ECLI:NL:TGZRZWO:2026:34 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8747

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:34
Datum uitspraak: 24-02-2026
Datum publicatie: 25-02-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8747
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Klagers hebben zich tot (de praktijk van) de huisarts gewend in verband met toegenomen gedragsproblemen bij hun minderjarige zoon en met het verzoek om herhaling van een in het buitenland voorgeschreven antipsychoticum aan hun zoon. Klagers maken de huisarts uiteenlopende verwijten over onder meer de wijze waarop zij heeft gehandeld naar aanleiding van de hulpvraag voor hun zoon, haar dossiervoering, communicatie, klachtafhandeling en een door haar gedane melding bij Veilig Thuis. Het college verklaart de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

                         REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 24 februari 2026 op de klacht van:

A, klager,

en

B, klaagster,

beiden wonende in C,

tegen

D, huisarts,

werkzaam in C,

verweerster, hierna ook: de huisarts,

gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.

1.     De zaak in het kort

1.1     Klagers hebben zich tot (de praktijk van) de huisarts gewend in verband met toegenomen gedragsproblemen bij hun minderjarige zoon en met het verzoek om herhaling van een in het buitenland voorgeschreven antipsychoticum aan hun zoon. Klagers maken de huisarts uiteenlopende verwijten over onder meer de wijze waarop zij heeft gehandeld naar aanleiding van de hulpvraag voor hun zoon, haar dossiervoering, communicatie, klachtafhandeling en een door haar gedane melding bij Veilig Thuis.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2.     De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 juli 2025;
  • de brief van de secretaris aan klagers van 5 augustus 2025;
  • de brief van klagers, ontvangen op 8 augustus 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2025;
  • de brief van de gemachtigde van de huisarts van 11 november 2025, binnengekomen op 13 november 2025, met bijlagen.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3.     De feiten

3.1     Klagers zijn de ouders en wettelijk vertegenwoordigers van drie kinderen, onder wie zoon E, geboren in 2014 (hierna: patiënt).

3.2     Verweerster is huisarts bij F, welke is gevestigd in G (verder: de praktijk).
 

3.3     Patiënt staat sinds 16 maart 2020 ingeschreven in de praktijk. Uit het medisch dossier van patiënt blijkt dat klaagster geen toestemming gaf aan de vorige huisarts om het medisch dossier van patiënt over te laten zetten naar de praktijk.

3.4     Op 24 januari 2024 belde klaagster vanuit H de spoedlijn van de praktijk. Verweerster was niet aanwezig en klaagster sprak met een waarnemend huisarts. Uit de notitie blijkt dat er tijdens de reis forse gedragsproblemen met agressie en driftbuien waren ontstaan bij patiënt en dat hij volgens klaagster bekend was met autisme. Naar huis rijden was niet haalbaar en klaagster vroeg aan de waarnemend huisarts om advies en medicatie en deelde dat er die avond een afspraak was gemaakt met een H arts.  

3.5     Op 5 februari 2024 bezocht klaagster het spreekuur van de waarnemend huisarts. Patiënt was hierbij niet aanwezig. Het medisch dossier vermeldt dat er in H was gestart met 0,5 mg risperidon (antipsychoticum). Klaagster wenste hulp bij de toegenomen gedragsproblemen van patiënt en ook ten aanzien van de medicatie. Onder P (plan) beschreef de waarnemend huisarts verschillende verwijs opties (alle citaten letterlijk weergegeven en voor zover relevant):

Opties voorgelegd, I of J. K en L waarschijnlijk niet passend vanwege toch wel complexe casus. Moeder gaat er over nadenken en thuis bespreken, wil sowieso deze week even afwachten. Voor volgende week nieuwe afspraak gemaakt. Aangegeven dat het wel goed is dat we [RTG: naam patiënt] ook een keer zien.”

3.6     Op 6 februari 2024 belde klaagster naar de praktijk om de afspraak bij de waarnemend huisarts te verplaatsen.

3.7     Op 13 februari 2024 bezocht klaagster, zonder patiënt, het spreekuur van een andere waarnemend huisarts. Uit het medisch dossier blijkt dat klaagster een verwijzing naar P wilde voor behandeling van patiënt en op korte termijn sturing/duiding nodig had ten aanzien van de medicatie. Verder noteerde de waarnemend huisarts:

“Diagnose autisme is niet officieel gesteld, moeder vindt dat passend o.b.v. haar eigen expertise als GZ-psycholoog. Nooit eerder behoefte aan begeleiding/diagnostiek gehad, wisten binnen het gezin goed begeleiding te geven aan [RTG: naam patiënt].”

En onder P (plan) noteerde zij dat ze P ging bellen en dat er een verwijzing naar I was gemaakt met de vraag of patiënt op korte termijn kon worden gezien en of zij konden helpen met de opgestarte medicatie. Vervolgens was er telefonisch contact met I met het verzoek om de casus op korte termijn op te pakken.

3.8     Op 14 februari 2024 belde een medewerker van I voor overleg over de screening van patiënt. Er werd een belafspraak ingepland op 21 februari 2024.

3.9     De volgende dag belde klaagster naar de praktijk en sprak met de assistente. Volgens klaagster zou er een verwijzing worden gemaakt naar M. De assistente overlegde vervolgens met de waarnemend huisarts. Uit de notitie van 16 februari 2024 blijkt dat er op 13 februari 2024 door de waarnemer contact was opgenomen met M, maar dat zij op korte termijn niets konden bieden. Telefonisch werd bevestigd dat er met klaagster was afgesproken dat er twee verwijzingen zouden worden gemaakt. De verwijzing naar P werd op verzoek van klaagster uitgeprint en klaargelegd bij de balie van de praktijk. Klaagster zou zelf kijken wie eerder plek had.

3.10      Op 21 februari 2024 vond er telefonisch overleg plaats met een medewerker van I en de waarnemend huisarts. De verwijzing was afgewezen omdat er nog geen diagnostiek had plaatsgevonden. Alleen in het geval de behandeling/begeleiding elders vastliep kon een verwijzing naar I plaatsvinden.

3.11     Op 22 februari 2024 besprak de waarnemend huisarts telefonisch met klaagster de reden achter de afgewezen verwijzing naar I. Verder blijkt uit het medisch dossier dat klaagster zelf contact had opgenomen met P en dat zij de aanvraag hadden afgewezen, omdat patiënt zelf naar afspraken voor diagnostiek moest komen en dat dat volgens klaagster niet mogelijk was. De waarnemend huisarts besprak andere opties voor verwijzingen en klaagster wenste dit eerst met klager te bespreken. Er werd een vervolgafspraak ingepland op 27 februari 2024 en afgesproken werd om de consultatielijn van I te bellen voor overleg ten aanzien van de medicatie.

3.12     Op 23 februari 2024 vond een telefonische consultatie plaats met de waarnemend huisarts en een kinderpsychiater van I. De kinderpsychiater gaf aan dat op basis van de klachten er sprake zou kunnen zijn van autisme. Verder werd genoteerd dat in het geval van ontregeling/crisis risperidon een goede keuze was om in te zetten om de rust weer even terug te laten keren en dat het een optie voor dat moment was om twee maanden de risperidon te continueren zodat gedragsinterventies weer konden worden toegepast. Verder was het advies van de kinderpsychiater om na twee maanden wel af te bouwen met 0.1mg = 1 druppel per week.

3.13     Op 26 februari 2024 belde klaagster naar de praktijk met het verzoek om de afspraak op 27 februari 2024 telefonisch te laten plaatsvinden. Op 27 februari 2024 verzocht klaagster telefonisch om een verwijzing naar N en gaf aan dat over twee weken de risperidon op was. De waarnemend huisarts noteerde dat zij herhaling van een antipsychoticum bij een kind door een huisarts buitengewoon onwenselijk vond, maar dat niet herhalen ook onwenselijk was en dat ze zou overleggen binnen de praktijk. Verder noteerde zij:

“N kan niet i.v.m. verkeerde gemeente (alleen O). Tenzij zelf bekostigd. Advies contact met wijkteam over opties, of toch één van minder gewenste opties kiezen (L, K, J, etc.). Moeder denkt erover en overlegt met vader van [RTG: naam patiënt], belt als zij er uit zijn.”

3.14     Op 4 maart 2024 vond er een overleg plaats met de twee waarnemend huisartsen en verweerster over de casus. Het volgende werd hierover genoteerd:

“zorgelijk dat er nu nog geen verwijzing is, dat we nog geen bericht terug hebben van P hierover nadat ze hier over na wilde denken. Het fact team J  lijkt het meest aangewezen ( kunnen thuis komen), maar P wil geen J. Medicatie dreigt op te raken, terwijl dit geen ha medicatie is en [RTG: naam patiënt] nog niet beoordeeld is ondanks ons herhaald advies. I heeft ook afgewezen, P is door M als niet geschikt geacht omdat het niet kon zonder dat kind betrokken was, alsook niet op korte termijn, andere opties wilde M niet in het overleg met dr [RTG: initiaal waarnemer 1] en later dr [RTG: initiaal waarnemer 2], maar ze zou het ons laten weten.”
 

Vervolgens overlegde verweerster anoniem met het FACT-team. Genoteerd werd dat het FACT-team een passende optie was, maar wel in combinatie met een behandeling en niet alleen een behandeling met medicatie. Verder was het advies vanuit het FACT om de risperidon niet te herhalen via huisarts, maar via de oorspronkelijke voorschrijver in het buitenland omdat diegene de indicatie had gesteld en werd verweerster ontraden om risperidon voor te schrijven zonder duidelijke overdracht en zonder patiënt te hebben gezien omdat deze medicatie bij een jong kind behoorlijk zwaar was.
Genoteerd werd dat de volgende dag met klaagster zou worden overlegd wat de volgende stap wordt en verder:

“1. medicatie is geen huisarts medicatie. kind moet uberhaupt nog gezien. 2. verwijzing moet nu van gang komen. samen P bellen of ze toch een keuze heeft gemaakt. 3. als medicatie op is en dit escalatie geeft pm crisisdienst.”

3.15     Op 5 maart 2024 belde klaagster met de assistente van de praktijk met het verzoek om een herhaling van de risperidon druppels. Diezelfde dag belde verweerster samen met een waarnemend huisarts klaagster terug. Klaagster gaf in het gesprek aan een fijne speltherapeute te hebben gevonden en dat er bij N geen psychiater was, maar dat zij donderdag iets van N zouden vernemen. In het dossier werd genoteerd:

“zorgen geuit: 1. kinderpsychiater is nodig voor medicatie. is geen ha medicatie. (zie ook Q: kortdurend gebruik <6 wkn in het kader van een bredere (psychosociale en educatieve behandeling en voorgeschreven door een gespecialiseerde arts op het gebied van gedragsstoornissen bij kinderen en adolescenten) M snapt dit maar zou het liever wel via ons nu hh krijgen. echter al vanaf het begin af aan aangegeven en ook J adviseert dit niet te doen maar evt via indicatie steller te laten herhalen, dus de psychiater in H. dit aangegeven, en ook om verslag hiervan gevraagd. en dat er sowieso ook een kinderpsychiater nodig is voor de vervolg zorg. 2. advies FACt team J omdat zij thuis kunnen komen en M zegt dat [RTG: naam patiënt] nergens mee naar toe kan. Staat hier twijfelend tegenover. advies vandaag vast te verwijzen gezien wt en de tijd loopt maar door, maar wil hier nog over nadenken. laat het donderdag middag uiterlijk weten. wel geadviseerd op heden verwijzing FACT. we moeten voorkomen dat dit een crisis situatie wordt tenslotte. daar is moeder het mee eens vertelt zij, echter ze wil nog bedenktijd. 3. complexe zorgelijke situatie;kind nog niet gezien, (geen oud dossier), geen diagnostiek verricht, nog geen gegevens indicatie steller medicatie, antipsychotica in gebruik en verwijzing komt niet van de grond. donderdag afwachten.”

3.16     Op woensdag 6 maart 2024 sprak klaagster telefonisch met de assistente van de praktijk waarbij zij verzocht om een volledige kopie van het medisch dossier van patiënt en een verwijzing voor een second opinion naar een andere huisarts. Op donderdag 7 maart 2024 noteerde verweerster dat een uitdraai van het medisch dossier akkoord was en dat de vraag naar welke kinderpsychiater zij een verwijzing kon maken nog openstond, aangezien klaagster dit vandaag zou laten weten. Ten aanzien van de second opion bij een andere huisarts noteerde verweerster onder meer dat klaagster al drie huisartsen binnen de praktijk had gesproken en er anoniem overleg was geweest met het FACT team als extern advies. Verder bevat de notitie het advies dat klaagster zich kunnen inschrijven bij een andere huisartsenpraktijk van keuze indien zij zich niet prettig voelde in de praktijk. De assistente probeerde klaagster te bellen voor een terugkoppeling maar kreeg geen gehoor.

3.17     Op vrijdag 8 maart 2024 belde klaagster naar de praktijk. Klaagster verzocht om een gesprek met verweerster en de praktijkmanager als tussenpersoon en om de risperidon zo snel mogelijk geregeld te hebben. Verder werd het advies uit de notitie van 7 maart 2024 aan klaagster teruggekoppeld en werd het medisch dossier uitgedraaid.

3.18     Op 10 maart 2024 schreef verweerster in de notitie akkoord te zijn met een gesprek met klaagster en met aanwezigheid van de manager daarbij. Ook noteerde zij een aantal punten die voor het gesprek belangrijk waren, waaronder het verzoek om het gesprek te plannen op dinsdagochtend zodat zij eventueel in de middag patiënt nog zou kunnen zien/bezoeken, dat het belangrijk was dat klager ook aanwezig zou zijn en het verzoek om het verslag van de kinderpsychiater uit H mee te nemen naar het gesprek.
 

3.19     Op 11 maart 2024 belde klaagster naar de praktijk met het verzoek om het gesprek uit te stellen en gaf aan dat zij zelf zou bellen voor een nieuwe afspraak. Ook deelde klaagster dat zij mogelijk wenste over te stappen naar een andere huisarts. De assistente deelde de punten uit de notitie van 10 maart 2024 met klaagster. In een overleg tussen verweerster en een waarnemend huisarts werd besproken dat het klaagster vrij stond om over te stappen naar een andere huisarts, maar dat in het belang van patiënt zij alsnog graag een gesprek zouden willen en dat het ook mogelijk was om op huisvisite te komen. Ze wilden ook graag horen waar de verwijzing naar de kinderpsychiater heen kon. Verweerster en de waarnemend huisarts besloten om anoniem te overleggen over de casus met een andere huisarts en om vervolgens anoniem te overleggen met Veilig Thuis vanwege:

“kind nog niet gezien, geen oud dossier/vg bekend, vermoedelijke diagnose door M zelf/geen offic diagnose, antipsychotica bij negenjarig kind, geen overdracht van buitenlandse voorschrijver, nog geen verwijzing tot stand gekomen naar SGGZ , met wel verzoek tot continueren antipsychotica door ha.”


3.20     Op 12 maart 2024 belde de assistente naar klaagster. Zij kreeg geen gehoor en verzocht via een anonieme voicemail of klaagster terug kon bellen. Klaagster belde vervolgens naar de spoedlijn. Aangegeven werd dat klaagster terug zou worden gebeld. De notitie vermeldt dat er driemaal was geprobeerd om klaagster te bellen, zonder gehoor. Klaagster belde vervolgens terug via de spoedlijn en gaf aan nog niet te weten naar welke huisarts ze wilde overstappen. De assistente gaf aan dat verweerster open stond voor een gesprek. Klaagster wilde hier nog over nadenken en zou laten weten naar welke huisarts zij over wil stappen en of een gesprek met verweerster kon worden gepland. Op 13 maart 2024 ontving de praktijk een brief van klagers met hun weergave van de situatie.
 

3.21     Op 14 maart 2024 is namens verweerster door de assistente een beveiligde e-mail gestuurd naar het e-mailadres van klagers met daarin het verzoek om in gesprek te gaan en een aanbod voor een huisvisite en eventueel zorg vanuit de crisisdienst jeugd te bieden en een second opinion door een huisarts. Op 15 maart 2024 reageerde klaagster per e-mail en vroeg of op maandag (18 maart 2024) om 17.00 uur een huisvisite mogelijk was. De afspraak werd door de assistente na overleg met verweerster per e-mail bevestigd. 

3.22     Om 16.15 uur belde de kinderpsychiater van I naar de praktijk en sprak met een waarnemend huisarts. Klaagster had contact opgenomen voor advies met betrekking tot de risperidon. De psychiater had een recept voor risperidon 0,5 mg eenmaaldaags gemaakt en hierover voorlichting gegeven. Ook werd patiënt op de wachtlijst gezet voor de locatie R. De kinderpsychiater deed bij de waarnemend huisarts navraag naar de voorgeschiedenis van patiënt en er werd besproken wat in de overdracht nodig was in het geval I de zorg eventueel weer zou overdragen aan de huisarts in de toekomst. Verweerster overlegde op 15 maart 2024 anoniem met K. Daaruit bleek dat zij ook hulp konden bieden in het geval patiënt niet naar de locatie kon komen voor poliklinisch contact. Verweerster noteerde om deze optie maandag te bespreken met klagers.
 

3.23     Op 18 maart 2024 liet klaagster per e-mail weten dat I inmiddels had laten weten de zorg alsnog over te nemen en dat zij goed contact met hen hadden, waardoor de urgentie van een huisbezoek wegviel. Het verzoek van klaagster was om de afspraak te verplaatsen naar een later moment wanneer de situatie stabieler was. Verweerster heeft hierop geantwoord dat zij beschikbaar was voor een gesprek als alles wat rustiger was en verzocht om te laten weten wanneer de intake bij I zou plaatsvinden. De notitie van 18 maart 2024 vermeldt dat het erop leek dat de zorg op gang zou komen en dat de meldcode over twee weken zou worden geherevalueerd.

3.24     Op 19 maart 2024 ontving de praktijk bericht van I dat patiënt op de wachtlijst was geplaatst.
 

3.25     Op 2 april 2024 verzocht klaagster telefonisch om het laatste stuk van het medisch dossier van patiënt en de in- en uitgaande brieven van en naar specialisten.

3.26     Op maandag 8 april 2024 werden klagers per beveiligde e-mail verzocht om een afspraak te maken op het spreekuur om de situatie van patiënt te bespreken en om te horen of er al een afspraak was bij I. Ook wilde verweerster graag het verzoek van klagers van een hernieuwde uitdraai van het dossier samen bespreken en of er voldoende vertrouwen was in de samenwerkingsrelatie. Op dinsdag 9 april 2024 liet klaagster per e-mail weten graag eerst het medisch dossier te willen ontvangen. Op 11 april 2024 werd een kopie van het medisch dossier inclusief de verwijsbrieven klaargelegd.

3.27     Op vrijdag 12 april 2024 e-mailde klaagster dat de zorg bij I inmiddels op gang was gekomen en dat zij daar afgelopen woensdag waren geweest voor een intake. Na het weekend zou klaagster terugkomen op het verzoek van verweerster om in gesprek te gaan.
 

3.28     Op 16 april 2024 ontving de praktijk een klachtenbrief, gedateerd 14 april 2024 en gericht aan de praktijkmanager met verweerster in de cc. Bij brief van 19 april 2024 heeft de praktijkmanager gereageerd en klagers uitgenodigd voor een gesprek. Uit de voortgangsrapportage van de praktijkmanager blijkt dat klaagster op 22 april 2024 per e-mail reageerde om de volgende dag telefonisch contact op te nemen. Verder blijkt uit de rapportage dat klaagster de aanwezigheid van een tweede huisarts uit de klachtencommissie bij het gesprek niet wenselijk vond, omdat dit voor haar minder prettig/veilig voelde. Ook werd klaagster gewezen op de mogelijkheid om de route van de SKGE te volgen en klaagster zou hiermee in overleg gaan.
 

3.29     Uit een e-mail van de GZ-psycholoog/systeemtherapeut van I van 10 april 2024 blijkt dat klagers naar aanleiding van het intakegesprek waren uitgenodigd voor een vervolggesprek op maandag 15 april 2024. Dit vervolggesprek vond uiteindelijk plaats op 24 april 2024.
 

3.30     Op 3 mei 2024 reageerde verweerster schriftelijk op de klachtenbrief van klagers. Verweerster noteerde verder:

“in reactie brief naar ouders wederom uitnodiging gesprek alsook: ( te zien in bijlage ): Op dit moment ben ik nog steeds uw huisarts en vind ik het belangrijk om te horen hoe het nu met [RTG: naam patiënt] gaat en of de zorg voor hem volledig op gang is gekomen. U heeft in uw brief d.d. 14 april jl. geschreven dat er op 10 april jl. een intake bij I heeft plaatsgevonden. Ik heb van I nog geen bericht ontvangen. Is de behandeling in zijn geheel gestart en vindt u het goed dat I mij hierover informeert?”
 

Verder vermeldt de notitie dat verweerster niet in kan gaan op het verzoek om de notities in het medisch dossier van patiënt vanaf 2 februari jl. terug te brengen tot één alinea waarin alleen de feiten worden genoemd, omdat de KNMG meldcode dit niet toestaat.
 

3.31     Op 8 mei 2024 stuurden klagers de praktijkmanager, met verweerster in de cc, een e-mail met als onderwerp ‘voortgang klachtenbemiddeling’. In de e-mail stond dat het goed ging met patiënt en dat er inmiddels meerdere deskundige zorgverleners bij het gezin betrokken waren. Klagers wezen op de berichten van 13 maart, 15 maart en 14 april 2024 en vroegen zich af of verweerster kon toelichten wat op dit moment haar doel zou zijn van gegevens uitwisselen met I.
 

3.32     Op 15 mei 2024 e-mailde het secretariaat van I het definitieve verslag van de intake en de verwijsbrief zoals verzonden aan FACT Jeugd aan klagers.
 

3.33     Op 16 mei 2024 liet klaagster per e-mail aan de GZ-psycholoog van I weten alleen akkoord te gaan met een beknopte terugkoppeling aan de praktijk met daarin alleen de informatie onder de tussenkopjes reden van verwijzing, hulpvraag en afspraken. Diezelfde dag informeerde verweerster klaagster over het overstappen naar een andere huisarts, omdat zij via de assistente vernam dat klaagster zo spoedig mogelijk wenste over te stappen. Verder stond in de e-mail dat verweerster een kopie van het medisch dossier van patiënt zou bewaren vanwege het bericht van klaagster dat zij de SKGE had benaderd. Verder deed verweerster aan klaagster de suggestie om een eigen verklaring aan het dossier te laten toevoegen.

3.34     Op 23 mei 2024 liet de praktijkmanager aan klaagster weten dat zijn rol als interne klachtenfunctionaris stopte, nu klaagster de SKGE had ingeschakeld als externe klachtbemiddeling. 

3.35     Op 31 mei 2024 stuurde I het intake- en onderzoeksverslag van 10 april 2024. Hierin staat onder het kopje hulpvraag: “ouders willen graag begeleiding van de medicamenteuze behandeling. Daarnaast willen zij voor zichzelf als ouders ondersteuning bij de aanpak en aansluiting die [RTG: naam patiënt] nodig heeft om zich zo goed mogelijk te kunnen ontwikkelen.’’ Omdat het op korte termijn niet lukte om patiënt naar de polikliniek te laten komen, terwijl de situatie wel vroeg om behandeling volgens de brief, stemden klagers in met een doorverwijzing naar FACT. Wanneer er een intake had plaats gevonden dan zou patiënt worden uitgeschreven bij I.
 

3.36     Op 3 juni 2024 vond er een overleg plaats met beide waarnemend huisartsen en verweerster. In de notitie staat dat werd besloten om stap 2 uit de KNMG meldcode te herhalen, omdat het ondanks diverse pogingen niet was gelukt om een gesprek in de afgelopen maanden te laten plaatsvinden. Verweerster overlegde anoniem met een vertrouwensarts van Veilig Thuis. Deze onderschreef dat er sprake was van een meldingswaardige situatie. Diezelfde dag ontvingen klagers een e-mail van J met het bericht dat patiënt was aangemeld bij FACT Jeugd R en het verzoek om de aanmeld- en toestemmingsformulieren in te vullen.
 

3.37     Op 4 juni 2024 zijn klagers per beveiligde e-mail met als onderwerp ‘urgent verzoek vanuit de huisartsen’, door verweerster op de hoogte gebracht over de zorgen die er bestonden rondom patiënt en het verzoek om in gesprek te gaan. Ook is benoemd dat, wanneer er te weinig inzicht zou blijven in de situatie van patiënt, er zo nodig verdere stappen zouden moeten worden gemaakt in het kader van de meldcode en dat dit eventueel zou kunnen betekenen dat tot een melding bij Veilig Thuis zou worden overgegaan. Uit een aantekening in het medisch dossier blijkt dat de e-mail retour kwam en dat werd besloten dat de brief aangetekend zou worden verstuurd en langs zou worden gebracht bij het huisadres. Op 5 juni 2024 werd de brief per aangetekende post aan klagers verstuurd.
 

3.38     Diezelfde dag nam klaagster telefonisch contact op met de praktijk en sprak met een waarnemend huisarts. Klaagster gaf aan dat het goed ging met patiënt en dat zij ondersteuning kregen van een orthopedagoog. Daarnaast was er een intake geweest bij I en was er contact met een psychiater in R. Patiënt zat nu in de aanmeldprocedure voor het FACT-team. De praktijk had geen terugkoppeling ontvangen van I. De waarnemer besprak met klaagster hoe de informatie van I met de praktijk gedeeld zou kunnen worden.

3.39     Op 6 juni 2024 ontving de praktijk het verslag van I van de intake die in april 2024 had plaatsgevonden.

3.40     Uit een notitie van 7 juni 2024 blijkt dat klaagster telefonisch contact had met een waarnemend huisarts, waarbij klaagster aangaf dat zij op 15 mei 2024 door I naar het FACT-team waren verwezen, dat de wachttijd 3-4 weken was en dat zij van plan waren om de hulp te accepteren en er naartoe te gaan. De waarnemend huisarts vroeg of zij bij het FACT-team mocht informeren of de aanmelding liep. Klaagster gaf alleen de waarnemer toestemming om dit te doen. Uit het overleg met het FACT-team bleek dat het aanmeldproces liep, dat de casus was goedgekeurd en dat patiënt op de wachtlijst zou worden gezet.


3.41     Naar aanleiding van de informatie van I en verwijzing naar het FACT-team, vond er op 7 juni 2024 een anoniem overleg plaats met verweerster, beide waarnemers en de vertrouwensarts van Veilig Thuis. Uit de notitie van het overleg bleek dat, ondanks dat er iets meer inzage was, de zorgen bleven bestaan. Het advies van de vertrouwensarts was om door te gaan met het verkrijgen van meer inzicht en wanneer patiënt nog onvoldoende in beeld was of als er geen open communicatie mogelijk was, dan zou er een melding bij Veilig Thuis worden gemaakt.
 

3.42     Op 10 juni 2024 nam klaagster telefonisch contact op met de prakijk, waarin zij onder meer aangaf dat de meldcode onterecht was gevolgd en dat zij niet in de gelegenheid was gekomen om dit te bespreken met verweerster. Verweerster en de waarnemend huisarts hebben de ontwikkelingen opnieuw besproken met de vertrouwensarts van Veilig Thuis. Klagers werden per brief geïnformeerd dat, ondanks dat er een verwijzing had plaatsgevonden naar het FACT-team, het bericht van klaagster niet de vragen zoals gesteld in de brief van 4 juni 2024 had weggenomen. Patiënt was ondanks de pogingen sinds januari niet gezien door een arts of psychiater tijdens het gebruik van zijn medicatie en er had geen duurzame behandeling plaatsgevonden. Daarbij vermeldt de brief dat de communicatie met klagers wisselend en zeer beperkt was, alsook het feit dat er door de huisartsen niet mocht worden overlegd met de betrokken instellingen. Alles bij elkaar maakte dit dat de meldcode niet kon worden afgesloten. De brief vermeldde verder dat klaagster op dinsdag 11 juni 2024 zou worden gebeld over de overwegingen. Klaagster is in een e-mail van dezelfde dag ingegaan op hoe de zorg rondom patiënt was geregeld. Klaagster eindigde haar e-mail met het verzoek om bevestiging dat de meldcode zou worden losgelaten. Klagers stuurden op 10 juni 2024 ook een brief aan de praktijkmanager met het verzoek om het hele gezin over te schrijven naar een andere huisartsenpraktijk en waarin zij toestemming gaven voor het overzetten van de dossiers, behalve het dossier van patiënt.

3.43     Op dinsdag 11 juni 2024 werd aan klagers per beveiligde e-mail bericht dat na akkoord van klagers contact zou worden opgenomen met de psychiater van I. Verder vermeldt het medisch dossier dat er na drie pogingen om klagers telefonisch te spreken volgens afspraak, zij per e-mail werden verzocht om toestemming voor volledige gegevensuitwisseling met I en het FACT-team te geven. Ook stond in de e-mail aan klagers vermeld dat op advies van Veilig Thuis geen verder tijdsverlies in het proces werd geaccepteerd en er werd aan klagers verzocht om vóór donderdag 13 juni om 12.00 uur een schriftelijke toestemming te ontvangen. 

3.44     Uit het medisch dossier blijkt dat er op donderdag 13 juni 2024 een aantal keer geprobeerd is om klagers te bellen en dat vanwege het ontbreken van een reactie op de e-mail/brief van 11 juni 2024 werd besloten om een melding te maken bij Veilig Thuis. Hiervan zijn klagers per beveiligde e-mail en aangetekende brief op de hoogste gesteld. Voor de melding definitief werd verzonden werd ook na de deadline van 12.00 uur gecontroleerd of er bericht was van klagers en werd juridisch advies ingewonnen over hoe de toestemming van klagers moest worden geduid. Op basis van het juridisch advies werd de belafafspraak met de waarnemend huisarts en I afgezegd, vanwege het ontbreken van expliciete toestemming van klagers.

3.45     Op 14 juni 2024 vond er overleg plaats met de KNMG over het overdragen van het dossier van patiënt. Die dag zijn klagers op de hoogte gebracht van de melding bij Veilig Thuis en in de e-mail verzocht verweerster nogmaals om in contact met klagers te komen.

3.46     In de notitie van 18 juni 2024 staat dat een uitgebreide beschrijving van het stappenplan Meldcode kindermishandeling Veilig Thuis als bijlage in het dossier van patiënt is opgenomen.

3.47     Op 19 juni 2024 berichtte de klachtenfunctionaris SKGE aan verweerster dat de klachtenbemiddeling op verzoek van klaagster werd afgesloten. Diezelfde dag e-mailde de praktijkmanager klagers in verband met een medische spoedzorgvraag van klagers op 14 juni 2024 en de wens om niet te worden gezien door onder andere verweerster. Op 20 juni 2024 belde klager over de jongste zoon, die de week ervoor was gevallen op zijn neus. De assistente overlegde met een huisarts van een andere praktijk binnen het Medisch Centrum en daaruit volgde dat er geen reden was voor een consult.

3.48     Op 18 juli 2024 werd patiënt uitgeschreven uit de praktijk.

4.     De klacht en de reactie van de huisarts

4.1     Klagers verwijten de huisarts het volgende:

1. Verzaken in de zorgplicht naar patiënt toe;

2. Aandringen op verwijzing zonder beoordeling;

3. Schenden van principes rondom samen beslissen en informed consent;

4. Niet bereikbaar zijn; afstandelijke en slechte communicatie;

5. Onbeveiligd digitaal communiceren;

6. Niet beschikken over een laagdrempelige klachtenvoorziening;

7. Niet reageren op klachten;

8. Tendentieus en incorrect dossiervoeren;

9. Klachten en informatie over de klachtafhandeling opnemen in het medisch dossier;

10. Niet doorlopen van de meldcode;

11. Verbreken van het beroepsgeheim;

12. Ongewenst, grensoverschrijdend en ontwrichtend gedrag;

13. Verzaken van de zorgplicht naar klagers toe;

14. Verzaken van de zorgplicht naar hun jongste zoon toe.
 

4.2     De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De huisarts meent zich te hebben ingespannen om passend overleg en zorg mogelijk te maken. Op basis van verschillende signalen was het doorlopen van het stappenplan uit de meldcode Kindermishandeling noodzakelijk en zij heeft na ampel beraad nauwkeurig het stappenplan doorlopen en uiteindelijk een melding gemaakt bij Veilig Thuis. Er is zeer frequent een fysieke ontmoeting aangeboden op het spreekuur of een huisvisite. Ook werd er via beveiligde e-mail gecommuniceerd. Verder heeft de huisarts mee willen werken aan een klachtengesprek en stelt zij te voldoen aan de verplichtingen omtrent een klachtenregeling en te hebben gehandeld in overeenstemming met de KNMG Richtlijn Omgaan met medische gegevens. Tot slot is de huisarts niet betrokken geweest bij de hulp aan de jongste zoon.  

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5.     De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.


Klachtonderdeel 1. Verzaken zorgplicht ten opzichte van patiënt
5.2     Volgens klagers is de zorg van de huisarts jegens patiënt in de weken 10 en 11 van 2024 ernstig tekortgeschoten. Nagelaten werd om passende continuïteit van zorg te waarborgen bij een kind in de basisschoolleeftijd dat gebruikmaakte van psychotrope medicatie. Zelfs als de huisarts gegronde redenen had om de medicatie niet te verlengen, had de huisarts volgens klagers:

  1. actief en tijdig contact met hen kunnen opnemen om hen te informeren over het voornemen tot het niet voortzetten van de medicatie;
  2. kunnen en moeten onderzoeken of zij op korte termijn contact kon leggen met een ter zake kundige psychiater;
  3. voorlichting moeten geven over de te verwachten ontwenningsverschijnselen;
  4. klagers moeten ondersteunen in het opstellen van een plan voor het omgaan met mogelijke ontwenningsverschijnselen en crisissituaties.

5.3     Volgens de huisarts hebben klagers haar en haar collega’s niet tijdig geïnformeerd over de keuze voor een effectieve verwijzing naar de SGGZ. Ingewonnen informatie bevestigde dat voorschrijven van medicatie door een (kinder)psychiater was aangewezen en dat alleen voortzetten van medicatie zonder behandeling van patiënt niet aangewezen was. Verweerster werd door klagers niet volledig en tijdig van alle relevante informatie omtrent patiënt op de hoogte gebracht. Informatie van de voorschrijver van de medicatie in H ontbrak. Alle aangeboden mogelijkheden om met klagers in gesprek te komen of patiënt te zien, zijn door klagers afgehouden.
 

5.4     Naar het oordeel van het college heeft de huisarts vanaf het begin, in navolging van de waarnemend huisarts die de eerste contacten met klaagster had, duidelijkheid verschaft over het niet voorschrijven van de betreffende medicatie en ook meermalen gewezen op de noodzaak van verwijzing. Klaagster wilde hiervoor echter steeds bedenktijd en het aanbod om patiënt te zien of onderzoeken werd door haar afgehouden. Het college volgt de uitleg van de huisarts en oordeelt dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen in zoverre niet is gebleken. Klachtonderdeel 1. is hiermee ongegrond.

Klachtonderdeel 2. Aandringen op verwijzing zonder beoordeling

5.5     Klagers verwijten de huisarts dat zij bij het telefooncontact op 5 maart 2024 heeft nagelaten gerichte (anamnese-)vragen te stellen en herhaaldelijk verbale druk heeft uitgeoefend op klagers om in te stemmen met een verwijzing naar het FACT-team. Gezien het ontbreken van direct patiëntencontact, het beperkte informatiekader waarover zij beschikte en het uitblijven van pogingen om aanvullende context op te vragen of te verifiëren, had de huisarts volgens klagers onvoldoende grond om een zorgvuldige en medisch onderbouwde indicatiestelling te doen. De gerechtvaardigde wens van klagers om overleg te voeren en tijd te nemen om de meerwaarde van de voorgestelde verwijzing te beoordelen, werd door de huisarts ten onrechte als een ‘zorgsignaal’ aangemerkt.

5.6     Volgens de huisarts heeft op 5 maart 2024 een lang telefonisch consult plaatsgevonden, samen met de waarnemend huisarts. Daarbij is genoegzaam naar voren gekomen dat de huisarts was geïnformeerd over de voorgaande contacten. Aan klagers was vanaf 5 februari 2024 voldoende tijd verleend om over een verwijzing na te denken en is volgens de huisarts terecht benoemd dat het in het belang van patiënt was om in te stemmen met verwijzing. De aard en toon van het gesprek zijn gebleven binnen de grenzen van hetgeen een arts betaamt en aan klagers is twee dagen bedenktijd gegeven. Hierop zijn klagers niet teruggekomen.

5.7     Gelet op de notitie die van het betreffende telefoongesprek is gemaakt (zie overweging 3.15), ziet het college aanleiding om de huisarts te volgen in haar uitleg. Voor de geadviseerde verwijzing bestond in de gegeven situatie voldoende aanleiding. Dat de huisarts ontoelaatbare druk op klagers zou hebben uitgeoefend om patiënt te verwijzen, kan het college op basis van het dossier niet vaststellen. Dit maakt dat klachtonderdeel 2. kennelijk ongegrond is.

Klachtonderdeel 3. Schenden principes samen beslissen en informed consent

5.8     Dit klachtonderdeel ziet erop dat de huisarts verbale druk zou hebben uitgeoefend en daarmee niet heeft gehandeld conform shared decision-making en informed consent. Klagers verwijten de huisarts dat zij geen informatie heeft gegeven over de voor- en nadelen of alternatieven, waardoor klagers niet op basis van volledige informatie konden instemmen met de voorgestelde verwijzing.

5.9     Volgens de huisarts heeft klaagster telkens alle informatie ontvangen die aan de orde was. Dat zij andere wensen had, betekent niet dat de informatie onvolledig was. Aan klaagster is bedenktijd en tijd voor overleg met klager geboden. Zij heeft geen nadere informatie gevraagd en kwam er bij de huisarts en collega’s niet op terug, ook niet als zij toezegde dat ze contact op zou nemen ‘als ze er uit waren’. Verweerster onderschrijft dat er geen toestemming van klagers tot stand kwam, echter was dat buiten haar toedoen.

5.10     Het college constateert dat aan klagers de gelegenheid is geboden om met de huisarts in gesprek te gaan en te overleggen, maar dat daarvan door hen geen gebruik is gemaakt. Dat zij zich niet voldoende geïnformeerd voelden om te kunnen instemmen met verwijzing, kan naar het oordeel van het college dan ook niet aan de huisarts worden tegengeworpen. Ook klachtonderdeel 3. is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 4. Niet bereikbaar zijn

5.11     Klagers verwijten de huisarts dat er geen enkele fysieke ontmoeting heeft plaatsgevonden en slechts een telefonisch contactmoment op 5 maart 2024.

5.12     De huisarts verwijst naar het beloop en de notities in het journaal. Hieruit blijkt volgens haar dat zeer frequent een fysieke ontmoeting is aangeboden, zowel aan klaagster als aan klagers samen. De huisarts heeft klagers meermalen verzocht op het spreekuur te komen dan wel aangeboden om een huisvisite af te leggen. Alle aangeboden opties werden door klagers afgewezen.

5.13     Dit verwijt is inderdaad niet terecht. Uit het dossier blijkt dat er meerdere vergeefse pogingen door de huisarts zijn ondernomen om klagers en patiënt te zien en dat dit door klaagster telkens werd afgehouden. De huisarts kan in zoverre geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit betekent dat klachtonderdeel 4. kennelijk ongegrond is.

Klachtonderdeel 5. Onbeveiligd digitaal communiceren

5.14     Dit verwijt ziet erop dat de huisarts e-mailcorrespondentie met klagers heeft gevoerd die niet voldoet aan een NEN 7510 gecertificeerd systeem.

5.15     Verweerster verwerpt dit verwijt. Uit de notities en het journaal volgt volgens haar dat gebruik is gemaak van beveiligde e-mail. Ook de praktijkmanager heeft klagers per beveiligde e-mail bericht gegeven.

5.16     De uitleg van verweerster wordt bevestigd door het beschikbare dossier. Gelet hierop en nu klagers hun verwijt niet nader hebben onderbouwd, is ook klachtonderdeel 5. kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 6. Niet beschikken over laagdrempelige klachtenvoorziening

5.17     Klagers verwijten de huisarts dat er geen laagdrempelige, transparante en adequaat functionerende klachtenvoorziening is. Volgens klagers is dit in strijd met de kernbepalingen van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz).

5.18     De huisarts bestrijdt dit. Zij heeft de mogelijkheid geboden voor een gesprek op de praktijk, zoals klaagster verzocht in aanwezigheid van een onafhankelijk persoon. Dit is afgewezen door klaagster. Naar aanleiding van de formele klacht van klaagster van 14 april 2024 is door de interne klachtencommissie een gesprek aangeboden. Klaagster heeft de praktijkmanager laten weten af te zien van een klachtengesprek. Op het verzoek van de huisarts om vooral wel gebruik te maken van de mogelijkheid van een klachtengesprek, is door klagers niet ingegaan. De huisarts is aangesloten bij de klachtenopvang via de klachtenfunctionaris van de SKGE en de Geschilleninstantie van de SKGE. Zij voldoet daarmee aan de verplichtingen. Een aangeboden gesprek via de SKGE is door klaagster afgewezen en de mogelijkheid van de behandeling van een klacht via de klachtenregeling SKGE is door klaagster gestaakt.

5.19     Het college stelt vast dat de huisartsenpraktijk over een klachtenvoorziening beschikte. In hetgeen klagers hebben aangevoerd ziet het college geen aanleiding om te oordelen dat deze klachtenvoorziening niet voldeed aan de door klagers genoemde eisen die daaraan in de Wkkgz worden gesteld. Dit maakt klachtonderdeel 6. kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 7. Niet reageren op klachten

5.20     De huisarts heeft volgens klagers geen antwoord gegeven op de vragen, zorgen en bezwaren zoals geuit in de brief van 14 april 2024.

5.21     Genoemde brief was volgens de huisarts gericht aan de praktijkmanager en hierop is door de praktijkmanager gereageerd en aan klagers is de mogelijkheid van een gesprek geboden. Diverse uitnodigingen om te spreken over de medisch inhoudelijke zorgen over patiënt, de samenwerking tussen de huisarts en haar collega’s en klagers te spreken over de klachten van klagers, zijn volgens de huisarts echter door klagers afgehouden.

5.22     Ook hier geldt dat klagers zelf de mogelijkheid van een gesprek met de huisarts hebben afgehouden. Dit betekent dat het klachtonderdeel om die reden geen doel treft en kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

Klachtonderdeel 8. Tendentieus en incorrect dossiervoeren

5.23     Klagers stellen zich op het standpunt dat de verslaglegging van de huisarts niet inzichtelijk, feitelijk correct en professioneel is. Het integraal opnemen van volledige e-mailwisselingen zonder duiding of selectie is volgens klagers in strijd met het doel en de functie van het dossier.

5.24     Volgens de huisarts is in het dossier ieder contact genoteerd, waarbij navolgbaar is genoteerd dat het een (telefonisch) consult, memo of verslag van een overleg betreft. Aan het verzoek van klaagster om bepaalde notities in het dossier te verwijderen en te vervangen door een door haar gewenste samenvatting, kon de huisarts niet voldoen. Klaagster is de mogelijkheid geboden om een zogenaamde “eigen verklaring” aan het dossier van patiënt toe te voegen, hiervan heeft zij echter geen gebruik gemaakt.

5.25     Met de huisarts acht het college de dossiervoering navolgbaar. Dat de notities van de huisarts feitelijk niet juist zouden zijn, is het college niet gebleken. Ook een gebrek aan professionaliteit kan het college niet vaststellen. De e-mailwisselingen met klagers hadden betrekking op de zorg voor patiënt, zodat het opnemen daarvan in het dossier om die reden een doel diende. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is in zoverre dan ook geen sprake. Dit klachtonderdeel is hiermee kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 9. Klachten/informatie klachtafhandeling opnemen in medisch dossier

5.26     Klagers verwijten de huisarts dat de klachtbrief van 14 april 2024 integraal in het dossier is opgenomen.

5.27      De huisarts achtte zowel de brief van klagers van 13 maart 2024 als de klachtbrief van 14 april 2024 relevant voor de (gezondheids)situatie van patiënt gelet op de weerslag op de contacten met klagers en de gevolgen hiervan voor de primaire verantwoordelijkheid: de zorg voor patiënt. Om die reden heeft zij de brieven toegevoegd aan het dossier.

5.28      Het college stelt vast dat klagers in de brief van 14 april 2024 uitvoerig zijn ingegaan op de situatie van patiënt, hoe klagers hiertegen aankeken en hoe zij de wijze van communicatie en handelen van de huisarts ervaarden. Ondanks het feit dat klachtenbrieven niet per definitie in het medisch dossier thuishoren, acht het college het – in het licht van de zorg voor patiënt – navolgbaar dat de brief van 14 april 2024 in dit geval wel in het dossier is opgenomen. Ook begrijpt het college dat de huisarts de brief juist in het dossier had opgenomen, omdat klagers zich er in hun brief over hadden beklaagd dat hun eerdere brief van 13 maart 2024 niet in het dossier zou zijn opgenomen. Met de opname in het dossier heeft de huisarts naar het oordeel van het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, zodat ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.

Klachtonderdelen 10. en 11. Niet doorlopen meldcode en verbreken beroepsgeheim

5.29     Deze klachtonderdelen hebben betrekking op de melding door de huisarts bij Veilig Thuis. Klagers verwijten haar dat zij vrijwel direct en zonder nadere toelichting het stappenplan heeft geactiveerd en dat zij hierbij zeer onzorgvuldig en prematuur te werk is gegaan. Verder wordt haar verweten dat er geen sprake is geweest van een objectief en stapsgewijs doorlopen van de meldcode. Door het doen van een zorgmelding is daarnaast volgens klagers sprake van een ongeoorloofde schending van het beroepsgeheim.

5.30     De huisarts meent dat de stappen uit het stappenplan zeer zorgvuldig zijn doorlopen. In de melding is een en ander uitgebreid beschreven. Gelet hierop was sprake van een gerechtvaardigde doorbreking van het beroepsgeheim.

5.31     De vraag die het college moet beantwoorden is of de huisarts de stappen van de meldcode correct heeft gevolgd. Daarvoor is van belang dat de meldcode onder meer voorschrijft dat aanwijzingen en signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld worden verzameld en met een collega dan wel anoniem met Veilig Thuis worden besproken. Er wordt geadviseerd om met betrokkenen in gesprek te gaan en ook zoveel mogelijk met het kind. Daarvan kan worden afgezien als er geen contact tot stand komt ondanks diverse pogingen. Verder geeft de meldcode aan dat vervolgens de ernst van de situatie zoveel mogelijk dient te worden geanalyseerd, waarna uiteindelijk wordt gekomen bij stap 5, de vraag of inderdaad een melding moet worden gemaakt. Voor stap 5 geldt vervolgens een afwegingskader, waarbij de volgende vragen aan de orde komen. Kan er zelf hulp
worden geboden of kan er worden verwezen voor gespecialiseerde hulp, wordt dit door de betrokkenen ook aanvaard en leidt de hulp ook tot een gewenst resultaat?

5.32     Het college stelt vast dat de huisarts en haar collega’s de zorgen omtrent patiënt uitgebreid in kaart hebben gebracht. Deze zorgen zijn ook diverse malen besproken met de vertrouwensartsen van Veilig Thuis, bij intervisiegroepen en onderling in de praktijk. Klagers zijn meermaals gebeld en aangeschreven over de stand van zaken. Daarbij zijn zij veelvuldig uitgenodigd om in gesprek te gaan, waarbij ook kenbaar is gemaakt welke informatie de huisartsen nodig hadden en dat de meldcode nog openstond. Van een gesprek is het echter niet gekomen. Toestemming om met andere zorgverleners te overleggen werd door klagers niet gegeven en ook werd geen informatie van andere zorgverleners ontvangen. De huisarts en haar collega’s meenden dat zij op die manier onvoldoende effectieve zorg konden bieden en organiseren en hier in ieder geval geen zicht op hadden. Daarnaast konden zij niet aan hun zorgplicht voldoen en de veiligheid van patiënt niet garanderen en monitoren.

Het college volgt de huisarts in de conclusie dat hiermee is voldaan aan het stappenplan en het afwegingskader en dat met recht een melding bij Veilig Thuis is gedaan. Daarmee was ook een legitimatie gegeven om medische informatie over patiënt te delen. Van schending van het beroepsgeheim is dan ook geen sprake.       

Dit maakt dat de klachtonderdelen 10. en 11. kennelijk ongegrond zijn.

Klachtonderdeel 12. Ongewenst, grensoverschrijdend en ontwrichtend gedrag

5.33     De huisarts heeft volgens klagers een ontoelaatbare druk uitgeoefend op het gezin, zodanig dat klagers deze emotioneel en praktisch niet meer konden dragen. Klagers hebben in dit verband gewezen op het “aanhoudende en excessieve contact” in de vorm de telefoontjes, voicemails en brieven, waaronder meerdere aangetekende brieven met volgens klagers een ongekende toon en ongefundeerde en ongerechtvaardigde beschuldigingen. Verder overschreden de huisartsen volgens klagers hun professionele rol door zich op klagers’ privéterrein te begeven, waarbij hun persoonlijke levenssfeer werd geschonden. Ook noemen klagers de melding die de huisarts gedaan heeft.

5.34     In reactie stelt de huisarts zich op het standpunt dat zij gehouden was haar verplichtingen jegens patiënt na te komen richting klagers en dat zij zich daarbij heeft gehouden aan hetgeen in de zorg voor patiënt onder huisartsen gebruikelijk is. Er is klagers steeds bedenktijd gegeven en er is steeds naar oplossingen gezocht om patiënt te kunnen zien. Dat de huisarts er meermaals op heeft gewezen dat verwijzing naar gespecialiseerde zorg was aangewezen en navraag heeft gedaan naar de opvolging, was haar taak en verantwoordelijkheid. Van ontoelaatbare druk is volgens de huisarts geen sprake geweest. Later in het proces was noodzakelijk dat de huisarts zich vergewiste dat patiënt goed in zorg was gekomen en hierin inzicht werd verschaft, ook voor eventuele andere medische situaties. Ook was het volgens de huisarts in het kader van de meldcode belangrijk dat klagers van alle stappen op de hoogte waren en mogelijkheid hadden hierover met de huisarts in gesprek te komen. Er was geen hulpvraag van klaagster voor de situatie met betrekking tot patiënt. De opmerking van klagers over het op eigen terrein komen van klagers, betrof volgens de huisarts het bezorgen van enkele brieven in hun brievenbus.

5.35     Van grensoverschrijdend gedrag en/of ontoelaatbare druk is het college niet gebleken. Gelet op de voor patiënt benodigde zorg en het feit dat hierover weinig informatie en inzicht werd verkregen, acht het college het zorgvuldig dat de huisarts een vinger aan de pols hield en zich pro-actief opstelde. De acties die daarbij zijn ondernomen acht het college passend bij de situatie. Klachtonderdeel 12. is daarmee kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 13. Verzaken zorgplicht ten opzichte van klagers

5.36     Volgens klagers is er geen sprake geweest van enige adequate zorgvuldigheid of aandacht voor hun draagkracht en welbevinden. Daarnaast zou er onvoldoende ondersteuning zijn geweest om een overstap naar een andere praktijk mogelijk te maken en wordt de huisarts verweten dat het gezin feitelijk is verwaarloosd.

5.37     De huisarts heeft in reactie aangevoerd dat klaagster en klager beiden voor zichzelf geen hulp bij verweerster hebben gevraagd. Daarnaast hebben zij gedurende het zorgtraject van patiënt bij de huisarts niet vermeld dat zij de situatie emotioneel en praktisch niet meer konden dragen. Toen klaagster op 14 juni 2024 naar de praktijk kwam, wilde zij niet door de huisarts worden gezien en is zij binnen het uur door een collega huisarts gezien. Er is geen hulpvraag aan de huisarts gesteld.

5.38     Het college kan uit het dossier niet afleiden dat klagers voor zichzelf een hulpvraag hadden neergelegd bij de huisarts, noch dat op een andere manier voor de huisarts kenbaar had moeten zijn dat klagers haar hulp wensten. Voor zover klagers bedoelen dat de huisarts bij haar acties gericht op de zorg voor patiënt te weinig aandacht heeft gehad voor de toestand van klagers ziet het college daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Aan de huisarts kan dan ook niet verweten worden dat zij haar zorgplicht ten opzichte van hen heeft verwaarloosd.

Ook klachtonderdeel 13. is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 14. Verzaken zorgplicht ten opzichte van jongste zoon

5.39     Volgens klagers hebben zij expliciet verzocht om hun jongste zoon na een val op zijn gezicht als passant te laten beoordelen door een waarnemend huisarts. Klagers verwijten de huisarts weigering van zorg aan hun jongste zoon.

5.40     Volgens de huisarts is er geen zorg geweigerd, noch door haar, noch door een andere huisarts. De huisarts heeft persoonlijk geen contact gehad of advies gegeven over de jongste zoon en nadat klagers op 17 juni 2024 hadden aangegeven dat zij niet meer door de huisarts wilden worden geholpen, heeft de huisarts waarneming geregeld. Klagers zijn hierover door de praktijkmanager geïnformeerd. De huisarts is persoonlijk niet tekortgeschoten in de zorg voor de jongste zoon.

5.41     Van persoonlijke betrokkenheid van de huisarts bij een eventuele hulpvraag voor de jongste zoon van klagers is het college niet gebleken. Reeds om die reden kan dit klachtonderdeel niet slagen.

Slotsom

5.42     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6.     De beslissing

De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 24 februari 2026 door H.L. Wattel, voorzitter, G.S.H. Vegt en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard;
    het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.