is ongegrond.

5.9     Het college kan niet vaststellen hoe vaak de regiebehandelaar, verweerder of een van de medebehandelaars hebben deelgenomen aan een MDO van I. Klager stelt dat dit onvoldoende is gebeurd. Verweerder stelt dat nooit is toegezegd dat hij of een medebehandelaar bij alle MDO’s aanwezig zou zijn, maar dat desalniettemin bij nagenoeg alle MDO’s een (mede)behandelaar aanwezig was. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat het contact dat vanuit GGZ E met I werd onderhouden onvoldoende was. Uit het dossier blijkt ook dat belangrijke zaken bij overleggen met I aan de orde kwamen, zoals het overschakelen van bilaterale op unilaterale ECT in verband met geheugenproblemen, maar ook de hartritmestoornis die op enig moment optrad tijdens een ECT-sessie. Dat I bij verweerder of andere behandelaren heeft aangegeven niet tevreden te zijn over de frequentie van overleg wordt door hem betwist en blijkt ook niet uit het dossier. Gezien het voorgaande heeft het college niet kunnen vaststellen dat de aanwezigheid op het MDO onvoldoende is geweest, klachtonderdeel j) is daarom ongegrond.

5.10     Fysieke verschijnselen die een direct gevolg zijn van de ECT, zoals (tijdelijke) verwardheid, hartritmestoornissen en tongbeet worden normaliter gemonitord door de instelling die de ECT-behandeling uitvoert. De instelling zal moeten beoordelen of het verantwoord is een patiënt na een ECT-sessie naar huis te laten gaan. Langer aanhoudende bijwerkingen van ECT, zoals geheugenproblemen, zijn zaken die aan de orde komen in een MDO of kunnen door de patiënt zelf aan de orde worden gesteld. In dit geval zijn de geheugenproblemen en de verwardheid besproken en is de ECT in verband met de geheugenproblemen ook omgezet van bilateraal naar unilateraal. Dat verweerder op dit punt onvoldoende voortvarend heeft gehandeld kan niet worden vastgesteld. Klachtonderdeel k) is ongegrond.

Slotsom
5.11     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is:

in de zaak met kenmerk Z2025/8291 gegeven door W.P. Claus, voorzitter, H.J. de Boer en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris;

in de zaak met kenmerk Z2025/8292 gegeven door W.P. Claus, voorzitter, R. van der Ree en H.J. de Boer, leden beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris;


en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

secretaris                                                                                           voorzitter


 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.