ECLI:NL:TGZRZWO:2026:26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8471

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:26
Datum uitspraak: 30-01-2026
Datum publicatie: 05-02-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8471
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een sportarts kennelijk ongegrond. Klaagster werd in 2024 door haar huisarts verwezen naar het ziekenhuis in verband met aanhoudende knieklachten. Daar werd zij gezien door de sportarts. Hierna werd beleid afgesproken en volgden nog twee telefonische consulten. Klaagster is niet tevreden over de behandeling die zij heeft gekregen en verwijt de sportarts dat zij op verschillende punten onzorgvuldig heeft gehandeld. Afgaande op de verslaglegging heeft het college geen aanleiding te twijfelen aan de door de sportarts gevolgde handelswijze en haar beoordeling. Ook is niet gebleken dat er in de (online) verslaglegging tuchtrechtelijk verwijtbaar fouten zijn gemaakt of zaken onvolledig zijn weergegeven.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 30 januari 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

arts sportgeneeskunde,

destijds werkzaam in D,

verweerster, hierna ook: de sportarts,

gemachtigde: mr. L. Beij, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort

1.1     Klaagster werd op 2 februari 2024 door haar huisarts verwezen naar het ziekenhuis in verband met aanhoudende knieklachten. Daar werd zij op 13 februari 2024 gezien door de sportarts. Hierna werd beleid afgesproken en volgden nog twee telefonische consulten. Klaagster is niet tevreden over de behandeling die zij heeft gekregen en verwijt de sportarts dat zij op verschillende punten onzorgvuldig heeft gehandeld.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift van 5 mei 2025, ontvangen op 8 mei 2025;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 juli 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 september 2025.
     

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek).

Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1     Klaagster werd op 2 februari 2024 door haar huisarts verwezen naar het ziekenhuis in verband met aanhoudende knieklachten. In de verwijsbrief van de huisarts staat daarover het volgende genoteerd (letterlijk overgenomen):


’’zie laatste deelcontact , knie klachten al langer dan een jaar recentelijk X-knie bij SEDN gedaan dd meniscus letsel graag uw beoordeling en behandeling ,
verwijzing overzoek van de patiënte’’.

 

3.2     Op 13 februari 2024 had klaagster een consult bij de sportarts. De sportarts deed onderzoek en kwam tot een vervolgbeleid. Dat beleid bestond uit het maken van een MRI en het volgen van een oefenprogramma met een sportfysiotherapeut. De MRI werd niet verricht, omdat klaagster dat niet wilde.
 

3.3     Vervolgens vond op 15 maart 2024 een telefonisch consult plaats. De sportarts noteerde hierover:
 

’’Beloop
Gezien angst voor MRI nu eerst FT gestart. Heeft intake gehad met E, gaat aan de slag met OT, controle 4 weken

Conclusie
Knieklachten links bij beperkte kracht in mn q-ceps en in mindere mate heupapbd.

 

Beleid
door oefentherapie, zn retour’’.

 

3.4     Na het consult stuurde de sportarts een brief met terugkoppeling van de behandeling aan de huisarts van klaagster.
 

3.5     Op 21 januari 2025 nam klaagster opnieuw telefonisch contact op met de sportarts.

Klaagster wilde een nieuwe röntgenfoto laten maken van haar linkerknie. De sportarts noteerde hierover:
 

’’Anamnese
Het ging best goed maar opeens weer meer klachten van het hele linker been. Voelt ‘gescheurd’. Daarbij ook herstellende van een zware griep. Wil heel graag de X knie opnieuw laten maken

 

Beleid
Op verzoek van patient de X knie herhalen, daarna telefonische controle’’.

 

3.6      Hierna liet klaagster per e-mail van 23 januari 2025 aan de sportarts weten dat zij had besloten eerst met de huisarts te overleggen alvorens verdere stappen (zoals het maken van een foto en een telefonische controle) te ondernemen. Ook gaf klaagster aan dat als er aanleiding was voor een vervolgtraject dit via de huisarts aan de sportarts gecommuniceerd zou worden.
 

3.7     Op verzoek van klaagster paste de sportarts op 21 maart 2025 haar brief naar de huisarts aan door onder het kopje ‘lichamelijk onderzoek’ het woord ‘obesitas’ te veranderen in ‘overgewicht’. Ook werd ‘telefonisch contact’ gewijzigd in ‘afspraak’.

4. De klacht en de reactie van de sportarts

1. Klaagster verwijt de sportarts dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld wegens:

2. onvolledige en onjuiste diagnostiek;

3. onjuiste medische verslaglegging;

4. onjuiste adresgegevens bij F;

5. gebrekkige opvolging en communicatie.
 

4.2     De sportarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren, omdat zij niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarnaast is de sportarts van mening dat zij niet aangesproken kan worden op handelen van andere zorgverleners en F, omdat zij daar niet bij betrokken is geweest.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de sportarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende sportarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de sportarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2      Het college oordeelt dat de sportarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdelen 1. en 4. Onvolledige en onjuiste diagnostiek, gebrekkige opvolging en communicatie
5.3     Het college oordeelt dat klachtonderdelen 1 en 4 ongegrond zijn. Niet is gebleken dat er sprake was onvolledige en onjuiste diagnostiek door de sportarts. Uit het medisch dossier blijkt dat het eerste poliklinisch consult bij de sportarts op 13 februari 2024 was en op dat moment een anamnese en lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Hierna werd het vervolgbeleid afgesproken. De sportarts vroeg een MRI aan, die klaagster uiteindelijk niet wilde laten doen. Destijds was er voor de sportarts geen aanleiding om ander aanvullend onderzoek te verrichten, omdat er een recente röntgenfoto beschikbaar was en met klaagster overeen was gekomen om eerst te starten met oefentherapie bij de fysiotherapeut. De sportarts behoefde naar het oordeel van het college toen ook nog niet andere (beeldvormende) onderzoeken te laten verrichten. Dat later in januari 2025 tijdens een telefonisch consult wel is afgesproken om een nieuwe foto te laten maken maakt de situatie niet anders. Het college vindt dat de sportarts inzichtelijk heeft gemaakt hoe haar onderzoek is geweest en welke overwegingen haar ertoe hebben gebracht om bepaalde keuzes te maken wat betreft het wel of niet laten uitvoeren van nadere diagnostiek. Afgaande op de verslaglegging heeft het college geen aanleiding te twijfelen aan de door de sportarts gevolgde handelswijze en haar beoordeling. Dat klaagster het (achteraf) niet eens was met de ingezette diagnostiek en het beleid, doet daaraan niet af. Bovendien heeft de sportarts klaagster telkens (ook na het laatste consult) te woord gestaan en van advies voorzien. Het college ziet daarom geen aanwijzingen om aan te nemen dat zij klaagster haar aanhoudende klachten niet serieus heeft genomen. Verder heeft de sportarts naar aanleiding van de (telefonische) consulten op 13 februari 2024, 15 maart 2024 en 21 januari 2025 schriftelijke terugkoppelingen gegeven aan de huisarts van klaagster. Klaagster liet eind januari 2025 zelf aan de sportarts weten de afspraken die zij hadden gemaakt (nieuwe röntgenfoto en telefonisch consult) te willen afzeggen en dat de huisarts voor een eventueel vervolgtraject weer met de sportarts contact zou opnemen. Dat de sportarts hieruit de conclusie heeft getrokken dat klaagster op dat moment geen verdere behandeling/controle en contact meer wenste is begrijpelijk. Van tekortkomingen in de opvolging en communicatie is geen sprake. De sportarts heeft aldus naar het oordeel van het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdelen 1 en 4 zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 2. Onjuiste medische verslaglegging
5.4     Dit klachtonderdeel gaat over de wijze waarop de sportarts informatie heeft gedeeld met klaagster en andere zorgverleners. In de terugkoppeling van 15 maart 2024 aan de huisarts stond onder lichamelijk onderzoek ‘obesitas’ zonder onderbouwing vermeld. Op verzoek van klaagster heeft de sportarts dit op 21 maart 2025 aangepast in ‘overgewicht’. Daarnaast verwijt klaagster de sportarts dat zij ten onrechte de medicatie niet heeft opgenomen in de brief. De sportarts heeft aangevoerd dat zij haar brieven/aantekeningen met de beste bedoelingen heeft gemaakt, zonder opzettelijk onjuiste informatie te verstrekken. Het feit dat klaagster dit anders heeft opgevat en het niet eens is met de inhoud van de brieven, dan wel met de bewoordingen van de sportarts betekent niet dat zaken onjuist zijn weergegeven.
Wat betreft het verwijt van klaagster over de zichtbaarheid van de foutieve versie van de brief in het online patiëntendossier, merkt het college op dat uit de e-mail op 2 april 2025 van het ziekenhuis aan de sportarts blijkt dat de ICT-afdeling de brief zal vervangen in het online dossier. De verantwoordelijkheid of dit uiteindelijk wel of niet is gelukt ligt niet bij de sportarts maar bij de ICT-afdeling. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat er in de (online) verslaglegging tuchtrechtelijk verwijtbaar fouten zijn gemaakt of zaken onvolledig zijn weergegeven. Klachtonderdeel 2 is daarmee ongegrond.

Klachtonderdeel 3. Onjuiste adresgegevens en fouten bij F
5.5     Voor zover klaagster betoogt dat de sportarts niet heeft geacteerd op het gebruik van foutieve adresgegevens bij F en deze heeft gecorrigeerd, overweegt het college dat het tuchtrecht uitgaat van persoonlijke verwijtbaarheid van de zorgverlener. Nu de sportarts geen invloed had op de werkwijze en het (digitale) systeem van de F, kan haar dit niet persoonlijk verweten worden. Uit de overgelegde medische stukken volgt dat de sportarts enkel betrokken is geweest bij de zorg die in 2024 en begin 2025 is verleend aan klaagster in het ziekenhuis. Het college kan in deze procedure alleen oordelen over het handelen van de aangeklaagde sportarts. Zij heeft bij de zorgverlening van F en omtrent de zorgverzekering geen betrokkenheid gehad en kan niet in tuchtrechtelijke zin aangesproken worden op het handelen van andere zorgverleners of instanties. Het is overigens gebruikelijk dat zorgverleners ook een telefonisch consult, zoals die met klaagster in januari 2025, als geleverde zorg declareren bij de zorgverzekeraar. Dat consult ging tenslotte over de (verdere) behandeling bij de sportarts. Ook klachtonderdeel 3 is ongegrond.

Slotsom
5.6     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 30 januari 2026 door J.G.W Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, C.C.P.M. Verheijen en L.E. de Rycke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

M.C. Sijtsema, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.