ECLI:NL:TGZRZWO:2026:27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8131

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:27
Datum uitspraak: 06-02-2026
Datum publicatie: 12-02-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8131
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een psychiater. Klager is op vijftienjarige leeftijd na een crisissituatie in behandeling gekomen bij een instelling voor jeugd-ggz. Gedurende de behandeling van klager is de psychiater als regiebehandelaar betrokken geraakt. Klager verwijt de psychiater onder meer het niet tijdig voor het bereiken van de achttienjarige leeftijd verwijzen van klager naar een ggz-instelling voor volwassenen. Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt aan verweerder een waarschuwing op.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 6 februari 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

gemachtigde: C, vader van klager,

tegen

D,

psychiater,

(destijds) werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de psychiater,

gemachtigde: mr. drs. E.E. Rippen, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
 

1.1     Klager heeft op zevenjarige leeftijd de diagnose ASS (Autisme Spectrum Stoornis) gekregen. In 2022 is hij op vijftienjarige leeftijd na een crisissituatie in behandeling gekomen bij E, een instelling voor jeugd-ggz (hierna: de zorginstelling). De psychiater is in november 2023 als regiebehandelaar betrokken geraakt bij de behandeling van klager.

1.2     Klager verwijt de psychiater onder meer het niet tijdig voor het bereiken van de achttienjarige leeftijd  verwijzen van klager naar een ggz-instelling voor volwassenen.
 

1.3     Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.
 

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 5 februari 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 30 april 2025;
  • de repliek van klager, ontvangen op 6 juni 2025;
  • de dupliek van verweerder, ontvangen op 14 juli 2025;
  • het proces-verbaal van het op 28 augustus 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.

2.2     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 13 januari 2026. De partijen zijn verschenen. Klager was niet persoonlijk aanwezig, maar werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn vader in de rol van gemachtigde. Verweerder was ter zitting aanwezig en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van klager heeft namens klager diens standpunt mondeling toegelicht. Ook verweerder heeft samen met zijn gemachtigde zijn standpunt toegelicht. De gemachtigden hebben hun pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
 

3. De feiten

3.1     Klager is geboren in 2006. In 2013 heeft hij de diagnose ASS gekregen.

Na een crisissituatie in 2022, waarbij sprake was van angst- en depressieve klachten, is klager via de crisisdienst in behandeling gekomen bij de zorginstelling. Verweerder was hier sinds juni 2023 werkzaam als kinder- en jeugdpsychiater.

3.2       De behandeling van klager bestond onder meer uit psycho-educatie, psychomotorische therapie, Acceptance and Commitment therapie (ACT) en farmacotherapie. Aanvankelijk was een andere psychiater de behandelend psychiater en regiebehandelaar van klager. Wegens het vertrek van deze psychiater is verweerder vanaf medio november 2023 als behandelend arts en regiebehandelaar bij de zorg voor klager betrokken. Op dat moment was enkel nog sprake van farmacotherapie.

3.3       Tijdens een Multidisciplinair Overleg (MDO) op 25 juli 2023 is gesproken over de situatie van klager na zijn achttiende verjaardag. In het verslag van dit overleg is onder meer genoteerd:

“De indicatie voor E loopt tot 19 april 2024. Dit zal tevens ook de einddatum worden van het gehele traject, we gaan voor die tijd samen met alle betrokkenen op zoek naar een passend vervolg voor na A zijn 18e verjaardag.”

3.4     Op 11 januari 2024 vond een eerste consult plaats met klager en zijn vader, verweerder en de verpleegkundig specialist. In het dossier staat hierover vermeld:

“Gevraagd na te denken over vervolg begeleiding bij 18+. Aangegeven dat de zorg bij E stopt bij 18 jarige leeftijd. Afbouwen van medicatie besproken, daar staat A nu niet voor open.

(…)

Conclusie: 17 jarige jongen, met Autismespectrumstoornis. Bij E bekend vanaf voorjaar 2022 wegens angsten en depressieve gevoelens, met als hulpvraag een behandeling te starten waardoor A weer goed in zijn vel komt te zitten en weer naar school kan. Ervaart voldoende effect op huidige dosering medicatie. Daarbij geen bijwerkingen. Vanuit een periode van afbouwen van de medicatie, blijkt dat huidige dosering voorkomt dat er angsten en gedachten ontstaan bij A.

(…)

Beleid: A en vader akkoord met onderstaande: Huidige medicatie continueren: aripiprazol 1d1 3,5 mg Nu geen afbouw van medicatie, echter wel deze mogelijkheid als optie besproken met A en vader. Indien gewenst om afbouw te proberen, mailen naar VS I (mailadressen uitwisselen) Meer beweging in dagelijks leven toepassen, evt zelf starten met een diëtiste Vervolgcontrole over 4 maanden bij verpleegkundig specialist I => afsluitgesprek”

3.5     Op 8 februari 2024 vond een tussenevaluatie plaats. Aanwezig hierbij waren klager, zijn ouders en de behandelcoördinator (orthopedagoog-generalist). Volgens de aantekening van de behandelcoördinator had moeder navraag gedaan bij zorginstelling J of klager daar terecht zou kunnen. Dit zou kunnen, maar moeder vroeg zich af of klager daar op zijn plek zou zijn, gezien zijn zwaarwegende ASS, naast de angstproblematiek. Verder zijn de klachten van klager in kaart gebracht en is gesproken over het vervolg van klagers behandeling.

3.6     In de periode hierna stond het contact met de zorginstelling voornamelijk in het teken van de aanvraag van een WLZ-indicatie en Wajong-uitkering voor klager. Omdat de eerdere psychiater geen afsluitbrief had opgesteld, had verweerder weinig input voor de diagnosestelling. In verband hiermee nodigde verweerder klager op 22 februari 2024 uit voor nadere diagnostiek. Dit werd door klagers moeder echter afgezegd, omdat de eerdere psychiater had toegezegd dat hij een verslag zou maken voor het aanvragen van een uitkering.

3.7      Op 8 mei 2024 vond een consult plaats van klager en zijn moeder bij de verpleegkundig specialist. Moeder liet hierbij weten ontevreden te zijn dat er geen MDO had plaatsgevonden in januari 2024 en dat er daardoor niets was geregeld voor na klagers achttiende. Zij was ontevreden dat er nog geen actie was ondernomen voor overdracht. Verder is gesproken over de (afbouw van) medicatie. Moeder wilde niet dat de medicatie zou worden overgedragen aan de huisarts. Hierna werd geen vervolgconsult meer ingepland met de verpleegkundig specialist, vanwege de overdracht naar een andere zorginstelling.  

3.8       Op verzoek van de verpleegkundig specialist heeft de behandelcoördinator de ouders van klager op 17 mei 2024 per e-mail het volgende gevraagd:        

Van I kreeg ik de vraag om mee te denken met de overgang naar mogelijk J, klopt dat? Is het met L geregeld met alle administratie? Ik was in afwachting of dit gelukt was, zodat we ook een afspraak met de gemeente in kunnen plannen qua overdracht. Ik hoor graag of dit ingepland kan worden of dat jullie nog iets anders verwachten.”

3.9     Op 23 mei 2024 heeft de verpleegkundig specialist telefonisch contact gehad met klagers moeder. Hiervan heeft zij onder meer genoteerd:

”Daarna komt er contact vanuit vader naar M. Dan is duidelijk wat er vanuit E nodig is: verwijzen naar J ofwel een andere plek zoeken voor vervolgbegeleiding. HA heeft bij moeder aangegeven dat zij niet de medicatiebegeleiding overneemt. Moeder heeft zich teruggetrokken uit het deel van vervolgbegeleiding omdat ze er boos om wordt, vader neemt dit nu over. N VS I over 1 week CAVE vervolg vanuit E.”

3.10     De verpleegkundig specialist heeft op 30 mei 2024 genoteerd:

“N met vader Labuitslagen aan vader medegedeeld

(…)

Vader laat duidelijk merken dat hij meer verwacht vanuit E. Er lijken mogelijkheden te liggen bij J. Beleid: Op verzoek van vader toch afspraak inplannen vervolgconsult medicatie, omdat A graag verder gaat met afbouwen en nog onder controle is bij E Poli-afspraak eind juni ingepland bij VS I O vragen naar haar planning voor A t.a.v. vervolgbegelelding 18+ (…).”

3.11     Omdat de e-mail van de behandelcoördinator aan klagers ouders van 17 mei 2024 niet door hen was ontvangen, heeft de behandelcoördinator deze op 31 mei 2024 opnieuw gestuurd. Klagers vader reageerde onder meer:

“Het klopt inderdaad dat we gevraagd hebben om mee te denken met de overgang naar J. Wij weten niet hoe dat loopt en hebben daar graag hulp bij. Je vraagt ook of alles met de administratie gelukt is, samen met L. De verantwoordelijkheid voor de administratie en afronding ligt toch bij E? Dat zou dan toch in het systeem van E te zien moeten zijn? Wij hebben geen “administratieve afronding ” met L gehad. Bovendien is ons niet duidelijk wat er bij een “administratieve afronding hoort, dus we tasten nu in het duister en dat lijkt me geen goede basis voor de zorg voor A. Volgens mij moeten de afronding van de zorg en administratie eerst geregeld worden, voordat we een overdracht regelen naar de gemeente. Wij snappen het nu niet meer. Kun jij ons daar helderheid over geven? Graag horen wij dan ook wat er nog moet gebeuren om de zorg voor A bij E goed af te ronden, zodat we een overdracht naar de juiste partijen in gang kunnen zetten.”

Aan verweerder heeft de behandelcoördinator diezelfde dag aangegeven graag een afsluitgesprek in te plannen met verweerder als regiebehandelaar, waarbij zij als datum 13 juni 2024 voorstelde.

3.12     Op 4 juni 2024 heeft de verpleegkundig specialist genoteerd dat ouders en de huisarts het er samen over eens waren dat de medicatiebegeleiding niet zou worden overgedragen aan de huisarts. 

3.13     Volgens een notitie van de behandelcoördinator van 4 juni 2024 hadden ouders op dat moment alles kunnen regelen omtrent de WLZ en wilden ze alleen nog een gesprek ter afsluiting en overdracht, waarbij zij J als optie hadden.

3.14       Per e-mail van 6 juni 2024 heeft de behandelcoördinator aan klager en zijn ouders uitleg gegeven over verwijzing door de huisarts naar J indien gewenst. Verweerder zou een overdracht/afsluitbrief schrijven en de medicatie zou door J kunnen worden overgenomen en in de tussentijd mogelijk door de huisarts.

3.15     Klagers vader heeft hierop bij e-mail van 7 juni 2024 een reactie gegeven, onder meer inhoudende:

“We hebben van E zwart op wit toezeggingen dat E met ons verder gaat kijken naar passende zorg voor A vanaf zijn 18e verjaardag. Inmiddels doen we alles zelf omdat E blijkbaar niet voornemens is haar eigen afspraken na te komen. De “keuze” voor J is omdat P daar toevallig onder behandeling is en we geen begeleiding krijgen bij deze keuze. Er is niet met ons meegedacht. A is momenteel onder behandeling van een arts van E en het verbaasd mij E wil dat een andere arts de doorverwijzing doet. De verantwoordelijkheid van een correcte doorverwijzing is de taak van de behandelend arts. U geeft aan dat medicatie naar de huisarts gaat. We hebben dit al zeker 4 keer aangegeven dat onze huisarts daar niet mee akkoord gaat. U heeft zelf bij ons aangegeven dat E hier ook na de verjaardag van A verantwoordelijk in blijft. Ik heb op 30 mei telefonisch met I afgesproken dat A onder behandeling blijft bij de psychiater wij verwachten meer van E. De vervolgafspraken staan daar al voor gepland. Vervolgens krijg ik weer het bericht dat E de medicatie probeert af te schuiven. Het is voor mij helder dat de zorginstelling E de noodzakelijke hulp voor A niet verleend. En daar ga ik niet mee akkoord. De manier waarop dit gaat is voor mij niet meer acceptabel en ik beraad me op vervolgstappen. Het antwoord op de vraag of dit voldoende is, is overduidelijk dus “Nee”.”

In reactie hierop heeft de behandelcoördinator aan klagers vader laten weten verweerder te zullen vragen contact op te nemen.

3.16     Op 9 juni 2024 hebben verweerder en de behandelcoördinator een aan klager gerichte afsluitbrief opgesteld. Hierin is onder meer vermeld dat met ouders is afgesproken het traject bij E te sluiten en dat ouders via de huisarts een verwijzing kunnen regelen naar de volwassen ggz.

3.17     De verpleegkundig specialist heeft verweerder en de behandelcoördinator op 12 juni 2024 verzocht contact op te nemen met klagers vader voor afstemming rondom medicatie en het vervolg.

3.18     Op 13 juni 2024 heeft de verpleegkundig specialist telefonisch contact gehad met klagers vader. Deze was volgens de notitie van de verpleegkundig specialist boos. Afgesproken werd om tijdens een consult de opties voor klager voor vervolgbegeleiding te bespreken en dat tot aan de overname E de medicatiecontroles zou blijven doen.

3.19     De verpleegkundig specialist heeft op 17 juni 2024 de mogelijkheden bij verschillende zorgaanbieders onderzocht, waaronder J. De wachttijd aldaar bleek ongeveer een jaar te zijn.

3.20     Op 19 juni 2024 zijn klager en zijn vader op consult geweest bij de verpleegkundig specialist. Onder meer zijn hierbij de verschillende vervolgopties besproken. Ten aanzien van J is genoteerd dat ouders hier geen goede ervaringen mee hebben. De volgende dag zou een telefonisch consult plaatsvinden vanuit J. Afgesproken werd dat de verpleegkundig specialist een overzicht zou maken met de verschillende opties.

3.21     Tijdens een MDO op 20 juni 2024 is verweerder bijgepraat over het proces.

3.22      Op 24 juni 2024 hebben klager, zijn vader, verweerder en de verpleegkundig specialist met elkaar gesproken over de behoeften ten aanzien van het vervolg. Afgesproken werd dat na drie weken verder in gesprek zou worden gegaan met verweerder en de verpleegkundig specialist.

3.23     Bij een extern overleg (de transfertafel) op 27 juni 2024 is vanwege de lange wachttijd bij J geadviseerd om mogelijk ondertussen al zorg in te zetten bij zorgaanbieder Q, waar een wachttijd van twee weken zou gelden. Ook is geadviseerd over het opstarten van WMO en over vrijgevestigde psychotherapie.

3.24     Tijdens een vervolggesprek tussen de verpleegkundig specialist, klager en zijn vader op 15 juli 2024, hebben klager en zijn vader hun boosheid geuit over de traagheid van het proces. Afgesproken werd onder meer dat vader Q zou benaderen.

3.25     Klager en zijn vader hebben op 22 juli 2024 telefonisch aan de verpleegkundig specialist teruggekoppeld dat zij bij Q waren langs geweest en door Q teruggebeld zouden worden. Het voorstel was om, na nadere informatie van Q, een MDO in te plannen met E/Q/J voor de korte en lange termijn.

3.26     Uit een e-mail van de verpleegkundig specialist aan klager en zijn vader van 9 oktober 2024 blijkt dat een traject bij Q niet mogelijk was en dat de huisarts inmiddels een verwijzing naar J had geregeld.

3.27     Op 14 en 29 oktober 2024 vond telefonisch contact plaats tussen de verpleegkundig specialist en klagers vader. Klager stond inmiddels op de wachtlijst bij J. Bij het laatste contact gaf vader aan dat E binnen het gezin een rode vlag was geworden. Na het afscheid van de vorige psychiater was vervolgbegeleiding volgens vader uitgebleven. E had zich volgens vader niet aan de afspraak gehouden om klager te begeleiden tot er andere hulpverlening was gestart. Afgesproken werd dat vader contact op zou nemen met de huisarts en dit zou terugkoppelen.

3.28     Bij e-mailcontact met klagers vader op 5 december 2024 bleek dat de verpleegkundig specialist meerdere e-mails van hem had gemist. Klager ging op dat moment achteruit en volgens zijn vader waren ze met de huisarts bezig met een andere partij om de noodzakelijke hulp in gang te zetten. Klager wenste (zoals ook al eerder verzocht) inzage in zijn dossier en overdrachtsdocumentatie van E.

3.29     Op 31 december 2024 heeft de verpleegkundig specialist nog een e-mail naar klagers vader gestuurd om te vragen naar het vervolg op de intake bij J.

3.30       Hierna hebben verweerder en de verpleegkundig specialist op 21 januari 2025 (nogmaals) een afsluitbrief opgesteld.

4. De klacht en de reactie van de psychiater

4.1     Klager verwijt de psychiater:

  1. dat hij eerder actie had moeten ondernemen om klager te kunnen verwijzen naar J;
  2. dat hij eerder actie had moeten ondernemen om klager te kunnen verwijzen naar Q;
  3. dat in zijn afsluitbrief van 21 januari 2025 wordt verwezen naar een diagnostisch

onderzoek en diagnose van 9 juni 2024, terwijl dat onderzoek niet heeft plaatsgevonden.

4.2     De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdelen a) en b) actievere houding klager te verwijzen

5.2     In de kern komen klachtonderdelen a) en b) erop neer dat klager het verweerder verwijt dat hij zich onvoldoende actief heeft opgesteld in het verwijzen van klager voor vervolgzorg (naar respectievelijk J en Q) na het bereiken van zijn achttiende verjaardag. De klachtonderdelen lenen zich daarom voor gezamenlijke bespreking.

5.3     Met het vertrek van de voormalig behandelend psychiater van klager eindigde die behandelrelatie en nam verweerder de behandeling over als regiebehandelaar. Op dat moment was al duidelijk dat klager het jaar erna achttien zou worden en dat E niet in het vervolg van de zorg zou kunnen voorzien. Ter zitting is het college duidelijk geworden dat de situatie waar klager en diens ouders samen met verweerder en het behandelteam in terecht zijn gekomen na het vertrek van de behandelend psychiater, complex was. Verweerder werd op het moment dat hij het regiebehandelaarschap van klager overnam, geconfronteerd met een gebrekkige overdracht en een summier dossier. Ook bleek klager een goede vertrouwensband met zijn voormalig psychiater te hebben en ervoer verweerder weerstand van de kant van klager en zijn ouders. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij het gevoel had met 1-0 achterstand te zijn begonnen. Daar kwam bij dat de achttiende verjaardag van klager naderde, maar klager en zijn ouders enerzijds en verweerder en het behandelteam anderzijds, niet op één lijn zaten wat betreft de benodigde vervolgzorg na het bereiken van de achttienjarige leeftijd door klager. Dit lijkt er mede debet aan te zijn geweest dat een behandelplan met daarin de te nemen stappen voor de overdracht van de zorg van klager na zijn achttiende verjaardag niet van de grond is gekomen.

5.4     Hoewel het college oog heeft voor deze complicerende factoren, is het van oordeel dat verweerder zich te passief heeft opgesteld tijdens dit proces. Uit de dossiervoering en contacten met het behandelteam komt een duidelijk beeld van onvrede aan de zijde van klager en zijn ouders naar voren. Gelijktijdig laat het ook een beeld zien van moeizaam contact en onvermogen om tot goede afspraken te komen om de zorg voor klager na zijn achttiende verjaardag te waarborgen. Het college is van oordeel dat het op de weg van verweerder als regiebehandelaar had gelegen om, juist gezien de moeizame situatie en dynamiek, de naderende einddatum bij E en ook de lange wachtlijsten voor vervolgzorg, een actievere rol te nemen om alle betrokkenen aan tafel te krijgen en tot een passend behandelplan voor de overdracht te komen. Verweerder heeft zich te afwachtend opgesteld en daarbij onvoldoende duidelijk gemaakt aan klager en zijn ouders wat verweerder, mede gezien de gebrekkige overdracht en dossiervoering, nodig had om een adequate en passende verwijzing te maken voor klager. Ook is het college van oordeel dat verweerder de keuze voor de vervolgbehandeling te veel bij klager en zijn ouders heeft gelaten. Het is duidelijk dat klager en zijn ouders zich ongehoord voelden en het college kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er te veel bij de ouders van klager werd neergelegd, waarbij zij te veel werden belast met vragen waar hun kennis tekortschoot, in een periode waarin zij zelf ook aangaven overbelast te zijn.

5.5     Het voorgaande in ogenschouw genomen oordeelt het college dan ook dat verweerder tekortgeschoten is in de zorg die hij richting klager diende te betrachten, meer in het bijzonder de zorg voor een goede overdracht vanuit de jeugd-GGZ naar de volwassen-GGZ. Daarbij onderkent het college dat verweerder gezien de complexe situatie niet voor een eenvoudige taak stond. Dat neemt echter niet weg dat, juist ook vanwege deze complexe situatie, een meer actieve opstelling van verweerder had mogen worden verwacht dan hij heeft laten zien. De klachtonderdelen a) en b) zijn dan ook gegrond.

Klachtonderdeel c) foutieve datering en referentie naar diagnostisch onderzoek in afsluitbrief

5.6       Dit klachtonderdeel ziet op de (definitieve) afsluitende brief die door verweerder en de verpleegkundig specialist is opgesteld en is gedateerd op 21 januari 2025. In de betreffende brief wordt volgens klager gerefereerd aan een diagnostisch onderzoek dat zou zijn uitgevoerd op 9 juni 2024, terwijl op die dag geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft verweerder aangeven dat het hem een raadsel is waar de betreffende datum vandaan komt. Desgevraagd is door verweerder toegelicht dat het een classificatie betreft ter bevordering van de communicatie tussen verschillende zorgverleners, maar geen diagnose. De vermelding van deze classificatie betekent niet dat er op 9 juni 2024 een onderzoek heeft plaatsgevonden. Namens verweerder is, mede onder verwijzing naar de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 12 januari 2026 (ECLI:NL:TGZCTG:2026:12),aangevoerd dat het een verschrijving betreft, een kennelijke fout. Volgens verweerder is zeker niet bedoeld ermee te suggereren dat specifiek op deze datum  de bedoelde diagnose is gesteld. Voorts wordt opgemerkt dat verweerder heeft aangeboden de brief te corrigeren. Daar is door klager niet op ingegaan.

5.7     Het college volgt verweerder in zijn verweer dat de datum in de afsluitende brief betrekking heeft op een classificatie waaronder klager is behandeld en geen betrekking heeft op een datum waarop een onderzoek is verricht en/of een diagnose is gesteld. Het is onduidelijk gebleven waar deze datum in de brief vandaan komt. Het college ziet alleen dat de eerste versie van de afsluitende brief (zie hiervoor bij 3.16) van 9 juni 2024 dateert. Denkbaar is dus dat de in de brief van 21 januari 2025 opgenomen datum daaruit is overgenomen. Wat daar echter ook van zij, het college ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat met deze datering is bedoeld te suggereren dat er op die dag een diagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Voor zover die datum al betekenis heeft, betreft het een kennelijke vergissing, waarvan is aangeboden deze te corrigeren. Gezien deze context levert dit dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klachtonderdeel c) is dan ook ongegrond.


Slotsom

5.8
Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a) en b) gegrond zijn en klachtonderdeel c) ongegrond.

Maatregel
5.9      Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college bepalen of een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke maatregel passend is.

Hoewel het college oog heeft voor de context waarin verweerder de zorg voor klager als regiebehandelaar overnam, waarbij sprake was van een zeer summiere overdracht en verslaglegging, een moeizaam op te bouwen relatie met klager en zijn ouders en de wisselende signalen die verweerder over de wensen van klager en zijn ouders ontving, had het op de weg van verweerder als regiebehandelaar gelegen om juist in die context doortastender op te treden. Het college is van oordeel dat verweerder op dat punt tekortgeschoten is in de zorg richting klager. Ter zitting heeft de psychiater aangegeven dat hij zich richt op de wensen van de patiënt, maar dat hij inziet dat hij in een dergelijke situatie meer initiatief kan nemen om onduidelijkheden en verschillen van inzicht te voorkomen. Het college houdt er verder rekening mee dat het de eerste tuchtklacht is die tegen de psychiater is ingediend na een lange staat van dienst. Het college is van oordeel dat een waarschuwing onder de hiervoor beschreven omstandigheden passend is.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klachtonderdelen a) en b) gegrond;
  • legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door H.L. Wattel, voorzitter, C.A. Bol, lid-jurist,
G.S.H. Vegt, H.J. Kolthof en F. Harmanny-Wiersma, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.

secretaris                                                                                           voorzitter

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.