ECLI:NL:TGZRZWO:2026:33 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8426
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:33 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-02-2026 |
| Datum publicatie: | 24-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8426 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen verpleegkundige. De (coördinerend) verpleegkundige heeft een verklaring opgesteld over een bezoek van klager aan de woonzorglocatie waar zijn moeder verbleef, en dit verslag aan de mentor verstrekt. Klager verwijt de verpleegkundige dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opstellen van het verslag en het beroepsgeheim heeft geschonden. De klacht ten aanzien van de zorgvuldigheid bij het opstellen van het verslag is gegrond. De verpleegkundige had deze verklaring niet zelf moeten opstellen en ondertekenen. Ook maakt de verpleegkundige onvoldoende onderscheid tussen waarnemingen van anderen en haar (beperkte) eigen waarnemingen en is het verslag onvoldoende objectief geformuleerd. Het klachtonderdeel dat ziet op schending van het beroepsgeheim is ongegrond. Het college legt een waarschuwing op. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 20 februari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
verpleegkundige,
(destijds) werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigde: mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klagers moeder verbleef in een woonzorglocatie. De verpleegkundige heeft (als
coördinerend verpleegkundige) een verklaring opgesteld over het bezoek van klager
aan deze woonzorglocatie. Klager verwijt de verpleegkundige, samengevat, dat zij onzorgvuldig
heeft gehandeld bij het opstellen van dit verslag en het beroepsgeheim heeft geschonden.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ten aanzien van de zorgvuldigheid
bij het opstellen van het verslag gegrond is. Het klachtonderdeel dat ziet op schending
van het beroepsgeheim is ongegrond. Het college legt aan de verpleegkundige de maatregel
van een waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 april 2025;
- het verweerschrift;
- de brief van de secretaris van 1 juli 2025, met het verzoek om aanvullende informatie;
- het aanvullende verweerschrift, ontvangen op 17 juli 2025;
- de repliek, ontvangen op 14 augustus 2025;
- aanvullend bewijsmateriaal van klager, ontvangen per e-mail op 1 september 2025;
- de dupliek, ontvangen op 1 oktober 2025;
- aanvullende stukken namens verweerster, ontvangen op 30 december 2025, waarbij door de gemachtigde van verweerster ten aanzien van productie 1 en 2 een beroep is gedaan op artikel 67, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG);
- een door klager ingediende verklaring ondertekend door zijn moeder op 20 juli 2024,
waarin zij hem toestemming verleent voor inzage in haar medische gegevens gedurende
haar leven en na haar overlijden; de verklaring is ontvangen per e-mail op 16 januari
2026.
2.2 In verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft de voorzitter
van het tuchtcollege aanvankelijk met toepassing van artikel 67, derde lid, van de
Wet BIG bepaald dat kennisneming van de bijlagen 1 en 2 bij de brief van 30 december
2025 – stukken die betrekking hebben op klagers moeder – niet aan klager persoonlijk
zou worden toegestaan. Na kennisneming van de door klagers moeder op 20 juni 2024
ondertekende verklaring heeft de gemachtigde van verweerster haar beroep op artikel
67, derde lid, van de Wet BIG ingetrokken en heeft klager alsnog van deze stukken
kennis kunnen nemen.
2.3 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.4 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 januari 2026. De partijen
zijn verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en
de gemachtigde van verweerster hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klager
heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De verpleegkundige was in mei 2024 werkzaam als coördinerend verpleegkundige bij een woonzorglocatie waar de moeder van klager verbleef.
3.2 Bij beschikking van 22 november 2023 werd mentorschap ingesteld ten behoeve
van de moeder van klager. Uit deze beschikking blijkt onder meer dat klagers moeder
op dat moment al jaren geen contact heeft met klager, en geen toestemming geeft voor
het delen van medische informatie met hem. Uit diverse rapportages uit het dossier
van klagers moeder blijkt dat zij ambivalent is in haar wens bezoek te willen van
klager.
3.3 Op 16 mei 2024 bezocht klager zijn moeder, samen met zijn kinderen, terwijl
de mentor klager had verzocht dit niet te doen. Klagers moeder had de kleinkinderen
daarvoor nog nooit gezien. De mentor stuurde klager vervolgens dezelfde dag een brief
waarin zij schreef dat zij klagers moeder had gesproken, en dat het zijn moeder een
onveilig gevoel gaf dat klager onaangekondigd voor haar neus stond. In overleg met
klagers moeder besloot de mentor de bezoeken van klager voorlopig op te schorten.
De mentor schreef dat zij binnenkort met zijn moeder in gesprek zou gaan om te bespreken
hoe ze het bezoek had ervaren en wat ze in de toekomst zou willen.
3.4 Op 19 mei 2024 had de verpleegkundige bereikbaarheidsdienst. Op deze dag
kwam klager, ondanks het verzoek van de mentor, naar de woonzorglocatie. De medewerkers
namen vervolgens telefonisch contact op met de verpleegkundige. De verpleegkundige
adviseerde de medewerkers de politie te bellen als zij zich bedreigd voelden.
3.5 Op 22 mei 2024 stelde de verpleegkundige na opdracht daartoe van de locatiemanager
samen met de medewerkers een verslag op over het voorval op
19 mei 2024. De verpleegkundige heeft deze verklaring op diens verzoek aan de mentor
verstrekt. In dit verslag staat onder andere (alle citaten letterlijk opgenomen in
deze beslissing):
“Tweede pinksterdag 19 mei (..) kwam [RTG: naam klager] onaangekondigd binnen in de
eetzaal (…).
De welzijnsmedewerkers herkenden [RTG: naam klager] direct als de zoon van [RTG:
naam moeder klager] die op dat moment niet welkom is binnen [RTG: naam instelling].
Hier is donderdag 16 mei 2024 nog een brief over verstuurd, nadat [RTG: naam klager]
onaangekondigd en onder valse voorwenselen met behulp van zijn kinderen bij zijn moeder
is gekomen.
(…)
[RTG: naam klager] zei dat hij zijn moeder dan wel mee zou nemen naar haar appartement.
Terwijl in de brief specifiek in de brief stond dat zijn moeder absoluut niet wil
dat hij op haar appartement komt.
[RTG: naam collega verweerster] is getuige geweest van dit hele gesprek. Omdat het
bezoek van [RTG: naam klager] samen viel met de lunch van de bewoners, heeft de collega
geprobeerd om [RTG: naam klager] uit de eetzaal te krijgen. Dit wilde [RTG: naam klager]
niet. Hij kwam hierbij dicht tegen de collega aan staan, borst aan borst. Collega
heeft gezegd dat ze niet verder met hem in discussie zou gaan zolang hij niet de eetzaal
zou verlaten. Uiteindelijk heeft de collega gezegd dat ze zou proberen om de mentor
te bellen als hij naar de gang zou gaan.
[RTG: naam klager] verwachtte hierbij dat de collega (die tussen hem en zijn moeder
in stond) hem voor zou gaan. Collega was hierbij zo slim om dit niet te doen, om zijn
moeder te beschermen tegen de onvoorspelbaarheid van [RTG: naam klager].
Collega heeft nadat [RTG: naam klager] naar de gang is gegaan mij (coördinerend
verpleegkundige) gebeld. Uit haar verhaal bleek dat het voor [RTG: naam collega verweerster],
de collega’s en de medebewoners, de situatie als iets heel dreigends werd ervaren.
Ik heb haar daarom geadviseerd de politie te bellen.
Tijdens het gesprek tussen mij en mijn collega kwam [RTG: naam klager] weer binnen
en begon mijn collega te filmen. Hij kwam wederom dicht tegen de collega aan staan.
Collega heeft toen heel duidelijk aangegeven dat hij haar niet mocht filmen en dat
dit schending van de privacy was. Hij is toen gestopt met filmen.
Bij het contact met de politie is op verzoek van de politie [RTG: naam klager] nogmaals
gesommeerd om het pand te verlaten. Dit heeft hij geweigerd. Politie heeft het signalement
van [RTG: naam klager] opgenomen en zou binnen een half uur een auto sturen (…).
Hij eiste dat hij zijn moeder mee mocht nemen naar haar appartement anders zou hij
de politie bellen. Hierbij heeft mijn collega hem medegedeeld dat de politie al gebeld
was en onderweg was. [RTG: naam klager] is toen het pand uitgelopen.
(…)
[RTG: naam klager] heeft tussen 14 en 15.30 rondjes rondom het pand gelopen. Hierbij
ging hij regelmatig naar binnen filmen en contact te zoeken met zijn moeder door op
een bijna kinderlijke manier naar haar te gaan zwaaien.
Om de spanning bij [RTG: naam moeder klager] weg te nemen hebben de collega’s besloten
om haar op een andere plek in de eetzaal neer te zetten waar [RTG: naam klager] geen
contact met haar kon proberen te zoeken.
(…)
Vanwege de ervaren dreigende sfeer is er een collega langer gebleven zodat er twee
personen in de eetzaal aanwezig waren.
[RTG: naam moeder klager] heeft het incident als zeer heftig en vermoeiend ervaren.
Zij was ’s middags zou moe dat zij geen energie meer had om te eten en om 17 uur oververmoeid
in slaap is gevallen. Maandag was zij nog erg moe en heeft veel in bed gelegen.
(…)”
3.6 Uit de stukken volgt verder dat de mentor klager op 23 mei 2024 een brief heeft gestuurd. In deze brief schrijft de mentor onder meer over de impact die het bezoek van klager op zijn moeder, het personeel en de medebewoners heeft gehad en dat contact met zijn moeder op dit moment ongewenst is. De mentor schrijft dat klagers moeder in de gaten heeft dat klager uit is op geld, en dat zijn moeder niet van plan is dat aan klager te geven zolang ze leeft. Ook schrijft de mentor dat klagers moeder weet dat klager een rechtszaak heeft aangespannen en zij volgt de stappen die hierin gezet worden. In de brief wordt het – herhaalde – bericht geuit dat klager niet welkom is in de woonzorglocatie en dat, als de moeder van klager van gedachten verandert, klager geïnformeerd zal worden. Tot die tijd zal, volgens de brief, klager de toegang tot de woonzorglocatie geweigerd worden en wanneer klager weer stennis maakt zal de politie gebeld worden om klager te verwijderen. De brief van de mentor is mede ondertekend door de moeder van klager en voorzien van een door haar handgeschreven oproep aan klager zich goed te gedragen.
3.7 Na bemoeienis door een lid van de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder, waaronder de woonzorglocatie valt, zijn nadien in overleg met klagers moeder nieuwe afspraken gemaakt over het contact met klager en kon klager zijn moeder weer bezoeken.
3.8 Klagers moeder is op 25 oktober 2024 overleden.
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Volgens klager heeft de verpleegkundige, samengevat, onzorgvuldig en grensoverschrijdend
gehandeld door naar aanleiding van de gebeurtenissen op 19 mei 2024 een verslag op
te stellen met onjuiste informatie over klager en dit verslag te verstrekken aan de
mentor (klachtonderdeel a). Tevens stelt klager dat de verpleegkundige haar beroepsgeheim
heeft geschonden (klachtonderdeel b).
4.2 De verpleegkundige heeft het aanvankelijk ingenomen standpunt dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht, ter zitting laten vallen. Zij stelt zich op het standpunt dat de klacht ongegrond is. De verpleegkundige heeft in het verslag feitelijk beschreven wat haar destijds telefonisch is verteld en ook wat haar uit het gesprek met de moeder van klager en de rapportage is gebleken. Dit verslag is aan de mentor van klagers moeder gestuurd, die haar belangen behartigde. Van een schending van het beroepsgeheim kan daarom geen sprake zijn.
Ter zitting heeft de verpleegkundige verklaard dat zij het verslag schreef als coördinerend
verpleegkundige op verzoek van de locatiemanager, omdat de verzorgenden die bij de
gebeurtenissen op 19 mei 2024 aanwezig waren, emotioneel aangedaan waren en zij daarvan
een MIM-melding (Melding Incident Medewerker) wilden maken. De mentor verzocht de
verpleegkundige daarna om het verslag aan haar toe te sturen in het kader van de rapportageplicht
van de mentor aan de rechtbank, aldus de verpleegkundige.
De verpleegkundige verklaarde ter zitting desgevraagd voorts dat zij er in een vergelijkbare
situatie in de toekomst alert op zal zijn dat zij een verslag of verklaring objectief
en feitelijk verwoordt. Dan wel dat zij in een vergelijkbare situatie een opdracht
tot het schrijven van een verklaring bij de locatiemanager zou terugleggen.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster als verpleegkundige de zorg heeft verleend die
van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende zorgverlener. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) zorgvuldigheid verslag
5.2 Het college stelt vast dat de verpleegkundige een verslag heeft opgesteld naar aanleiding van de gebeurtenissen op 19 mei 2024 bij een bezoek van klager aan zijn moeder, terwijl de mentor hem verzocht had dat niet te doen. Bij deze gebeurtenissen op de woonzorglocatie was de verpleegkundige zelf niet aanwezig, maar de verpleegkundige stelt de gebeurtenissen te hebben beschreven na gesprekken met de betrokken verzorgenden en na raadpleging van het dossier van klagers moeder. De verpleegkundige stelt de verklaring ook met klagers moeder te hebben besproken.
5.3 De verpleegkundige heeft wisselende verklaringen afgelegd over met welk
doel zij het verslag heeft opgesteld. In het verweerschrift stelt de verpleegkundige
het verslag in opdracht van de mentor te hebben opgesteld. Ter zitting heeft de verpleegkundige
daarnaast ook gezegd dat zij het verslag opstelde op verzoek van de locatiemanager
in het kader van een MIM-melding door de bij de gebeurtenissen betrokken verzorgenden,
en dat zij het verslag later op diens verzoek aan de mentor heeft verstrekt.
Naar aanleiding van deze laatste verklaring overweegt het college dat MIM-meldingen,
als doel hebben om onverwachte situaties waarbij een medewerker schade oploopt of
had kunnen oplopen binnen een zorgorganisatie te registreren en evalueren, en zo nodig
maatregelen te treffen om de werkomgeving veiliger te maken. Stukken in het kader
van een MIM-melding zijn primair bedoeld voor het verbeteren van de veiligheid van
medewerkers en voor intern gebruik.
Hoe dit verder ook zij, het college is van oordeel dat de verpleegkundige zich voorafgaand
aan het opstellen van het verslag onvoldoende heeft afgevraagd waarom dit verslag
moest worden opgesteld en als dat het geval was, of zij dan degene was die dit verslag
diende op te stellen en aan de mentor diende te verstrekken. De verpleegkundige verwijst
in haar verweer naar opdrachten daartoe van anderen – de locatiemanager en/of de mentor
- maar zij miskent daarmee dat zij als verpleegkundige hierin een eigen zelfstandige
verantwoordelijk heeft.
5.4 De V&VN Handreiking ‘Hoe ga je om met het verzoek van de zorgvrager om een verklaring af te leggen – een handreiking voor verpleegkundigen en verzorgenden’[1]is onderdeel van de professionele standaard en bestrijkt ook de situatie, waar de verpleegkundige zich in bevond. Dat geldt temeer vanaf het moment dat de verpleegkundige het verslag aan de mentor verstrekte, omdat deze het verslag – naar eigen zeggen - wilde gebruiken voor rapportage aan de rechtbank. In de handreiking is het uitgangspunt dat een verpleegkundige grote terughoudendheid betracht bij het afgeven van een verklaring voor doelen gelegen buiten de zorgverlening. De handreiking geeft verpleegkundigen in overweging om bij een verzoek tot het afgeven van een verklaring de verzoeker in plaats daarvan te wijzen op de mogelijkheid om een kopie van (een deel van) het dossier te verstrekken en maant verpleegkundigen om, als zij ervoor kiezen toch een verklaring af te geven, uitsluitend feitelijke informatie te verstrekken en alleen te verklaren over zaken die zij zelf hebben waargenomen.
Het college is van oordeel dat de verpleegkundige door in het verslag een verklaring op te stellen over de gebeurtenissen op 19 mei 2024, waarbij zij niet zelf aanwezig was, en deze verklaring aan de mentor te verstrekken voor het doel zoals beschreven, gehandeld heeft in strijd met deze handreiking. Zij had deze verklaring niet zelf moeten opstellen en ondertekenen. Inhoudelijk heeft de verpleegkundige bij het beschrijven van de gebeurtenissen in de verklaring te weinig onderscheid gemaakt tussen de waarneming van anderen en haar (zeer beperkte) eigen waarnemingen. Daarbij oordeelt het college dat de verpleegkundige een deel van de uitlatingen onvoldoende genuanceerd en objectief heeft geformuleerd. Zo spreekt de verpleegkundige over ‘valse voorwendselen’ en de ‘onvoorspelbaarheid’ van klager.
Het klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel b) schending beroepsgeheim
5.5 Ten aanzien van klagers stelling dat verweerster door het verstrekken van de verklaring met informatie over hem aan de mentor haar beroepsgeheim zou hebben geschonden, overweegt het college dat deze mentor nu juist was aangesteld om belangen van klagers moeder ter zake van haar gezondheid te behartigen. De mentor had, voor zover dat nodig was voor het uitoefenen van de mentorschapstaken, recht op informatie. Van een schending van het beroepsgeheim jegens klager is in deze situatie naar het oordeel van het college dan ook geen sprake.
Het klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a) gegrond is en
dat klachtonderdeel b) ongegrond is.
Maatregel
5.7 Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is moet het college bepalen of een maatregel op zijn plaats is en zo ja, welke maatregel. De verpleegkundige is zich bij het verzoek tot het opstellen en afgeven van de verklaring over gebeurtenissen, waarbij zij niet zelf aanwezig was, onvoldoende bewust geweest van de grenzen van wat zij als verpleegkundige mocht doen en haar eigen professionele verantwoordelijkheid daarin. Zij heeft deze professionele grenzen daarin overschreden en een maatregel is voor het college dan ook zonder meer op zijn plaats. De verpleegkundige heeft weliswaar ter zitting verklaard dat zij in voorkomende gevallen in de toekomst anders zal handelen, echter het college is niet volledig overtuigd van de diepgang van de zelfreflectie bij de verpleegkundige. Nu de verpleegkundige niet eerder met het tuchtrecht in aanraking is gekomen, kan met een waarschuwing als zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van het handelen uitdrukt, worden volstaan.
6. De beslissing
Het college:
- verklaartklachtonderdeel a gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt de verpleegkundige de maatregel van een waarschuwing op.
Deze beslissing is gegeven door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, H.C.B. van der Meer, lid-jurist, R. Broeren-Woudstra, L.H. Kruze en G.C. van der Weerd, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk
in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.
[1] Vereniging Verpleegkundigen & verzorgenden Nederland (V&VN), https://www.venvn.nl/thema-s/beroepscode/verklaring-afleggen.