ECLI:NL:TGZRZWO:2026:35 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7961
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:35 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-02-2026 |
| Datum publicatie: | 25-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2024/7961 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een bedrijfsarts gedeeltelijk gegrond. Maatregel: berisping met bekendmaking in het BIG-register. De klacht gaat over een bedrijfsarts die klaagster heeft begeleid in het kader van ziekteverzuim. Klaagster maakt de bedrijfsarts verschillende verwijten over een consult en het naar aanleiding daarvan door hem opgestelde advies. Zo vindt klaagster onder meer dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, zij onheus is bejegend, de dossiervoering onvoldoende is en onjuistheden bevat, en dat het stappenplan voor een second opinion en de richtlijnen niet zijn gevolgd. Het college overweegt dat de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende diagnostiek te verrichten, een onzorgvuldig advies aan de werkgever uit te brengen, zich niet in te zetten voor het realiseren van de gevraagde second opinion en de richtlijnen van de NVAB niet of onvoldoende te volgen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE
Beslissing van 24 februari 2026 op de klacht van:
A ,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: F,
tegen
C ,
bedrijfsarts,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam in Utrecht.
- De zaak in het kort
1.1 De klacht gaat over een bedrijfsarts die klaagster heeft begeleid in het kader van ziekteverzuim. Klaagster maakt de bedrijfsarts verschillende verwijten over een consult en het naar aanleiding daarvan door hem opgestelde advies. Zo vindt klaagster onder meer dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, zij onheus is bejegend, de dossiervoering onvoldoende is en onjuistheden bevat, en dat het stappenplan voor een second opinion en de richtlijnen niet zijn gevolgd. De bedrijfsarts vindt niet dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is en legt de maatregel van een berisping op. Hieronder vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna legt het college de beslissing uit.
- De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen van 28 december 2024, ontvangen op 31 december 2024;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 14 maart 2025;
- de repliek, ontvangen op 4 april 2025;
- de dupliek, ontvangen op 12 mei 2025;
- de brief van klaagster met bijlage, ontvangen op 27 mei 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek gehouden op 11 juli 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 januari 2026. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
- De feiten
3.1 Klaagster werkte vanaf 2005 als psychiater en heeft zich in 2021 een tijd ziek gemeld in verband met persoonlijke- en familieomstandigheden. Op 13 mei 2024, toen klaagster in het kader van haar re-integratie werkzaam was als basisarts in de bedrijfsgeneeskunde, meldde klaagster zich opnieuw ziek. Op 27 mei 2024 ging zij weer voor een aantal uren per week aan het werk. Ook zocht klaagster psychologische hulp. In de loop van juni 2024 werkte klaagster weer de helft van haar uren met aangepaste taken.
3.2 Op 10 juni 2024 had klaagster een intakegesprek met een medewerker van E, de arbodienst waar de bedrijfsarts werkzaam is. Op 17 juni 2024 vond een gesprek met de bedrijfsarts plaats. De bedrijfsarts bracht een advies/rapportage uit inhoudende dat nader -specialistisch- onderzoek (diagnostiek) nodig is om te bekijken of de klachten gebaseerd zijn op een onderliggend medisch probleem. Hierover staat in het dossier onder andere het volgende genoteerd (alles letterlijk overgenomen):
’’(..)
Nu spelen met name de mentale klachten.
(…)
Is door de HA ook verwezen naar een psycholoog, heeft intake gehad, over 4 wk. Starten de gesprekken.
(…)
Anamnese BA:
(…)
-vader en moeder vrij recent overleden….
(…)
BA geeft aan inzet van [..] te overwegen, betrokkene kent haar
-vindt het geen probleem om bij [..] te komen
-vindt [..] oprecht
-Stoornissen: Traumatische jeugd, vermoeden kenmerken neurodiversiteit, afwijkende
rouw? / gemaskeerde depressie / SSS licht
(..)
Er is adequate behandeling ingezet door betrokkene.
(…)
BEPERKINGEN EN MOGELIJKHEDEN: Betrokkene wordt arbeidsongeschikt geacht voor het
eigen werk. Of de wet poortwachter van toepassing is, dient nader te worden onderzocht.
Beperkingen gelden met name voor aandacht houden, concentreren, multitasken (o.a.
supervisie), omgaan met prikkels, deadlines, stress en verantwoordelijkheid.
(..)
PROGNOSE: Nog onduidelijk en afhankelijk van de uitkomsten van het gespecialiseerde
onderzoek.
ADVIES: Vanuit zorgvuldigheid en om verder duidelijkheid te krijgen of de klachten
gebaseerd zijn op een onderliggend medisch probleem, en zo ja welke, wordt een gespecialiseerd
onderzoek geadviseerd. Graag verneem ik of dit akkoord wordt bevonden, zodat de verwijzing
z.s.m. kan worden doorgezet.’’
3.3 Daarna volgde een e-mailwisseling tussen de bedrijfsarts en klaagster over
onder andere de verwijzing en de mogelijkheid van een second opinion. Klaagster liet
op 18 juni 2024 weten dat zij niet wilde meewerken aan het voorgestelde onderzoek/de
interventie vanwege haar zorgen over de kwaliteit van het gevoerde spreekuur. Hierna
berichtte de bedrijfsarts aan klaagster dat zij die beslissing mag maken en geen vervolgcontact
in te kunnen plannen omdat verdere informatie gewenst is.
3.4 Op 2 juli 2024 diende klaagster per brief een klacht in tegen de bedrijfsarts. De bedrijfsarts reageerde daar per e-mail op, waarin hij aangeeft dat hij desgewenst het dossier kan overdragen naar een collega en dat deze bereid is om de begeleiding over te nemen. Klaagster stuurde op 15 juli 2024 de volgende e-mail terug:
’’(..)
U schrijft dat u met een collega heeft overlegd en dat u mijn visie besproken heeft
met haar. Met wie heeft u overlegd? Wat heeft u eigenlijk overlegd?
Indien ik gebruik wil maken van een second opinion. Bij welke bedrijfsarts zou ik
dan terecht kunnen? Kan dat alleen binnen uw praktijk of ook daarbuiten. Ik hoor het
graag van u en ook of ik daar dan wat in te kiezen heb. Voor nu wil ik u vragen nog
niet over mij met een andere (second-opinion) arts te overleggen. Voordat ik zelf
de keuze heb gemaakt of ik gebruik wil maken van een second opinion en evt door wie
ik gezien wil worden (als ik daar keuze in heb). (..)’’
3.5 De bedrijfsarts beantwoordde de e-mail van klaagster op 24 juli 2024 als volgt:
’’(..)
De casus is geanonimiseerd besproken en aan mijn collega is uitleg gegeven over
het advies in de terugkoppeling naar aanleiding van ons contact van 17 juni j.l.
Zoals aangegeven is er de mogelijkheid tot een verdere begeleiding door een collega
bedrijfsarts vanuit E. Ik verneem graag of u hier gebruik van wilt maken. (..)’’
3.6 Klaagster e-mailde diezelfde dag terug:
’’(..)
Nee, ik wil geen gebruik maken van uw collega binnen E. Ik vind het ook bezwaarlijk
dat u (geanonimiseerd) overleg heeft gehad met uw collega, zonder mij daarover vooraf
te informeren of te vragen of ik door een collega gezien zou willen worden. Zoals
u weet werk ik ook in uw vak en is mijn achtergrond/verhaal zeer eenvoudig herleidbaar
tot mij als persoon. Uw overleg voelt voor mij als onveilig. Dat is ook de reden dat
ik niet door uw collega gezien wil worden. (..)
Ik wil graag informatie van u over de mogelijkheid van een second opinion buiten
E. Graag hoor ik met wie u daarover afspraken heeft. (..)’’
3.7 Op 30 juli 2024 e-mailde de bedrijfsarts aan klaagster het volgende:
“Bedankt voor uw mail.
Voor het inzetten van een second opinion zijn er 2 opties.
- De second opinion bedrijfsarts, die afspraken heeft met uw werkgever, kan ingezet worden. Uw werkgever kan u laten wie dit betreft.
De kosten hieruit voortkomend zullen door uw werkgever betaald worden.
- U kunt ook een eigen second opinion bedrijfsarts aandragen.
De hieraan gerelateerde kosten zullen door uzelf vergoed moeten worden.”.
3.8 Klaagster besloot haar dienstverband met ingang van 1 oktober 2024 te beëindigen.
De bedrijfsarts liet hierna aan klaagster weten geen rol meer te hebben in de begeleiding.
- De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
- 4.1 Klager verwijt de bedrijfsarts:
1. onzorgvuldige diagnostiek wegens onvoldoende kennis en kunde zoals van een bedrijfsarts mag worden verwacht over psychiatrie/GGZ;
2. onjuist en onzorgvuldig advies/beleid/verwijzing en het doorgeven van deze onjuiste inhoud aan de werkgever;
3. onheuse bejegening door klachten niet serieus te nemen en onvoldoende respect te hebben voor de privacy van klaagster;
4. onvoldoende dossiervorming door onjuistheden en omissies;
5. het zich niet houden aan het stappenplan van een second opinion en onvoldoende transparantie over het overleg met een collega-bedrijfsarts;
6. het niet werken volgens/niet houden aan de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (hierna: NVAB);
7. het niet voldoen van de klachtenregeling aan de daartoe te stellen eisen.
4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Hij vindt dat zijn advies/rapportage niet onzorgvuldig of onjuist was en dat hij zich aan alle regels heeft gehouden.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
- De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
- 5.1 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Klachtonderdeel 1) onzorgvuldige diagnostiek - 5.2 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij onzorgvuldige diagnostiek heeft
gedaan wegens onvoldoende kennis en kunde over de psychiatrie/GGZ. Het college overweegt
dat de bedrijfsarts tijdens het gesprek van 17 juni 2024 een uur met klaagster heeft
gesproken en een uitgebreide anamnese afgenomen. Hij beschikte dus over veel informatie
zoals ook uit de aantekeningen in het medisch dossier blijkt. Uit die informatie bleek
onder meer dat klaagster van jongs af aan lichamelijke en mentale klachten heeft.
Haar vader is in 2021 overleden en recent was haar moeder overleden. Ook ten tijde
van de situatie in de onderhavige klacht spelen met name mentale (stressgerelateerde)
klachten. Haar huisarts heeft haar verwezen naar een klinisch psycholoog die een intakegesprek
met haar heeft gevoerd. Het is gebruikelijk om als bedrijfsarts tijdens een consult
een anamnese en psychiatrisch onderzoek te doen op basis waarvan de bedrijfsarts tot
een voorlopige conclusie (werkdiagnose) komt. Ondanks de beschikbare en uitgebreide
informatie van klaagster heeft de bedrijfsarts geen (werk)diagnose gesteld. Het college
is van oordeel dat van een bedrijfsarts mag worden verwacht dat hij over voldoende
basiskennis onder andere op het gebeid van de psychiatrie beschikt om tot een (werk)diagnose
te komen en op basis daarvan zijn beleid te bepalen. Zo nodig had de bedrijfsarts
conform de NVAB-richtlijn psychische problemen als hulpmiddel de vierdimensionale
klachtenlijst(4DKL) kunnen hanteren om de psychische klachten van klaagster in kaart
te brengen. Nu de bedrijfsarts, ondanks de beschikbare informatie, geen (werk)diagnose
heeft gesteld, is er geen sprake van zorgvuldige diagnostiek. Dit klachtonderdeel
is in zoverre gegrond.
Klachtonderdeel 2) onjuist en onzorgvuldig advies/beleid/verwijzing en doorgeven daarvan aan werkgever - 5.3 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij een extern en voor haar belastend gespecialiseerd
onderzoek noodzakelijk vond en haar in dat kader zo spoedig mogelijk wilde verwijzen.
Ook trok de bedrijfsarts de toepasselijkheid van de Wet verbetering Poortwachter (hierna:
WvP) in twijfel volgens klaagster. Aan haar werkgever is deze onjuiste informatie
doorgegeven. Klaagster was naar aanleiding van haar klachten door de huisarts verwezen
naar een klinisch psycholoog. Deze heeft een intakegesprek met haar gehad en zou,
na haar vakantie, binnen vier weken een behandeling starten.
De bedrijfsarts heeft naar het oordeel van het college ten onrechte niet eerst informatie bij de huisarts en/of de psycholoog opgevraagd alvorens haar met spoed te verwijzen. De bedrijfsarts heeft niet duidelijk kunnen maken waarom hij daar niet voor gekozen heeft. De verwijzing naar een gespecialiseerd onderzoek, dat voor klaagster voorstelbaar belastend zou zijn, is mede daardoor disproportioneel. Bovendien ziet het college geen indicatie voor een verwijzing met spoed zoals in de rapportage van de bedrijfsarts staat genoteerd. Deze verwijzing is ook aan de werkgever bericht inclusief de vraag of de WvP wel van toepassing is, hetgeen nader onderzocht zou dienen te worden. Als de bedrijfsarts informatie zouden hebben opgevraagd bij de huisarts en/of psycholoog, had hij hieruit kunnen afleiden dat haar klachten op adequate wijze behandeld worden en haar beperkingen kunnen worden vastgesteld. Onder die omstandigheden gaat het niet aan om de toepasselijkheid van de WvP ter discussie te stellen en dit dezelfde dag nog aan te geven bij de werkgever. Hierdoor is werkrelatie tussen de werkgever en klaagster onnodig onder druk komen te staan. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel 3) onheuse bejegening en onvoldoende respect voor de privacy
- 5.4 Partijen zijn het er over eens dat hun contact tijdens het spreekuur van 17
juni 2024 in eerste instantie goed was. Klaagster heeft zich toen ook niet (expliciet)
verzet tegen het voorstel van de bedrijfsarts om haar te verwijzen voor een extern
gespecialiseerd onderzoek. Maar de volgende dag heeft zij wel per e-mail vragen gesteld
en bezwaren geopperd onder andere over de door de bedrijfsarts voorgenomen verwijzing
en haar zorgen geuit over de kwaliteit van het gevoerde spreekuur. Gezien de bezwaren
van klaagster tegen de verwijzing en het ontbreken van haar toestemming heeft de bedrijfsarts
haar vervolgens niet verwezen. Haar casus heeft hij anoniem met een collega bedrijfsarts,
eveneens werkzaam bij E, besproken. Het college acht deze werkwijze niet onjuist.
Bij de beoordeling van het klachtonderdeel over de bejegening stelt het college voorop dat verwijten omtrent inhoud en manier van (mondelinge en/of non-verbale) communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door het college, dat van die communicatie immers geen getuige is geweest. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de context waarin woorden, uitlatingen of gedragingen worden gebruikt of geduid: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is hooguit gebrekkig te reconstrueren. Een en ander maakt het beoordelen van de gegrondheid van de verwijten over onheuse bejegening, voor derden - waaronder het college - tot een moeilijke opgave. Het college hecht eraan te benadrukken dat dit oordeel niet berust op het uitgangspunt dat het woord van de klaagster minder geloof verdient dan dat van de bedrijfsarts, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Het college kan niet vaststellen dat de bedrijfsarts klaagster onheus bejegend heeft en/of haar privacy onvoldoende heeft gerespecteerd. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 4) onvoldoende dossiervorming
5.5 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat er sprake is van onjuistheden en omissies in het dossier onder andere omdat er in staat dat zij akkoord zou zijn met de geadviseerde interventie en omdat de onderbouwing voor dat onderzoek ontbreekt. Ook ontbreekt een aantekening van het (anonieme) overleg met een collega. Het college oordeelt dat de aantekeningen van verweerder gelet op het doel van een zorgvuldig dossier, dat de continuïteit van de zorg aan een patiënt wordt gewaarborgd, voldoende zijn. Hoewel de bedrijfsarts op onderdelen andere keuzes had kunnen maken en sommige aantekeningen zoals die over het al dan niet toepasselijk zijn van de Wajong niet goed te volgen zijn, is de dossiervoering van de bedrijfsarts uitgebreid en geven de aantekeningen afdoende informatie over het consult en de naar aanleiding daarvan voorgenomen stappen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op dit punt is geen sprake. De bezwaren van klaagster tegen een aantal van die stappen zijn in andere klachtonderdelen aan de orde gesteld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 5) het niet volgen van het stappenplan second opinion
5.6 Klaagster heeft om een second opinion verzocht, waarna de bedrijfsarts haar daarvoor naar de werkgever heeft verwezen. Het college acht dit in strijd met het 10-stappenplan Second Opinion van de NVAB. Ter zitting is gebleken dat de bedrijfsarts een overeenkomst heeft met de werkgever van klaagster ten behoeve van het uitvoeren van second opinions voor cliënten van E. De werkgever van klaagster is dus tevens degene die als second opinion arts optreedt voor de bedrijfsarts. Klaagster hoorde voor het eerst op de zitting van deze werkwijze en zei hiervan te schrikken. Het 10-stappenplan vermeldt dat een werknemer in principe recht heeft op een second opinion en dat een bedrijfsarts aan het verzoek van een werknemer tot een second opinion voldoet, tenzij er een zwaarwegende reden is om dit niet te doen. In dat geval mag een werknemer duidelijke uitleg verwachten over de reden van de afwijzing, aldus het 10-stappenplan (stap 2). De bedrijfsarts dient voorts de werknemer te informeren dat in het arbocontract tussen zijn werkgever en de bedrijfsarts is opgenomen wie de second opinion kan uitvoeren (stap 3). Aan deze werkwijzer heeft de bedrijfsarts niet voldaan door slechts naar de werkgever te verwijzen en geen melding te maken van de hierboven beschreven rolvermenging. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel 6) het zich niet houden aan de richtlijnen van de NVAB
5.7 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij zich niet houdt aan de richtlijnen van de NVAB en met name niet aan de Richtlijn psychische problemen van de NVAB. Zo spreekt hij onder andere geen vervolgstappen af en is er geen procesmatige aanpak van haar traumaklachten die reden zijn voor haar ziekmelding. De bedrijfsarts meent dat zijn werkwijze niet bijt met deze richtlijn. Het college oordeelt dat de bedrijfsarts niet of in onvoldoende mate de Richtlijn psychische problemen heeft gevolgd en niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan, onder andere door geen vervolgconsult in te plannen, zoals blijkt uit zijn e-mail van 20 juni 2025. Aan een procesmatige aanpak is de bedrijfsarts niet toegekomen mede door het gebrek aan verdere begeleiding. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel 7) de klachtenregeling voldoet niet aan de eisen
5.8 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat de door hem gehanteerde klachtenregeling niet aan de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) voldoet. Het college overweegt dat de Wkkgz op de begeleiding door de bedrijfsarts van klaagster echter niet van toepassing is, zoals klaagster ook erkent. Klaagster heeft niet onderbouwd dat de klachtenregeling van de bedrijfsarts niet aan de Arbo-wetgeving zou voldoen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen 1, 2, 5 en 6 gegrond
zijn en de andere klachtonderdelen ongegrond.
Maatregel
5.10 Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college bepalen of aan de bedrijfsarts een maatregel dient te worden opgelegd en zo ja, welke maatregel. Het college overweegt dat de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende diagnostiek te verrichten, een onzorgvuldig advies aan de werkgever uit te brengen, zich niet in te zetten voor het realiseren van de gevraagde second opinion en de richtlijnen van de NVAB niet of onvoldoende te volgen. Het gaat om ernstige verwijten. Dit klemt temeer vanwege de kwetsbaarheid van de aan de zorg van de bedrijfsarts toevertrouwde werknemer. Daar komt bij dat de bedrijfsarts na het consult van 17 juni 2024 in het daarop volgende e-mailverkeer niet de kans heeft gegrepen om klaagster alsnog de juiste begeleiding te geven. Er waren verschillende momenten waarop de bedrijfsarts zich had kunnen en moeten realiseren dat zijn handelen verbetering verdiende. Ook ter zitting heeft het college niet de indruk gekregen dat de bedrijfsarts op zijn handelen heeft gereflecteerd. Alles afwegend oordeelt het college dat een berisping in dit geval passend en geboden is.
In het belang van de individuele gezondheidszorg besluit het college, op grond van artikel 48, elfde lid, van de Wet BIG, tot openbaarmaking (in het BIG-register) van deze berisping.
Publicatie
5.11 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere bedrijfsartsen mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor onder 5.2 tot en met 5.8 is overwogen. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
Kostenveroordeling
5.12 Klaagster heeft verzocht de bedrijfsarts te veroordelen in de kosten die zij heeft
gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht
(gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. De klacht
is op meerdere onderdelen gegrond verklaard en aan de bedrijfsarts wordt een maatregel
opgelegd. Het college zal daarom het verzoek om kostenveroordeling toewijzen. Daarbij
hanteert het college de volgende forfaitaire bedragen die zijn vastgelegd in de op
de website van de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg gepubliceerde oriëntatiepunten:
- tweemaal € 50,- voor de reiskosten van klaagster voor het mondeling vooronderzoek
en de zitting (reisafstand enkele reis meer dan 50 km);
- € 620,73 voor juridische bijstand (1 punt voor het klaagschrift).
Het totaalbedrag van de kostenveroordeling komt daarmee op € 720,73.
- De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen 1, 2, 5 en 6 gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt de maatregel van berisping op;
- besluit tot openbaarmaking van de maatregel van berisping in het BIG-register;
- veroordeelt verweerder in de hierboven vastgestelde kosten van klaagster van in totaal € 720,73;
- veroordeelt de bedrijfsarts dit bedrag – nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden – te voldoen op de bankrekening van klaagster, binnen vier weken nadat deze haar gemachtigde schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop het bedrag kan worden gestort heeft laten weten;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door P.E.M. Messer-Dinnissen , voorzitter, W.R. Kastelein , lid-jurist, C.W.M. Hosmus, M. Prenger en H.A.M. Veneman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 .
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.