ECLI:NL:TGZRZWO:2026:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8993

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:32
Datum uitspraak: 20-02-2026
Datum publicatie: 24-02-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8993
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een verzekeringsarts. Klaagster wordt door de voorzitter (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard omdat zij al eerder en klacht tegen de verzekeringsarts heeft ingediend en de nieuwe klacht in de kern op hetzelfde neerkomt. De door klaagster genoemde feiten en omstandigheden zijn in de vorige procedure meegewogen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Voorzittersbeslissingvan 20 februari 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen


C,

verzekeringsarts,

destijds werkzaam in B.

1. De zaak in het kort

1.1       Klaagster is in 2019 door de verzekeringsarts gezien in het kader van een WIA-beoordeling. Zij maakt de verzekeringsarts diverse verwijten over het door hem verrichtte onderzoek en de door hem opgemaakte rapportages.

1.2       De voorzitter komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen te stellen aan partijen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht de voorzitter toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2Het verloop van de procedures

2.1       Op 14 maart 2023 diende klaagster voor het eerst een tuchtklacht tegen de verzekeringsarts in. Klaagster verweet de verzekeringsarts, voor zover van belang:
a)         dat hij zonder de aanwezigheid van klaagster bij het consult een verslag/beoordeling heeft
            gemaakt over haar medische achtergrond op basis van verkeerde gegevens;
e)         dat hij heeft nagelaten om gegevens op te vragen bij de behandelend specialisten of via
            klaagster.


2.2       Bij beslissing van 16 oktober 2023 (ECLI:NL:TGZRZWO:2023:167) heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle deze klacht kennelijk ongegrond verklaard. In de beslissing is opgenomen dat de verzekeringsarts zijn bevindingen in 2019 mede heeft gebaseerd op beschikbare medische informatie, waaronder informatie van de behandelende sector. Op basis hiervan, in combinatie met het eigen onderzoek en de anamnese, was voor de verzekeringsarts voldoende duidelijk dat sprake was van forse beperkingen en bestond voor hem geen aanleiding om meer informatie op te vragen. Verder overwoog het college: “Voor zover klaagster bedoelt dat de verzekeringsarts de resultaten had moeten opvragen van het neuropsychologisch onderzoek (NPO) dat zij in oktober/november 2018 had ondergaan, overweegt het college het volgende. Uit het medisch onderzoeksverslag blijkt dat de verzekeringsarts informatie heeft ontvangen van de bedrijfsarts en dat uit die informatie volgt dat de bedrijfsarts het rapport van het NPO had gelezen. De bedrijfsarts vermeldt dat het NPO in principe overeenkomt met zijn visie op mogelijkheden en beperkingen. Omdat de verzekeringsarts daarmee over de voor hem relevante informatie beschikte hoefde hij het rapport van het NPO niet op te vragen. Daar komt bij dat niet duidelijk is of het rapport van het NPO op dat moment al deel uitmaakte van het medisch dossier van klaagster. Aan de verzekeringsarts kan hierover dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.”

2.3       Bij beslissing van 19 juni 2024 (ECLI:NL:TGZCTG:2024:112) heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg het door klaagster ingestelde beroep tegen de beslissing verworpen, zodat deze in rechte vast staat.

2.4       Op 9 september 2025 diende klaagster de onderhavige tuchtklacht in. Klaagster verwijt de verzekeringsarts, samengevat, dat hij toestemming had gekregen om klaagster haar medische gegevens op te vragen bij de ziekenhuizen waar ze geopereerd was, maar hij heeft dat niet gedaan. Hierdoor heeft een onjuiste beoordeling plaatsgevonden. Klaagster diende op

12 september en 15 oktober 2025 aanvullende bewijsstukken in.

2.5       Bij brief van 4 december 2025 vroeg de secretaris klaagster om de klacht zo kort en bondig mogelijk te herformuleren en hierbij aan te geven wanneer het handelen had plaatsgevonden.

2.6       Klaagster liet per brief van 12 december 2025 weten dat de klacht zich richt op het handelen van de verzekeringsarts in 2019 en dat hij een oordeel heeft gegeven zonder over de benodigde gegevens te beschikken.

2.7       Bij brief van 22 december 2025 heeft de secretaris aangegeven dat er al eerder een klacht was ingediend waarop was beslist. Daarom heeft de secretaris klaagster gevraagd om nader te concretiseren wat nieuw was ten opzichte van de eerdere tuchtklacht, waarop immers al definitief was beslist. Klaagster stuurde op 1 januari 2026 een e-mail waarop zij liet weten dat de eerdere klacht geen betrekking had op het opvragen van medische gegevens. Daarnaast, zo stelt klaagster, had een onafhankelijk onderzoek uit 2018 het oordeel van de arts verworpen. Door het handelen van de verzekeringsarts is het recht op een IVA-uitkering gedurende een jaar niet toegekend.
 

3. De beoordeling
 

3.1       In artikel 51 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg is bepaald dat niemand opnieuw tuchtrechtelijk berecht kan worden over handelen of nalaten waarover al eerder een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen (’ne bis in idem’). De voorzitter stelt vast dat de hiervoor genoemde klacht, die nog expliciet bij klaagster is nagevraagd, in de kern neerkomt op het verwijt dat de verzekeringsarts in 2019 ten onrechte heeft nagelaten medische gegevens op te vragen bij de ziekenhuizen waar klaagster geopereerd was. Anders dan klaagster stelt, is het onderwerp van deze klacht wel degelijk aan de orde gekomen bij klachtonderdeel e) in de vorige procedure. Want dit klachtonderdeel luidde namelijk dat verweerder had nagelaten om gegevens op te vragen bij de behandelend specialisten of via klaagster. Het college heeft de klacht op dat punt kennelijk ongegrond verklaard. Dat klaagster nu op onderdelen nieuwe aspecten noemt die in verband staan met hetzelfde handelen, maakt dat niet anders. Het is immers een variatie op hetzelfde thema en vloeit voort uit het handelen van de verzekeringsarts in 2019 bij de WIA-beoordeling, zoals in de eerdere tuchtzaak aan de orde is geweest. Ook aangenomen dat klaagster heeft bedoeld te stellen dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kan dit niet tot een nieuwe beoordeling van dit klachtonderdeel leiden, reeds omdat deze feiten en omstandigheden ook reeds in de vorige procedure zijn meegewogen. Daarom is de voorzitter van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is.

4. De beslissing

De voorzitter verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven op 20 februari 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.


Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.