ECLI:NL:TGZRZWO:2026:28 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8210

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:28
Datum uitspraak: 06-02-2026
Datum publicatie: 12-02-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8210
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Verweerster is huisarts van de ex-partner en het dochtertje van klager. De klacht heeft onder meer betrekking op een door de huisarts aan de ex-partner afgegeven schriftelijke verklaring waarin gesproken wordt over angst- en paniekklachten bij de ex-partner in verband met agressie/geweld in een eerdere relatie. Het college verklaart de klacht deels gegrond en bepaalt dat aan verweerster geen maatregel wordt opgelegd.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 6 februari 2026 op de klacht van:

A ,

wonende in B,

klager,

tegen

C ,

huisarts,

(destijds) werkzaam in D,

verweerster, hierna ook: de huisarts,

gemachtigde: mr. Y.Y.J.M. Bonnet, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort

1.1     Klager heeft samen met zijn ex-partner een minderjarige dochter (hierna: patiënte). Klager en zijn ex-partner zijn in 2022 gescheiden. Tussen hen is sprake van gezamenlijk gezag over patiënte. Patiënte staat sinds 15 februari 2023 met haar moeder ingeschreven in de huisartsenpraktijk van verweerster. Klager verwijt de huisarts onder meer dat zij hem niet heeft betrokken bij verwijzing van patiënte naar een jeugdhulpinstantie, dat zij hem niet erkent als gezaghebbende ouder en hem in een schriftelijke verklaring heeft weggezet als mishandelende ex-partner en dat zij zijn rol en positie als gezaghebbende ouder heeft ondermijnd.

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2025;
- het verweerschrift met bijlagen (waarbij het beroep op artikel 67 lid 3 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) ten aanzien van bijlage 3 is toegewezen), ontvangen op 22 mei 2025;
- het proces-verbaal van het op 10 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
-de brief van de gemachtigde van verweerster, ontvangen op 7 oktober 2025.


2.2     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 13 januari 2025. De partijen zijn verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klager en de gemachtigde van verweerster hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten

3.1     Patiënte is geboren in 2019. Op 15 februari 2023 werd zij met haar
moeder ingeschreven in de huisartsenpraktijk van verweerster. Klager en de moeder van patiënte waren op dat moment al gescheiden en er was sprake van gezamenlijk gezag.

3.2     Patiënte werd, samen met haar moeder, voor het eerst door verweerster op
het spreekuur gezien op 20 maart 2023. In het dossier heeft verweerster hiervan de volgende notitie gemaakt:


“20-03-23 S Moeder belt: gescheiden. F gaat om het weekend naar vader. Buikpijn, misselijk braken bij terugkomst. Is nu 3x voorgekomen dat ze brakend terugkomt. Soms ook koorts. Krijgt bij vader anders te eten. Moeder is zoekende wat te doen? Maakt zich zorgen hierover. Heeft ha miss advies?
E Braken
P Overleg: eens spreekuur hiervoor, samen met F
(…)
20-03-23 S F komt in weekenden bij vader: nadien altijd buikpijn, dunne def. Moeder had vroeger overgevoeligheid voor gluten. Krijgt bij vader alleen maar vette dingen, geen fruit, geen vezels. Moeder is bezig met advocaat om omgangsregeling aan te passen, vader woont in G, te inspannend, wil liever naar eens per 2 weken. Verder goed contat, wel aangifte jegens vader richting geweld naar moeder, dat loopt. Veilig thuis contact is al geweest
O Abd: soepele buik, np. G18kg.
P Lab ter uitsluiting andere zaken, evt hulp jeugdVPL”

Labonderzoek wees uit dat mogelijk sprake was van coeliakie, waarop patiënte verwezen werd naar de kinderarts.
 

3.3       Op 9 oktober 2023 kwam patiënte weer met haar moeder bij verweerster op het spreekuur. Hulpvraag van de moeder was om hulp te krijgen bij wat de scheiding (en het – zoals door verweerster genoteerd – “moeizame contact van ouders”) met patiënte deed. Verweerster heeft hierin aanleiding gezien om de jeugdverpleegkundige van de GGD te betrekken. Deze zou contact opnemen met de moeder van patiënte. Verder werd afgesproken dat de moeder van patiënte klager zou informeren.

3.4       Klager nam de volgende dag, 10 oktober 2023, contact op met de praktijk van verweerster. Omdat zijn ex-partner niets wilde zeggen en delen, wilde hij weten wat er was besproken voordat hij zou tekenen voor verwijzing naar de jeugdverpleegkundige. Verweerster heeft genoteerd:


“wilde even weten hoe eea tot stand is gekomen mbt verwijzing jeugdVPL (heeft wel van moeder van F gehoord dat ze daar verwijzing naar toe heeft gekregen). F zegt tegen papa: papa kan niet voor mij zorgen toch? Moeder maakt vader zwart volgens vader en zij betrekt hem niet in afspraken naar zijn zeggen. Hij wil graag mee naar afspraken, ook naar jeugdVPL. Besproken hoe eea tot stand is gekomen in verwijzing. Vader staat hier wel achter, ook bang dat de scheiding en contact van ouders effect zullen hebben op F

P Verder vervolg via jeugdVPL”

3.5       Met toestemming van klager heeft de jeugdverpleegkundige in november 2023 met patiënte gesproken. Hiervan heeft de jeugdverpleegkundige aan klager een terugkoppeling gegeven.

3.6       Op 12 augustus 2024 is door de jeugdverpleegkundige met moeder gesproken. De jeugdverpleegkundige heeft hierover onder meer aan verweerster teruggekoppeld dat zij moeder had aangeraden om zich aan te melden bij H, een stichting die in de gemeente onder meer adviseert over jeugdhulp.

3.7       Op verzoek van de moeder heeft verweerster op 13 augustus 2024 een

schrfitelijke verklaring opgesteld waarin staat beschreven waarvoor zij zelf werd gezien op het spreekuur van verweerster. Deze verklaring luidde als volgt:

“Geachte collega,

Bij deze bevestig ik dat bovenstaande patiënte uitgebreid bij ons bekend is met angst/paniek klachten, mogelijk PTSS, i.v.m. agressie/geweld (zowel verbaal als fysiek) in eerdere relatie. Wij zagen haar hiervoor op ons spreekuur vanaf 20 februari 2023.”

3.8       Diezelfde dag is patiënte met haar moeder door verweerster op het spreekuur gezien, waarbij door moeder is benoemd dat patiënte mogelijk toch wel last had van de scheiding/omgang van ouders. Ook het advies van de jeugdverpleegkundige om H in het proces te betrekken is ter sprake gekomen en de eventueel benodigde toestemming van klager hiervoor. Als alternatief is gesproken over Veilig Thuis.

3.9       Op 9 september 2024 heeft verweerster, op advies van de KNMG, met patiënte onder vier ogen gesproken. Verweerster heeft onder meer genoteerd:

“ik hoor geen alarmsymptomen, anders dan dat F het wel fijner vindt bij moeder.

(…)

Moeder poogt H te betrekken in proces om welzijn F; echter is er dan wel toestemming van vader nodig.

P wordt vervolgd, ik zal nog even contact opnemen met vader”

3.10     Op 10 september 2024 heeft verweerster gesproken met klager:

“S Vader gesproken; uitgelegd dat ik me zorgen maak om welzijn van F en daarom het advies dat H wel betrokken wordt bij F. Uitgelegd dat ik me zorgen maak omdat zij veel mee krijgt van ruzie tussen ouders. Hij wil graag betrokken worden bij afspraken, wat meer uitleg over de verwijzing naar H. Uitgelegd dat dit het professionele advies is vanwege welzijn F

P Ik zal I vragen contact met hem op te nemen om uitleg over H te geven”

3.11     Op 15 oktober 2024 belde moeder met de praktijk met de mededeling dat klager het contact met H afhield. Hierop heeft verweerster, nadat zij contact had gehad met de jeugdverpleegkundige, met klager gesproken. Klager wilde eerst communicatietherapie met moeder voordat patiënte naar H zou gaan. Volgens klager had hij met de jeugdverpleegkundige besproken dat verwijzing naar H op dat moment niet zinvol zou zijn, gelet op de slechte communicatie tussen ouders. Volgens de jeugdverpleegkundige had zij echter ook aan klager geadviseerd om H te betrekken.

3.12     Vanwege haar zorgen over patiënte heeft verweerster beide ouders diezelfde dag nog de volgende brief gestuurd:

“Deze aangetekende brief stuur ik u toe omdat ik het als medisch professional van belang acht dat er professionele hulp wordt ingeschakeld voor F (in de vorm van H, jeugdhulp D), omdat ik mij zorgen maak over haar ontwikkeling vanwege de moeizame communicatie tussen ouders na de scheiding/relatiebreuk.


Deze opinie heb ik aan u, beide ouders, voorgelegd.

Ik hoop daarom dat u hierop actie zult ondernemen.”

3.13     In een e-mail aan de praktijk van 24 oktober 2024 heeft klager te kennen gegeven graag een traject te willen bij J voor de communicatieproblemen tussen hem en moeder, maar ook bereid te zijn zich aan te melden bij H. Daarnaast wilde hij toegang tot het dossier van patiënte.

3.14     Op 25 oktober 2024 heeft verweerster telefonisch contact opgenomen met beide ouders. Verweerster heeft over het gesprek met klager genoteerd:

“Vader wil alleen met moeder hulp voor communicatie, niet voor F. Twijfelt over H. Uitgelegd dat ik het van belang acht dat er hulp komt voor F omdat zij ongemerkt heus meer meekrijgt van sores tussen ouders dan wij nu kunnen inschatten. Als ouders er niet uit kunnen komen of H of J het moet doen, dan zal ik de meldcode veilig thuis moeten volgen omdat mijn zorgen over F blijven bestaan. Hij geeft aan dan wellicht toch toestemming te verlenen/H in te schakelen.”

En over het gesprek met moeder:

vader heeft idd ook gezag, dossier mag en kan gewoon worden ingezien door hem. Ziet

gesprekken met A alleen niet zitten vw veiligheid, bovendien gaat het om F voor haar. Rechtzaak naar vader loopt, ten laste legging huiselijk geweld. Dec uitspraak. Uitgelegd dat mijn advies H te betrekken blijft of wanneer zij samen overeenkomen dat J het moet worden, dat dat voor mij ook akkoord is en dan hoor ik het. Mocht er geen vervolg komen, dan meldcode veilig thuis”

3.15     Op 5 november 2024 heeft moeder telefonisch laten weten dat klager geen toestemming gaf voor een traject bij H.

3.16     Nadat verweerster klager en moeder op 11 november 2024 beiden afzonderlijk had gesproken, heeft zij diezelfde dag een melding bij Veilig Thuis gedaan.

  1. De klacht en de reactie van de huisarts

4.1     Klager verwijt de huisarts:
a) dat zij klager niet betrokken heeft bij de afweging tot verwijzing naar Jeugdhulp D op
15 oktober 2024 en hem daarover niet heeft geïnformeerd en daarin onvoldoende heeft betrokken;
b) dat zij klager niet als gezaghebbend ouder erkent en dat zij hem in haar verklaring van 13 augustus 2024 heeft weggezet als mishandelende ex-partner, terwijl hij daarvan is vrijgesproken;
c) dat zij de rol en positie van klager als gezaghebbende vader ondermijnd heeft.
 

4.2     De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren, althans het opleggen van een maatregel achterwege te laten als het college klachtonderdeel b) gegrond verklaart.

4.3      Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

  1. De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling
5.1     De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) klager niet betrokken bij verwijzing 15 oktober 2024
5.2     Klager voert aan dat hij als vader niet is meegenomen in de afweging van het inzetten van passende hulpverlening. Naar hij stelt, is hij niet geïnformeerd over het verwijzen van zijn dochter op 15 oktober 2024 naar Jeugdhulp D en heeft hij er daardoor niet mee kunnen instemmen. Het college overweegt hierover het volgende.

5.3     Zoals klager in het klaagschrift vermeldt, was hij sinds 2022 met zijn ex-partner (de moeder) verwikkeld in een conflictscheiding. De communicatie tussen hen verliep zeer moeizaam. De moeder was in maart en oktober 2023 met patiënte bij de huisarts geweest en had met haar gesproken over de moeizame scheiding en wat dit doet met patiënte. Naar aanleiding daarvan had de huisarts besloten de jeugdverpleegkundige van de GGD in te schakelen, met de afspraak dat de moeder klager hierover zou informeren. Daarna was er contact geweest met klager, die na uitleg te kennen had gegeven achter de verwijzing te staan. Zoals met klager was besproken, vond het vervolg via de jeugdverpleegkundige plaats. Zij heeft patiënte gesproken en een terugkoppeling aan de ouders gegeven.

5.4     In augustus 2024 kwam de moeder weer op het spreekuur bij de huisarts en meldde dat patiënte mogelijk toch wel last had van de scheiding en omgang van de ouders. De jeugdverpleegkundige adviseerde H te betrekken in dit proces. De huisarts heeft toen, op advies van de KNMG, patiënte (opnieuw) onderzocht en geen alarmsymptomen vastgesteld. Zij heeft contact opgenomen met klager en uitgelegd dat zij zich zorgen maakte om het welzijn van patiënte, omdat zij veel mee kreeg van ruzie tussen de ouders, en dat daarom het advies was om H erbij te betrekken. Omdat klager aangaf betrokken te willen zijn bij de afspraken en meer uitleg wilde krijgen over H, heeft de huisarts afgesproken dat zij de jeugdverpleegkundige zou vragen deze uitleg te geven. Dat is ook gebeurd. De moeder gaf vervolgens bij de huisarts aan dat klager H afhield. De huisarts heeft daarop nogmaals contact gehad met de jeugdverpleegkundige, die bevestigde dat zij klager had geadviseerd om H te betrekken. De huisarts heeft toen weer contact gezocht met klager, die te kennen gaf dat de moeder hem zwart maakte en dat hij met de jeugdverpleegkundige had besproken dat verwijzing naar H nu niet zinvol was gezien de slechte communicatie tussen de ouders. Bij die stand van zaken heeft de huisarts de brief van 15 oktober 2024 aan beide ouders toegestuurd (zie hiervoor 3.12). Zoals zij tijdens de zitting heeft toegelicht, deed zij dat om duidelijk te maken dat het advies wel degelijk was om H in te schakelen.

5.5     Uit deze gang van zaken blijkt dat de huisarts klager heeft betrokken bij het proces om passende hulp voor patiënte te krijgen vanwege de impact die de moeizame scheiding waarschijnlijk op haar had. De uitleg van de huisarts dat zij de brief heeft geschreven om er geen misverstand over te laten bestaan dat het advies was om H in te schakelen, kan het college goed volgen. Van een verwijzing is daarbij overigens geen sprake geweest. Het college ziet verder geen aanknopingspunten voor het verwijt dat de huisarts klager onvoldoende heeft geïnformeerd over het advies. Klachtonderdeel a) is dus ongegrond.

Klachtonderdeel b) klager niet gehoord en weggezet als mishandelende ex-partner

5.6     Klager stelt dat hij als gezaghebbende ouder niet wordt gehoord en gezien door de huisarts. Daarbij klaagt hij erover dat hij is weggezet als een verbaal en fysiek mishandelende ex-partner, onder andere in de informatie van de huisarts aan de moeder, door feitelijk te beweren of ondersteunen dat zij verbaal/fysiek door hem is mishandeld. Hij
wijst er daarbij op dat hij in de strafzaak is vrijgesproken van mishandeling.

5.7     Het college begrijpt dat klager hierbij met name doelt op de schriftelijke verklaring
van 13 augustus 2024 die de huisarts op verzoek van de moeder heeft afgegeven (zie hiervoor 3.7). Klager heeft de verklaring onder ogen gekregen omdat deze kennelijk als bewijsstuk was ingebracht in de strafzaak.

5.8     Het college is van oordeel dat deze verklaring als een geneeskundige verklaring in de zin van de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ (2024) moet worden beschouwd (zie artikel 7.8). Het gaat immers om een (schriftelijke) verklaring die door een arts is opgesteld, die een waardeoordeel bevat over een patiënt en haar functioneren, gebaseerd op medische gegevens (waar de verklaring inhoudt dat de moeder bekend is met angst/paniek, mogelijk PTSS in verband met verbale en fysieke agressie in eerdere relatie, en dat zij hiervoor op het spreekuur is gezien) en die onmiskenbaar een ander doel dient dan de behandeling/begeleiding van de moeder door de huisarts.

5.9     De richtlijn houdt in dat behandelend artsen geen geneeskundige verklaringen afgeven voor eigen patiënten. Dergelijke verklaringen mogen alleen worden afgegeven door een onafhankelijke arts. Een behandelend arts mag wel, met toestemming van de patiënt, feitelijke medische informatie verstrekken voor een geneeskundige verklaring. Eén van de redenen voor deze richtlijn is dat het bij zo’n verklaring vaak gaat om een belang van de patiënt dat buiten de deskundigheid en verantwoordelijkheid van de behandelend arts ligt en een ander doel dient dan de behandeling of begeleiding. Dat speelt ook in deze zaak. In de verklaring wordt een (mogelijk) verband gelegd tussen de gezondheidsklachten van de moeder, patiënte van de huisarts, en de agressie die zij volgens haar opgave in een eerdere relatie heeft meegemaakt. De huisarts had ermee rekening moeten houden dat de verklaring voor andere doeleinden zou worden gebruikt. Hoewel niet in de verklaring staat dat het ging om agressie in de relatie met klager, was te voorzien dat die suggestie er wel mee werd gewekt. Dat de verklaring slechts inhoudt wat de moeder in de anamnese aan de huisarts heeft verteld en niet suggereert dat de huisarts dit zelf heeft vastgesteld, blijkt daaruit niet expliciet en neemt ook niet weg dat wel een (mogelijk) verband met de genoemde gezondheidsklachten wordt gelegd. De huisarts heeft dan ook gehandeld in strijd met de richtlijn door deze verklaring af te geven.

5.10     De huisarts heeft toegelicht dat de achtergrond was dat zij een verzoek van de moeder kreeg om schriftelijk aan haar te bevestigen voor welke klachten zij door de huisarts werd gezien. De huisarts stuurde er in eerste instantie op aan dat zij de moeder een uitdraai van haar medisch dossier kon geven. Vanwege privacyoverwegingen wilde de moeder dat echter niet. De huisarts wilde de moeder graag helpen en heeft in dat kader een samenvatting verstrekt van de inhoud van haar medisch dossier, met feitelijke informatie over de klachtenpresentatie van de moeder van patiënte. De huisarts was in de veronderstelling dat deze werkwijze geaccepteerd is binnen de huisartsenzorg. Met de wetenschap van nu en na het ontvangen van de tuchtklacht beseft zij echter dat zij had moeten doorvragen waarvoor de verklaring zou worden gebruikt en had moeten concluderen dat zij een dergelijke verklaring niet kon verstrekken. Hoewel het college begrip heeft voor de geschetste achtergrond, is klachtonderdeel b) gegrond.

Klachtonderdeel c) rol en positie van klager als vader van patiënte ondermijnd
5.11     Klager heeft dit klachtonderdeel verder niet toegelicht en onderbouwd. Het college begrijpt dat klager hiermee het effect van het handelen van de huisarts op zijn rol en positie als vader aan de orde heeft willen stellen. Het college ziet echter geen grond om de huisarts in dit opzicht een (extra) verwijt te maken. Uit het verloop van de gebeurtenissen blijkt dat de huisarts wel degelijk oog heeft gehad voor de positie van klager en dat zij hem ook in het proces heeft betrokken. Klachtonderdeel c) is dus ongegrond.

Slotsom
5.12     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel b) gegrond is en de andere klachtonderdelen ongegrond zijn.

Maatregel
5.13     Omdat het college een deel van de klacht gegrond verklaart, moet de vraag worden beantwoord of aan verweerster een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke.

5.14      De huisarts heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door een geneeskundige verklaring af te geven aan de moeder van patiënte die zelf ook patiënt bij haar was. In de verklaring werd een (mogelijke) relatie tussen de gezondheidssituatie van de moeder en de door haar gemelde agressie in een eerdere relatie gelegd. De huisarts heeft ruiterlijk erkend dat zij deze verklaring niet had moeten verstrekken. Zij heeft klager daarvoor excuses aangeboden, die klager heeft geaccepteerd. Het college begrijpt verder dat de verklaring in het strafdossier was opgenomen, maar in dat kader uiteindelijk niet tot negatieve gevolgen voor klager heeft geleid. Het college is er verder van overtuigd dat de huisarts lering uit deze zaak heeft getrokken. Zij heeft toegelicht dat zij in de toekomst niet meer zal meewerken aan het opstellen van een geneeskundige verklaring voor haar patiënten, maar enkel het medisch dossier zal overhandigen als patiënten vragen om een samenvatting, en voor een geneeskundige verklaring zal verwijzen naar een onafhankelijke arts. Zij heeft verder toegelicht dat zij de casus anoniem ter intervisie bij de huisartsengroep heeft ingebracht en ook heeft besproken met haar maat in de maatschap, waarbij zij het belang van de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ opnieuw onder de aandacht heeft gebracht. Het college houdt er ten slotte rekening mee dat verweerster een jonge huisarts is die in deze zaak met een lastige vraag in het kader van complexe scheidingsproblematiek werd geconfronteerd. Deze omstandigheden maken dat het college de enkele constatering dat hiermee een tuchtrechtelijke norm is geschonden voldoende acht. Het doel van het tuchtrecht is daarmee bereikt, het opleggen van een maatregel heeft in deze situatie geen toegevoegde waarde.

6.   De beslissing

Het college:

  • verklaart klachtonderdeel b) gegrond;
  • bepaalt dat aan verweerster geen maatregel wordt opgelegd;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door H.L. Wattel, voorzitter, C.A. Bol, lid-jurist, G.S.H. Vegt,

H.J. Kolthof en F. Harmanny-Wiersma, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 .

secretaris                                                                                           voorzitter


 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.