ECLI:NL:TGZRZWO:2026:29 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8628
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:29 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-02-2026 |
| Datum publicatie: | 24-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8628 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klager is door de huisarts gezien in verband met een plek op zijn knie. De huisarts heeft de diagnose verruca seborroica (ouderdomswratje) gesteld en het plekje weggekrabd. Een aantal maanden later heeft de huisarts besloten een excisie te doen en het weefsel op te sturen. Nadien bleek dat sprake was van een melanoom. Klager maakt de huisarts onder meer verwijten over de gestelde diagnose, het wegkrabben en het niet opsturen van weefsel voor nader onderzoek. De huisarts heeft aangevoerd dat hij het betreurt dat achteraf sprake was van een melanoom maar dat hij op basis van de kennis die hij op dat moment had zorgvuldig heeft gehandeld. Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 20 februari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
huisarts,
destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, verbonden aan de VvAA te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is door de huisarts gezien in verband met een plek op zijn knie. De
huisarts heeft de diagnose verruca seborroica (ouderdomswratje) gesteld en het plekje
weggekrabd. Een aantal maanden later is klager teruggekomen bij de huisarts in verband
met verandering van de plek op de knie. De huisarts heeft vervolgens besloten een
excisie te doen en het weefsel op te sturen. Uit het weefselonderzoek bleek dat sprake
was van een melanoom en klager is doorverwezen naar het ziekenhuis waar hij vervolgbehandelingen
heeft ondergaan. Klager maakt de huisarts onder meer verwijten over de gestelde diagnose,
het wegkrabben en het niet opsturen van weefsel voor nader onderzoek. De huisarts
heeft aangevoerd dat hij het betreurt dat achteraf sprake was van een melanoom maar
dat hij op basis van de kennis die hij op dat moment had zorgvuldig heeft gehandeld.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 september 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 30 oktober 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager, geboren in 1948, heeft zich na een jaarlijkse controle bij een verpleegkundige,
op 8 april 2024 tot de huisarts gewend in verband met een plekje op de knie die er
sinds zes maanden zat. Verweerder was waarnemend huisarts in de huisartsenpraktijk
waar klager als patiënt staat ingeschreven.
3.2 De plek op de knie van klager was eerst gezien door de verpleegkundige van
de ketenzorg. Op 8 april 2024 heeft de huisarts dit plekje, dat lichtbruin, egaal
en scherpbegrensd was, zich op de huid bevond met een wat grof aspect, onderzocht
en stelde de diagnose ‘verruca seborroica’. De huisarts heeft het plekje weg geschraapt
met een scherpe lepel (curettage).
Afgesproken werd dat klager zich zo nodig weer zou melden voor controle van de plek.
3.3 Op 7 november 2024 heeft klager zich weer gemeld bij de huisarts in verband
met verandering van de plek op de knie. De huisarts constateerde bij de plek op de
knie dat deze een egaal blauwrood aspect had, een zacht plekje was en scherp begrensd.
Er werd besloten tot excisie met weefselonderzoek.
3.4 Op 12 december 2024 heeft de huisarts de excisie verricht. Na de ingreep werd
het weefsel opgestuurd voor nader onderzoek.
3.5 Op 18 december 2024 bleek uit pathologisch onderzoek dat het een melanoom
betrof. Klager werd door zijn eigen huisarts doorgestuurd naar de dermatoloog voor
verdere behandeling.
3.6 Op 14 maart 2025 heeft de huisarts een gesprek gevoerd met klager waarin hij excuses heeft aangeboden.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts:
1. dat hij een slordige en haastige diagnose heeft gesteld op 8 april 2024;
2. dat hij het op 8 april 2024 weggehaalde weefsel niet heeft opgestuurd voor nader onderzoek;
3. dat het wegschrapen op 8 april 2024 onvolledig is gedaan en een randje is blijven zitten;
4. dat na het wegschrapen op 8 april 2024 geen controleafspraak is gemaakt;
5. dat het medisch dossier niet is bijgehouden, de ingreep van 12 december 2024 is niet vermeld;
6. dat de ingreep op 12 december 2024 niet was voorbereid.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel 1) de huisarts heeft op 8 april 2024 een slordige en haastige diagnose gesteld
5.3 Verweerder heeft aangevoerd dat hij op 8 april 2024 de plek op de knie van
klager heeft onderzocht. Hij constateerde: “lichtbruin egaal, scherpbegrensd, op de
huid, wat grof aspect”. Verweerder heeft op basis daarvan gemeend dat sprake was van
een verruca seborroica (ouderdomswratje). Het college is van oordeel dat de huisarts
op basis van zijn bevindingen in redelijkheid tot deze diagnose heeft kunnen komen.
In de NHG-standaard “Verdachte huidafwijkingen” uit 2017 wordt een diagnostisch systeem
beschreven omtrent de indeling van huidafwijkingen. Daarbij is de plaats, rangschikking,
omvang, vorm, oppervlak, kleur en efflorescentie van belang. Het college leidt uit
de door verweerder beschreven plek op de knie van klager af dat het voor de hand lag
dat de huisarts de huidafwijkingen in tabel 5 (benigne – goedaardige - afwijkingen)
van de NHG-standaard in zijn differentiaaldiagnose opnam. Het college merkt op dat
verweerder wel duidelijker had kunnen omschrijven hoe het oppervlak van de plek eruitzag
(schilferig of keratotisch/wratachtig). In tabel 5 van de NHG-standaard staan benigne
afwijkingen beschreven, dat wil zeggen goedaardige afwijkingen, en daarin komt een
melanoom niet voor. Niet aannemelijk is geworden dat er aanwijzingen waren waardoor
de huisarts had moeten twijfelen aan de door hem gestelde diagnose. De door klager
verwoorde chemoradiatie bij volwassenen wordt in de NHG
-standaard ‘Verdachte huidafwijkingen’ niet genoemd als risicofactor. Het tuchtcollege
is van oordeel dat de huisarts voldoende onderzoek heeft gedaan naar de plek op de
knie van klager en gelet op zijn bevindingen de diagnose verruca seborroica heeft
kunnen stellen. Daarmee is het klachtonderdeel dat de huisarts een slordige en haastige
diagnose heeft gesteld kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 2) het niet opsturen van het weefsel na het wegkrabben op 8 april
2024
5.4 Verweerder voert aan dat het wegkrabben van een plekje op de huid geen weefsel
oplevert dat kan worden opgestuurd voor nader onderzoek. Het tuchtcollege is van oordeel
dat het niet opsturen van (enig) weefsel na het wegkrabben van 8 april 2024 door de
huisarts geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert. Het is in een huisartsenpraktijk niet
gebruikelijk om bij een huidafwijking die klinisch als goedaardig wordt beoordeeld
standaard weefsel op te sturen voor pathologisch onderzoek. Daarmee is dit klachtonderdeel
kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 3) het wegschrapen op 8 april 2024 is onvolledig gedaan, er bleef
een randje zitten
5.5 Verweerder heeft bij dit klachtonderdeel aangevoerd dat hij niet heeft
geconstateerd dat er een randje is achtergebleven. De huisarts heeft op 8 april 2024
de instructie gegeven om zo nodig weer naar het plekje te laten kijken. Klager heeft
zich op 7 november 2024 voor het eerst na 8 april 2024 weer bij de huisarts gemeld
in verband met een plek aan de knie.
Het college kan niet vaststellen of er een randje is achtergebleven na het wegkrabben
op 8 april 2024. Daar zijn geen foto’s van en daarover staat niets beschreven in het
medisch dossier behalve de melding van klager daarover op 7 november 2024.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond nu niet vast te stellen is dat een randje
is achtergebleven bij het wegkrabben.
Klachtonderdeel 4) geen controle afspraak gemaakt na de ingreep op 8 april 2024
5.6 Verweerder heeft aangevoerd dat hij klager instructie heeft gegeven om terug
te komen bij aanwijzingen voor een wondinfectie, bij terugkeer van de afwijking of
het ontstaan van andere afwijkingen.
Het college is van oordeel dat de huisarts wat betreft het niet maken van een controleafspraak
na het wegkrabben op 8 april 2025 niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Controles na dergelijke ingrepen worden in de huisartsenpraktijk vaak niet gedaan.
Het is gebruikelijk om een instructie aan de patiënt te geven om zo nodig terug te
komen. Dit is een gebruikelijke werkwijze in de huisartsenpraktijk, nu er zich zelden
problemen voordoen na het wegkrabben van een verruca seborroica (waar de huisarts
gelet op hetgeen is overwogen in 5.3 van uit mocht gaan).
Dit klachtonderdeel is daarmee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 5) dat de ingreep van 12 december 2024 niet in het dossier is genoteerd
5.7 Verweerder voert op dit punt aan dat in het medisch dossier geen aantekening
is vermeld van 12 december 2024. In de verwijsbrief van 19 december 2024 staat wel
een s-regel van het contact van klager en de huisarts op 12 december 2024. Verweerder
voert aan dat de door hem gemaakte aantekening wellicht niet goed is opgeslagen of
de aantekening op een later moment uit het huisartsenjournaal is verdwenen, maar dat
hij zelf geen aanpassingen heeft verricht in het medisch dossier.
Het tuchtcollege stelt vast dat er in het medisch dossier van de huisarts, zoals
zich dat bij de stukken bevindt, geen aantekening staat van de door de huisarts verrichte
ingreep op
12 december 2024. Gelet op de s-regel in de verwijsbrief van 19 december 2024 waarin
staat dat er een deelcontact is geweest op 12 december 2024 met als s-regel: “vlg pt was na wegkrabben een klein randje blijven staan, daarna begon het te veranderen” houdt het college het erop dat de huisarts wel een aantekening heeft gemaakt van
het contact met klager op 12 december 2024.
Het dossier heeft als doel om de continuïteit van de zorg aan een patiënt te waarborgen.
Het college is van oordeel dat met de overige aantekeningen over de plek op de knie
van klager vanaf 8 april 2024 en de informatie van na 12 december 2024 het doel van
continuïteit van de zorg aan klager voldoende gewaarborgd is geweest. Het feit dat
de ingreep niet (meer) in het huisartsenjournaal staat beschreven heeft geen invloed
gehad op het beloop van de aandoening. Daarmee is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 6) de ingreep van 12 december 2024 was niet goed voorbereid
5.8 De huisarts heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel aangevoerd dat het
in deze huisartsenpraktijk gebruikelijk was om een dergelijke ingreep in de spreekkamer
zelf te doen. Dat was de huisarts niet gewend, voor hem was het gebruikelijk om een
dergelijke ingreep in een klaargemaakte behandelkamer uit te voeren in aanwezigheid
van de assistent. De afspraak met klager was een week verzet, naar 12 december 2024,
en mogelijk dat daardoor vergeten is een assistente te koppelen aan de ingreep. Hoewel
verweerder zich kan voorstellen dat dit op klager rommelig is overgekomen heeft dit
volgens verweerder geen invloed gehad op de zorgvuldigheid van de uitgevoerde ingreep
op
12 december 2024.
Het college is van oordeel dat, hoewel de voorbereiding rommelig kan zijn overgekomen
op klager, niet gebleken is dat de ingreep onvoldoende is voorbereid.
Daarmee is dit klachtonderdeel ook kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op het oppervlak van de plek eruitzag door H.L. Wattel, voorzitter, H.M. Kole en R.M. Oosterhout, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.